Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6735

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
10/00766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende drijft samen met zijn ouders een melkveehouderij in de vorm van een maatschap. Belanghebbende koopt een perceel grond van zijn vader voor € 25.000, de waarde in het economisch verkeer; volgens de taxatie is deze waarde gelijk aan de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (wevab). Drie dagen na de aankoop is een bouwvergunning voor dat perceel aangevraagd en die wordt verleend onder de voorwaarde dat de bedrijfswoning waarin belanghebbende op dat moment woont nog slechts als recreatiewoning mag dienen. Het Hof oordeelt dat deze situatie dicht aan ligt tegen de zogenaamde "ruimte voor ruimte"regeling zoals die in sommige Brabantse gemeenten geldt. Omdat vaststaat dat belanghebbende ten tijde van de aankoop voldoende zekerheid dat hem een bouwvergunning zou worden verleend, en hij als "tegenprestatie" zijn tot dan bewoonde woning aan het woningbestand zou onttrekken oordeelt het Hof dat het verkregen perceel als bouwgrond moet worden gewaardeerd. Tussen partijen is niet in geschil dat die waarde € 72.000,- bedraagt en daarover dient dan ook overdrachtsbelasting te worden betaald. Hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3013
V-N 2012/4.2.4
FutD 2011-3049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00766

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 oktober 2010, nummer AWB 10/215 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst,

hierna, evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst Oost-Brabant van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.000.00.00000 een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.410 aan belasting.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 19 april 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord

belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.1. Belanghebbende drijft samen met zijn ouders in de vorm van een maatschap een melkveehouderij op het adres A-straat 7 te Y. Belanghebbende en de ouders van belanghebbende wonen elk in een eigen bedrijfswoning op dit adres. Volgens het bestemmingsplan mogen maximaal twee bedrijfswoningen op een agrarische bouwkavel zijn gebouwd.

2.1.2. In december 2004 heeft taxateur B, verbonden aan C B.V. te D (hierna: B) een perceel grond ter grootte van circa 2.200 m² gelegen aan de A-straat 7 te Y (hierna: het perceel) met waardepeildatum 15 december 2004 gewaardeerd. De waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) is daarbij door B vastgesteld op € 25.000 en de waarde in het economische verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (hierna: WEVAB) op € 25.000. Het perceel heeft thans als adres A-straat 9.

2.1.3. Op 11 april 2005 heeft de vader van belanghebbende aan belanghebbende en diens partner het perceel geleverd voor een koopsom van € 25.000. Belanghebbende en zijn partner hebben elk hierover overdrachtsbelasting betaald.

2.1.4. Op 14 april 2005 is vervolgens een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op het perceel. De bouwvergunning is op 8 november 2005 verleend.

2.1.5. Na het gereedkomen van de nieuwe bedrijfswoning op het perceel zijn belanghebbende en zijn partner daar gaan wonen. De voormalige bedrijfswoning van belanghebbende heeft vervolgens een recreatieve bestemming gekregen.

2.1.6. Door de Belastingdienst en B is gezamenlijk op 3 juni 2008 een taxatierapport uitgebracht van de waardering van het perceel per waardepeildatum 31 december 2005. De WEV is daarin vastgesteld op € 72.000 en de WEVAB op € 25.000.

2.1.7. Aan belanghebbende is vervolgens een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van ((€ 72.000 minus € 25.000) x 1/2 x 6 % of) € 1.410.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting nog het volgende vast:

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten tijde van de aankoop voornemens was om op het perceel een woning te bouwen en dat belanghebbende op het tijdstip van aankoop voldoende zekerheid had dat de benodigde bouwvergunning zou worden verkregen zodat de woning ook daadwerkelijk gebouwd zou kunnen worden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is de waarde van het perceel op 11 april 2005. Belanghebbende bepleit een waarde van € 25.000 en de Inspecteur bepleit een waarde van € 72.000.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De onderhavige casus is volledig vergelijkbaar met de in sommige Brabantse gemeenten geldende "ruimte voor ruimte regelingen"; voor een toelichting daarop verwijs ik naar hetgeen ik daarover heb vermeld in de door mij als reactie op het verweerschrift van de Inspecteur ingezonden stuk.

Het Hof geeft naar aanleiding van de opmerkingen van belanghebbende een nadere toelichting op de bestaande varianten op de "ruimte voor ruimte-regelingen".

De Inspecteur

De aan het Hof voorgelegde zaak is niet vergelijkbaar met de door de adviseur aangehaalde "ruimte voor ruimte regelingen".

Belanghebbende offert in feite twee zaken op: de betaalde koopprijs van € 25.000 en de waardevermindering van het door hem verlaten pand, waarvan de bestemming wordt gewijzigd.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Ingevolge artikel 9 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna Wbr) wordt de belasting berekend over de waarde van de onroerende zaak en is die waarde ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie. Ingevolge artikel 52 Wbr wordt onder waarde verstaan de waarde in het economisch verkeer. Onder de waarde in het economisch verkeer moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de onroerende zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende het perceel kocht met de bedoeling daarop een woning te bouwen en dat ten tijde van de aankoop belanghebbende voldoende zekerheid had dat de benodigde bouwvergunning door hem zou worden verkregen.

4.3. Door het realiseren van de woning is er op het perceel geen sprake meer van uitoefening van het landbouwbedrijf en is bij het bepalen van de waarde geen sprake van waarde in het economisch verkeer bij voortzetting van de agrarische bestemming.

4.4. Belanghebbende heeft zich in het kader van het verlenen van de bouwvergunning op het perceel verplicht om de door hem op dat moment bewoonde bedrijfswoning te onttrekken aan de woonbestemming; deze voormalige bedrijfswoning heeft nadat belanghebbende en zijn partner de op het perceel gerealiseerde woning hebben betrokken nog uitsluitend een recreatieve bestemming.

4.5. Belanghebbende heeft naast de door hem aan de verkoper betaalde prijs de waardedaling van de voormalige bedrijfswoning geaccepteerd in het kader van de aan hem te verlenen bouwvergunning. In dit licht moet de acceptatie van deze voorwaarde door belanghebbende worden gezien als een onderdeel van de tegenprestatie als bedoeld in artikel 9 Wbr.

4.6. Na verwerving door belanghebbende van het perceel en het door belanghebbende vervullen van de voorwaarden tot het verkrijgen van een bouwvergunning is er sprake van een perceel bouwgrond waarop ook een derde een bedrijfswoning zou mogen realiseren en waarvoor een derde dan ook bereid zou zijn de waarde in het economisch verkeer te betalen. De waarde van het perceel dient naar objectieve maatstaven te worden vastgesteld, waarbij persoonlijke omstandigheden buiten beschouwing dienen te blijven. Tussen partijen is niet in geschil dat deze waarde, de waarde in het economisch verkeer, € 72.000 bedraagt.

4.7. Gelet op het hiervoor overwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur en dient te worden beslist als hieronder vermeld.

4.8. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 16 september 2011 door G.J. van Muijen, voorzitter, M. van Dun en J.C.K.W. Bartel, in tegenwoordigheid van R.O.J.M de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.