Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU7339

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
HV 200.091.663
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY5053, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY5053
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag: Adoptie van een meerderjarige ex artikel 1:228 BW

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van een dwingendrechtelijke bepaling als bedoeld in artikel 1:228 lid 1 onder a BW rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2012/80 met annotatie van I.J. Pieters
NJ 2013/134
Module Nationaliteitsrecht 2013/801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 6 december 2011

Zaaknummer: HV 200.091.663/01

Zaaknummer eerste aanleg: 228196 FA RK 10-5611

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.]

advocaat: mr. J.M.M. Hooijman,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 2 mei 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2011, heeft [X.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de adoptie uit te spreken van [Y.], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (hierna: [Y.]), als dochter van [A.] (hierna: de moeder) en [B.] (hierna: de vader), door [X.].

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. Hooijman,

- [Y.],

- de moeder,

- de vader.

3. De beoordeling

3.1. In eerste aanleg heeft [X.] de rechtbank verzocht de adoptie door hem uit te spreken van [Y.].

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van [X.] afgewezen.

De rechtbank overwoog dat niet is voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde voorwaarde, nu [Y.] op de dag van de indiening van het verzoekschrift, 6 december 2010, meerderjarig was.

De rechtbank overwoog voorts dat een recht op adoptie niet behoort tot een van de door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde rechten, maar dat een weigering om een adoptie toe te staan een inbreuk op artikel 8 EVRM met zich kan brengen. In dat geval zal sprake moeten zijn van zeer bijzondere omstandigheden, die een terzijdestelling van een dwingendrechtelijke bepaling rechtvaardigt. De rechtbank oordeelde dat van zeer bijzondere omstandigheden in de onderhavige zaak niet is gebleken.

3.3. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. [X.] stelt dat er wel sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die de adoptie van [Y.] rechtvaardigen en hij voert daartoe onder andere aan dat een weigering om een adoptieverzoek te honoreren op grond van van het enkele feit dat het betreffende kind op de dag van indiening van het verzoekschrift meerderjarig is een ongeoorloofde inmenging van het recht op een ongestoorde inrichting van het familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM kan opleveren.

Met verwijzing naar diverse jurisprudentie stelt [X.] dat hij, de moeder en [Y.] ter inrichting van hun familie- en gezinsleven, gebruik moeten kunnen maken van adoptie op grond van de volgende feiten en omstandigheden:

- [Y.] is geboren [geboortedatum] 1992 en sinds 1994 leeft [X.] in gezinsverband samen met de moeder en [Y.];

- sinds het vijfde levensjaar van [Y.] heeft zij geen contact meer met de vader;

- op 31 oktober 2008 heeft een wijziging van de geslachtsnaam plaatsgevonden waardoor [Y.] niet langer de naam van de vader draagt maar die van haar moeder;

- [X.] heeft in alle opzichten gedurende vrijwel het hele leven van [Y.] de vaderrol op zich genomen;

- tussen [X.], de moeder en [Y.] bestaat na 17 jaar van verzorging en opvoeding een zodanige nauwe betrekking dat deze moet worden aangemerkt als familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM;

- de vader maakt geen bezwaar tegen het adoptieverzoek;

- [X.] en de moeder hadden al geruime tijd, in ieder geval vanaf 2006, een adoptiewens, maar zij waren in de veronderstelling dat zij in ieder geval tot juni 2009 niet voldeden aan de samenlevingsplicht en dus geen verzoek tot adoptie konden indienen;

- het verzoekschrift tot adoptie is anderhalve maand na de meerderjarigheid ingediend, omdat de advocaat heeft verzuimd de termijn te bewaken;

- het belang van met name [Y.] om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie door totstandkoming van familierechterlijke betrekking weegt vele malen zwaarder dan het handhaven van de wettelijke termijn;

- de adoptie van [Y.] heeft niet het karakter van een kinderbeschermingsmaatregel, maar ziet op het tot stand brengen van familierechterlijke betrekkingen, hetgeen met name in het belang is van [Y.].

3.4.1. Resumerend stelt [X.] dat onder bovengenoemde omstandigheden hij, de moeder en [Y.] ingevolge artikel 8 EVRM en artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) het recht hebben om ter inrichting van hun familie- en gezinsleven van adoptie gebruik te maken, zodat de juridische status van het gezin in overeenstemming wordt gebracht met de sinds jaar en dag bestaande sociale en emotionele realiteit van het gezinsleven. Volgens [X.] zou een weigering adoptie toe te staan enkel omdat de voorwaarde van minderjarigheid hieraan in de weg zou staan in dit specifieke geval een ongeoorloofde inmenging op het recht van [X.], de moeder en [Y.] op een ongestoorde inrichting van hun familie- en gezinsleven opleveren.

3.5. Het hof overweegt het volgende.

3.5.1. Uit de inhoud van de processtukken en uit hetgeen door alle betrokkenen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gebracht is het hof het volgende gebleken.

Medio 1993 heeft [X.] een relatie gekregen met de moeder van [Y.]. [Y.] was toen één jaar oud. In maart/april 1994 stelt [X.] te zijn gaan samenwonen met de moeder en [Y.] en vanaf dat moment met hen een gemeenschappelijke huishouding te zijn gaan voeren. Blijkens het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie is de gestelde samenwoning van [X.] en de moeder van [Y.] op 13 juni 2006 geformaliseerd en vanaf die datum staan [X.], de moeder en [Y.] ingeschreven op hetzelfde adres.

[X.] en de moeder hebben op 18 augustus 2006 een notarieel samenlevingscontract gesloten.

Op 31 oktober 2008 heeft een wijziging van de geslachtsnaam van [Y.] plaatsgevonden en vanaf die datum draagt [Y.] de naam van de moeder.

3.5.2. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [X.] desgevraagd verklaard dat hij en de moeder sinds juni 2006 op de hoogte waren van het feit dat een samenleving van drie jaren een van de voorwaarden voor adoptie van [Y.] was.

Zoals de rechtbank in haar beschikking heeft overwogen was [X.] ermee bekend dat hij vanaf 13 juni 2009 tot 13 oktober 2010, de datum waarop [Y.] meerderjarig is geworden, de gelegenheid had het verzoek tot adoptie bij de rechtbank in te dienen.

Dat dit verzoek uiteindelijk meer dan een maand na de meerderjarigheid van [Y.] bij de rechtbank is ingediend, wijt [X.] aan een beroepsfout van zijn toenmalige advocaat.

Volgens [X.] heeft zijn advocaat verzuimd de termijn te bewaken waarbinnen het verzoekschrift bij de rechtbank moest worden ingediend. Volgens [X.] is dit een omstandigheid die hem niet kan worden tegengeworpen.

Ter zitting heeft [X.] nog desgevraagd verklaard dat met betrekking tot de achternaamswijziging van [Y.] bewust is gekozen voor de achternaam van de moeder, omdat [Y.] sinds jaar en dag met die achternaam door het leven gaat, dat [X.] nimmer mede het gezag over [Y.] heeft uitgeoefend en dat hij ook nooit van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt een verzoek bij de rechtbank in te dienen hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [Y.].

Ter zitting heeft de vader van [Y.] verklaard dat hij tot de datum van de naamswijziging van [Y.] in 2008 alimentatie voor haar heeft betaald en dat hij, nadat de naamswijziging van [Y.] een feit was geworden, geen onderhoudsbijdrage meer voor haar heeft betaald.

De vader betreurt het dat hij sinds vele jaren geen contact meer heeft met [Y.] maar ziet geen aanleiding het verzoek te weerspreken.

3.6. Het hof stelt vast dat [X.] en [Y.] voldoen aan de in artikel 1:228 BW gestelde voorwaarden met uitzondering van de vereiste minderjarigheid zoals opgenomen in sub a van dat artikel. Adoptie van een meerderjarige is naar Nederlands recht uitgesloten. Onbetwist is dat [Y.] meerderjarig was op 6 december 2010, het moment dat [X.] zijn verzoek tot adoptie van [Y.] bij de rechtbank indiende.

Gelet hierop is het op grond van nationaal-rechtelijke bepalingen niet mogelijk de inmiddels meerderjarige [Y.] te adopteren.

3.6.1. Beoordeeld dient te worden of de nationaal-rechterlijke bepaling tot weigering van een adoptie van een meerderjarige, buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met het internationale recht, meer in het bijzonder het EVRM, zoals door [X.] is gesteld.

3.6.2. Met betrekking tot de stelling van [X.] dat weigering tot adoptie van [Y.] door hem een ongeoorloofde inmenging oplevert op het recht van [X.], de moeder en [Y.] op een ongestoorde inrichting van hun familie- en gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, overweegt het hof dat het feit dat adoptie niet mogelijk is zonder dat voldaan wordt aan de voorwaarden die de nationale wet aan adoptie stelt niet kan worden aangemerkt als een inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM. Het recht op adoptie wordt als zodanig niet door artikel 8 EVRM gegarandeerd. De Europese Commissie voor de rechten van de mens heeft destijds bij herhaling beslist dat:

‘the right tot adopt is not, as such, included among the rights and freedoms guaranteed by the Convention, and that there is no positive obligation for the Contracting States under article 8 of the Convention to grant to a person the status of adoptive parent of adoptive child.’

3.6.3. Terwijl het recht op adoptie als zodanig niet door artikel 8 EVRM gegarandeerd wordt, kan onder bepaalde bijzondere omstandigheden een weigering om een adoptie toe te staan echter wel een inbreuk op de door artikel 8 EVRM gegarandeerde rechten met zich meebrengen. In dat geval zal sprake moeten zijn van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van een nationale dwingendrechtelijke bepaling rechtvaardigt.

3.6.4. [X.] heeft in dat verband met name als zeer bijzondere omstandigheid aangevoerd dat de handelwijze van zijn advocaat, die zou hebben verzuimd de termijn te bewaken waarop het verzoek bij de rechtbank uiterlijk had moeten zijn ingediend, de reden is geweest dat het verzoek tot adoptie na de meerderjarigheid van [Y.] is gedaan.

Los van de overige in rubriek 3.4. door [X.] weergegeven feiten en omstandigheden, kan de stelling van [X.] dat zijn advocaat heeft verzuimd de termijn te bewaken en [X.] dus niets te verwijten valt, niet betekenen dat in casu op grond van deze omstandigheid een dwingendrechtelijke bepaling als bedoeld in artikel 1:228 BW terzijde zou moeten worden gesteld. Ook de overige in rubriek 3.4. weergegeven feiten en omstandigheden rechtvaardigen een terzijdestelling van genoemde dwingendrechtelijke bepaling niet.

3.6.5. Hoe begrijpelijk de wens van [X.] tot adoptie van [Y.] ook is, het hof is van oordeel dat van hiervoor bedoelde zeer bijzondere omstandigheden in de onderhavige zaak niet is gebleken. Het zou, behoudens zeer bijzondere gevallen, de rechtsvormende taak van de rechter ver te buiten gaan om, indien het hof adoptie van meerderjarigen zou toestaan daar waar de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen alleen adoptie voor minderjarigen, vanuit de gedachte dat adoptie een maatregel van kinderbescherming is, toe te staan.

3.6.6. Overigens heeft [Y.] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook niet kunnen aangeven wat het voor haar zelf zou betekenen indien zij zou worden geadopteerd, anders dan dat de adoptie door [X.], die sinds jaren een vaderrol vervult voor haar, de sinds jaar en dag bestaande sociale realiteit van het gezinsleven bevestigt.

3.6.7. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 2 mei 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. mr. P.C.G. Brants, mr. C.D.M. Lamers, en mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.