Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
HD 200.028.883
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA0258, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekomstige benadeelde gebonden aan verbindendverklaring WCAM-overeenkomst (artikel 7:908 lid 3 BW) bij gebreke van het indienen van een opt-outverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2013/340

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.028.883

arrest van de eerste kamer van 22 november 2011

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,

gevestigd te [vestigingsplaats], Ierland,

appellante,

advocaat: mr. G.J. Schras,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H. Veldhuizen,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 februari 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda gewezen vonnis van 19 november 2008 tussen appellante - Varde - als eiseres en geïntimeerde - [X.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 491417/CV/08-3711)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Varde onder overlegging producties zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De grieven richten zich niet tegen de door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 3.1. vastgestelde feiten. Deze feiten vormen derhalve ook in hoger beroep uitgangspunt. Het hof zal de feiten hierna weergeven en aanvullen.

4.2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Op 19 juni 2001 heeft [X.] met een rechtsvoorganger van Dexia Nederland N.V. (hierna: Dexia) een effectenlease-overeenkomst (prod. 2 bij inleidende dagvaarding) gesloten, met contractnummer [contractnummer 1.], voor de duur van 240 maanden. Ingevolge artikel 2 van de effectenlease-overeenkomst had [X.] het recht de overeenkomst dagelijks door middel van een schriftelijke mededeling aan Dexia te beëindigen. Ook de toenmalige partner van [X.], [Y.], heeft destijds met Dexia een effectenlease-overeenkomst gesloten, met contractnummer [contractnummer 2.].

(ii) [X.] en/of [Y.] heeft/hebben in juli 2004 een bedrag van € 19.140,80 overgemaakt ten behoeve van Dexia. Op het betreffende rekeningafschrift (prod. 1 bij memorie van grieven) is als kenmerk vermeld: “VOORUITBET OVK [contractnummer 1.] E9570” en “VOORUITBET OVK [contractnummer 2.] E9570”. Volgens een uitdraai uit het Klant Informatie systeem van Dexia (prod. 3 bij memorie van grieven) is het bedrag van € 19.140,80 op 21 juli 2004 bij Dexia administratief bijgeschreven ten gunste van relatie [X.].

(iii) Op verzoek van [X.] is haar effectenlease-overeenkomst op 1 september 2004 tussentijds beëindigd. Blijkens de op 3 september 2004 door Dexia opgemaakte eindafrekening van contractnummer [contractnummer 1.] (prod. 1 bij conclusie van antwoord) resteerde na verkoop van de effecten een door [X.] te ontvangen bedrag van € 3.203,48. Op de eindafrekening is onder meer vermeld “Restitutie vooruitbetaling Bij € 9.435,15” en “Tegoeden contract [contractnummer 1.] Bij € 9.570,07”. Dexia heeft het bedrag van € 3.203,48 overgemaakt op de rekening van [X.].

(iv) [X.] was ten tijde van het aangaan van de effectenlease-overeenkomst woonachtig aan [woonadres 1.] te [woonplaats 1.]. [X.] is op enig moment verhuisd naar haar huidige woning aan de [woonadres 2.] te [woonplaats 2.].

(v) Dexia heeft bij brief van 22 maart 2005 (prod. 4 bij conclusie van antwoord), gericht aan [X.] en geadresseerd aan [woonadres 1.] te [woonplaats 1.], medegedeeld dat Dexia het op 21 juli 2004 ontvangen bedrag per abuis in zijn geheel op overeenkomst [contractnummer 1.] heeft geboekt, dat zij deze boeking inmiddels heeft gecorrigeerd en dat als gevolg daarvan op de overeenkomst [contractnummer 1.] nog een door [X.] te betalen bedrag van € 9.570,40 open staat. Bij deze brief is een gecorrigeerde eindafrekening van overeenkomst [contractnummer 1.] gevoegd, waaruit blijkt dat een te betalen bedrag resteerde van € 9.570,07.

(vi) Het hof Amsterdam heeft bij beschikking van 25 januari 2007 de (gewijzigde) WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006 (hierna ook: de Duisenberg-Regeling) verbindend verklaard voor de “gerechtigden” als bedoeld in artikel 2 van die overeenkomst, met dien verstande dat een gerechtigde tot schadevergoeding binnen zes maanden na de aankondiging dat de beschikking onherroepelijk is geworden door een schriftelijke mededeling kon laten weten niet gebonden te willen zijn. De aankondiging van de onherroepelijk geworden beschikking van het hof heeft plaatsgevonden op 31 januari 2007. Gezien de datum van aankondiging diende de opt-outverklaring vóór 1 augustus 2007 bij de in de WCAM-overeenkomst aangewezen notaris te worden ingediend.

(vii) Dexia heeft [X.] bij brief van 22 februari 2007 (prod. 2 bij conclusie van antwoord), geadresseerd aan het nieuwe adres van [X.] te [woonplaats 2.], een zogeheten Duisenbergoverzicht gestuurd waarop een totaal door [X.] te betalen bedrag van

€ 0,00 stond vermeld. Onderaan deze brief is in een kader vermeld:

“In het Duisenbergoverzicht zijn de financiële consequenties van de Duisenberg-Regeling voor uw beëindigde effectenlease-overeenkomst(en) opgenomen. De Duisenberg-Regeling is bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam verbindend verklaard. ()

Voor de contracten op wie de verbindendverklaring van toepassing is en die tijdig een zogenoemde opt-out verklaring afleggen of hebben afgelegd, is de regeling en dus dit overzicht niet onverkort van toepassing. ()”

(viii) Bij brief van 6 maart 2007 (prod. 3 bij conclusie van antwoord) deelde Dexia aan [X.] mede dat het eerder gestuurde Duisenbergoverzicht onjuist was. In deze brief is voorts het volgende vermeld:

“Op 22 februari 2007 hebben wij u een Duisenbergoverzicht gestuurd omdat u na de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling voor die regeling in aanmerking komt. In dit overzicht is het totaal door u te betalen bedrag helaas onjuist vermeld.

Bij de berekening is/zijn (een deel van) de openstaande posten van uw effectenlease-overeenkomsten(en) ten onrechte niet meegenomen. Het bedrag van de vergoeding volgens de Duisenberg-Regeling is wel juist. Zo spoedig mogelijk ontvangt u van ons bericht welk bedrag u nog aan Dexia () dient te betalen.”

(ix) Dexia heeft [X.] vervolgens bij brief van 12 maart 2007 (prod. 3 bij conclusie van antwoord) bericht dat zij uit hoofde van de beëindigde effectenlease-overeenkomst, die onder de Duisenberg-Regeling valt, aan Dexia een bedrag dient te betalen van € 7.092,82 (prod. 3 bij conclusie van antwoord). Ook onderaan deze brief is de hiervoor onder (vii) vermelde verwijzing naar de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling en de mogelijkheid om een opt-outverklaring af te leggen opgenomen.

(x) [X.] heeft Dexia in reactie op de brief van 12 maart 2007, bij brief van 18 maart 2007 (prod. 4 bij conclusie van antwoord), medegedeeld dat haar overeenkomst reeds in september/augustus 2004 financieel was afgehandeld en dat zij geen schuld meer aan Dexia had.

(xi) Dexia heeft [X.] hierop bij brief van 20 april 2007 (prod. 4 bij conclusie van antwoord) medegedeeld dat Dexia in haar aan [X.] gestuurde brief van 22 maart 2005 uitleg heeft gegeven over het nog door [X.] uit hoofde van de effectenlease-overeenkomst te betalen bedrag, en deze brief met de gecorrigeerde eindafrekening als bijlagen bij de brief van 20 april 2007 gevoegd.

(xii) [X.] heeft Dexia hierna bij brief van 23 april 2007 (prod. 5 bij conclusie van antwoord) onder meer de vraag voorgelegd “Waarom kom ik niet in aanmerking voor de Duisenberg-regeling?”

(xiii) Tussen [X.] en Dexia is vervolgens uitvoerig gecorrespondeerd over de al dan niet verschuldigdheid van een bedrag van € 7.092,82 door [X.].

De gemachtigde van [X.] heeft Dexia bij brief van 19 oktober 2007 (prod. 9 bij conclusie van antwoord) medegedeeld dat de vordering wordt betwist en dat [X.] zich op grond van de redelijkheid en billijkheid en in het kader van rechtsverwerking niet gehouden acht de door Dexia gestelde vordering te voldoen.

(xiv) Dexia heeft haar vordering op [X.] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst aan Varde gecedeerd. Bij brief van 10 januari 2008 (prod. 1 bij inleidende dagvaarding) is namens Varde de overdracht van de betreffende vordering aan [X.] medegedeeld.

(xv) De gemachtigde van Varde heeft [X.] vervolgens een drietal keren schriftelijk gesommeerd tot betaling van het verschuldigde bedrag. [X.] heeft hieraan geen gevolg gegeven.

4.3. Varde heeft [X.] vervolgens in rechte betrokken en gevorderd veroordeling van [X.] tot betaling van een bedrag van € 8.627,78 (bestaande uit voormelde hoofdsom van € 7.092,82, rente en buitengerechtelijke kosten) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2008 over de hoofdsom, en met veroordeling van [X.] in de kosten van deze procedure.

4.4. Nadat [X.] gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter de vorderingen van Varde afgewezen en Varde veroordeeld in de proceskosten.

De kantonrechter hiertoe overwogen dat Varde in de onderhavige omstandigheden onvoldoende duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan [X.] aan de vaststellingsovereenkomst is gebonden.

De kantonrechter heeft voorts overwogen:

“Vaststaat, dat Dexia aanvankelijk aan gedaagde heeft medegedeeld, dat deze laatste nog recht had op € 3.203,48 en dat Dexia dit bedrag ook aan gedaagde heeft betaald. Hiermee heeft Dexia een aanbod gedaan met betrekking tot de hoogte van de ‘restschuld’ van de overeenkomst 1. en dit aanbod is door gedaagde geaccepteerd. Tussen partijen is daarom een overeenkomst met betrekking tot de restschuld gesloten. () Dit heeft tot gevolg, dat nu overeenkomst 1. met wederzijds goedvinden beëindigd is en nu er in januari 2007 op het moment van de WCAM beschikking een rechtsgeldige overeenkomst met betrekking tot de restschuld bestond en nog steeds bestaat, er geen geschil is tussen partijen in de zin van de WCAM beschikking en de Duisenbergregeling. Er kan dan ook geen sprake van een vaststellingsovereenkomst, zoals eiseres stelt.”

4.5. De grieven I tot en met V richten zich tegen voormelde overwegingen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.6. Het hof overweegt als volgt.

4.6.1 Dexia en [X.] hebben op 19 juni 2001 een effectenlease-overeenkomst gesloten. Dexia was op grond van deze overeenkomst verplicht voor rekening en risico van [X.] effecten aan te kopen. Op grond van deze overeenkomst rustte op [X.] onder meer de verplichting tot betaling van maandelijkse rentetermijnen en een bedrag van € 45,38 vallend 239 maanden na de aankoopdatum. Voorts vloeide uit deze overeenkomst voor [X.] de verplichting voort om bij beëindiging van overeenkomst, hetzij aan het einde van de looptijd van de overeenkomst (vallend 240 maanden na de aankoopdatum) hetzij bij tussentijdse beëindiging, de geleende hoofdsom (of het restant daarvan) terug te betalen. De geleende hoofdsom (althans het nog niet terugbetaalde deel van de lening) zou blijkens de overeenkomst in principe worden verrekend met de verkoopopbrengst van de effecten. De overeenkomst is op verzoek van [X.] tussentijds, op 1 september 2004, beëindigd. Dexia heeft vervolgens op of omstreeks 3 september 2004 een eindafrekening opgemaakt. Uit deze eindafrekening bleek dat na verrekening van het geleende bedrag en reeds gedane (vooruit-)betalingen met de verkoopopbrengst van de effecten een door Dexia aan [X.] te betalen bedrag resteerde van € 3.208,48, welk bedrag Dexia aan [X.] heeft betaald.

4.6.2 Het oordeel van de kantonrechter, dat door de toezending van deze eindafrekening aan [X.] en het vervolgens overmaken van het blijkens deze eindafrekening aan [X.] verschuldigde bedrag tussen Dexia en [X.] een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de restschuld, acht het hof niet juist. Deze eindafrekening is immers niet meer en niet minder dan een uit de effectenlease-overeenkomst op Dexia rustende verplichting om bij (tussentijdse) beëindiging van de effectenlease-overeenkomst de balans (de eindafrekening) op te maken van de verkoopopbrengst van de effecten, de gedane betalingen en (het restant van) de lening, en in het geval per saldo een positief aan de afnemer toekomend bedrag resteert, dit bedrag over te maken aan de betreffende afnemer. Indien evenwel een negatief saldo resteert, vloeit uit de effectenlease-overeenkomst voort dat de afnemer dit bedrag als een uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting aan Dexia dient te betalen.

4.6.3 De conclusie uit het voorgaande is dat ten tijde van de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst op 27 januari 2007 tussen Dexia en [X.] geen overeenkomst bestond met betrekking tot de restschuld als door de kantonrechter aangenomen, noch een beëindigingsovereenkomst zoals door [X.] gesteld.

4.6.4 [X.] heeft niet betwist dat Dexia op 22 maart 2005, dat wil zeggen ongeveer een half jaar na toezending van de eindafrekening van 3 september 2004, een brief heeft gestuurd naar haar toen bij Dexia bekende adres waarin Dexia heeft uitgelegd dat de eindafrekening foutief was en dat blijkens de gecorrigeerde (en bijgevoegde) eindafrekening uit de effectenlease-overeenkomst een door [X.] te betalen schuld resteerde van € 9.570,07, zodat zulks vast staat. Varde heeft niet gemotiveerd betwist dat [X.] ten tijde van de verzending van deze brief op 22 maart 2005 reeds verhuisd was naar de [woonadres 2.] te [woonplaats 2.] en dat [X.] die brief derhalve destijds niet heeft ontvangen, zodat ook hiervan in rechte wordt uitgegaan.

Het standpunt van Varde dat [X.] contractueel gehouden was een eventuele adreswijziging door te geven aan Dexia en dat het feit dat [X.] de brief destijds niet heeft ontvangen derhalve voor haar rekening en risico dient te komen, wordt verworpen. Nog daargelaten het feit dat Varde de desbetreffende contractsbepalingen, waaruit de juistheid van haar stelling zou kunnen blijken, niet heeft overgelegd, is het hof van oordeel dat gelet op het feit dat Dexia [X.] had bericht dat de effectenlease-overeenkomst reeds in september 2004 was geëindigd met een voor [X.] positief saldo (en afrekening had plaatsgevonden) Dexia [X.] niet kan tegenwerpen dat [X.] geen adreswijziging heeft doorgegeven.

4.6.5 Nu gesteld noch gebleken is dat Dexia in de periode van 22 maart 2005 tot 6 maart 2007 [X.] in kennis heeft gesteld van het feit dat als gevolg van beëindiging van de effectenlease-overeenkomst een door [X.] te betalen schuld resteerde, betekent dat dat [X.] ten tijde van de aankondiging van de beschikking van het Hof Amsterdam van 25 januari 2007 op 31 januari 2007, gelet op de onjuiste informatie in de eindafrekening van 3 september 2004, nog niet met haar schade bekend kon zijn.

4.6.6 Vast staat dat Dexia, nadat zij - in vervolg op haar brief van 6 maart 2007 - bij brief van 12 maart 2007 aanspraak maakte op het met toepassing van de Duisenberg-Regeling nog door [X.] uit hoofde van de beëindigde effectenlease-overeenkomst verschuldigde bedrag van € 7.092,82 en [X.] vervolgens bij brief van 18 maart 2007 om tekst en uitleg vroeg, bij brief van 20 april 2007 de brief van 22 maart 2005 en de gecorrigeerde eindafrekening alsnog aan [X.] heeft doen toekomen.

Naar het oordeel van het hof kon [X.] na ontvangst van de brief van 12 maart 2007 in elk geval bekend zijn met haar schade, zodat zij vanaf dat moment als gerechtigde tot een vergoeding als bedoeld in de WCAM-overeenkomst (de Duisenberg-Regeling) had te gelden en aan de WCAM-overeenkomst gebonden was.

4.6.7 Ingevolge artikel 7:908 lid 3 BW kunnen ook toekomstige benadeelden (degenen die pas na de aankondiging met hun schade bekend konden zijn) na het bekend worden van hun schade zich aan de verbindendheid van de WCAM-overeenkomst onttrekken door dit schriftelijk te laten weten aan de daartoe in de overeenkomst aangewezen persoon. In dit artikel is verder neergelegd dat een partij die zich bij de overeenkomst heeft verbonden tot vergoeding van schade een gerechtigde tot vergoeding als bedoeld in de eerste zin schriftelijk een termijn van ten minste zes maanden kan stellen waarbinnen deze kan laten weten niet gebonden te willen zijn en dat daarbij tevens mededeling wordt gedaan van de naam en woonplaats van de in artikel 907 lid 2, onder f, bedoelde persoon.

4.6.8 Het hof is van oordeel dat [X.] nadat zij bekend kon zijn met haar schade, zijnde in elk geval na ontvangst van de brief van Dexia van 12 maart 2007, van de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling en de mogelijkheid om zich hieraan te onttrekken op hoogte moet zijn geweest. Het hof heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen:

(i) de mate en de intensiteit van de publiciteit die er destijds in Nederland is geweest omtrent de door Dexia gesloten effectenlease-overeenkomsten, omtrent de vraag naar Dexia’s schadeplichtigheid in verband met die overeenkomsten en omtrent de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling;

(ii) de bekendmaking (de publicatie in drie nieuwsbladen en op de website van Dexia) van de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling, van de gevolgen van de verbindendverklaring en van de mogelijkheid, van de termijn en van de wijze waarop gerechtigden zich aan de gevolgen van de verbindendverklaring konden bevrijden;

(iii) de brief van Dexia van 6 maart 2007 waarin Dexia [X.] heeft gewezen op de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling, dat [X.] voor de Duisenberg-Regeling in aanmerking kwam en spoedig bericht zou ontvangen welk bedrag zij met toepassing van die regeling nog aan Dexia diende te betalen en de daaropvolgende brief van Dexia van 12 maart 2007 waarin Dexia [X.] heeft bericht dat zij uit hoofde van de beëindigde effectenlease-overeenkomst met toepassing van de Duisenberg-Regeling nog een bedrag van € 7.092,82 aan Dexia diende te betalen;

(iv) de brief van [X.] van 23 april 2007 aan Dexia waarin [X.] vraagt waarom zij niet voor de Duisenberg-regeling in aanmerking komt; en

(v) de brieven van Dexia van 22 februari 2007 en 12 maart 2007 aan [X.] waarin uitdrukkelijk is vermeld dat contractanten op wie de verbindendverklaring van toepassing is en die tijdig een zogenoemde opt-outverklaring afleggen de regeling niet onverkort van toepassing is.

4.6.9 Nu gesteld noch gebleken is dat [X.] nadat zij bekend was geworden met haar schade, zijnde in elk geval op 12 maart 2007, de vereiste opt-outverklaring heeft ingediend, is zij, wat betreft de gevolgen van de door haar gesloten effectenlease-overeenkomst, gebonden aan de WCAM-overeenkomst (Duisenberg-regeling). Dit betekent dat zij zich thans er niet meer op kan beroepen dat zij op grond van de redelijkheid en billijkheid en in verband met rechtsverwerking niet gehouden is de vordering van Dexia (thans Varde) te voldoen.

4.6.10 Het hof overweegt hieromtrent het nog volgende. In artikel 14.1. van de WCAM-overeenkomst (geconsolideerde tekst 8 mei 2006) is onder meer bepaald dat, behoudens uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn, gerechtigden aan Dexia kwijting verlenen ter zake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van effectenlease-overeenkomsten en de wijze waarop voor dergelijke overeenkomsten reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van dergelijke vorderingen. Het hof Amsterdam heeft in zijn beschikking van 25 januari 2007 in rechtsoverwegingen 5.20. en 5.21. ter zake overwogen dat uit art. 14 van de WCAM-overeenkomst volgt dat als eenmaal de WCAM-overeenkomst verbindend is geworden de beleggers en hun eega’s die niet zijn uitgestapt óók hun vorderingen in verband met overeenkomsten die reeds door een buitengerechtelijke verklaring van de belegger of zijn eega zijn vernietigd hebben prijsgegeven. In rov. 4.9. van deze beschikking heeft hof voorts overwogen dat bij de eventueel aan een belegger toekomende rechten tegen Dexia moet worden gedacht, vooral, aan rechten ingeval de effectenlease-overeenkomst nietig is, vernietigd, ontbonden of gewijzigd wordt, dan wel ingeval die overeenkomst ongewijzigd in stand wordt gelaten maar aan Dexia wanprestatie wordt verweten, of ten slotte ingeval aan Dexia een onrechtmatige daad wordt verweten. De bedoelde rechten zijn derhalve, vooral, bevoegdheden tot het doen van een beroep op nietigheid, tot het vernietigen, tot het (doen) ontbinden of tot het (doen) wijzigen van de effectenlease-overeenkomst, rechten op terugvordering van het betaalde, op ongedaanmaking van betalingen, op bevrijding ten aanzien van de eigen verplichtingen en op schadevergoeding; dit alles geheel of ten dele.

4.6.11 Uit het vorenstaande volgt aldus dat de binding aan de WCAM-overeenkomst meebrengt dat de verweren die [X.] in verband met de tekortkoming van Dexia - in dit geval hierin bestaande dat [X.] pas 2 ½ jaar na de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst is geïnformeerd dat uit de beëindigde overeenkomst een door haar te betalen schuld resteerde - zou willen voeren niet meer aan de orde kunnen komen. De WCAM-overeenkomst is immers een vaststellingsovereenkomst, een overeenkomst dus waarbij partijen een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt beëindigen door zich te binden aan een vaststelling daarvan. Nu tussen [X.] en Dexia verschil van mening bestond over de vraag of [X.] op grond van de beëindigde effectenlease-overeenkomst nog enig bedrag aan Dexia verschuldigd was, was tussen die partijen sprake van onzekerheid in de hier bedoelde zin.

4.7. [X.] heeft de hoogte van de gevorderde hoofdsom van € 7.092,82, die Varde overigens in de memorie van grieven uitvoerig heeft toegelicht, en de verschuldigdheid van rente over deze hoofdsom (tot 10 januari 2008 € 471,04) niet, althans niet gemotiveerd, betwist. De gevorderde hoofdsom en rente zijn derhalve toewijsbaar. De grieven I tot en V slagen aldus.

4.8. Varde maakt voorts aanspraak op de door haar gemachtigde gemaakte buitengerechtelijke kosten. [X.] heeft deze nevenvordering gemotiveerd bestreden.

4.9. Het hof overweegt als volgt. De gemachtigde van Varde heeft blijkens de door partijen overlegde correspondentie voorafgaande aan het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 21 mei 2008 een drietal standaardbrieven aan [X.] gezonden. Dat de gemachtigde van Varde naast het sturen van deze brieven ook nog andere buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, is door [X.] gemotiveerd betwist en door Varde niet verder onderbouwd. Nu Varde ter zake ook geen gespecificeerd bewijs heeft aangeboden, wordt in rechte ervan uitgegaan dat de werkzaamheden van de gemachtigde van Varde tot het sturen van een drietal standaardbrieven beperkt is gebleven. Naar het oordeel van het hof moeten deze werkzaamheden worden aangemerkt als verrichtingen waarvoor de in artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zodat de vordering ter zake wordt afgewezen. Grief VI faalt derhalve.

Slotsom

4.10. Het slagen van de grieven I tot en met V brengt mede dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en het hof, opnieuw rechtdoende, de gevorderde hoofdsom en rente alsnog zal toewijzen. [X.] heeft als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de eerste aanleg en in het hoger beroep te gelden en zal daarom in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld. Grief VII die is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg slaagt derhalve eveneens.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda van 19 november 2008;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X.] tot betaling aan Varde van een bedrag van € 7.563,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 7.092,82 vanaf 10 januari 2008 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van beide instanties, aan de zijde van Varde tot op heden begroot op € 286,44 aan verschotten en op € 500,00 voor salaris advocaat in de eerste aanleg en op € 334,25 aan verschotten en op € 632,00 voor salaris advocaat in het hoger beroep;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, Th.C.M. Hendriks-Jansen en S. Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2011.