Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6744

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
11/00067
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in dienstbetrekking en heeft daarnaast een eenmanszaak. Op de balans van deze eenmanszaak staat een Volkswagen Transporter T4 2.5 Tdi. Deze auto staat belanghebbende ook in privé ter beschikking en belanghebbende houdt geen kilometeradministratie bij. De auto beschikt over een dubbele cabine, hetgeen betekent dat achter de bestuurdersstoel en de bijrijderstoel een tweede rij stoelen geplaatst kan worden; deze stoelen kunnen ook verwijderd worden. Deze tweede rij stoelen heeft vrijwel nooit in de auto gestaan in verband met de omvang van de te vervoeren goederen. Het Hof acht op basis hiervan aannemelijk dat achter de zitruimte van de cabine geen vaste wand aanwezig is over de gehele breedte van de cabine. De auto voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, onderdeel d, onder ten derde Wet BPM en kan bijgevolg niet worden aangemerkt als een bestelauto en geldt de hoofdregel van artikel 3.20 eerste lid Wet IB 2001. Dat de auto te vies, stoffig en smerig zou zijn om voor privé doeleinden te worden gebruikt maakt belanghebbende niet aannemelijk. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel worden door het Hof evenmin gehonoreerd. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3031
V-N 2012/4.2.5
FutD 2011-3036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00067

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 december 2010, nummer AWB 10/2328 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2007.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.H77 over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.874 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 184. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 23 juni 2011 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de vier bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

"2.1. Belanghebbende is in 2007 in dienstbetrekking en exploiteert daarnaast, als eenmanszaak, een onderneming op het gebied van fabricage van stalen constructiewerken, trappen en sierhekwerken. Op de balans van de onderneming is een Volkswagen Transporter T4 2.5 Tdi 75kW, bouwjaar 1997, kenteken XX-XX-00 (hierna: de auto) geactiveerd. De catalogusprijs van de auto bedraagt € 20.525 inclusief omzetbelasting.

2.2. Tijdens een boekenonderzoek heeft de inspecteur vastgesteld dat de auto in 2007 aan belanghebbende in privé ter beschikking heeft gestaan en dat belanghebbende geen kilometeradministratie heeft bijgehouden. Derhalve heeft de inspecteur ter zake van het privégebruik van de auto het belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd en de navorderingsaanslag opgelegd."

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.2. De auto beschikt over een dubbele cabine, hetgeen inhoudt dat achter de bestuurders- en bijrijdersstoel, een tweede rij stoelen is geplaatst. De tweede rij stoelen kan verwijderd worden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de bijtelling ter zake van het privégebruik van de auto terecht aangebracht?

II. Is sprake van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan de Inspecteur de bijtelling achterwege dient te laten?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt, indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking staat, op jaarbasis ten minste 22% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan, indien niet blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

4.2. Op grond van artikel 3.20, derde lid, van de Wet IB 2001 (destijds geldende tekst) wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.

4.3. Artikel 3, derde lid, Wet BPM bepaalt wat wordt verstaan onder een "bestelauto". In onderdeel d van deze bepaling staan de technische vereisten vermeld voor een auto met een dubbele cabine met zitruimte achter de bestuurder voor één rij naast elkaar in de rijrichting zittende personen. Eén van de technische vereisten is dat de cabine is afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele breedte van de cabine, welke wand direct achter de zitruimte is aangebracht en ten minste dezelfde hoogte als de cabine heeft (artikel 3, derde lid, onderdeel d, onder 3º, Wet BPM).

4.4. Gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat de tweede rij stoelen praktisch nooit in de auto staat in verband met de omvang van de te vervoeren goederen. Deze omvang is zodanig, dat de goederen de laadruimte en de ruimte van de tweede rij stoelen in beslag nemen. Het Hof acht op basis hiervan aannemelijk dat achter de zitruimte van de cabine geen vaste wand aanwezig is over de gehele breedte van de cabine. De auto voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, onderdeel d, onder 3º, Wet BPM en kan bijgevolg niet worden aangemerkt als een bestelauto.

4.5. Nu geen sprake is van een bestelauto, is de uitzondering als bedoeld in artikel 3.20, derde lid, Wet IB 2001 voor bestelauto's die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijken te zijn voor vervoer van goederen, niet van toepassing en geldt de hoofdregel van artikel 3.20, eerste lid, Wet IB 2001.

4.6. Het Hof merkt ten overvloede op dat zo al sprake zou zijn van een bestelauto, belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen. Belanghebbende klaagt in het bijzonder, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2009, 08/00707, LJN BJ7918, dat de Rechtbank ten onrechte geen acht geslagen zou hebben op de omstandigheid dat de auto te vies, stoffig en smerig zou zijn om voor privé-doeleinden te worden gebruikt. Belanghebbende heeft deze gestelde omstandigheid, die uitdrukkelijk door de Inspecteur wordt weersproken, echter niet aannemelijk gemaakt.

4.7. Belanghebbende heeft geen kilometeradministratie bijgehouden en ook anderszins heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Het enkele feit dat belanghebbende of zijn echtgenote ook in privé over een auto beschikken is daartoe onvoldoende. Op jaarbasis dient ten minste 22% van de waarde van de auto als onttrekking te worden aangemerkt. Belanghebbende heeft de berekening van de onttrekking als zodanig niet bestreden. Het Hof volgt de door de Inspecteur berekende correctie van € 1.170.

4.8. Belanghebbende heeft ter zitting alsnog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Gemachtigde heeft dit standpunt toegelicht door te wijzen op de vernietiging van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting.

4.9. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de vermindering van de naheffingsaanslag omzetbelasting zijn oorzaak vindt in de bewijslastverdeling, voor welke heffing - in tegenstelling tot de inkomstenbelasting - de bewijslast op de Inspecteur rust. Het Hof is dan ook van oordeel dat aan die vermindering geen vertrouwen kan worden ontleend dat ook voor de inkomstenbelasting een correctie in verband met het privé-gebruik van de auto achterwege zou blijven. Ook overigens is niet gebleken van een uitlating van de Inspecteur dat de beslissing voor de heffing van de omzetbelasting ook zou gelden voor de heffing van de inkomstenbelasting. Het Hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.10. Het Hof verwerpt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet worden verwezen naar een handelen van de Inspecteur in een andere zaak van de belastingplichtige. Het gelijkheidsbeginsel heeft niet betrekking op een consistente behandeling van een belastingplichtige, maar op gelijke behandeling van de ene belastingplichtige ten opzichte van een of meer andere belastingplichtigen (Hoge Raad 27 januari 2006, nr. 39.810, LJN: AV0398, BNB 2006/151*).

Ten aanzien van het griffierecht

4.11. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Aldus gedaan op 16 september 2011 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en H.M.N. Schonis, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.