Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6243

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
HV 200.088.786
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwijzing vervallen: in dit geval geen belang meer bij hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 24 november 2011

Zaaknummer: HV 200.088.786/01

Zaaknummer eerste aanleg: 229138 / JE RK 11-584

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Diemen,

namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 mei 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 juni 2011, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar inleidend verzoek tot vervallenverklaring van de aanwijzing van de stichting d.d. 28 maart 2011 alsnog toe te wijzen, alsmede te bepalen dat de moeder en [Z.] één keer in de veertien dagen in het weekend van zaterdag 12.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur omgang hebben, dan wel subsidiair te bepalen dat de moeder en [Z.] omgang hebben elke zaterdag gedurende vier uren en indien de vader in het betreffende weekend beschikbaar is in plaats van die vier uren een omgang van zaterdag 12.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juli 2011, heeft de stichting verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel het verzoek van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Bij die gelegenheid is gehoord:

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw J. van Haren.

2.3.1. De moeder en haar advocaat zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 april 2011;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 17 juni 2011 en 28 juni 2011;

- het faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 19 oktober 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [Y.] (hierna: de vader), is geboren [dochter] (hierna: [Z.]), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (België).

De vader heeft [Z.] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

3.2. [Z.] staat sinds 12 mei 2010 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 mei 2012.

[Z.] woonde, aanvankelijk met haar ouders, vanaf december 2009 bij een tante van vaderszijde (tante [A.]). Deze plaatsing is later gebaseerd op een daartoe strekkende machtiging uithuisplaatsing, welke machtiging laatstelijk is verlengd tot 12 mei 2012.

[Z.] verblijft sinds 29 juni 2011 in een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.2.1. De stichting heeft bij schriftelijke aanwijzing van 28 maart 2011 een bezoekregeling vastgesteld, onder meer inhoudende dat tante [A.] met [Z.] één keer per veertien dagen anderhalf uur op bezoek gaat bij de moeder thuis, waarbij tante gedurende het gehele bezoek aanwezig is.

[Z.] mag niet bij de moeder logeren, omdat de stichting te weinig zicht heeft of de moeder capabel is om alleen de zorg van [Z.] op zich te nemen waardoor de veiligheid van [Z.] in gevaar zou kunnen komen. Als de vader terug is in Nederland, mag hij in overleg met de moeder en de gezinsvoogd extra bezoeken van [Z.] aan de moeder afspreken, maar de vader moet dan wel bij deze bezoeken aanwezig blijven.

3.3. Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank het inleidend verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de aanwijzing van de stichting toegewezen, voor zover het de frequentie van de bezoekcontacten betreft en inzake de uitoefening van het omgangsrecht vastgesteld dat de moeder gerechtigd is tot omgang met [Z.] gedurende eenmaal per week gedurende anderhalf uur.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de bezoekfrequentie – zoals vastgesteld in de schriftelijke aanwijzing van 28 maart 2011 – herleeft na ommekomst van zes maanden of zoveel eerder indien blijkt dat er geen observatieopname zal plaatsvinden.

3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Belang bij hoger beroep

3.5.1. Het hof stelt vooreerst vast dat [Z.] niet meer verblijft bij tante [A.]. De vader heeft haar daar in mei 2011 weggehaald en haar bij een andere tante ondergebracht.

De stichting heeft [Z.] op 29 juni 2011 geplaatst in een perspectief biedend pleeggezin op een geheime locatie.

Voorts heeft de stichting de moeder op 29 juli 2011 een nieuwe aanwijzing betreffende de omgang gegeven. Hierbij is onder meer bepaald dat éénmaal per maand een begeleid bezoek zal plaatsvinden van [Z.] aan de moeder bij De Oosterpoort te [plaatsnaam].

3.5.2. Derhalve dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of de moeder nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van het hof over de aanwijzing van 28 maart 2011 en haar verzoek tot vaststelling van een van die aanwijzing afwijkende omgangsregeling.

Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

3.5.3. Bij faxbericht van 19 oktober 2011 heeft de advocaat van de moeder het hof onder meer bericht dat sinds de indiening van het beroepschrift de situatie in de hiervoor vermelde zin is gewijzigd en dat, gelet op de nieuwe situatie, de procedure in hoger beroep minder belang heeft naar de toekomst toe.

3.5.4. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder bij voormeld faxbericht geen dan wel onvoldoende belang gesteld bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

Het hof overweegt dat het, gelet op de gewijzigde omstandigheden, op de weg van de moeder had gelegen om haar belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep te onderbouwen, reeds omdat aan een uitspraak van het hof over een omgangsregeling niet met terugwerkende kracht uitvoering kan worden gegeven.

Evenmin heeft de moeder aangegeven of zij ook in de nieuwe situatie vasthoudt aan haar verzoek om een uitgebreide omgangsregeling, ook indien de vader daarbij niet aanwezig is.

Daar komt nog bij dat de rechtbank de omgang uitsluitend heeft uitgebreid met het oog op de verwachte observatieopname van de moeder en [Z.] in De Bocht. De moeder is echter reeds op 18 mei 2011 - amper twee weken na de beschikking van de rechtbank - door De Bocht afgewezen voor die opname.

3.5.5. Nu de moeder haar belang bij een inhoudelijk oordeel over de aanwijzing van 28 maart 2011 niet duidelijk heeft gemaakt, en zij hierover ook ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen doordat zij – evenals haar advocaat – niet ter zitting is verschenen, leidt het hof uit de brief van de advocaat van 19 oktober 2011 af dat de moeder haar petitum niet langer wenst te handhaven.

3.6. Het vorenstaande brengt mee dat het hof het hoger beroep zonder inhoudelijke beoordeling zal afwijzen.

4. De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 mei 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R. Everaars-Katerberg, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2011.