Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6524

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
HD 200.076.745
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Feit dat energieprijzen een sterke opwaartse beweging lieten zien geen omstandigheid die niet voor rekening van leverancier komt. Leverancier schadeplichting vanwege niet-rechtsgeldige opzegging duurovereenkomst tot levering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.076.745

arrest van de zesde kamer van 29 november 2011

in de zaak van

[X.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.E.A.J.C. van de Laak,

tegen:

[Y.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.D. Brouwers-Wozniak,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 mei 2011 in het bij exploot van dagvaarding van 1 november 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo, tussen appellante - [X.] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde - [Y.] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie gewezen vonnis van 8 september 2010.

5. Het tussenarrest van 31 mei 2011

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. De comparitie heeft op 6 september 2011 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is vanwege het feit dat het procesdossier niet volledig was naar de rol van 20 september 2011 verwezen voor fourneren. Tevens is ter comparitie bepaald dat op 29 november 2011 uitspraak gedaan zal worden.

6.2. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van tien producties zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing alsnog van de vordering van [Y.].

6.3. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van zes producties de grieven bestreden.

6.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

8. De verdere beoordeling

8.1. Bij brief gericht aan het hof van 13 september 2011 heeft [X.] vermeld dat de conclusie van dupliek in reconventie niet is genomen, althans dat [X.] geen exemplaar heeft ontvangen. Daargelaten de vraag of het standpunt van [X.] tijdig en op de juiste wijze aan het hof is kenbaar gemaakt, blijkt uit het vonnis waarvan beroep dat deze conclusie deel uitmaakt van de stukken van het geding. De inhoud van het aan de brief van [X.] gehechte rolbericht van de rechtbank Roermond van 28 juli 2010 kan niet tot een andere conclusie leiden.

8.2. [Y.] heeft haar eerste grief gericht tegen de vaststelling van feiten door de rechtbank als weergegeven onder rov. 2 van het beroepen vonnis, voor zover daarin als vaststaand is aangenomen dat het geschil tussen partijen betrekking heeft op twee overeenkomsten. Tussen partijen is evenwel niet in geschil, zoals blijkt uit de memorie van antwoord en het verhandelde ter comparitie, dat het geschil vijf overeenkomsten betreft, zodat het hof daarvan uit zal gaan. Deze vijf overeenkomsten worden hierna onder 8.1.1 weergegeven.

Voor het overige is tegen de vaststelling van feiten geen grief gericht, zodat het hof voor het overige tevens van de onder rov. 2 van het beroepen vonnis weergegeven feiten uit zal gaan. Daarnaast staan tussen partijen nog enkele andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist vast. Het hof vat de vaststaande feiten hierna als volgt samen.

8.2.1. Tussen partijen hebben de volgende vijf overeenkomsten (hierna: de Overeenkomsten) bestaan op grond waarvan [Y.] zich heeft verplicht aan [X.] gedurende een bepaalde periode tegen betaling electriciteit te leveren:

- het leveringscontract met EAN-nr. [EAN-nummer 1.] voor de periode 8 februari 2008 tot 1 januari 2011;

- het leveringscontract met EAN-nr. [EAN-nummer 2.] voor de periode 11 december 2007 tot 1 januari 2011;

- de leveringscontracten met EAN-nrs. [EAN-nummer 3.], [EAN-nummer 4.] en [EAN-nummer 5.], allen voor de periode 1 januari 2008 tot 31 december 2009.

8.2.2. Partijen zijn voor de periode van levering een vaste prijs overeengekomen.

8.2.3. [Y.] heeft de Overeenkomsten bij brief van 30 mei 2008 tussentijds opgezegd tegen 1 juli 2008 en zich daarbij beroepen op artikel 21.2 van de ‘Algemene Voorwaarden 2007 voor de levering van electriciteit aan kleinverbruikers’. [X.] is hiermee niet akkoord gegaan en heeft bij brief van 16 juni 2008 de overeenkomsten ontbonden op de grond dat zij uit voormelde brief heeft kunnen opmaken dat [Y.] haar verplichtingen uit de overeenkomsten niet zou nakomen.

8.2.4. [Y.] heeft aan [X.] in juli 2008 de eindafrekeningen met betrekking tot de Overeenkomsten gestuurd, ingevolge welke [X.] aan [Y.] een bedrag van in totaal € 4.475,38 incl. BTW verschuldigd is. [X.] heeft dit bedrag - ondanks sommatie daartoe van [Y.] - niet voldaan.

8.3. In eerste aanleg heeft [Y.] betaling van dit openstaande bedrag ter zake van geleverde energie gevorderd, te vermeerderen met kosten en rente. In reconventie heeft [X.] primair, voor zover haar beroep op verrekening opgaat, schadevergoeding wegens wanprestatie gevorderd ad € 3.875,08 en subsidiair, voor zover dit beroep niet opgaat, schadevergoeding ad € 8.350,46, één en ander te vermeerderen met kosten.

8.4. Bij vonnis van 8 september 2010 heeft de rechtbank de vordering in conventie toegewezen - met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten - en de vordering in reconventie afgewezen met veroordeling van [X.] in de kosten van de procedure.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen, kort gezegd, dat als gevolg van de onvoorziene omstandigheid van een dreigende deconfiture van [Y.] de leveringsovereenkomsten tussen partijen tussentijds beëindigd konden worden, en derhalve gedeeltelijk ontbonden.

8.5. In hoger beroep vordert [X.] afwijzing alsnog van de vordering van [Y.] en veroordeling van [Y.], kort gezegd, tot het in eerste aanleg in reconventie gevorderde, onder toewijzing van kosten.

[X.] beroept zich ter zake de door [Y.] gevorderde achterstallige bedragen - waarvan zij de verschuldigdheid op zich niet betwist - op een opschortingsrecht en een recht op verrekening. Volgens [X.] heeft [Y.] de Overeenkomsten niet rechtsgeldig opgezegd, zodat haar op grond van art. 6:74 BW een vordering tot schadevergoeding toekomt. Op deze vordering grondt zij haar recht op verrekening. Haar opschortingsrecht grondt [X.] op het verzuim van [Y.] dat door de niet-rechtsgeldige opzegging van de Overeenkomsten zou zijn ingetreden.

[Y.] voert gemotiveerd verweer.

8.6.1. Met haar tweede grief komt [X.] op tegen rov. 4.12 van het beroepen vonnis, waarin de rechtbank overweegt, kort gezegd, dat zij de dreigende deconfiture van [Y.] een onvoorziene omstandigheid acht die leidt tot gedeeltelijke ontbinding van het contract (hof: kennelijk is het meervoud bedoeld).

Zij voert in dit verband onder meer aan dat het dreigende faillissement - ten gevolge van de sterk stijgende energieprijzen - geen onvoorziene omstandigheid vormt nu deze in de overeenkomsten is verdisconteerd. Daarnaast stelt zij dat een (dreigend) faillissement, veroorzaakt door het maken van verlies op contracten waarbij [Y.] zich aan scherpe prijzen heeft verbonden om klanten binnen te halen, tengevolge van stijgende inkoopprijzen, als bedrijfsrisico voor rekening van [Y.] komt. [Y.] mocht er als energieaanbieder bekend mee geacht worden dat energieprijzen in het verleden een grillig verloop hebben gekend en in korte tijd snel kunnen stijgen. Daarnaast mocht aangenomen worden dat zij zich tegen eventuele prijsschommelingen had ingedekt, aldus nog steeds [X.].

8.6.2. [Y.] stelt zich op het standpunt dat het dreigende faillissement van [Y.], althans de omstandigheden rond dit dreigende faillissement, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat ongewijzigde instandhouding van de Overeenkomsten van haar niet verwacht mocht worden. Om die reden kon zij de Overeenkomsten bij brief van 30 mei 2008 tussentijds opzeggen tegen 1 juli 2008. Nu [Y.] rechtsgeldig heeft opgezegd is zij niet in verzuim geraakt, zodat [X.] de Overeenkomsten niet geacht kan worden rechtsgeldig te hebben ontbonden, waardoor het door [X.] gedane beroep op verrekening dient te falen, aldus nog steeds [Y.].

8.6.3. Hoewel een beroep op wijziging of ontbinding van een overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 lid 1 BW tevens gedaan kan worden bij wege van antwoord op een verweer van de wederpartij - ten aanzien van het door [X.] gestelde opschortingsrecht en recht op verrekening - dan wel bij wege van verweer - ten aanzien van de door [X.] gevorderde schadevergoeding - dient dit wel op voldoende duidelijke wijze te geschieden. Bij gebreke daarvan kan de rechter geen constitutief vonnis wijzen (vgl. MvT, Parl. Gesch. InvW 6, p. 1826). Anders dan de rechtbank leest het hof in de stellingen van [Y.] geen verlangen tot wijziging of ontbinding van de Overeenkomsten. Gelet op hetgeen [Y.] naar voren heeft gebracht begrijpt het hof slechts dat zij de rechter verzoekt haar opzegging van de Overeenkomsten als rechtsgeldig te aanvaarden door te oordelen dat [X.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de Overeenkomsten tot het overeengekomen tijdstip niet mocht verwachten.

Ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, vat het hof de weren van [Y.] in vorenstaande zin op als een beroep op de aanvullende, dan wel derogerende werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals bepaald in art. 6:248 BW.

Het hof stelt daarbij voorop dat een duurovereenkomst voor bepaalde tijd, indien tussentijdse opzegging niet is bedongen, in beginsel niet eenzijdig tussentijds door opzegging kan worden beëindigd. Weliswaar is niet geheel uitgesloten dat op dit beginsel een uitzondering wordt aangenomen, maar een dergelijke uitzondering kan slechts haar grond vinden in onvoorziene - dat wil zeggen niet in de overeenkomst verdisconteerde - omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mocht verwachten (vgl. HR 10 augustus 1994, NJ 1994, 688, HR 21 oktober 1988, NJ 1990, 439).

8.6.4. Voor zover [Y.] met haar beroep op toepasselijke algemene voorwaarden beoogt te betogen dat van vorenbedoelde bedongen tussentijdse opzegging sprake is, faalt dit betoog nu het beroep van [X.] op vernietiging van deze algemene voorwaarden slaagt. [Y.] heeft namelijk niet - althans onvoldoende gemotiveerd - betwist dat deze algemene voorwaarden niet aan [X.] ter hand zijn gesteld.

8.6.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de prijzen van electriciteit ten tijde van de opzegging een sterke opwaartse beweging hebben laten zien, zodat niet uitgesloten is dat [Y.], mede als gevolg daarvan, in financiële problemen is komen te verkeren. Daarnaast staat tussen partijen in dit verband vast dat de energieprijzen in het verleden een grillig verloop hebben gekend en in korte tijd snel kunnen stijgen. [Y.] is als professionale speler actief op de energiemarkt terwijl [X.] een op dit gebied niet-deskundige ondernemer is. Het hof begrijpt daarnaast uit de niet weersproken inhoud van de door [X.] overgelegde offerte van [Y.] (prod. 2 cva) dat zij de Overeenkomsten aan [X.] heeft aangeprezen als middel ter verkrijging van extra zekerheid voor de overeen te komen contractsperiode.

Door er voor te kiezen in een naar haar aard onvoorspelbare markt overeenkomsten af te sluiten voor bepaalde tijd tegen een vast tarief, heeft [Y.] het risico genomen electriciteit te leveren tegen een prijs die niet rendabel zou zijn. De verwezenlijking van dit risico, alsmede de bedrijfseconomische gevolgen daarvan, vormen - mede gelet op de aard van de Overeenkomsten, de markt waarbinnen deze zijn afgesloten en de onderlinge verhouding van partijen - omstandigheden die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van [Y.] behoren te komen. Dit wordt niet anders nu, zoals tussen partijen vast staat, ten tijde van de opzegging sprake was van extreme marktomstandigheden.

Voorgaande toerekening van het risico ligt te meer in de rede nu - zoals [X.] onweersproken heeft aangevoerd - [Y.] zich tegen de betreffende prijsfluctuaties had kunnen indekken. Volgens [Y.] zelf is het een feit van algemene bekendheid dat contracten in de energiemarkt voor bepaalde tijd met een vaste prijs in het algemeen duurder zijn dan contracten voor onbepaalde tijd met een flexibele prijs. Naar het oordeel van het hof impliceert dit onbestreden gebleven gegeven dat energieleveranciers in het algemeen op die manier het risico van prijsfluctuaties op de energiemarkt in meer of mindere mate afdekken. Als professionele partij had [Y.] daarnaast, zoals [X.] onbestreden heeft aangevoerd, haar financiële risico’s aanvullend kunnen beheersen, bijvoorbeeld door het afsluiten van termijncontracten op de energiemarkt. Dat zij dit om haar moverende redenen kennelijk niet, althans in onvoldoende mate heeft gedaan, dan wel bij de prijsstelling van de door haar voor bepaalde tijd geleverde electriciteit onvoldoende rekening heeft gehouden met eventuele toekomstige, hogere marktprijzen, is slechts [Y.] aan te rekenen en behoort tot het gewone bedrijfseconomische risico van de ondernemer in het onderhavige marktsegment.

De overige door [Y.] als onvoorzienbaar gekwalificeerde omstandigheden - de bij faillissement in werking tredende Supplier of Last Resort procedure en de nadelige gevolgen daarvan voor haar klanten - dienen als rechtstreekse gevolgen van voornoemde marktomstandigheden eveneens voor rekening van [Y.] te komen.

Gelet op het voorgaande faalt het beroep van [Y.] op het in art. 6:248 BW bepaalde en kon zij de Overeenkomsten niet rechtsgeldig tussentijds door opzegging beëindigen. Evenmin kon de rechtbank de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden ontbinden of ontbonden achten. Mitsdien slaagt ook de tweede grief.

8.6.6. Ten overvloede overweegt het hof dat indien het in de vordering van [Y.] - anders dan nu, zoals onder 8.6.3 is overwogen, het geval is - een verlangen zou hebben gelezen tot wijziging of ontbinding van de Overeenkomsten op de voet van art. 6:258 lid 1 BW, deze vordering zou zijn verworpen. Artikel 6:258 lid 2 BW schrijft namelijk voor dat een wijziging of ontbinding niet wordt uitgesproken voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. Zoals hiervoor is overwogen komen de betreffende omstandigheden krachtens de in het verkeer geldende opvattingen volledig voor rekening van [Y.].

8.7.1. De derde, vierde en vijfde grief richten zich, kort gezegd, tegen de rov. 4.13 tot en met 4.16 van het beroepen vonnis en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In deze rechtsoverwegingen oordeelt de rechtbank dat na 1 juli 2008 geen door [Y.] geschonden verplichtingen bestaan, zodat van schade aan de zijde van [X.] geen sprake is, alsmede dat er geen feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan [X.] gerechtigd was over te gaan tot buitengerechtelijke ontbinding. Daarnaast richten deze grieven zich meer in het algemeen tegen de toewijzing van de hoofdvordering van [Y.] en de wettelijke rente daarover en de afwijzing van de vordering van [X.].

8.7.2. Zoals hiervoor is overwogen kon [Y.] de Overeenkomsten niet tussentijds door opzegging beëindigen. Dat [Y.] dit wel heeft gedaan moet worden aangemerkt als een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [Y.] is in beginsel dan ook schadeplichtig jegens [X.].

8.7.3. [X.] stelt als gevolg van de niet rechtsgeldige opzegging van [Y.] gedwongen te zijn elders een overeenkomst aan te gaan tot levering van electriciteit tegen een hogere prijs. De daardoor geleden schade heeft zij begroot op een bedrag van € 8.350,46. Dit is het prijsverschil tussen de met [Y.] overeengekomen tarieven en de tarieven die haar nieuwe leverancier Oxxio hanteerde, te rekenen vanaf 1 juli 2008 tot de oorspronkelijke einddatum van de overeenkomst met [Y.].

Volgens [Y.] is het onredelijk van haar te vergen een schadevergoeding te voldoen waartoe als uitgangspunt een contractsduur van meerdere jaren wordt genomen, terwijl de Overeenkomsten slechts zes, respectievelijk vier maanden, hebben geduurd. Daarnaast voert zij met een beroep op art. 6:101 BW aan dat [X.] in juni 2008 elders gunstiger prijzen had kunnen aanvaarden dan die van Oxxio.

8.7.4. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet in waarom het tijdstip van beëindiging van de Overeenkomsten ingevolge de eisen van redelijkheid en billijkheid invloed zou hebben op de toewijsbaarheid van de door [X.] als gevolg van deze beëindiging geleden schade.

[Y.] heeft nog gesteld dat [X.] niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan nu zij bij verschillende andere leveranciers goedkoper uit zou zijn geweest dan bij de door [X.] gekozen leverancier Oxxio. Onder meer verwijt zij [X.] dat zij via een tussenpersoon - tegelijk met andere afnemers - in juni 2008 met Oxxio gecontracteerd heeft, waarbij deze tussenpersoon, zoals door [Y.] onweersproken is gesteld, voor al haar klanten een aanbieder heeft willen vinden met een gunstige prijs en gewacht heeft met haar aanbod totdat zij al haar klanten een aanbieding van één leverancier kon doen. Volgens [Y.] was het toen voordeliger individueel te contracteren. Uit een door [Y.] overgelegd tarievenoverzicht van Prize Wize uit de betreffende maand blijkt dat er toen goedkopere aanbieders dan Oxxio waren. Ook heeft de eigenaar van [Y.], de heer [Z.], tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep verklaard dat er destijds goedkopere aanbieders waren en deze bij name genoemd. Volgens [Z.] zijn de betreffende namen van aanbieders niet door [Y.] aan [X.] gecommuniceerd maar waren de betreffende aanbiedingen door [X.] op internet te raadplegen.

[X.] heeft hier tijdens de comparitie van partijen tegen ingebracht dat Oxxio op het moment van afsluiten van de betreffende overeenkomsten het gunstigste tarief bood. Volgens [X.] was dit hoger dan het tarief dat [Y.] eerst bood maar lager dan het door [Y.] in haar opzeggingsbrief van 30 mei 2008 aangeboden tarief.

Voor zover het niet contracteren met goedkopere leveranciers dan Oxxio als omstandigheid geldt die [X.] kan worden toegerekend eist naar het oordeel van het hof de billijkheid - ook in aanmerking genomen de door [Y.] gestelde alternatieve contractsmogelijkheden - dat in dit geval op grond van het navolgende de vergoedingplicht van [Y.] onverkort gehandhaafd blijft. Uit de niet door [X.] betwiste stellingen van [Y.] maakt het hof op dat zij is afgegaan op een aanbieding van haar tussenpersoon. Volgens [X.] was dat destijds de meest gunstige aanbieding. [X.] mocht er vanuit gaan dat haar tussenpersoon haar een gunstige aanbieding zou presenteren. Daarbij is van belang dat tussen partijen vaststaat dat de aanbieding van Oxxio gunstiger was dan de aanbieding die [Y.] deed aan [X.] in haar opzeggingsbrief van 30 mei 2008. Bovendien geldt in het algemeen dat een gelaedeerde ter beperking van zijn schade niet zonder meer gehouden is de goedkoopst mogelijke alternatieve leverancier in de arm te nemen. Overige voorwaarden - zoals het serviceniveau en de mate van betrouwbaarheid - kunnen hierbij tevens een rol spelen. Nu [Y.] in dit verband heeft nagelaten concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die de conclusie rechtvaardigen dat [X.] in dit verband de grens van het redelijke heeft overschreden faalt haar verweer. Hetgeen [Y.] overigens heeft gesteld - zoals de in het najaar van 2008 dalende olieprijs en de in verband daarmee van [X.] te verwachten beleidsbeslissingen - acht het hof niet relevant, nu [X.] genoodzaakt was in juni 2008 op zoek te gaan naar een andere leverancier.

[Y.] heeft overigens niet betwist dat [X.] € 8.350,46 meer aan haar nieuwe leverancier Oxxio heeft moeten betalen dan zij bij gelijk gebruik op grond van de Overeenkomsten aan [Y.] zou hebben voldaan. In beginsel komt dit bedrag dan ook voor toewijzing in aanmerking met inachtneming van het door [X.] gedane beroep op verrekening.

8.7.5. Nu het verzuim van [Y.] is ingetreden door haar niet rechtsgeldige opzegging slaagt het beroep van [X.] op het door haar gestelde opschortingsrecht. [Y.] heeft dit opschortingsrecht namelijk niet anders bestreden dan met voornoemd - falend - beroep op rechtsgeldige opzegging. Het door [X.] gemotiveerd bestreden beroep van [Y.] op art. 6:132 BW gaat reeds niet op, nu [Y.], zoals hiervoor is overwogen, geen grond had om nakoming van haar verbintenis te weigeren. Vanwege het voorgaande slaagt eveneens het beroep van [X.] op verrekening, nu [Y.] dit beroep overigens niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden.

8.7.6. Op grond van het voorgaande ligt de primair door [X.] wegens wanprestatie gevorderde schadevergoeding voor toewijzing gereed. De wettelijke rente over dit bedrag is door [X.] gevorderd vanaf de datum tegen welke [Y.] de levering heeft opgezegd, namelijk 1 juli 2008. Voor zover [X.] beoogt de wettelijke handelsrente te vorderen geldt dat art. 6:119a BW niet ziet op gevallen van een verplichting tot schadevergoeding. In zoverre dient de vordering dan ook te worden afgewezen.

Ten aanzien van de toewijsbaarheid van de wettelijke rente in de zin van art. 6:119 BW gaat het hof uit van verzuim van [Y.] in de zin van art. 6:119 BW vanaf de dag dat de betalingsverplichting van [X.] uit de overeenkomsten met Oxxio opeisbaar is geworden. In productie 10 bij de memorie van grieven - waarnaar [X.] ter onderbouwing van haar schade heeft verwezen - vermeldt [X.] dat Oxxio per 1 november 2009 is opgezegd en afgekocht. Mitsdien zal het hof de wettelijke rente over het na verrekening resterende schadebedrag van € 3.875,08 toewijzen vanaf 1 november 2009.

8.8. De door [X.] gevorderde - en door [Y.] betwiste - buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen.

Toekenning van buitengerechtelijke incassokosten als door [X.] gevorderd is slechts mogelijk indien deze zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

[X.] heeft in dit verband slechts brieven van haar gemachtigde overgelegd die te kwalificeren zijn als een reactie op de betalingsherinneringen van [Y.]. Dat [X.] kosten heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening van de in onderhavige procedure gevorderde schadevergoeding is dan ook onvoldoende onderbouwd.

Gelet op het voorgaande slagen de derde en vijfde grief, alsmede de vierde grief, met uitzondering voor wat betreft de door [X.] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

8.9. De zesde grief faalt - zoals door [X.] zelf in de toelichting op deze grief is betoogd - bij gebrek aan zelfstandige betekenis.

8.10. Het (deels) slagen van de grieven brengt met zich dat de in eerste aanleg verworpen of niet niet behandelde stellingen en weren die in appel niet zijn prijsgegeven opnieuw dienen te worden behandeld. Ten aanzien van de niet door [Y.] prijsgegeven stelling dat in dezen geen sprake is van koopovereenkomsten, oordeelt het hof dat de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft overwogen dat deze stelling dient te worden verworpen.

8.11.1. Het hof zal [Y.] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

8.11.2. [Y.] heeft ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten geen verweer gevoerd, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt. Het arrest zal daarnaast, zoals door [X.] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo gewezen vonnis van 8 september 2010;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [Y.] te betalen aan [X.] een bedrag van € 3.875,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 1 november 2009;

veroordeelt [Y.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [X.] voor de eerste aanleg begroot op € 400,-- voor salaris advocaat en voor het hoger beroep op € 713,89 voor verschotten en € 1264,-- voor salaris advocaat, met bepaling dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, M.B. Beekhoven van den Boezem en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 november 2011.