Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6442

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
HD 200.059.606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over hoogte waterverbruik.

Functioneren watermeter.

IJking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.059.606

arrest van de tweede kamer van 29 november 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. G. te Biesebeek,

tegen:

de naamloze vennootschap BRABANT WATER N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. L.P. Kabel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 mei 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder zaaknummer 627832 / 09-5331 gewezen vonnis van 7 januari 2010.

5. Het tussenarrest van 4 mei 2010

Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen bevolen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. Op 11 juni 2010 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben geen schikking bereikt, waarna de zaak voor het nemen van een memorie van grieven naar de rol is verwezen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt dat zich in afschrift bij de stukken bevindt.

6.2. Bij memorie van grieven heeft [X.] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot, uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing alsnog van de vorderingen van Brabant Water, met veroordeling van Brabant Water in de kosten van beide instanties.

6.3. Bij memorie van antwoord heeft Brabant Water de grieven bestreden. Tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van het in eerste aanleg niet toegewezen deel van haar vordering, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

6.4. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [X.] de incidentele grieven bestreden.

6.5. Brabant Water heeft vervolgens nog een akte na memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

6.6. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De gronden van het hoger beroep

7.1. Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar beide memories.

8. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

8.1. Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende:

a. Brabant Water heeft gedurende meerdere jaren, maar in ieder geval vanaf 2005, drinkwater geleverd aan [X.].

b. In oktober en november 2006 heeft [X.] Brabant Water verscheidene malen telefonisch medegedeeld dat – naar zijn overtuiging – de watermeter ondeugdelijk was en een te hoog waterverbruik registreerde.

c. Op 30 november 2006 heeft Brabant Water daarop een van haar werknemers naar het verbruikersperceel van [X.] gestuurd.

d. Op 1 december 2006 heeft Brabant Water de watermeter van [X.] vervangen.

e. Brabant Water heeft erkend dat het verbruik volgens de oude meter over iets minder dan een maand (2 november 2006 tot 1 december 2006) bijna evenveel was (nl. 1.111 kubieke meter) als het verbruik volgens de nieuwe meter over de periode 2 december 2006 tot 30 oktober 2007 (nl. 1.173 kubieke meter).

f. Nadat Brabant Water [X.] had geweigerd de (vervangen) watermeter te laten ijken, heeft Brabant Water deze zelf laten testen, door [Y.] Meters BV. Volgens [Y.] voldeed de watermeter, bij een door haar op 12 januari 2007 uitgevoerde ijking, aan de eisen.

g. Vanwege het naar zijn mening onjuist geregistreerde waterverbruik in de periode voorafgaand aan de vervanging van de watermeter, heeft [X.] de betaling van de jaarafrekening 2006 (die betrekking had op de periode 1 november 2006 tot 1 december 2007) opgeschort.

h. Op 1 januari 2009 heeft Brabant Water de watervoorziening aan [X.] wegens achterstallige betaling afgesloten.

i. Brabant Water heeft bij eindafrekening d.d. 7 februari 2009 ter zake het waterverbruik een bedrag van € 1.746,49 in rekening gebracht bij [X.].

j. [X.] heeft dit bedrag niet voldaan aan Brabant Water.

8.2. Brabant Water heeft [X.] in rechte betrokken en in eerste aanleg, samengevat, gevorderd [X.] te veroordelen tot betaling aan haar, Brabant Water, van € 1.726,59, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, alsmede tot betaling aan Brabant Water van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Brabant Water heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij onder de toepasselijkheid van de door haar gehanteerde Algemene Voorwaarden Drinkwater aan [X.] water heeft geleverd, ter zake deze levering het zojuist genoemde bedrag te vorderen heeft en [X.] in gebreke is gebleven om dit bedrag aan Brabant Water te betalen. De rechtbank heeft de vordering tot betaling van € 1.726,59 toegewezen tot een bedrag van € 1.252,05 vermeerderd met de wettelijke rente daarover en Brabant Water veroordeeld in de proceskosten van [X.].

in principaal appel

8.3. Volgens grief I had de rechtbank, nadat zij had geconcludeerd dat Brabant Water haar vordering had gebaseerd op een factuur die inhoudelijk niet volledig overeenstemde met het daadwerkelijke waterverbruik door [X.], de vordering geheel moeten afwijzen. De rechtbank is gehouden aan het gevorderde en kan dit enkel toekennen dan wel afwijzen, aldus [X.].

Grief I faalt. In hetgeen Brabant Water op grondslag van de overeenkomst tussen haar en [X.] heeft gevorderd, te weten betaling aan haar door [X.] van een bedrag van € 1.726,59, ligt – in verband met de mogelijkheid dat de vordering niet voor volledige toewijzing vatbaar zou blijken – een vordering tot een lager bedrag besloten, nu ook deze vordering redelijkerwijs op die grondslag kan worden gebaseerd. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de vordering van Brabant Water niet alleen betrekking had op de verbruikskosten van [X.] in de periode vóór, maar ook, zelfs voor een groot deel, op die kosten in de periode ná vervanging van zijn watermeter.

8.4.1. Met grief II komt [X.] allereerst op tegen de berekening van zijn verbruikskosten door de rechtbank. De rechtbank heeft [X.]’ verbruikskosten over de periode van 1 december 2006 tot 30 oktober 2007 (d.w.z. na vervanging van de watermeter) vastgesteld op € 608,55 en de verbruikskosten over de periode van 2 november 2006 tot 1 december 2006 op € 101,85 (samen: € 710,40). Brabant Water had deze verbruikskosten vastgesteld op € 1.184,94. Van de vordering van Brabant Water van € 1.726,59 heeft de rechtbank daarom een bedrag van € 474,54 (het verschil tussen € 1.184,94 en € 710,40) afgetrokken.

8.4.2. Volgens [X.] had de rechtbank een hoger bedrag moeten aftrekken van de vordering van Brabant Water nu “dit (aangepaste) bedrag (…) een bedrag exclusief BTW is en (…) de vordering van Brabant Water een bedrag inclusief BTW betreft. De rechtbank (…) gaat derhalve een bedrag exclusief BTW in mindering brengen op een vordering inclusief BTW.” Ook houdt volgens [X.] de rechtbank “in haar berekening (…) geen rekening met de andere belastingen”, zoals de rijksbelasting grondwater.

[X.] heeft niet heeft aangegeven op welke van de bovengenoemde bedragen de belastingen (al dan niet) betrekking zouden hebben, en hoe hoog het bedrag is dat van de vordering van Brabant Water zou moeten worden afgetrokken en voorts ontbreekt een wijze van berekening van het af te trekken bedrag. Om deze reden wordt [X.]’ stelling als onvoldoende onderbouwd verworpen en faalt, op dit punt, grief II.

8.4.3. [X.] stelt voorts de berekening van het bedrag van € 608,55 niet te begrijpen. Ook zou de berekening van het bedrag van € 101,85 onjuist zijn. In verband met dit laatste merkt [X.] op dat het bedrag van € 608,55 het verbruik betreft over elf maanden. Voor het verbruik over één maand had de rechtbank dan één elfde van € 608,55 dienen te nemen, zijnde een bedrag van € 55,32, in plaats van € 101,85. Door deze foutieve berekening zou er € 55,32 te weinig in mindering zijn gebracht op de vordering van Brabant Water.

8.4.4. Brabant Water legt uit hoe de rechtbank volgens haar tot het bedrag van € 608,55 is gekomen, maar verklaart niet in staat te zijn het door de rechtbank vastgestelde bedrag van

€ 101,85 te verklaren.

8.4.5. Het hof oordeelt als volgt. Het bedrag van € 608,55 is de prijs voor het verbruik van 1.173 kubieke meter, welke prijs de rechtbank in r.o. 3.4 van het bestreden vonnis baseert op het feit dat Brabant Water voor een gemeten afname van 2.284 kubieke meter een bedrag van € 1.184,94 in rekening heeft gebracht bij [X.]. Met deze laatste twee gegevens is een prijs per kubieke meter te berekenen. De berekening, vervolgens, van het bedrag van € 608,55 is dus niet onbegrijpelijk. Anders is dat voor het bedrag van € 101,85. Het hof volgt [X.] in zijn betoog, dat niet weersproken is door Brabant Water, dat dit bedrag, dat ziet op het verbruik over (ongeveer) een maand, terwijl het bedrag van € 608,55 ziet op een verbruik over elf maanden, dan ook één elfde van € 608,55 zou moeten zijn. Dat is een bedrag van € 55,32 (in plaats van € 101,85). Door deze foutieve berekening is er € 46,53 (en niet € 55,32, zoals [X.] stelt) te weinig in mindering gebracht op de vordering van Brabant Water. Op dit punt slaagt derhalve grief II.

8.5. Met grief II betwist [X.] voorts dat Brabant Water een vordering heeft van € 1.726,59, nu de bedragen waarmee Brabant Water deze vordering specificeert, opgeteld niet het resultaat € 1.726,59 hebben, maar € 1.637,36.

Dit standpunt van [X.] verwerpt het hof. Brabant Water heeft haar vordering met de eindafrekening d.d. 7 februari 2009 en de daaraan voorafgaande jaarafrekeningen (prod. 1-2.3, Akte houdende overlegging bescheiden t.b.v. comparitie van Brabant Water), als volgt gespecificeerd: € 72,83 (openstaande belastingen en andere rechten); € 1.410,76 (openstaande jaarafrekeningen); € 262,90 openstaande administratiekosten). De openstaande jaarafrekeningen van € 1.410,76 zijn opgebouwd uit de volgende bedragen: € 6,83 (afrekening d.d. 16 november 2006); € 1.237,42 (afrekening d.d. 28 november 2007), en € 166,51 (afrekening d.d. 27 november 2008).

Het totaal van deze gespecificeerde bedragen is € 1.746,49. Bij inleidende dagvaarding heeft Brabant Water echter geen € 1.746,49 gevorderd, maar een bedrag van € 1.726,59. Het verschil van €19,90 betreft de kosten van een door Brabant Water aan [X.] gezonden betalingsherinnering, welke kosten door Brabant Water zijn kwijtgescholden, hetgeen blijkt uit de in de door Brabant Water overgelegde Akte houdende overlegging bescheiden t.b.v. comparitie, sub nr. 5.

8.6.1. Met grief II betwist [X.] verder nog afzonderlijke bedragen waarmee Brabant Water haar vordering van € 1.726,59 heeft gespecificeerd.

8.6.2. In verband met het hem in rekening gebrachte bedrag van € 6,53 stelt [X.] niet in staat te zijn dit bedrag te herleiden uit de jaarafrekening van 14 november 2006 en dat Brabant Water niet in staat is geweest het bestaan van een vordering op hem ter zake aan te tonen.

Deze stelling verwerpt het hof. Blijkens de aan [X.] geadresseerde specificatie van de jaarafrekening d.d. 14 november 2006 (prod. 2.3, akte houdende overlegging bescheiden t.b.v. comparitie van Brabant Water) was [X.] voor zijn verbruik over de periode van 25 oktober 2005 tot 2 november 2006 een bedrag van € 1.411,83 verschuldigd. Daarop heeft Brabant Water de reeds betaalde voorschotten van € 1.405,- in mindering gebracht, hetgeen leidt tot een saldo ten laste van [X.] van € 6,83 (waarvan Brabant Water slechts € 6,53 bij [X.] in rekening heeft gebracht).

8.6.3. In verband met het hem in rekening gebrachte bedrag van € 262,90 aan openstaande administratiekosten, stelt [X.] zich op het standpunt deze kosten niet verschuldigd te zijn. Hij heeft de betaling van zijn jaarafrekening 2006 (die betrekking had op de periode 1 november 2006 tot 1 december 2007) rechtmatig opgeschort in verband met het niet deugdelijk functioneren van de watermeter. Brabant Water had hem daarom niet de bedoelde administratiekosten (die voorvloeiden uit de niet-betaling van de jaarafrekening) in rekening mogen brengen.

Brabant Water betwist dat sprake is van de bedoelde rechtmatige opschorting. Er was, volgens haar, aan de kant van [X.] sprake van een “stelselmatig te late betaling”.

Ook deze stelling van [X.] verwerpt het hof. Nu de jaarafrekening 2006 ook, en zelfs voor een aanzienlijk gedeelte betrekking had op verbruik dat geregistreerd werd met een nieuwe watermeter (waarvan [X.] de deugdelijkheid niet betwistte) stond het hem – zelfs als hem een opschortingrecht zou toekomen (ten aanzien van het verbruik dat geregistreerd werd met de vervangen watermeter) – niet vrij om het gehele bedrag van de jaarafrekening niet te betalen. Op grond van hetgeen [X.] aanvoert, kan derhalve niet worden vastgesteld dat Brabant Water de administratiekosten niet in rekening had mogen brengen bij [X.].

8.7.1. Met grief II betwist [X.] voorts afzonderlijke posten van diverse jaarafrekeningen.

8.7.2. [X.] betoogt dat Brabant Water in haar jaarafrekening d.d. 28 november 2007 “een correctie” heeft toegepast van 1.111 kubieke meter (voor het verbruik over de periode van 2 november 2006 tot 1 december 2006), deze correctie achterwege had moeten blijven vanwege het niet goed functioneren van de watermeter in die periode, en ter zake een bedrag van € 829,17 in mindering moet worden gebracht op het door [X.] ingevolge die jaarafrekening verschuldigde bedrag van € 1.237,42.

Deze stelling van [X.] verwerpt het hof. In de bedoelde jaarafrekening wordt door Brabant Water niet “een correctie” toegepast van 1.111 kubieke meter, maar wordt ter zake het verbruik van deze hoeveelheid water een bedrag in rekening gebracht bij [X.]. Voorts heeft [X.] ten aanzien van het verbruik in de genoemde periode eerder de stelling betrokken (waarover r.o. 8.4.3) dat daarvoor een bedrag van € 55,32 in rekening zou moeten worden gebracht. Over die stelling heeft het hof zich ook reeds uitgesproken, in r.o. 8.4.5, waarnaar het hof hier kortheidshalve verwijst.

8.7.3. [X.] beroept zich vervolgens op de onjuistheid van de jaarafrekening d.d. 16 november 2006 en van het bedrag dat hem in rekening is gebracht voor zijn verbruik in 2005 (zonder dat [X.] voor het jaar 2005 verwijst naar een (jaar)afrekening van een bepaalde datum). De watermeter zou een te hoog verbruik hebben geregistreerd. In de jaren 2005 en 2006 bedroeg het geregistreerde verbruik respectievelijk 1.125 en 1.153 kubieke meter, terwijl in de jaren daaraan voorafgaand [X.]’ gemiddelde verbruik 780 kubieke meter bedroeg. Uitgaande van dat gemiddelde verbruik zou hij over 2005 en 2006 een bedrag van € 288,10 te veel hebben betaald. Dit bedrag moet worden afgetrokken van het ingevolge de jaarafrekening d.d. 28 november 2007 verschuldigde bedrag van € 1.237,42. Over het naar zijn oordeel te veel betaalde bedrag van € 288,10 heeft [X.] Brabant Water geïnformeerd bij schrijven d.d. 5 juli 2007.

Brabant Water heeft de juistheid van het gemiddelde verbruik van [X.] betwist. Het verbruik na installatie van de nieuwe watermeter was immers ook veel hoger dan 780 kubieke meter per jaar. Van 1 december 2006 tot en met 29 oktober is een verbruik geregistreerd van 1.173 kubieke meter. Omgerekend naar een jaarverbruik is dat 1.280 kubieke meter.

Het hof oordeelt als volgt. Zo in de jaren 2005 en 2006 al sprake was van een zekere afwijking van het gemiddelde verbruik (waaraan gelet op hetgeen Brabant Water naar voren heeft gebracht moet worden getwijfeld), brengt deze omstandigheid op zich nog niet mee dat het geregistreerde waterverbruik onjuist is of dat het niet als basis voor (jaar)afrekeningen van Brabant Water aan [X.] zou mogen dienen. Feiten of omstandigheden die dit anders maken zijn door [X.] niet gesteld. Voor aftrek van een bedrag van € 288,10 van het ingevolge de jaarafrekening d.d. 28 november 2007 verschuldigde bedrag van € 1.237,42, zoals door [X.] gesteld, bestaat derhalve geen grond.

8.7.4. Ten slotte beroept [X.] zich in grief II op de onjuistheid van de jaarafrekening d.d. 27 november 2008 waar deze een voorschotbedrag van € 121,- betreft. Het voorschotbedrag had Brabant Water niet in rekening mogen brengen “nu destijds de waterleveranties niet meer plaatsvonden vanwege het afsluiten van de meter”. Ook de administratiekosten van € 64,90 had Brabant Water niet in rekening mogen brengen. Deze bedragen zouden daarom moeten afgetrokken van hetgeen Brabant Water thans vordert van [X.].

Het hof verwerpt dit betoog van [X.]. Het voorschotbedrag (dat betrekking heeft op de maanden november en december 2008 en januari 2009) werd in rekening gebracht op 27 november 2008, toen [X.] nog niet was afgesloten. Dat laatste gebeurde, zoals Brabant Water terecht naar voren heeft gebracht, pas in januari 2009 (zie prod. 6, akte houdende overlegging bescheiden t.b.v. comparitie van Brabant Water).

Over de verschuldigdheid van de administratiekosten heeft het hof zich reeds uitgesproken in r.o. 8.6.3 waarnaar het hof hier kortheidshalve verwijst.

8.8. Grief II houdt ten slotte in dat de Brabant Water met de afsluiting van [X.] van het drinkwater onrechtmatig heeft gehandeld en dat zijn schade moet worden verrekend met hetgeen Brabant Water van hem te vorderen heeft.

Brabant Water stelt zich op het standpunt gerechtigd te zijn geweest de watervoorziening af te sluiten nu [X.] “hardnekkig” geweigerd heeft de vordering van Brabant Water te voldoen.

In het licht van hetgeen het hof reeds overwoog in r.o. 8.6.3, in het bijzonder dat het [X.] niet vrij stond de betaling van zijn jaarafrekening 2006 (volledig) op te schorten, is de uiteindelijke afsluiting van [X.] om die reden – in beginsel – niet als onrechtmatig handelen van Brabant Water aan te merken. De enkele door [X.] aangevoerde omstandigheid dat hij een boerderij exploiteerde ten tijde van de afsluiting maakt dit niet anders. Ook op dit punt faalt derhalve grief II.

8.9. Het door [X.] gedane bewijsaanbod passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd nu [X.] slechts in algemene bewoordingen bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden.

in incidenteel appel

8.10. Het Hof zal de grieven I en II vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.

8.11. Volgens grief I heeft de rechtbank in r.o. 3.3 van het vonnis a quo ten onrechte aangenomen dat de oorzaak van het hoge waterverbruik van [X.] gelegen was in het niet deugdelijk functioneren van de watermeter. Met het door Brabant Water overgelegde rapport van ijking van [Y.] is immers bewezen dat de watermeter wél deugdelijk functioneerde. Nu de watermeter aldus deugdelijk heeft gefunctioneerd, is er volgens Brabant Water in grief II ook geen reden om, zoals de rechtbank heeft gedaan in r.o. 4 van het bestreden vonnis, de gemeten waterafname te verlagen en de vordering van Brabant Water met een bedrag van € 474,54 te matigen.

8.12. [X.] betwist de juistheid van de door [Y.] uitgevoerde ijking en voert daartoe aan dat [Y.], anders dan Brabant Water stelt, niet onafhankelijk is van Brabant Water.

Voorts verwijt [X.] Brabant Water de meter zelf te hebben vervangen zonder deze te verzegelen, waardoor Brabant Water vóór de aanbieding ervan aan [Y.] de meter heeft kunnen reinigen, spoelen, repareren of ruilen. Daardoor is, volgens [X.], niet meer vast te stellen, ook niet bij een op zich correcte ijking, of het geregistreerde waterverbruik (waarop Brabant Water haar vordering baseert) juist is geweest.

8.13. Het hof overweegt als volgt. Het verweer van [X.] dat [Y.] niet onafhankelijk is van Brabant Water en daardoor de door hem, [Y.], uitgevoerde ijking onjuist is, verwerpt het hof, nu [X.] dit verweer niet nader heeft onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden.

8.14.1. Wat betreft het verweer van [X.] dat Brabant Water de meter voorafgaand aan de ijking heeft kunnen bewerken, oordeelt het hof als volgt.

Nu Brabant Water ervoor heeft gekozen de watermeter zelf weg te halen bij [X.] en ter ijking aan te bieden aan [Y.], waardoor zij in de periode direct voorafgaand aan de ijking de beschikking kreeg over de watermeter zonder dat haar wederpartij [X.] nog enig zicht had op de meter, terwijl zij een direct financieel belang had bij een ijking die zou bevestigen dat de meter deugdelijk heeft gewerkt (in dat geval kon zij immers het hoge geregistreerde waterverbruik in rekening brengen bij [X.]) ligt het naar het oordeel van het hof ook op haar weg aan te tonen dat zij de meter nog in de staat waarin deze verkeerde bij het weghalen, heeft aangeboden aan [Y.], in het bijzonder dat zij de meter niet heeft gereinigd, gespoeld, gerepareerd of geruild.

8.14.2. Brabant Water ontkent weliswaar dat zij de meter heeft gereinigd, gespoeld, gerepareerd of geruild, maar heeft dit alleen voor het ruilen van de meter met feiten onderbouwd. Aldus heeft Brabant Water naar het oordeel van het hof onvoldoende aangetoond dat zij, kort gezegd, de meter na het weghalen bij [X.] in dezelfde staat heeft aangeboden aan [Y.]. Tot een ander oordeel kan ook niet leiden het risico op reputatieschade waarop Brabant Water zich in dit verband beroept en dat zij met het verrichten van de genoemde handelingen zou lopen. Dit risico verhinderde haar immers niet daadwerkelijk om de bedoelde handelingen te verrichten.

8.14.3. Nu Brabant Water er niet in is geslaagd aan te tonen dat de meter nog in dezelfde staat is aangeboden aan [Y.], is het rapport van ijking van [Y.] op losse schroeven komen te staan. Met het rapport kan niet worden aangetoond dat de watermeter deugdelijk heeft gefunctioneerd, en evenmin brengt het rapport mee dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de oorzaak van het hoge waterverbruik van [X.] gelegen was in het disfunctioneren van de watermeter. Voor het bestaan van een andere oorzaak voor het hoge verbruik van [X.] (dan de watermeter), heeft Brabant Water ten slotte onvoldoende gesteld. Brabant Water heeft zich immers alleen nog beroepen op de enkele mogelijkheid van storingen aan of lekverliezen binnen de drinkwaterinstallatie van [X.] (die bovendien, volgens Brabant Water, “niet waarneembaar” zijn geweest). Grief I faalt derhalve.

Nu grief II voortbouwt op grief I, waar zij gebaseerd is op de stelling van Brabant Water dat de watermeter wél deugdelijk heeft gefunctioneerd, faalt ook grief II.

8.15. Brabant Water biedt nog bewijs aan van haar stelling – door middel van getuigen – dat het in rekening gebrachte verbruik juist is en dat er alternatieve oorzaken kunnen zijn voor het bijzonder hoge verbruik (waarover r.o. 8.1.e). Nu het hof reeds heeft geoordeeld dat aan het genoemde ijkrapport niet de conclusie kan worden verbonden dat de watermeter deugdelijk heeft gefunctioneerd en Brabant Water voor het bestaan van andere oorzaken voor het bijzonder hoge waterverbruik onvoldoende heeft gesteld, wordt het bewijsaanbod gepasseerd als niet relevant.

in principaal en incidenteel appel

8.16. Het voorgaande betekent dat het eindvonnis waarvan beroep vernietigd dient te worden voor zover bij dat vonnis [X.] is veroordeeld aan Brabant Water een bedrag te betalen van € 1.252,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2009. Het hof zal [X.] veroordelen tot betaling aan Brabant Water van een bedrag van € 1.205,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2009. In het principaal appel zal [X.] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. In het incidenteel appel zal Brabant Water als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [X.] daarbij is veroordeeld om aan Brabant Water € 1.252,05 vermeerderd met de wettelijke rente te betalen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X.] om aan Brabant Water te betalen een bedrag van € 1.205,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten aan de zijde van Brabant Water tot op heden worden begroot op € 263,- aan verschotten en € 948,- aan salaris advocaat;

veroordeelt Brabant Water in de proceskosten van het incidenteel appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [X.] worden begroot op € 474,- aan salaris advocaat.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 november 2011.