Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6254

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
HD 200.078.380
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2010:BO0062, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsgevolg van onbevoegd verrichte rechtshandeling door overheid. Artikel 3:61 lid 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.078.380

arrest van de vierde kamer van 22 november 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BERGEN,

zetelend te Bergen (Limburg),

appellante,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ [X.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.W. Phea,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 november 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 6 oktober 2010 tussen appellante – de gemeente - als gedaagde en geïntimeerde – [X.] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 99233/HA ZA 10-142)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 21 april 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de gemeente vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [X.] en tot veroordeling van [X.] tot ongedaanmaking van de door de gemeente ingevolge het vonnis van de rechtbank Roermond van 6 oktober 2010 verrichte prestaties, althans – kort weergegeven - tot veroordeling van [X.] tot medewerking aan levering van percelen grond aan het Smal te Bergen (Limburg) en tot terugbetaling van een bedrag van € 815.400,--, vermeerderd met notariskosten en overdrachtsbelasting en wettelijke rente, een en ander op verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties, waaronder die van het onder de notaris gelegde conservatoire beslag.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1. [X.] was eigenaar van de percelen grond kadastraal bekend gemeente Bergen (Limburg) [sectieletter] [kadastraalnummer 1.] en [sectieletter] [kadastraalnummer 2.] (verder: “de percelen”).

4.1.2. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente (verder: “B&W”) een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: “voorkeursrecht” en “Wvg”) gevestigd op voornoemde percelen.

4.1.3. Op 7 januari 2008 heeft B&W [X.] schriftelijk bericht dat het toen geldende voorkeursrecht op de percelen per 10 januari 2008 werd vervangen door een nieuw voorkeursrecht op grond van de Wvg. Bij deze brief was een toelichting omtrent het voorkeursrecht gevoegd.

4.1.4. Op 7 januari 2008 heeft [X.] de percelen schriftelijk te koop aangeboden aan de gemeente. In dit schrijven wordt gerefereerd aan het op de percelen gevestigde voorkeursrecht en worden de locatie, kadastrale nummers en de omvang van de percelen genoemd.

4.1.5. Op 20 februari 2008 heeft de gemeente aan [X.] in reactie op en met referte aan de brief van 7 januari 2008 onder meer bericht:

“In de vergadering van 19 februari 2008 is besloten in beginsel over te gaan tot verwerving van de genoemde percelen tegen een nader overeen te komen prijs. De waarde van de percelen laten wij daarom vaststellen door een taxateur. Zodra het taxatierapport in ons bezit is, nemen wij weer contact met u op.”

4.1.6. Op 6 augustus 2008 heeft de gemeente aan [X.] in vervolg op de brief van 20 februari 2008 onder meer geschreven:

“In de vergadering van 24 juni 2008 is besloten de genoemde percelen aan te kopen voor de prijs van EUR 7,50 per vierkante meter. Uitgaande van de oppervlakte van 10.19.25 ha houdt dit in, dat het hier om een totaal bedrag gaat van € 764.437,50. Wij willen schriftelijk van u vernemen of u tot verkoop van de percelen tegen de genoemde [prijs, toevoeging hof] van € 7,50 per vierkante meter overgaat.”

4.1.7. Op 19 augustus 2008 heeft [X.] de gemeente in reactie op de brief van 6 augustus 2008 onder meer geschreven:

“Wij zijn genegen de opgemelde grond aan u te verkopen. Echter wij willen u in overweging geven de koopprijs per vierkante meter te stellen op € 12,50.”

4.1.8. Bij brief van 9 september 2008 hebben Gedeputeerde Staten van Limburg (verder: “GS”) aan B&W geschreven dat zij een herindelingsontwerp ten aanzien van onder andere de gemeente hebben vastgesteld en hebben GS verzocht dit ontwerp, gelet op het bepaalde in artikel 8 lid 3 Wet algemene regels herindeling (verder: “Wet Arhi”) gedurende acht weken ter inzage te leggen op de gemeentesecretarie. Verder deelden GS B&W mede, dat zij op grond van artikel 21 Wet Arhi in het kader van financieel toezicht een aantal besluiten aan goedkeuring zouden onderwerpen, waaronder besluiten tot het kopen, ruilen, vervreemden en bezwaren van onroerende zaken.

4.1.9. Het besluit van GS is verzonden op 12 september 2008 en door de gemeente ontvangen op 15 september 2008.

4.1.10. Op 23 september 2008 heeft de gemeente aan [X.] in reactie op de brief van 19 augustus 2008 onder meer geschreven:

“In de vergadering van 9 september 2008 is uw aanbieding in het College van Burgemeester en Wethouders aan de orde geweest. Uitgaande van de grondtransacties, die het afgelopen jaar in het gebied plaatsgevonden hebben, is besloten de genoemde percelen aan te kopen voor de prijs van € 8,00 per m2 k.k.. Wij willen schriftelijk van u vernemen of u tot verkoop van de percelen tegen het genoemde bedrag van € 8,00 per m2 overgaat.”

4.1.11. Op 28 oktober 2008 vond een gesprek plaats tussen dhr. [Y.] namens [X.] en de heren [Z.], de portefeuillehouder en [A.], het hoofd Ruimtelijke Ontwikkeling namens de gemeente. In dat gesprek verzocht [X.] de aankoopprijs in heroverweging te nemen.

4.1.12. Op 17 december 2008 heeft de gemeente aan [X.] bij brief onder meer als volgt bericht:

“Naar aanleiding van onze brief van 23 september 2009 inzake de koop van de percelen sectie [sectieletter] nummers [kadastraalnummer 1.] en [kadastraalnummer 2.] heeft u op 28 november 2008 [lees: 28 oktober 2008, hof] een gesprek gehad met de portefeuillehouder en de heer [A.] hoofd van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente Bergen. U vraagt of de aankoopprijs van € 8,00 per m2 alsnog in heroverweging genomen kan worden. (…) In de vergadering van 3 december 2008 heeft het college van Burgemeesters en Wethouders dan ook besloten niet af te wijken van deze prijs. Dit houdt in, dat wij de genoemde percelen van u willen kopen conform het gestelde in onze brief van 23 september 2008.”

4.1.13. Op 19 december 2008 heeft [X.] de gemeente in reactie op de brief van 17 december 2008 onder meer geschreven:

“Wij zijn genegen de opgemelde grond aan u te verkopen.ad 8. m2 K.K. In het gesprek met de portefeuillehouder en de heer [A.] is aangegeven dat het transport spoedig zou kunnen plaats vinden. Wij verzoeken u dit inderdaad te bewerkstelligen.”

4.1.14. Op 23 januari 2009 informeerde [X.] per email bij de gemeente wanneer het transport van de percelen plaats zou vinden.

4.1.15. Op 26 januari 2009 heeft de gemeente aan [X.] in reactie op de email van 23 januari 2009 onder meer geschreven:

“De aankoop van de percelen dient vooraf aan de gemeenteraad ter kennisgeving voorgelegd te worden. Indien de raad hiertegen geen bezwaren [heeft, toevoeging hof] wordt een definitief besluit genomen. Verder moet het besluit tot aankoop van de genoemde percelen op grond van artikel 21 Wet Algemene Regels Herindeling (Arhi) voorgelegd worden aan de werkgroep Arhi van de gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar, waarna het besluit nog ter goedkeuring toegestuurd dient te worden aan het college van Gedeputeerde Staten van Limburg. Dit houdt in, dat op dit moment geen datum aangegeven kan worden wanneer het transport gaat plaatsvinden.”

4.1.16. Op 17 maart 2009 heeft [X.] de gemeente een email gestuurd waarin zij onder meer schreef:

“Op 28 oktober 2008 hebben wij een gesprek gehad over de grond in t Smal beiden bekend. In dat gesprek zegde u toe, bij een akkoord, snel tot overdracht te kunnen overgaan. Eind december is dit akkoord bereikt. (…) In het bedrijfsleven is een maand na de overeenstemming de overdracht normaal. Een rentevergoeding à 5% ingaande 1 februari 2009, lijkt ons alleszins redelijk.”

4.1.17. Op 25 mei 2009 sommeerde mr. E.M. van Zelm de gemeente namens [X.] om binnen 30 dagen medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van de percelen.

4.1.18. Op 15 juni 2009 reageerde de gemeente op het schrijven van 25 mei 2009. De gemeente deelde daarin onder meer mede dat zij, gelet op de economische crisis en de toekomstige woningbehoefte voor de kern Nieuw Bergen, overwoog wellicht niet tot koop van de genoemde percelen over te gaan.

4.1.19. Op 25 juni 2009 sommeerde mr. E.M. van Zelm de gemeente om binnen 14 dagen schriftelijk te bevestigen dat zij medewerking zou verlenen aan de eigendomsoverdracht van de percelen en de koopprijs vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 maart 2008 zou voldoen.

4.1.20. Op 9 oktober 2009 deed de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond uitspraak in een kort geding dat door [X.] tegen de gemeente aanhangig was gemaakt. De vordering van [X.] om – samengevat – de gemeente te veroordelen mee te werken aan de levering van de percelen werd afgewezen, omdat – samengevat – er naar het oordeel van de voorzieningenrechter teveel onduidelijkheden bestonden over de vraag of er sprake was van publiekrechtelijke voorbehouden en wat er precies is besproken in oktober 2008, in het bijzonder over de uiterste datum van levering.

4.1.21. Op 15 juni 2010 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2009 onder aanvulling van gronden bekrachtigd.

4.2.1. Op 12 februari 2010 heeft [X.] de gemeente gedagvaard in de hoofdzaak. Na wijziging en vermeerdering van eis bij akte van 26 juli 2010 heeft zij gevorderd, kort weergegeven:

- a) primair te verklaren voor recht dat een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen betreffende de genoemde percelen, althans dat een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarden is tot stand gekomen tussen partijen en

- b) de gemeente te veroordelen om mee te werken aan levering van de genoemde percelen tegen een koopprijs van € 8,-- per m2 K.K., op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- c) subsidiair te verklaren voor recht dat de gemeente wanprestatie heeft gepleegd c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X.] en dientengevolge schadeplichtig is geworden, met veroordeling van de gemeente tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

- d) meer subsidiair de gemeente te veroordelen om het aankoopbesluit van de percelen ter goedkeuring te verzenden aan de Gedeputeerde Staten, op verbeurte van een dwangsom;

- e) het primair en subsidiair gevorderde te vermeerderen met een renteopslag van 5% op jaarbasis dan wel met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2009;

- f) het primair en subsidiair gevorderde te vermeerderen met een boete van 10% van de koopprijs;

- g) met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

4.2.2. De rechtbank heeft een comparitie gelast, die 26 juli 2010 heeft plaatsgevonden.

De gemeente heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat er in het gesprek op 28 oktober 2008 alleen over de koopprijs is gesproken. De gemeente heeft ook verklaard, dat zij niet heeft gemeld aan [X.] dat GS op 9 september 2008 aan de gemeente hadden bericht, dat GS op grond van artikel 21 van de Wet Arhi hadden besloten besluiten van de gemeente omtrent aankoop van onroerende zaken aan hun goedkeuring te onderwerpen.

4.2.3. In het eindvonnis van 6 oktober 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat met het aanbod van de gemeente van 17 december 2008 en de aanvaarding daarvan door [X.] op 19 december 2008 in beginsel een koopovereenkomst tussen partijen is tot stand gekomen (rov. 4.2.1).

De rechtbank overwoog voorts dat de brief van GS van 9 september 2008 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, welk besluit in werking trad op 12 september 2008, doordat het op die datum aan de gemeente is verzonden. Dit houdt in dat vanaf 12 september 2008 een door een bestuursorgaan van de gemeente genomen besluit als het onderhavige niet in werking treedt voor het is goedgekeurd door GS (rov. 4.3).

De rechtbank heeft het standpunt van [X.], inhoudend dat de gemeente haar nooit op enig publiekrechtelijk of ander voorbehoud ten aanzien van het tot stand komen van de koopovereenkomst heeft gewezen en dat zij er daarom vanuit mocht gaan dat een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand zou komen als zij akkoord ging met de uiteindelijk door de gemeente voorgestelde koopprijs, aldus begrepen, dat [X.] een beroep deed op artikel 3:61 lid 2 BW. Volgens de rechtbank diende de gemeente haar gedrag mede te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van [X.]. Op de gemeente rustte volgens de rechtbank een zelfstandige mededelingsplicht met betrekking tot het genoemde, voor de rechtspositie van [X.] belangrijke, publiekrechtelijke voorbehoud, aan welke mededelingsplicht zij geen uitvoering heeft gegeven. [X.] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat B&W bevoegd handelde bij het doen van het finale aanbod en dat door haar rechtsaanvaarding van dit aanbod een geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de percelen (rov. 4.4).

De rechtbank heeft vervolgens het primair gevorderde toegewezen en de gemeente veroordeeld om medewerking te verlenen aan levering van de percelen onder gelijktijdige voldoening van een koopprijs van € 8,-- per m2, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde, dat wil zeggen de gevorderde rente en de boete, heeft de rechtbank afgewezen.

4.3. De eerste twee grieven van de gemeente zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.2.1 dat in beginsel een koopovereenkomst tussen partijen is tot stand gekomen. Het hof zal deze grieven samen bespreken.

4.4.1. Een overeenkomst van koop en verkoop van grond is, ook als een publiekrechtelijk orgaan één van de partijen is, een privaatrechtelijke rechtshandeling, zodat het hier aan de orde zijnde geschil moet worden beoordeeld aan de hand van privaatrechtelijke regels.

4.4.2. In dit geval had de gemeente op de percelen van [X.] een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten gevestigd. Partijen hebben uitvoering aan de in die wet omschreven procedure gegeven: [X.] heeft op 7 januari 2008 aan de gemeente bericht dat zij de grond aan haar aanbood. De gemeente heeft in reactie daarop aan [X.] laten weten dat zij had besloten in beginsel over te gaan tot aankoop van de grond tegen een nader overeen te komen prijs, waartoe zij een taxatierapport wilde laten uitbrengen. De gemeente heeft vervolgens op 6 augustus 2008 aangeboden de grond te kopen voor € 7,50 per m2. [X.] heeft dit aanbod op 19 augustus 2008 verworpen en een prijs voorgesteld van € 12,50 per m2. Op 23 september 2008 heeft de gemeente medegedeeld dat zij had besloten de grond aan te kopen voor € 8,-- per m2 en op 17 december 2008 heeft zij aan [X.] bericht dat zij op 3 december 2008 had besloten niet af te wijken van deze prijs en nogmaals gesteld de percelen te willen kopen conform het gestelde in de brief van 23 september 2008, dus voor een prijs van € 8,-- per m2. Bij brief van 19 december 2008 heeft [X.] vervolgens aan de gemeente medegedeeld dat zij genegen was de grond te verkopen voor de door de gemeente voorgestelde prijs.

4.4.3. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat op deze wijze in beginsel een perfecte koopovereenkomst tussen [X.] en de gemeente tot stand is gekomen. Volgens artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan.

Aanbod en aanvaarding sluiten in dit geval volledig op elkaar aan. Nergens zijn door de gemeente nadere voorwaarden aan de totstandkoming van de overeenkomst gesteld, uitsluitend het object en de prijs zijn door beide partijen aan de orde gesteld. Dat over een indicatieve prijs is onderhandeld en dat partijen daarna nog over andere elementen in gesprek zouden gaan, zoals de gemeente stelt, blijkt nergens uit en dat ligt ook niet voor de hand, nu eventuele nadere voorwaarden in het algemeen ook invloed op de prijs hebben. Integendeel, de door de gemeente gebruikte bewoordingen in de brieven van 23 september 2008 en 19 december 2008 houden onomwonden een aanbod in om de grond te kopen voor € 8,-- per m2. De gemeente heeft bij de comparitie van partijen ook erkend dat in de bespreking van

28 oktober 2008 over niets anders dan de koopprijs is gesproken. Onjuist is de uitleg van de gemeente van de brief van [X.] van 19 december 2008, waarin [X.] aangeeft “genegen” te zijn de grond voor de door de gemeente geboden prijs te verkopen. Volgens de gemeente betekent het gebruik van het woord “genegen” niet dat de wil tot verkopen bestaat. Kennelijk gaat de gemeente ervan uit dat [X.] “de neiging” had te verkopen (conclusie van antwoord randnummer 42). De gemeente legt daarmee die brief verkeerd uit, nu het woord “genegen” volgens Van Dale’s woordenboek “bereid” betekent. Bovendien blijkt ook uit de toevoeging in die brief dat [X.] aandrong op spoedig transport, dat [X.] ervan uitging dat een (definitieve) koopovereenkomst tot stand was gekomen.

4.4.4. Anders dan de gemeente stelt is het niet in strijd met de strekking van de Wvg om uit de genoemde correspondentie af te leiden dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van de aan [X.] toebehorende percelen. Integendeel, de strekking van die wet brengt juist mee dat partijen, nadat [X.] ter voldoening aan het voorkeursrecht de grond aan de gemeente te koop had aangeboden, over de prijs dienden te onderhandelen en dat zij tot overdracht zouden overgegaan zodra over de prijs overeenstemming zou zijn bereikt. Dat dat de bedoeling van de Wvg is, kan worden afgeleid uit artikel 21 oud Wvg (en artikel 14 nieuw). Daarin is bepaald dat de gemeente, indien de verkoper zulks verlangt, verplicht is medewerking te verlenen tot levering indien gebruik is gemaakt van de in de wet voorziene mogelijkheid aan de rechtbank een oordeel te vragen over de prijs en de rechtbank een prijs heeft bepaald. In het kader van de Wvg is dus het uitgangspunt dat tot overdracht van de grond moet worden overgegaan zodra de prijs daarvan tussen partijen is komen vast te staan. Daarbij is naar het oordeel van het hof niet van belang of die prijs is tot stand gekomen door onderhandeling of door een beslissing van de rechtbank. De Wvg voorziet er niet in dat over nadere voorwaarden kan worden onderhandeld nadat de koopprijs van de grond is komen vast te staan.

4.4.5. Uit het voorgaande volgt dat de grieven I en II geen succes hebben.

4.5. Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.4 dat op de gemeente een zelfstandige mededelingsplicht rustte, waaraan zij uitvoering had moeten geven en dat de gemeente, nu zij dit niet heeft gedaan, geen beroep toekomt op de onbevoegdheid van B&W. In de toelichting op de grief stelt de gemeente dat [X.] niet na het enkele bereiken van prijsovereenstemming met betrekking tot de percelen ervan mocht uitgaan dat sprake was van een koopovereenkomst, omdat de Wvg van toepassing was. Zoals het hof hiervoor al heeft uiteen gezet, staat de Wvg er niet aan in de weg dat partijen na onderhandelingen overeenstemming bereiken over de aankoop van grond. De gemeente heeft niet nader aangegeven waarom dat in het onderhavige geval anders zou zijn. Integendeel, de gemeente heeft in haar brief van 7 januari 2008 juist aangegeven dat [X.] op minnelijke wijze zou kunnen trachten met de gemeente tot overeenstemming te komen. Het hof verwerpt daarom grief III in zoverre.

4.6.1. Grief IV is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat B&W bevoegd hebben gehandeld bij het doen van een finaal aanbod aan [X.]. Volgens de gemeente is de rechtbank voorbij gegaan aan artikel 169 lid 4 Gemeentewet en aan het feit dat tengevolge van het ontbreken van goedkeuring van GS geen geldig besluit tot koop bestaat, zodat geen geldige koopovereenkomst tot stand kan zijn gekomen.

4.6.2. Anders dan de gemeente in deze grief stelt, heeft de rechtbank niet geoordeeld dat B&W bevoegd hebben gehandeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat [X.] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat B&W bevoegd waren en dat de gemeente in de gegeven omstandigheden geen beroep toekomt op de onbevoegdheid van B&W.

4.6.3. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.4.1 reeds aangegeven dat het hier gaat om een privaatrechtelijke rechtshandeling, waarop privaatrechtelijke regels van toepassing zijn. Terecht heeft de rechtbank hier de regels met betrekking tot onbevoegde vertegenwoordiging van toepassing geacht, artikel 3: 61 lid 2 BW. Uitgangspunt is dat B&W op grond van artikel 160 lid 1 onder e Gemeentewet bevoegd zijn te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente. Artikel 169 lid 4 Gemeentewet bevat een inlichtingenplicht van B&W jegens de raad en doet aan die bevoegdheid niet af. Dit artikel heeft slechts interne werking. Bovendien was bij raadsbesluit van de gemeente besloten tot het vestigen van een voorkeursrecht op de aan [X.] toebehorende grond, zodat de raad van het voornemen tot aankoop van de grond op de hoogte was. In dit geval was de bevoegdheid van B&W echter beperkt, doordat GS op grond van de Wet Arhi hadden besloten besluiten van gemeenten tot het kopen van onroerende zaken aan hun goedkeuring te onderwerpen. In afwijking van de gebruikelijke situatie was B&W derhalve in het onderhavige geval niet bevoegd tot aankoop van de grond van [X.] te besluiten, daarvoor was toestemming van GS noodzakelijk.

4.6.4. De gemeente heeft niet weersproken dat zij [X.] niet op de hoogte heeft gesteld van de door GS gestelde eis van goedkeuring. [X.] mocht op basis van de Gemeentewet in de veronderstelling verkeren dat B&W bevoegd waren te besluiten tot aankoop van de grond, nu zij door de gemeente niet van de bijzondere beperking van de bevoegdheid van B&W op de hoogte was gesteld. Dat die veronderstelling van [X.] onjuist was, komt in deze omstandigheden voor rekening van de gemeente. De rechtbank heeft terecht overwogen dat hier een zelfstandige mededelingsplicht op de gemeente rustte, nu voor een burger en ook voor een vennootschap als [X.] het bestaan van een beperking als de onderhavige op grond van de Wet Arhi niet duidelijk waarneembaar is en zij daarop niet bedacht behoefde te zijn. De gemeente is hierin nalatig geweest (verg. HR 27 november 1992, NJ 1993/287). Grief III faalt dus. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de onderzoeksplicht van [X.] niet zover strekte, dat zij diende te onderzoeken of een publiekrechtelijk voorbehoud was gemaakt, is (terecht) geen grief gericht, zodat dit tussen partijen vaststaat. Daarom is hier bescherming van het gerechtvaardigde vertrouwen van [X.] op haar plaats. Dat betekent dat ook de grief IV faalt.

4.7. Nu alle grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. De vorderingen van de gemeente worden afgewezen. De gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de vorderingen van de gemeente tot ongedaanmaking van de ingevolge het vonnis verrichte prestaties af;

veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het hoger beroep, welke aan de zijde van [X.] worden begroot op € 640,-- aan verschotten en € 4.580,-- voor salaris van de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2011.