Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6733

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
10/00860
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2006 gehuwd en woonachtig in Syrië. Zij heeft geen inkomsten uit Nederlandse bron genoten. Bij haar aangifte heeft belanghebbende verzocht om verhoging van de gecombineerde heffingskorting, kiest belanghebbende voor binnenlandse belastingplicht en geeft aan dat het verzamelinkomen nihil bedraagt. De voorlopige aanslag volgt de aangifte, maar bij de definitieve aanslag wordt e.e.a gecorrigeerd.

Partijen zijn het eens dat bij juiste wetstoepassing belanghebbende geen recht heeft op de verhoogde gecombineerde heffingskorting. Belanghebbende beroept zich op een bij haar in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen en wijst daarbij op de aanslagregeling 002 t/m 2005 en de gevoerde correspondentie. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende: er is geen sprake van toezeggingen en geen uitingen van de inspecteur die kunnen worden uitgelegd als weloverwogen standpuntbepalingen. Het Hof verwijst nog naar het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1989, nr. 25 077, BNB 1990/119.

Hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3030
V-N 2012/2.2 met annotatie van Redactie
FutD 2011-3045
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00860

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 oktober 2010, nummer AWB 09/4622, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/kantoor Buitenland,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikking inzake heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 29 juni 2011 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2006 gehuwd en woonachtig in Syrië. Zij heeft in het jaar 2006 geen inkomsten uit Nederlandse bron genoten.

2.2. Belanghebbende heeft bij aangifte verzocht om verhoging van de gecombineerde heffingskorting zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet IB 2001 (hierna: verhoging van de gecombineerde heffingskorting). In de aangifte is voor het gehele jaar als landcode "SYR" ingevuld. Voorts is vermeld dat wordt gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtigen en dat het verzamelinkomen nihil bedraagt.

2.3. Met dagtekening 11 juli 2008 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag en beschikking inzake heffingsrente opgelegd onderscheidenlijk gegeven, resulterend in een teruggave van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van € 1.990, gelijk aan het bedrag van de algemene heffingskorting voor het jaar 2006, en vergoede heffingsrente ten bedrage van € 196.

2.4. Met dagtekening 22 juli 2009 zijn de onderwerpelijke aanslag (hierna: de aanslag) en beschikking inzake heffingsrente (hierna: de beschikking inzake heffingsrente) opgelegd onderscheidenlijk gegeven. Het bedrag van de aanslag is nihil. Als gevolg van verrekening van de voorlopige aanslag resulteerde een te betalen bedrag van € 1.990. De in rekening gebrachte heffingsrente is € 290.

2.5. Met dagtekening 17 augustus 2009 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking inzake heffingsrente. Dit bezwaarschrift is op 18 augustus 2009 door de Inspecteur ontvangen.

2.6. Met dagtekening 19 augustus 2009 is aan belanghebbende een brief (hierna ook: de brief) gestuurd die is ondertekend, namens de Inspecteur, door A, Belastingdienst/Centrale administratie. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

"Betreft

Herstel onjuiste aanslag 2006

Geachte heer/mevrouw,

U hebt onlangs een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen over 2006.

Onjuiste aanslag

Deze aanslag is door ons onjuist berekend met als gevolg dat u helaas een onjuiste aanslag hebt ontvangen. Daarom zullen wij deze aanslag herstellen. Wij bieden u onze excuses aan voor de overlast die u hierdoor ondervindt.

Juiste aanslag

U hoeft niets te doen. Wij gaan de fout herstellen en u ontvangt uiterlijk eind september de juiste aanslag. Wanneer u al een bezwaarschrift tegen deze aanslag hebt ingediend zullen wij deze verwerken.

Als u volgens de aanslag over 2006 een bedrag aan ons moest betalen, hoeft u ook niets te doen tot u de juiste aanslag krijgt. Hebt u al betaald, dan storten wij het te veel betaalde bedrag aan u terug. Als u nog een openstaande belastingschuld hebt, waarvan de betalingstermijn is verstreken, dan zullen wij het teveel betaalde bedrag eerst hiermee verrekenen.

(...)"

2.7. Ten minste twee andere belastingplichtigen hebben brieven met een gelijke inhoud ontvangen.

2.8. Bij op 14 oktober 2009 gedagtekende uitspraak op bezwaar zijn de aanslag en de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd.

2.9. Voor de jaren 2002 tot en met 2005 heeft belanghebbende eveneens verzocht om verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De desbetreffende, bij aangiften gedane verzoeken, zijn bij aanslagen gehonoreerd. Dit heeft geresulteerd in uitbetaling aan belanghebbende van de voor de desbetreffende jaren geldende bedragen van de algemene heffingskorting.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag op grond van de toepassing van het vertrouwensbeginsel dient te worden verminderd met het bedrag van de algemene heffingskorting en, naar het Hof begrijpt, of de beschikking inzake heffingsrente dientengevolge moet worden vernietigd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur, tot de vermindering van de aanslag tot een berekend naar een bedrag van -/- € 1.990 en tot vernietiging van de beschikking inzake heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Tussen partijen is, terecht, niet in geschil dat belanghebbende, die gedurende het onderhavige jaar in Syrië woonde, bij een juiste wetstoepassing geen recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting.

4.2. Belanghebbende meent dat zij desalniettemin voor de bedoelde verhoging, resulterend in uitbetaling van de algemene heffingskorting, in aanmerking komt op de grond dat bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen zou zijn gewekt dat zij daarop recht heeft. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar opvatting gewezen op de aanslagregeling voor de jaren 2002 tot en met 2005, waaronder de lange duur daarvan en de in verband daarmee gevoerde correspondentie, alsmede op het hiervóór in onderdeel 2.6 gedeeltelijk weergegeven schrijven.

4.3. Het Hof is van oordeel dat noch de aanslagregeling voor de jaren 2002 tot en met 2005, waaronder de lange duur van die aanslagregeling en de in verband daarmee gevoerde correspondentie, noch het zojuist genoemde schrijven, noch die aanslagregeling onderscheidenlijk dat schrijven in onderlinge samenhang beschouwd, bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken van een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur, inhoudende dat belanghebbende recht zou hebben op verhoging van de gecombineerde heffingskorting, overeenkomstig het door haar bij aangiften ingenomen standpunt. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

4.4. Door belanghebbende is niet gesteld en het Hof is ook niet gebleken dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van een door de Inspecteur bij de aanslagregeling voor de jaren 2002 tot en met 2005 gevolgde gedragslijn die berust op een toezegging waarvan belanghebbende mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden. Alsdan heeft te gelden dat voor in rechte te beschermen vertrouwen meer is vereist dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag de aangifte heeft gevolgd. Voor zodanig vertrouwen zijn vereist bijkomende omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de Inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling (vgl. HR 13 december 1989, nr. 25 077, BNB 1990/119). Belanghebbende heeft, zoals gezegd, in dit verband gewezen op correspondentie inzake de afhandeling van de voor de jaren 2002 tot en met 2005 namens belanghebbende ingediende aangiften, alsmede op de lange behandelduur.

4.5. Wat de correspondentie inzake de afhandeling van de zojuist genoemde aangiften betreft, geldt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze correspondentie iets anders aan de orde is gesteld dan de lange behandelduur van de aangiften. Gezien de inhoud van de door belanghebbende in dit verband aan de Inspecteur gezonden brieven, die tot de gedingstukken behoren, is met name niet aannemelijk geworden dat in deze correspondentie uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld of belanghebbende aanspraak zou kunnen maken op verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De door belanghebbende ingebrachte correspondentie, althans de inhoud daarvan, kan derhalve niet als bijkomende omstandigheid in vorenbedoelde zin worden aangemerkt.

4.6. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat, gezien de lange behandelduur van de aangiften voor de jaren 2002 tot en met 2005, het niet anders kan zijn dan dat de Inspecteur de desbetreffende aangiften op inhoudelijke merites heeft beoordeeld. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat de aangiften voor de jaren 2002 tot en met 2005 geautomatiseerd zijn afgedaan. Gelet op deze stellingname over en weer heeft belanghebbende naar 's Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur het door belanghebbende in haar aangiften ingenomen standpunt op haar inhoudelijke merites heeft beoordeeld. Reeds op grond daarvan kan bij belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen zijn gewekt door de lange duur van de aangifteregeling over de voornoemde jaren.

4.7. Belanghebbende heeft ten slotte de opvatting verdedigd dat het hiervóór in onderdeel 2.6 gedeeltelijk geciteerde schrijven (hierna: de brief) het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat belanghebbende aanspraak kon maken op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Het Hof begrijpt deze opvatting aldus dat de brief bij belanghebbende de indruk heeft gewekt van een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur inhoudende dat belanghebbende recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting. Belanghebbende heeft in dit verband ter zitting, bij monde van haar gemachtigde, gewezen op het feit dat zij een leek is op het terrein van het Nederlandse belastingrecht en dat haar gemachtigde, belastingadviseur, wist dat de brief op niets anders betrekking kon hebben dan de uitbetaling van de algemene heffingskorting. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.8. Vooropgesteld zij dat het Hof niet aannemelijk acht dat de brief kan worden opgevat als een inhoudelijke reactie op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift. Het Hof wijst ter onderbouwing op de volgende feiten: (i) de brief is afkomstig van de Belastingdienst/Centrale administratie en niet van de Belastingdienst/Limburg/kantoor Buitenland noch van een andere met de aanslagregeling belaste eenheid van de Belastingdienst, (ii) de brief is gedagtekend slechts twee dagen na de dagtekening van het bezwaarschrift van belanghebbende, (iii) brieven met een identieke inhoud zijn aan andere belastingplichtigen - naar het Hof verstaat: cliënten van belanghebbendes gemachtigde - verstuurd en (iv) in de brief is de volgende zin opgenomen:

"Wanneer u al een bezwaarschrift tegen deze aanslag hebt ingediend zullen wij deze verwerken."

Het Hof stelt derhalve voorop dat de brief van ambtswege en derhalve niet naar aanleiding van het door belanghebbende gemaakte bezwaar is verstuurd en dat de brief bij belanghebbende niet de indruk kan hebben gewekt als houdende een (inhoudelijke) tegemoetkoming aan het door haar gemaakte bezwaar.

4.9. Uit de inhoud van de brief, die in algemene bewoordingen is gesteld, kan naar 's Hofs oordeel niet meer worden afgeleid dan dat bij de vaststelling van de aanslag voor het jaar 2006 een fout is gemaakt en dat deze fout zal worden hersteld. Uit de inhoud van de brief kan niet worden afgeleid waarin die fout heeft bestaan en wat de gevolgen daarvan, dan wel van het aangekondigde foutherstel, voor belanghebbende zijn. Bij een leek op Nederlands fiscaal terrein als belanghebbende kan op grond van de inhoud van de brief in redelijkheid niet de indruk zijn ontstaan dat de Inspecteur het weloverwogen standpunt had ingenomen dat belanghebbende recht had op verhoging van de gecombineerde heffingskorting. Eventueel aan de brief te ontlenen vertrouwen inzake verleend uitstel van betaling van de aanslag is in de onderhavige procedure niet aan orde. Mogelijke verwarring of onduidelijkheid die door de brief bij belanghebbende zou kunnen zijn ontstaan, kan naar 's Hofs oordeel niet worden aangemerkt als indruk van een weloverwogen standpuntbepaling aan de zijde van de Inspecteur in de vorenbedoelde zin.

4.10. Ook indien de inhoud van de brief wordt bezien in samenhang met de afdoening van de aangiften voor de jaren 2002 tot en met 2005, kan naar 's Hofs oordeel bij belanghebbende in redelijkheid niet de indruk zijn ontstaan dat sprake was van een zodanig standpuntbepaling. Het enkele volgen van de desbetreffende aangiften laat immers onverlet de algemene bewoordingen van de brief, die zich slechts uitstrekt tot de aanslagregeling voor het jaar 2006 en, naar die bewoordingen bezien, in redelijkheid niet de indruk kan wekken dat de gemaakte fout erin bestaat dat bij de aanslagregeling voor het jaar 2006 de aangifte voor dat jaar, anders dan in eerdere jaren, niet is gevolgd.

4.11. Toerekening van de kennis van de gemachtigde van belanghebbende aan haar maakt het voorgaande niet anders. Zelfs indien wordt verondersteld dat de brief bij de gemachtigde de indruk van een welbewuste standpuntbepaling zou hebben gewekt ten aanzien van de verlening van de algemene heffingskorting, had de gemachtigde, die als belastingadviseur op Nederlands fiscaal terrein deskundig mag worden geacht, moeten beseffen dat de toezegging dat belanghebbende recht zou hebben op verhoging van de gecombineerde heffingskorting zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing dat in redelijkheid niet op nakoming van die toezegging kan worden gerekend.

4.12. Voor zover belanghebbende zich met haar verwijzing naar aan andere belastingplichtigen gezonden brieven, die inhoudelijk gelijk zijn aan de brief, op het gelijkheidsbeginsel beroept, verwerpt het Hof haar betoog. De Inspecteur heeft in zijn conclusie van dupliek gemotiveerd en onweersproken gesteld dat in de desbetreffende gevallen was voldaan aan alle wettelijke voorwaarden voor verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De desbetreffende belastingplichtigen zijn derhalve, voor zover te dezen van belang, niet vergelijkbaar met belanghebbende.

4.13. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 22 september 2011 door P.C. van der Vegt, voorzitter, J. Swinkels en D.M. Weber, in tegenwoordigheid van M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.