Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU7306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
20-003836-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BN9772, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:950, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

289 Sr. De verdachte en zijn medeverdachte hebben opzettelijk een aanrijding veroorzaakt met als gevolg dat de bestuurder van de aangereden auto om het leven is gekomen. De uitvoering van dat gezamenlijke plan bestond erin dat de verdachte met de auto een onoverzichtelijke kruising opreed op het moment dat de medeverdachte per telefoon waarschuwde dat er een auto kwam aanrijden. Het hof kwalificeert dit handelen als “medeplegen van moord” en veroordeelt de verdachte daarvoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 302
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003836-10

Uitspraak : 8 december 2011

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 oktober 2010 (LJN BN9772) in de strafzaak met parketnummer 01-845440-09 tegen de verdachte,

[verdachte A],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid,

in de gevangenis op locatie ‘De Geerhorst’ te Sittard,

waarbij hij ter zake van “medeplegen van moord” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest; hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen werd ontzegd voor de duur van 10 jaren met aftrek van de tijd dat zijn rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest; en de onder hem in beslag genomen goederen verbeurd werden verklaard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2011, 23 juni 2011, 6 september 2011, 13 september 2011, 22 en 24 november 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 11 januari 2010, 19 maart 2010, 21 april 2010, 23 juni 2010, 30 juli 2010 en 24 september 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. H.E.G. Peters en hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. B.G.J. de Rooij naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde medeplegen van moord bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur voor 14 jaren met aftrek van voorarrest en hem daarnaast de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 10 jaren. Zijn vordering behelst voorts de verbeurdverklaring van de onder de verdachte in beslag genomen goederen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat slechts het meer subsidiair ten laste gelegde voor een bewezenverklaring in aanmerking komt. Bij wijze van een subsidiair standpunt heeft hij stelling ingenomen tegen de argumentatie voor de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Met betrekking tot het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid en de duur ervan heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet verenigen met het vonnis waarvan beroep. Daarbij verdient opmerking dat de ‘promis bewijsvoering’ van de rechtbank in die zin gebreken vertoont, dat sommige vastgestelde feiten en omstandigheden niet blijken uit de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg, [C] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg:

- op/bij/in de buurt van een (T-)kruising op het Kraanmeer met een personenauto (merk Audi) gewacht en/of;

- (telefonisch) met elkaar in contact gestaan om elkaar (telefonisch) te waarschuwen op welk moment de auto van die [C] genoemde (T-)kruising dicht genoeg was genaderd en/of;

- is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (vervolgens) met die Audi met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid die (T-kruising) opgereden en/of;

- met de bedoeling met die Audi tegen de auto van die [C] aan te rijden en/of te botsen en/of;

- is het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) bestuurde voertuig (Audi) daarbij/vervolgens tegen de auto van die [C] gereden en/of gebotst (op een moment dat die [C] een behoorlijke snelheid had) en/of;

- ten gevolge waarvan de door die [C] bestuurde auto tegen een boom is gebotst/gereden en/of;

ten gevolge waarvan voornoemde [C] is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [C], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg, zwaar lichamelijk letsel ((zeer ernstig) schedelhersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg te handelen als volgt:

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) heeft/hebben:

- op/bij/in de buurt van een (T-)kruising op het Kraanmeer met een personenauto (merk Audi) gewacht en/of;

- (telefonisch) met elkaar in contact gestaan om elkaar (telefonisch) te waarschuwen op welk moment de auto van die [C] genoemde (T-)kruising dicht genoeg was genaderd en/of;

- is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (vervolgens) met die Audi met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid die (T-kruising) opgereden en/of;

- met de bedoeling met die Audi tegen de auto van die [C] aan te rijden en/of te botsen en/of;

- is het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) bestuurde voertuig (Audi) daarbij/vervolgens tegen de auto van die [C] gereden en/of gebotst (op een moment dat die [C] een behoorlijke snelheid had) en/of;

- ten gevolge waarvan de door die [C] bestuurde auto tegen een boom is gebotst/gereden,

terwijl het feit de dood van die [C] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het Kraanmeer, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt:

hij, verdachte, en/of (een) van zijn mededader(s) is/zijn - rijdende op het Kraanmeer - bij het naderen van de kruising van die weg met een ander deel van het Kraanmeer - met het door hem en/of (een) van zijn mededader(s) bestuurde motorrijtuig - onverhoeds en/of met aanzienlijke snelheid die kruising zonder te stoppen en/of althans zonder bijzondere voorzichtigheid te betrachten op en/of over gereden en daarbij de doorgang niet vrijgelaten waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aanrijding ontstond met/tussen dit door hem, verdachte, en/of (een) van zijn mededader(s), bestuurde motorrijtuig en de door de [C] bestuurde personenauto en/of waardoor een ander (te weten die [C]) werd gedood.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd.

De bij wijziging van de tenlastelegging toegevoegde woorden “althans na kalm beraad en rustig overleg” heeft het hof bovendien gelezen als “aldus na kalm beraad en rustig overleg”, nu daarmee in de rechtspleging juist uitdrukking wordt gegeven aan de daaraan voorafgaande woorden “met voorbedachten rade”.

Nu in het primair en subsidiair ten laste gelegde verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij en/of zijn mededader(s) ‘opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade’ heeft/hebben gehandeld, zal het hof na ‘met dat opzet’ (primair ten laste gelegde) en na ‘opzettelijk’ (subsidiair ten laste gelegde) toevoegen: ‘en al dan niet met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg’ nu sprake is van een kennelijke omissie. Door deze en overige wijziging(en) is de verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

Verkorte aanduiding

Waar het hof hierna in zijn overwegingen spreekt van [verdachte A], wordt bedoeld de verdachte [verdachte A]. Met [verdachte B] wordt bedoeld de medeverdachte [verdachte B].

Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

I. Het overlijden van [C]: tijd, plaats en oorzaak

Op 1 oktober 2009, omstreeks 16.57 uur, meldde [verdachte A] via het alarmnummer 112 aan het gemeenschappelijk meldcentrum van de politie te ’s-Hertogenbosch dat hij een ongeluk had gehad met een personenauto op het Kraanmeer tussen Uden en Erp in en dat de man van die auto “kei erg bloedde” en “bewusteloos” was.

Na de melding dat een aanrijding met letsel zou hebben plaatsgevonden, zagen ter plaatse gekomen politieagenten dat de aanrijding kennelijk had plaatsgevonden tussen een zwarte personenauto van het merk Audi, type A4 en voorzien van het kenteken [00-AA-BB], en een wit/oranje bestelauto van het bedrijf TNT Post, merk Renault, type Kangoo en voorzien van het kenteken [00-CC-00]. De Audi had schade aan de linkervoorzijde. De Renault werd in een droge sloot langs de rijbaan aangetroffen en was aan de linkerzijde zwaar beschadigd. Een boom die zich links naast de Renault bevond, was eveneens beschadigd.

In de Renault bevond zich een manspersoon, die op de bestuurdersstoel zat en voorover gebogen op het stuur lag. Twee agenten trokken hem achterover, zodat hij recht in zijn stoel zat en zagen dat hij een grote gapende wond in zijn hoofd had en hevig bloedde. Voorts kon geen hartslag worden waargenomen. Gelet op het weefsel en de haren die op de boom werden aangetroffen, is er – zo blijkt uit de Verkeersongevalsanalyse - contact geweest tussen het hoofd en de beschadigde boom.

Het slachtoffer overleed ter plaatse. De ter plaatse aanwezige dienstdoende bevelhebber van de brandweer ([O]) en een medewerker van de ambulancedienst ([P]) herkenden het slachtoffer als [C].

Op 3 oktober 2009 heeft arts en patholoog dr. B. Kubat een uit- en inwendige schouwing op het lijk van [C] verricht. Daarbij werden zeer ernstige letsels aan het hoofd en de hersenen gevonden, die het gevolg waren van zeer heftig uitwendig mechanisch botsend geweld (en dan met name vanuit links). Deze letsels waren bij leven opgetreden en verklaren het overlijden volledig. De deskundige komt zodoende in zijn deskundigenrapport tot de conclusie dat het overlijden van [C] volledig wordt verklaard door een zeer ernstig schedelhersenletsel en de daardoor opgetreden weefselschade.

II. De aanrijding

[verdachte A] verklaarde de bestuurder van de zwarte Audi te zijn geweest. Hij verklaarde over de aanrijding dat hij zijn Audi half in de berm van de zijstraat van het Kraanmeer had geparkeerd, dat hij vanuit de berm wegreed in de richting van de kruising en dat hij vervolgens daar met de linkervoorzijde van zijn Audi tegen het achterwiel aanreed van de naderende TNT-bestelauto. [verdachte A] heeft ter gelegenheid van de schouw d.d. 13 september 2011 aangewezen waar hij de Audi volgens hem had geparkeerd. Op afbeelding D van de fotobijlage neemt het hof waar dat de plaats waar de Audi volgens [verdachte A] geparkeerd stond, op zeer korte afstand is gelegen van de kruising.

Hoofdagente van politie [D] werd direct na het gebeuren door de getuige [E] gewenkt. Hij vertelde haar dat er “met deze aanrijding meer aan de hand was”. De bestuurder van de Audi had al langere tijd in de zijweg van het Kraanmeer gestaan en enkele minuten voor deze aanrijding al een bijna aanrijding veroorzaakt. In de nabije omgeving had hij bovendien een bellende manspersoon gezien. Direct na de ‘bijna aanrijding met de rode bestelauto’ zag hij dat de bestuurder van de Audi hard aan het lachen was. Hij zag ook dat de manspersoon, die aan het bellen was, ook aan het lachen was. De getuige [E] vertrouwde het niet en is daarom na de bijna aanrijding blijven kijken.

De aanrijding die vervolgens plaatsvond, omschrijft de getuige [E] in zijn politieverklaring als volgt.

“Ik zag dat er een PTT auto (het hof begrijpt: de bestelauto van TNT Post) aan kwam gereden uit de richting van Erp, rijdende in de richting van Uden. […] Ik zag dat de PTT auto de kruising naderde, waar die zwarte Audi Cabrio stond. […] Ik zag dat die PTT auto de kruising over reed. Ik zag dat die bestuurder van de zwarte Audi Cabrio[…] de hoofdrijbaan op kwam gereden. Ik zag dat de zwarte Audi Cabrio met de voorzijde, de achterzijde van de PTT auto raakte. Ik zag dat die PTT auto rechts een sloot in reed.”

III. De situatie ter plaatse

In de Verkeersongevalsanalyse wordt de plaats waar de aanrijding heeft plaatsgevonden, aangeduid als een T-kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, beide genaamd het Kraanmeer, die buiten de bebouwde kom van Erp, gemeente Veghel, gelegen zijn. De bestuurder van de Renault ([C]) reed over het Kraanmeer (hierna te noemen: het Kraanmeer (ii), komende uit de richting Erp en gaande in de richting van Uden, in de richting van de T-kruising met rechts het Kraanmeer. De bestuurder van de Audi ([verdachte A]) reed over het Kraanmeer (hierna te noemen: het Kraanmeer (i)), komende uit oostelijke richting en gaande in westelijke richting, in de richting van de T-kruising met links en rechts het Kraanmeer. Voor [C] naderde [verdachte A] derhalve van rechts. De T-kruising betreft een gelijkwaardige kruising, zodat [C] voorrang aan [verdachte A] had moeten verlenen. Op het Kraanmeer (ii) was de maximumsnelheid 60 kilometer per uur. De rijbaan daarvan had van links naar rechts het volgende profiel: een 0,7 meter brede uitwijkstrook, een 4,5 meter brede rijstrook, een 0,6 meter brede uitwijkstrook en een 4,9 meter brede grasberm met sloot. Op de van de Verkeersongevalsanalyse deel uitmakende foto’s neemt het hof waar dat zowel aan de linker- als de rechterzijde van het Kraanmeer (ii) meerdere bomen naast de rijbaan staan en dat naast de bomen aan de linkerzijde van het Kraanmeer (ii) een fietspad is gelegen met aansluitend een grasberm waarop een bankje staat. Dat bankje bevindt zich op korte afstand van de T-kruising. Het zicht naar rechts, aldus op het Kraanmeer (i), is beperkt door een dicht op de hoofdrijbaan van het Kraanmeer (ii) staande woning met in de tuin struiken en bomen. Dat heeft het hof tijdens zijn op 13 september 2011 gehouden schouw ook waargenomen. In het bijzonder nam het hof toen waar dat het op het Kraanmeer (ii) gelegen bankje vanaf de plaats waar [verdachte A] met de Audi zegt te hebben gestaan moeilijk zichtbaar is en dat dit ermee samenhangt of [verdachte A] in de auto heeft gezeten of naast de auto heeft gestaan. [verdachte A] heeft ter gelegenheid van de voormelde schouw verklaard dat, als iemand op de rugleuning van het bankje zit, die persoon vanaf de plaats (waar de Audi heeft gestaan) wel gemakkelijk te zien is.

[verdachte A] verklaarde tegenover de politie dat hij het Kraanmeer goed kent en in het verleden veel over die weg heeft gereden. Hij reed toen ongeveer twee keer per week over de hoofdweg (naar het hof begrijpt: het Kraanmeer (ii)) van Nistelrode naar Helmond. Hij wist ten tijde van het ongeval dat er vaak hard werd gereden. Hij wist ook dat er ‘een bord stond met een gevaarlijke kruising’.

IV. Technisch onderzoek aan de voertuigen

De Audi en de Renault zijn aan een technisch onderzoek onderworpen. Uit dat onderzoek blijkt dat de voertuigen in een voldoende technische staat van onderhoud verkeerden en geen gebreken vertoonden die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan of het verloop van de aanrijding. De Audi vertoonde aan de voorzijde recente schade. De linker voorhoek, de linker koplamp en de voorbumper waren ontzet en beschadigd. In de schade aan de linker voorhoek werd een ‘voertuigvreemde lak, oranje van kleur, ogenschijnlijk de kleur oranje van de Renault’, aangetroffen. De Renault had recente schade aan de linker flank en rechter achterhoek. Het linker voorscherm en linker portier waren zwaar ontzet en beschadigd. Van het linker voorwiel was het geleidingsysteem ontzet en los gebroken. Het rechter achterscherm was aan de hoek ontzet en beschadigd. De achterbumper aan de rechterzijde was ontzet en gedeeltelijk los gebroken. De velgrand van het rechter achterwiel was ook gedeeltelijk ontzet. De Renault was uitgerust met een boordcomputer. Bij het uitlezen daarvan bleek dat de Renault om 16.56.35 uur een snelheid van 0 kilometer per uur had, een seconde daarvoor 19 kilometer per uur, twee seconden daarvoor 52 kilometer per uur, drie seconden daarvoor 67 kilometer per uur en vier seconden daarvoor 70 kilometer per uur. In de tijdspanne waarin de snelheid daalde van 52 kilometer per uur naar 19 kilometer per uur moet de botsing met de boom hebben plaatsgevonden waarbij in de laatste seconde de snelheid daalt van 19 kilometer per uur naar 0 kilometer per uur. Aan de hand van de schades en de aangetroffen sporen werden de Audi en de Renault onder een zodanige hoek geplaatst dat de vervormingen aan de voertuigen bij elkaar pasten en – naar het hof waarneemt op de van het proces-verbaal Technisch onderzoek deel uitmakende foto’s – de linker voorhoek van de Audi in aanraking moet zijn gekomen met de rechter achterhoek van de Renault. De hoek waaronder de twee voertuigen werden geplaatst, betrof een hoek van circa 135 graden.

V. Analyse van de aanrijding

De aanrijding is geanalyseerd door de deskundige prof. dr. ir. J.S.H.M. Wismans. In zijn rapport d.d. 19 april 2010 heeft hij de aanrijding in vier fasen onderverdeeld. De eerste fase heeft betrekking op de botsing van de Audi met de Renault. Naar de inschatting van de deskundige had de Renault op dat moment een snelheid van ongeveer 67 kilometer per uur en de Audi een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur. De bij de reconstructie van de botsing gevonden hoek van ongeveer 135 graden tussen de lengteassen van de beide voertuigen, betekent - onder de aanname dat de lengteas van de Renault ongeveer parallel was aan het Kraanmeer (ii) - dat de Audi op het moment van de botsing ongeveer 45 graden in de richting van Uden moet zijn afgebogen. In de tweede fase verminderde de snelheid van de Renault ten gevolge van een driftende/slippende beweging. De derde fase betrof de botsing van de Renault met de boom; de Renault had op dat moment een snelheid van ongeveer 44 à 45 kilometer per uur, terwijl de resterende snelheid direct na de botsing met de boom is geschat op 28 kilometer per uur. De vierde en laatste fase die daarop volgt, omvat de uitloop van de Renault tot dat deze in de berm tot stilstand is gekomen.

VI. Aan de aanrijding voorafgaande bijna aanrijdingen

Getuigen hebben verklaard dat op de meergenoemde T-kruising van het Kraanmeer (het hof begrijpt gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld: in elk geval voor 16.56 uur, namelijk het tijdstip van de aanrijding tussen de Audi en de Renault) drie bijna aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Bij deze bijna aanrijdingen waren de getuigen [F], [G] en [H] betrokken.

De getuige [F] verklaarde op 2 oktober 2009 hierover tegenover de politie als volgt.

“Gisteren, 1 oktober 2009, om een paar minuten voor vijf uur (het hof begrijpt: in elk geval voor 16.56 uur), […] [reed] ik in mijn zilvergrijze Mercedes Vito […] over het Kraanmeer komende vanuit de richting Erp en gaande in de richting van Uden. […] Ik zag voor mij [dat] aan de linkerzijde van de rijbaan een jongen staat te bellen. […] Deze jongen stond tussen het fietspad en de rijbaan […] [op] ongeveer 25 meter voor de T-splitsing […] [met] voor mij een weg naar rechts. Deze zijstraat heet ook het Kraanmeer. [Ik zag dat hij zijn blikveld een beetje in de richting van Erp had.]

Ik zag vervolgens een […] Audi Cabrio een stukje verder terug de zijstraat in staan. Ik schat dat deze auto ongeveer 5 à 6 meter terug in de straat stond. Ik zag dat deze auto stil stond. Op het moment dat ik op het kruisingsvlak ben, zag ik dat de Audi in mijn richting gereden kwam. […] Ik schrok hier […] van. […] Ik heb de Audi niet geraakt.”

Bij de rechter-commissaris voegde hij daaraan nog het volgende toe.

“Ik weet dat het een onoverzichtelijke kruising is en rem daar dan af. Ik zag in de zijstraat (het hof begrijpt: het Kraanmeer (i)) een donkere Audi Cabrio stil staan. Ik reed dan ook door en ineens zag ik dat die Audi opgereden kwam. […] Op het moment dat ik hem stil zag staan waren we in elkaars blikveld en moet hij mij ook gezien hebben. […] Ik liet het gas los tot ik op de kruising kon kijken, zag die auto stil staan en reed door. Op dat moment reed hij ook weg. [Hij begon gewoon te rijden toen ik de kruising opreed]. Ik was al voorbij voordat hij bij de kruising was. Ik heb hem niet verder de weg op zien rijden. […] Hij heeft niet voor mij geremd.”

Ook de getuige [G] maakte een dergelijk voorval mee. Op 2 oktober 2009 verklaarde zij hierover tegenover de politie als volgt.

“Op 1 oktober 2009, omstreeks 16.40 uur, ben ik van huis weggereden in onze auto, merk Nissan Primera, kleur blauw. […] Ik reed over [het] Kraanmeer te Erp in de richting [van] Uden. […] Ik reed met een snelheid van ongeveer 60 kilometer per uur. […] Toen ik bij de kruising kwam, op de hoek waar [I] woont (het hof begrijpt gelet op de verklaring van [I]: de meergenoemde T-kruising ), ging ik zachter rijden, omdat het een onoverzichtelijke kruising is. Toen ik vlak voor de kruising was, kwam er plotseling een auto van rechts, die de kruising opreed. […] [Die] bestuurder reed de kruising op zonder naar links of naar rechts te kijken. Die bestuurder zat alleen in de auto. Die […] auto was zwart of donkerblauw. […] Toen die auto aan de overkant van de weg was, draaide die bestuurder zijn auto en reed hij terug naar de plaats waar hij eerst vandaan gekomen was. Hij reed dus de zijstraat in, waar hij eerst vandaan gekomen was. Die auto heeft mij niet geraakt. […] Ik heb in de buurt van die kruising een jongen gezien die een telefoon aan zijn oor had. Dat was […] voor de kruising.”

De getuige [H] had zelfs bijna een frontale botsing met de bestuurderszijde van de Audi. Hij verklaarde hierover op 3 oktober 2009 tegenover de politie als volgt.

“Op 1 oktober 2009, rond 17.00 uur (het hof begrijpt: in elk geval voor 16.56 uur), […] reed [ik] in een Volkswagen Caddy, rood met grijs van kleur. Op de zijkant staat de naam [bedrijfsnaam]. Dat is een […] bedrijf. […] Ik reed van het werk naar huis […] op de weg van Erp naar Uden. De laatste kruising […] kwam er een wagen van rechts. […] [Ik reed] tussen de 80 en de 100 kilometer per uur. […] Ik zag een auto van rechts langzaam de weg oprijden. Ik verschoot me kapot. Ik ging vol in de remmen. Ik ben rechtdoor blijven rijden, recht op de auto af. Ik kon niks anders. Ik moest anders de bomen in en van de andere kant kwamen tegenliggers. Ik remde dus vol. De rook kwam van de banden af en ze piepten. Ik stond een halve meter voor het bestuurdersportier van de auto stil. Ik zag dat het een […] Audi was, ik meen een cabriolet, een tweedeurs. […] Ik keek hem (het hof begrijpt: de bestuurder van de Audi) eventjes aan. Toen heb ik mijn auto er voor langs gereden en ben weer verder gereden. That’s it. In mijn ogen, had hij hem ervoor willen gooien, want hij kon niet oversteken, omdat [er] van de andere kant ook auto’s aankwamen. […] [De bestuurder van de Audi] had een grijns op zijn gezicht. Hij lachte ook nog. […] Ik was zo verschoten, het sloeg in mijn benen, van de schrik […] [dat ik niet meer in mijn achteruitkijkspiegel heb gekeken].

[…] Als je van Erp afkomt, heb je geen zicht op auto’s die vanuit die weg komen, omdat er een boerderij voor staat. Als je heel dichtbij bent, kun je pas zien [of] er iemand staat te wachten ter hoogte van de boerderij.”

De getuige [E] heeft voornoemde bijna aanrijding waargenomen. Hij verklaarde tegenover de politie als volgt.

“Op 1 oktober 2009, omstreeks 17.00 uur (het hof begrijpt: in elk geval voor 16.56 uur), […] was ik bezig met brood rond te brengen. […] Ik ben op het adres [adres] te Erp brood af gaan geven. Ik had het brood […] afgegeven en ik liep terug naar mijn bus. Op dat moment hoorde ik banden piepen. Ik keek richting de weg en ik zag dat er een zwarte Audi Cabrio, vanaf rechts half op het Kraanmeer (het hof begrijpt: het Kraanmeer (ii)) stond. Ik zag dat een rode bestelauto, komende vanaf Erp en rijdende richting Uden, ook stil stond op die betreffende kruising. Ik hoorde dat die bestuurder van die rode bestelauto een noodstop moest maken, naar aanleiding van de piepende remmen. Ik zag later dat er remsporen van die rode bestelauto zichtbaar waren op het wegdek. Ik zag dat de zwarte Audi Cabrio achteruit reed. Ik zag dat de rode bestelauto verder reed in de richting van Uden. De bestuurder van de rode bestelauto passeerde mij. Ik zag dat die bestuurder nog aan het bijkomen was van het geen er zojuist gebeurd was. Ik reed vervolgens met mijn bus richting Erp. Ik kwam langs de zijweg waar de zwarte Audi Cabrio nog stil stond. Ik zag dat de mannelijke bestuurder mij lachend aankeek. Op dat moment zag ik dat er een manspersoon voor de woning van [K] stond te bellen. Ik zag dat die manspersoon ook aan het lachen was. Ik legde direct de link dat die twee manspersonen ook bij elkaar hoorden.”

Bij de beschrijving van deze bijna aanrijding past de verklaring van de getuige [J]. Hij legde op 5 oktober 2009 de volgende verklaring tegenover de politie af.

“Op 1 oktober 2009, omstreeks 17.00 uur (het hof begrijpt: in elk geval voor 16.56 uur), […] [reed ik in mijn zwarte Alfa Romeo 156] over [het] Kraanmeer uit de richting Uden. […] Ik reed 60 kilometer per uur. […] Ter hoogte van […] [een] zijweg aan de linkerkant (het hof begrijpt: het Kraanmeer (i)) zag ik […] een zwarte Audi Cabrio staan, nieuwer model. […] Er staat op de hoek een boerderijtje, dus iedereen die vanaf de andere kant (het hof begrijpt: vanuit de richting Erp) komt, kan hem niet zien. Pas als ze op de drempel zijn, kunnen ze een auto van rechts zien staan. […] Ik zag een tegenligger aankomen. Ik en die tegenligger komen tegelijk op die drempel aan, ter hoogte waarvan die Audi stond te wachten. Ik was eerder, ik reed net de drempel op en de tegenligger, een transportautootje […] van een of ander […]bedrijf, met […] letters op de zijkant, moest nog de drempel oprijden. […] Ik zag […] dat de Audi vanuit stilstand heel hard optrok en de drempel opreed. […] Hij gooide zijn auto voor die van mijn tegenligger en stopte precies voor het midden van de weg. De Audi zou in het bestuurdersportier van mijn auto zijn gereden als hij niet daar was gestopt. Het scheelde hooguit 10 centimeter. […] Ik schrok me kapot. Ik zag dat de tegenligger net op tijd kon stoppen. […] Ik zag dat de bestuurder die van de andere kant kwam zich schrap zette en vol remde. Hij kon niet naar links want daar was ik, rechts was hij bij mensen de tuin ingegaan en er ligt ook een sloot voor, dus daar kon hij ook niet heen. Ik denk dat de auto van de tegenligger hooguit een halve meter voor de Audi stil stond. Toen ik aan kwam rijden, zag ik die Audi al staan. Toen de Audi opreed, zag ik de bestuurder naar links kijken, in de richting van mijn tegenligger. […] Zijn [wielen waren helemaal niet ingedraaid, maar stonden recht vooruit, zag ik.] Toen ik voorbij was gereden, ben ik ongeveer 100 meter verder stil gaan staan, langs de weg bij een inritje. […] Ik zag de twee auto’s nog even staan. […] Toen zag ik dat de Audi achteruit het straatje inreed waar hij uit was gekomen en dat die [andere auto] doorreed. Ik heb nog ongeveer twee minuten gewacht op die Audi, of hij links of rechts zou gaan, maar dat gebeurde niet. Hij reed terug en ik heb hem daarna niet meer gezien.”

[verdachte A] verklaarde dat hij die dag inderdaad bijna in botsing was gekomen met een rode bestelauto.

VII. De bellende man

Uit de hierboven weergegeven verklaringen van de getuigen [F], [G] en [E] blijkt dat bij de drie bijna aanrijdingen - net als bij de aanrijding tussen de Audi en de Renault - op het Kraanmeer (i) voor de meergenoemde T-kruising aan de linkerzijde van de rijbaan (vanuit de richting Erp bezien) een man heeft staan bellen. Deze bellende man is ook andere getuigen opgevallen. De getuige [L] verklaarde dat hij op 1 oktober 2009 omstreeks 16.44 uur in zijn auto over het Kraanmeer reed in de richting van Uden, toen hij ter hoogte van een onoverzichtelijke kruising links langs de rijbaan op het fietspad een jonge jongen zag bellen. Hij zag dat deze jongen hem aankeek en vervolgens de zijstraat, vanuit de getuige gezien rechts (het hof begrijpt: Kraanmeer (i)), inkeek. Hij zag dat de jongen dit meerdere keren deed. Toen de getuige de onoverzichtelijke kruising opreed, zag hij in de voor hem rechts liggende zijweg (Kraanmeer (i)) een zwarte Audi Cabrio staan. Na het passeren van de kruising is hij aan het einde van het Kraanmeer (ii) omgedraaid en dezelfde weg teruggereden. Bij de kruising zag hij dat de Audi nog steeds op dezelfde plaats stilstond en dat de jonge jongen nog steeds op het fietspad naast de rijbaan stond te bellen.

De getuige [M] verklaarde dat zij op 1 oktober 2009 tussen 16.45 uur en 16.50 uur als taxichauffeuse over het Kraanmeer (ii) reed in de richting van Uden en vlak voor een onoverzichtelijke kruising aan de linkerkant van de weg een jongen op een bank zag die zat te bellen. De jongen zat met zijn kont op de rugleuning en zijn voeten op het zitgedeelte. Toen zij de drempel van de kruising opreed, zag zij een Audi in de zijweg staan.

De getuige [N] verklaarde dat zij op 1 oktober 2009 rond 17.00 uur, nog voordat de aanrijding plaatsvond (het hof begrijpt: voor 16.56 uur), een jonge jongen voor haar woning aan het Kraanmeer zag bellen. Zij zag geen auto of fiets bij die jongen.

De getuige [E] verklaarde tegenover de politie dat hij na de aanrijding tussen de Audi en de Renault met [I] buiten heeft gestaan en dat zij toen met de bellende man hebben gesproken. Bij de rechter-commissaris verklaarde hij dat hij vervolgens naar de auto van het slachtoffer is gelopen en dat [I] toen nog met die man stond te praten.

Volgens de getuige [I] heeft de man (het hof begrijpt: de bellende man) tegen hem gezegd dat hij “[verdachte B] heet en uit [woonplaats] kwam”. [I] legde hierover op de dag van de aanrijding de volgende verklaring af.

“Vandaag, omstreeks 16.50 à 17.00 uur, kwam ik thuis gereden vanuit de richting Erp. Ik ging voorbij mijn woning rechtsaf, ook het Kraanmeer (het hof begrijpt: het Kraanmeer (i)) in. Ik zag voor dat ik afdraaide ter hoogte van de woning aan de linkerzijde van de hoofdrijbaan een jonge jongen staan. […] Ongeveer 7 à 8 minuten [later] kwam [E] bij mij binnen. […] Hij vertelde dat er een aanrijding was gebeurd. […] Later zag ik een jongen weg lopen voor mijn woning langs de steeg in. Ik sprak hem aan en vroeg wat hij eerder aan het doen was met dat telefoneren. […] Ik liep terug en vervolgens ben ik weer achter hem aangelopen, ik wilde zijn naam weten. Hij heeft toen […] gezegd dat hij [verdachte B] heet en uit [woonplaats] kwam.”

[verdachte B] verklaarde tegenover de politie dat hij is opgegroeid in [woonplaats] en gaf bij dat verhoor als woonadres [adres] te [woonplaats] op. Over [verdachte A] verklaarde hij desgevraagd: “[verdachte A]…, dat is een kameraadje van mij.”

Op grond van onderzoek aan de telefoon van [verdachte A] kan worden vastgesteld dat [verdachte B] en [verdachte A] op 1 oktober 2009 om 15.30 uur een afspraak hadden. [verdachte A] deed de 112-melding betreffende de aanrijding vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Hij verklaarde tegenover de politie dat hij genoemd nummer het laatst gebruikte. In de onder hem in beslag genomen telefoon (merk Nokia, type N96) bevond zich geen simkaart, maar op het telefoongeheugen waren nog wel de volgende sms-berichten opgeslagen:

- een op 1 oktober 2009 te 12.06.43 uur naar [voornaam verdachte B] ([telefoonnummer 2]) verzonden sms-bericht met als inhoud “Ben om half 4 bij mij dan heh pik”;

- een op 1 oktober 2009 te 12.09.30 uur van [voornaam verdachte B] ([telefoonnummer 2]) ontvangen sms-bericht met als inhoud “Ja dan ben ik er zeker pikske :-P en naar de kapper geweest? Kijk maar uit nou ga je hard… :-P”;

- een op 1 oktober 2009 te 12.10.14 uur naar [voornaam verdachte B] ([telefoonnummer 2]) verzonden sms-bericht met als inhoud “Haha 245 nou… Ik zie je straks me maatje luv you”;

- een op 1 oktober 2009 te 12.11.20 uur van [voornaam verdachte B] ([telefoonnummer 2]) ontvangen sms-bericht met als inhoud “Haha oké is goed maatje…”.

[verdachte A] verklaarde tegenover de politie dat deze [voornaam verdachte B] in [woonplaats] woonde. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] stond indertijd op naam van [verdachte B]. [verdachte B] verklaarde bij de politie desgevraagd dat “het wel zou kunnen” dat hij contact met [verdachte A] had en een afspraak had gemaakt voor de middag van 1 oktober 2009. Ook [verdachte A] verklaarde dat “het kan” dat hij die dag een afspraak met [verdachte B] had.

Op grond van telecommunicatieonderzoek kan ook worden vastgesteld dat de telefoon van [verdachte A] kort voorafgaande aan de aanrijding met de Renault in verbinding heeft gestaan met de telefoon van [verdachte B]. De analyse van de historische verkeersgegevens van deskundige ir. ing. R.M. van der Knijff laat zien dat het telefoonnummer van [verdachte B] op 1 oktober 2009 te 16.45.24 en te 16.54.10 uur contact heeft geïnitieerd met het telefoonnummer van [verdachte A] en daarbij respectievelijk 522 seconden (het hof begrijpt: 8 minuten en 42 seconden) en 141 seconden (het hof begrijpt: 2 minuten en 21 seconden) met elkaar in verbinding hebben gestaan. De laatste verbinding heeft geduurd tot 16.56.45 uur.

Dit is 26 seconden voordat de telefoon van [verdachte A] een contact initieert met 112, want om 16.57.11 uur belt [verdachte A] 112 om het ongeval met de Renault te melden.

Op grond van diezelfde analyse kan voorts worden vastgesteld dat de telefoonverbinding van 16.54.10 uur heeft plaatsgevonden via telefoonmasten (zogenaamde basisstations) die in de directe omgeving van het Kraanmeer liggen. In meergenoemde analyse staat immers vermeld dat zowel bij aanvang als beëindiging van deze verbinding het telefoonnummer van [verdachte B] verbonden is met het Vodafone basisstation met Cell-ID 0420.2 en het telefoonnummer van [verdachte A] met het T-Mobile basisstation met Cell-ID 60768. Beide basisstations liggen in de directe omgeving - hemelsbreed ongeveer 3 kilometer - van “de PD (het hof begrijpt: de plaats delict) Kraanmeer” en zijn het meest waarschijnlijke basisstation wanneer op de locatie Kraanmeer te Erp een mobiele verbinding wordt gemaakt. De deskundige De Bekker verklaarde ter terechtzitting in eerste aanleg dat uit raadpleging van de gegevens uit de switch blijkt dat de telefoonverbinding van 16.45.24 uur, waaraan aanvankelijk een nullenregistratie was gekoppeld (veroorzaakt door een oude storing in het UMTS-netwerk van Vodafone), is aangevangen op UMTS-station 27.882 en is geëindigd op voornoemd GSM-basisstation 0420.2. De deskundige De Bekker verklaarde voorts dat het netwerk bij het gebruik van het UMTS-netwerk tijdens een gesprek automatisch kan overschakelen op het GSM-netwerk, indien de verbinding met het UMTS-netwerk te zwak is. Dat was waarschijnlijk bij deze telefoonverbinding gebeurd. Volgens de deskundige De Bekker zijn er in de omgeving van het Kraanmeer zogenaamde blinde vlekken in de dekking van het UMTS-netwerk. Volgens de deskundige Van der Knijff zal, indien men met een reeds opgebouwde verbinding in een blinde vlek terecht komt, de verbinding worden overgenomen door een basisstation van het GSM-netwerk.

VIII. De Audi A4 Cabriolet

De bij de aanrijding betrokken Audi A4 Cabriolet stond tot 23 september 2009 op naam van de broer van [verdachte B]. Deze verklaarde tegenover de rechter-commissaris dat hij de auto aan [verdachte B] had verkocht, maar nog een tijd op zijn naam had staan omdat deze niet door een jonger persoon (het hof begrijpt: door [verdachte B]) verzekerd kon worden. Dat past bij de weigering van de van 11 september 2009 gedateerde verzekeringsaanvraag van [verdachte B]. Sinds 23 september 2009 staat de Audi op naam van [verdachte A].

Voorts kan aan de hand van de op de telefoon van [verdachte A] opgeslagen foto’s en diens verklaring daarover worden vastgesteld dat [verdachte B] in de Audi heeft gereden. [verdachte A] verklaarde immers tegenover de politie dat [voornaam verdachte B] (het hof begrijpt: [verdachte B]) op de (het hof begrijpt: op 25 en 26 september 2009 gemaakte) foto’s 2 en 3 staat afgebeeld en dat deze foto’s door hem in de Audi zijn gemaakt.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

• Betrouwbaarheid van de verschillende getuigenverklaringen

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat geen van de getuigenverklaringen van het bewijs behoeft te worden uitgesloten. Uit het onderzoek ter terechtzitting is geen enkel objectief aanknopingspunt naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de inhoud van de getuigenverklaringen. In dat verband merkt het hof op dat van enige invloed door berichten in de media of op het internet niet is gebleken. De betreffende verklaringen zijn gedetailleerd en komen op het hof waarheidsgetrouw over, terwijl de getuigen daarin bij de rechter-commissaris - ook na vragen van de verdediging - hebben volhard. De verklaringen vinden bovendien steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft [verdachte A] bevestigd dat de bijna aanrijding met de door de getuige [H] bestuurde rode Volkswagen Caddy heeft plaatsgevonden. Deze bijna frontale aanrijding met de bestuurderszijde van de Audi is ook opgemerkt door de getuige [E] en naar het oordeel van het hof ook door de getuige [J], gelet op het door deze getuige genoemde tijdstip en de door deze getuige gegeven omschrijving van de bij de bijna aanrijding betrokken voertuigen. Mede in aanmerking genomen dat de twee andere bijna aanrijdingen hebben plaatsgevonden binnen een tijdspanne waarop de getuigen [L] en [M] een Audi op het Kraanmeer (i) hebben gezien, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van [verdachte A] dat hij bij die andere twee bijna aanrijdingen niet betrokken is geweest.

Ten aanzien van de verklaring van de getuige [I], dat de bellende persoon zich tegenover hem bekend maakte als “[verdachte B] uit [woonplaats]”, merkt het hof op dat deze verklaring direct op 1 oktober 2009 is afgelegd en steun vindt in de omstandigheden dat [verdachte B] die middag met [verdachte A] had afgesproken en dat [verdachte B], gelet op hetgeen hiervoor onder VIII is overwogen, in relatie kan worden gebracht tot de betrokken Audi. De verklaring van de getuige [I] vindt bovendien verdere bevestiging in de hierna te bespreken resultaten van het telecommunicatieonderzoek. Dat het opmerkelijk is dat [verdachte B] zichzelf op deze wijze in beeld heeft gebracht, doet daaraan niet af. De stelling dat aan de verklaring van de getuige [I] geen waarde kan worden toegedicht, omdat de getuige [E] erbij aanwezig was en deze de bellende man geen naam heeft horen zeggen en de getuige [I] daarnaar ook niet naar heeft horen vragen, mist feitelijke grondslag. De getuige [E] heeft immers verklaard dat hij op een bepaald moment naar de auto van het slachtoffer is toegelopen en [I] toen nog met de man heeft staan praten. Ook de omstandigheid dat de getuige [I] de verdachte [verdachte B] tijdens een fotoconfrontatie niet heeft herkend, doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring.

• Betrouwbaarheid van het telecommunicatieonderzoek

Voor zover de raadsman de stelling heeft betrokken dat de resultaten van het telecommunicatieonderzoek niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [verdachte B] ter plaatse van het Kraanmeer was en dat die resultaten daarom van het bewijs dienen te worden uitgesloten, overweegt het hof als volgt.

Vastgesteld is dat het telefoonnummer van [verdachte B] op 1 oktober 2009 kort voorafgaande aan de aanrijding tot tweemaal toe in verbinding heeft gestaan met het telefoonnummer van [verdachte A]. De eerste verbinding kwam tot stand om 16.45.24 uur en duurde 8 minuten en 42 seconden. De tweede verbinding kwam tot stand om 16.54.10 uur en duurde 2 minuten en 21 seconden. De deskundige Van der Knijff vermeldt in zijn rapport dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die erop duiden dat deze telefonische contacten niet hebben plaatsgevonden.

De stelling dat deze telefoonverbindingen in ieder geval geen relevante bijdrage kunnen hebben geleverd aan de aanrijding, wijst het hof van de hand. De enkele omstandigheid dat de getuigen [I] en [E] niet hebben gezien dat [verdachte A] heeft gebeld, betekent nog niet dat er tijdens de genoemde verbindingen geen gesprek/contact heeft plaatsgevonden. De telefoon van [verdachte A] - een Nokia N96 - heeft immers een luidsprekerfunctie. [verdachte A] hoeft zijn telefoon derhalve niet in zijn hand te hebben gehad, maar kan deze ook eenvoudigweg in de auto hebben neergelegd. Ook de omstandigheid dat de getuigen [verdachte A] niet hebben zien spreken, kan dat niet anders maken. [verdachte A] kan op die momenten ook alleen hebben geluisterd.

Voor zover de raadsman de stelling heeft betrokken dat [verdachte B] niet degene is geweest die met [verdachte A] in contact heeft gestaan, overweegt het hof als volgt. Nu de telefoon op naam van [verdachte B] stond, terwijl hij bovendien met [verdachte A] op 1 oktober 2009 had afgesproken om elkaar die middag te zien, staat naar het oordeel van het hof vast dat [verdachte B] degene is geweest die met [verdachte A] in contact heeft gestaan. Daar komt nog bij dat de persoon die aan het Kraanmeer heeft staan bellen, zich tegenover de getuige [I] bekend maakte als [verdachte B] uit [woonplaats]. Het geschetste alternatieve scenario, te weten dat een derde de schuld bij [verdachte B] in de schoenen heeft willen schuiven, is niet aannemelijk geworden. Dat klemt temeer nu uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die zelfs nog maar een begin van aannemelijkheid vestigen voor de stelling dat [verdachte B] zijn telefoon aan een ander zou hebben (kunnen) uitgeleend.

Hoewel uit het telecommunicatieonderzoek niet dwingend volgt dat de telefoon van [verdachte B] zich tijdens de telefoonverbindingen op het Kraanmeer bevond, is uit dat onderzoek wel gebleken dat zijn telefoonnummer tijdens het laatste telefooncontact verbinding heeft gemaakt met het basisstation dat het meest waarschijnlijk wordt aangestraald, indien dat telefooncontact op het Kraanmeer heeft plaatsgehad. Bovendien sluiten ook de gegevens van het eerdere telefooncontact de plaatsbepaling van het Kraanmeer niet uit. Het hof is zich ervan bewust dat behoedzaamheid moet worden betracht bij de bewijswaardering van de resultaten uit het telecommunicatieonderzoek. De resultaten vinden echter steun in andere bewijsmiddelen en kunnen daarom naar het oordeel van het hof tot het bewijs worden gebezigd.

• Tussenconclusie

Naar het oordeel van het hof kan uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden afgeleid dat [verdachte A] en [verdachte B] gezamenlijk het plan hadden opgevat om een aanrijding te veroorzaken op het Kraanmeer (ii) te Erp. De uitvoering van dat plan bestond daarin dat [verdachte A] met zijn Audi vanaf het Kraanmeer (i) de meergenoemde onoverzichtelijke T-kruising zou oprijden op het moment dat [verdachte B] vanaf het Kraanmeer (ii) per telefoon waarschuwde dat er een auto aankwam. De officier van justitie verwoordde het in eerste aanleg treffend: [verdachte B] vormde zodoende de ogen van [verdachte A]. De omstandigheid dat [verdachte A] in een tijdsbestek van circa een kwartier voorafgaande aan de fatale aanrijding ook drie bijna aanrijdingen heeft veroorzaakt, maakt dat een ongelukkig verkeersongeval, welk beeld uit de lezing die [verdachte A] geeft over de aanrijding met de Renault, door het hof niet aannemelijk wordt geacht. Het hof betrekt daarbij dat [verdachte A] tijdens zijn verhoren door de politie geen antwoord heeft willen geven op de vragen waarom hij op het Kraanmeer (i) aanwezig was en waarom hij meerdere keren de kruising was opgereden. Daar komt nog bij dat de verklaring van [verdachte A] dat de aanrijding plaatsvond toen hij linksaf richting Erp wilde afslaan , door het technisch onderzoek wordt weersproken. Uit dat onderzoek blijkt immers dat de Audi van [verdachte A] op het moment van de botsing ongeveer 45 graden in de richting van Uden moet zijn afgebogen.

• Het gesuggereerde motief: verzekeringspenningen

De advocaat-generaal heeft - in navolging van de politie, de officier van justitie en de rechtbank - gesuggereerd dat het motief voor de opzettelijke aanrijding gelegen moet zijn geweest in het opstrijken van verzekeringspenningen. Het hof is echter van oordeel dat het bewijs daarvoor ontbreekt. De omstandigheden dat de Audi aan [verdachte B] is verkocht en na diens geweigerde verzekeringsaanvraag op naam is gezet van [verdachte A] en dat [verdachte A] vervolgens een WA-verzekering voor die Audi heeft afgesloten, rechtvaardigen nog niet de conclusie dat [verdachte A] en [verdachte B] uit waren op het innen van verzekeringsgelden. Om die reden zal het hof in zijn overwegingen niet ingaan op een mogelijk motief.

• Voorwaardelijk opzet op de dood

De raadsman heeft ter adstructie van zijn tot vrijspraak strekkend verweer aangevoerd dat uit het voorhanden bewijs niet kan worden afgeleid dat [verdachte A] en [verdachte B] opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, hadden op de dood van [C]. Daartoe zijn de volgende drie stellingen ingenomen.

(i) De gedragingen van [verdachte A] brengen naar algemene ervaringsregels niet een kans op de dood met zich die aanmerkelijk kan worden genoemd.

(ii) Wanneer die aanmerkelijke kans wel wordt aangenomen, kan niet worden bewezen dat bij [verdachte A] daaromtrent wetenschap heeft bestaan.

(iii) In elk geval kan redelijkerwijs niet worden vastgesteld dat [verdachte A] die kans heeft aanvaard.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof hebben [verdachte A] en [verdachte B] opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de betreffende verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal moeten gaan om kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de betreffende verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

(i) De aanmerkelijke kans op de dood

In de onderhavige strafzaak bestaan de gedragingen van [verdachte A] en [verdachte B] uit het met een personenauto opzettelijk veroorzaken van een zijwaartse aanrijding op een onoverzichtelijke T-kruising, wetende dat het slachtoffer van die aanrijding over een 60 kilometer weg rijdt waar vaak harder wordt gereden en die weg – ter hoogte van genoemde T-kruising – betrekkelijk smal en omzoomd met bomen is. Door in voorwaartse beweging te (blijven) rijden in de richting van de door het slachtoffer bestuurde Renault en – gelet op de onoverzichtelijkheid van die T-kruising – door die met een aanmerkelijke snelheid rijdende Renault onverhoeds te naderen, waarbij [verdachte A] in zeer korte tijd en over zeer korte afstand is opgetrokken tot een snelheid van 25 kilometer per uur, en niet te stoppen toen die Renault zich op zeer korte afstand van die Audi bevond, hebben [verdachte A] en [verdachte B] naar regels van algemene ervaring de objectief aanmerkelijke kans dat de Renault als gevolg van de aanrijding van de weg zou geraken en zodanig (met die hoge snelheid) tegen een boom zou klappen dat het slachtoffer (daaraan) zou (komen te) overlijden op de koop toegenomen.

Het niet dragen van een autogordel en het met open zijraam rijden door het slachtoffer doet niet af aan de reeds (dat wil zeggen zonder rekening te houden met die bijzondere omstandigheden) aanwezige aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van de gedragingen van [verdachte A] en [verdachte B] zou komen te overlijden.

Voornoemde overwegingen vinden overigens steun in het standpunt van de deskundige Wismans. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde hij namelijk dat deze zijwaartse botsing een voorwaartse component heeft waardoor de kans groot is dat de bestuurder van de aangereden auto in een slip geraakt en de macht over het stuur verliest. Uit zijn verklaring begrijpt het hof voorts dat de kans op dodelijk letsel in grote mate wordt bepaald door de langs de rijbaan aanwezige bomen. Dat het slachtoffer in dit geval geen gordel heeft gedragen, maakt dat niet anders, zo blijkt uit zijn deskundigenrapport. Ook indien het slachtoffer een gordel had gedragen, acht hij de kans dat het hoofd van het slachtoffer met de boom in botsing zou komen nog steeds groot. Voorts sluit de deskundige Wismans met betrekking tot het rijden met een niet geopend zijraam het risico op dodelijk letsel bij een zijwaartse botsing niet uit, omdat afhankelijk van de sterkte en het soort glas waarvan het zijraam is gemaakt, het glas kan breken waardoor het hoofd door het gebroken zijraam alsnog buiten de auto terecht zal komen en alsnog contact zal kunnen maken met de stilstaande boom. Volgens de deskundige Wismans is –gelet op de eerder vastgestelde snelheid van de Renault – de kans op dodelijk letsel wanneer het hoofd met een dergelijke snelheid tegen de boom zou botsen nog steeds aanwezig.

De door de raadsman aangedragen alternatieve mogelijkheden - zoals een frontale botsing met de boom, het tussen twee bomen de sloot inrijden, het tot stilstand komen op de rijbaan en het met een dicht raam rijden - die de kans op dodelijk letsel zouden verminderen, doen aan de algemene regels van ervaring niet af. De aanmerkelijke kans op de dood eist immers niet dat het in alle gevallen slecht met het slachtoffer afloopt in die zin dat het slachtoffer komt te overlijden. Ook de door de deskundige ter terechtzitting ten aanzien van zijwaartse botsingen genoemde statistieken maakt de algemene ervaringsregels niet anders. Die statistieken hebben immers betrekking op zijwaartse botsingen in het algemeen en niet op zijwaartse botsingen onder de specifieke omstandigheden, te weten de smalle weg en de aanwezigheid van bomen, van dit geval.

(ii) Wetenschap van de aanmerkelijke kans

Afgezien nog van het feit dat de wetenschap van deze aanmerkelijke kans op de dood gelet op genoemde algemene ervaringsregels bij [verdachte A] en [verdachte B] mag worden verondersteld, is het hof van oordeel dat die wetenschap ook uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid. Het hof wijst er in dat verband op dat [verdachte A] de weg goed kende en wist dat het een gevaarlijke kruising was en dat er vaak hard werd gereden. [verdachte B] stond op het Kraanmeer (ii) en moet daarom ook gezien hebben dat het een gevaarlijke kruising betrof.

Daar komt bij dat voorafgaand aan de fatale aanrijding met de Renault, zowel [verdachte A] als [verdachte B] door de drie eerdere bijna aanrijdingen - en zeker door de bijna frontale aanrijding tussen de bestelauto van de getuige [H] en de bestuurderszijde van de Audi met de mogelijkheid van ernstige gevolgen zijn geconfronteerd.

(iii) Aanvaarding van de aanmerkelijke kans

Nu [verdachte A] en [verdachte B] na deze bijna aanrijdingen hun plan hebben doorgezet om op die bewuste T-kruising een aanrijding te veroorzaken, ligt in de aard van hun gedragingen besloten dat zij de kans op dodelijk letsel bewust hebben aanvaard. Met name het doorzetten na de bijna frontale aanrijding tussen de bestelauto van de getuige [H] en de bestuurderszijde van de Audi is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het gevolg dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan in dit geval niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat [verdachte A] en [verdachte B] de aanmerkelijke kans op dat dodelijk gevolg bewust hebben aanvaard. Bij de bijna frontale botsing tussen de bestelauto van de getuige [H] en de bestuurderszijde van de Audi lachte [verdachte A] en reed weer terug naar het Kraanmeer (i), terwijl tevens gezien is dat de man die stond te bellen, zijnde [verdachte B], ook aan het lachen was. Naar het oordeel van het hof past zulk een reactie niet bij een bijna fatale aanrijding die niet beoogd is. Bovendien heeft zich binnen enkele minuten na deze bijna botsing een nieuwe aanrijding voorgedaan met dezelfde modus operandi.

De vergelijking met het door de raadsman aangehaalde Porsche-arrest (HR 15 oktober 1986, NJ 1997, 199) gaat niet op, nu in die zaak meermalen een ingezette inhaalmanoeuvre werd afgebroken met het kennelijke doel om een aanrijding te vermijden, terwijl er in deze zaak juist sprake is van het oogmerk om een aanrijding te veroorzaken en het derhalve om een doelbewuste tegen de bestuurder van de Renault gerichte daad van agressie gaat.

Gelet op het bovenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman dat opzet, ook in voorwaardelijke zin, niet zou kunnen worden bewezen.

• Voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van moord is vereist dat de dader met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de dader tijd (en dat kan een betrekkelijk korte tijd zijn) had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naar het oordeel van het hof kan het besluit om een aanrijding te veroorzaken bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan, in voorwaardelijke opzetvorm, een besluit tot levensberoving. De handelwijze van [verdachte A] en [verdachte B] getuigt allerminst van impulsiviteit, maar blijkt juist het gevolg te zijn van een weloverwogen plan. [verdachte A] en [verdachte B] hebben hun plan immers na drie bijna aanrijdingen (waaronder aldus een bijna frontale aanrijding tussen de bestelauto van de getuige [H] en de bestuurderszijde van de Audi) steeds voortgezet, hoewel dat uitermate geschikte momenten waren om de uitvoering van hun plan te staken.

Gelet daarop is naar het oordeel van het hof geen andere conclusie mogelijk dan dat zowel [verdachte A] als [verdachte B] voldoende tijd hebben gehad zich te beraden op het besluit tot levensberoving, in die zin dat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

• Eindconclusie: medeplegen van moord

Voor medeplegen van moord is een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers vereist die gericht is op het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van het slachtoffer. Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat er tussen [verdachte A] en [verdachte B] een bewuste en nauwe samenwerking heeft bestaan die gericht was op de levensberoving van de inzittende van de aangereden auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof immers dat [verdachte A] en [verdachte B] beiden ter plaatse van de onoverzichtelijke kruising aanwezig waren en ten tijde van het ten laste gelegde telefonisch contact met elkaar hadden. [verdachte A] zat in de auto, die stond opgesteld op het Kraanmeer (i) en [verdachte B] had het zicht op het verkeer op het Kraanmeer (ii). Uit de duur en tijdstippen van de telefonische contacten, de feitelijke situatie ter plaatse en het gebeuren met betrekking tot de bijna aanrijdingen, waaronder het lachen door beiden na een bijna aanrijding, leidt het hof af dat [verdachte B] degene was die aan [verdachte A] meldde wanneer er een voertuig aankwam zodat [verdachte A] (die geen zicht had op het voor hem van links komende verkeer van het Kraanmeer (ii)) kon optrekken om een aanrijding tot stand te brengen. Aangezien zij beiden met voorbedachten rade hebben gehandeld, levert dat medeplegen van moord op. Hetgeen daar overigens nog tegen ingebracht is, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg, [C] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben/is hij, verdachte, en/of zijn mededader met dat opzet en met voorbedachten rade, aldus na kalm beraad en rustig overleg:

- in de buurt van een T-kruising op het Kraanmeer met een personenauto (merk Audi) gewacht en

- (telefonisch) met elkaar in contact gestaan om te waarschuwen op welk moment de auto van die [C] genoemde T-kruising dicht genoeg was genaderd en

- vervolgens met die Audi die T-kruising opgereden en

- met de bedoeling met die Audi tegen de auto van die [C] aan te rijden en;

- het voertuig (Audi) daarbij tegen de auto van die [C] gereden op een moment dat die [C] een behoorlijke snelheid had en

- ten gevolge waarvan de door die [C] bestuurde auto tegen een boom is gebotst,

ten gevolge waarvan voornoemde [C] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht en dient als volgt te worden gekwalificeerd:

Medeplegen van moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord op de heer [C].

De rechtbank heeft de verdachte voor datzelfde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt in dat verband dat bij het delict moord in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Aan dat uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, aangezien het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

In het onderhavige geval gaat het om een moord waarbij de opzetgradatie die van het voorwaardelijk opzet is. Die mindere opzetvorm van de verdachte maakt het bewezen verklaarde echter niet minder ernstig.

De verdachte is samen met medeverdachte [verdachte B] weloverwogen, geraffineerd en planmatig te werk gegaan. De gehele gang van zaken wijst erop dat zij voor andere verkeersdeelnemers bewust een hinderlaag hebben willen opwerpen waaraan die verkeersdeelnemers zich niet konden onttrekken. Na drie mislukte aanrijdingen was het de vierde keer wel raak, met een fatale afloop voor het slachtoffer [C]. Hij werd volledig verrast en geen kans gelaten om aan deze ‘aanval’ te ontkomen. Het illustreert de volstrekte willekeur waarmee verdachte en zijn medeverdachte [verdachte B] hebben gehandeld: dit had werkelijk één ieder kunnen overkomen. Het hof rekent dat de verdachte bijzonder zwaar aan.

Het is om die reden dat het bewezen verklaarde de gemoederen ook vandaag de dag nog bezighoudt. Niet alleen in de samenleving als geheel zijn gevoelens van onrust en onveiligheid aangewakkerd, maar ook de directe omgeving van Erp is door deze gebeurtenis opgeschrikt en geschokt. De heer [C] werkte in Erp als postbode en veel dorpsbewoners kenden hem dan ook persoonlijk. Twee van hen - een brandweerbevelhebber en een verpleegkundige - hebben hem nog tevergeefs getracht hulp te verlenen. Nog onbevattelijker is het verlies voor zijn nabestaanden. De schriftelijke slachtofferverklaring van zijn echtgenote en dochters maakt pijnlijk duidelijk wat voor enorme impact dit verlies op hun leven heeft. De heer [C] is de mogelijkheid ontnomen om samen met zijn echtgenote zijn kinderen verder te zien opgroeien. Over het motief van hun handelen hebben verdachte en zijn medeverdachte [verdachte B] geen openheid van zaken gegeven. Die proceshouding maakt het verwerkingsproces voor de nabestaanden des te moeilijker. Het hof rekent ook dat de verdachte zwaar aan.

Daarnaast is in casu sprake van medeplegen, hetgeen strafverhogend werkt.

Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen wezenlijk verschil in de rollen van verdachte en zijn medeverdachte [verdachte B]. Zij hadden het bewezen verklaarde niet zonder elkaar kunnen volbrengen, terwijl ook in hun proceshouding en documentatie geen betekenisvol onderscheid te maken is.

Alles in ogenschouw nemend, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde niet voldoende tot uitdrukking wordt gebracht in de door de rechtbank opgelegde straf. Het hof acht de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren in dit geval passend en geboden.

Bijkomende straf: ontzegging van de rijbevoegdheid

Naast deze gevangenisstraf noopt het bewezen verklaarde handelen van de verdachte naar het oordeel van het hof tevens tot oplegging van de maximale rijontzegging. Dat houdt in dat de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren zal ontzeggen. Enerzijds zal de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht. Anderzijds wordt de termijn van de ontzegging verlengd met de tijd dat de verdachte gedurende ontzegging van zijn vrijheid is ontnomen.

Beslag

De hierna in het dictum te noemen in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien het aan de verdachte toebehorende voorwerpen zijn met behulp van welke het feit is begaan. Het hof zal daartoe dan ook beslissen. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179, 179a en 180 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een personenauto van het merk Audi, type A4, voorzien van kenteken [00-AA-BB];

- het bij die auto behorende kentekenbewijs;

- een telefoon van het merk Nokia, type N96 en IMEI-nummer [nummer].

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 8 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.P. Verhaegh is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.