Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
HV 200.093.658
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pro-actieve inlichtingenplicht en algemene inlichtingenplicht niet aan voldaan.

Wangedrag.

Parlementaire geschiedenis 350 lid 3 onder c Fw.

Fair-trialbeginsel van art. 6 EVRM

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2011-11-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 22 november 2011

Zaaknummer: HV 200.093.658/01

Zaaknummer eerste aanleg: 10.188 R

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. W.G. Dictus.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 5 september 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 september 2011, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek van de bewindvoerder om de schuldsanering tussentijds te beëindigen af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, dan wel de bewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn verzoek te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. W.G. Dictus;

- A.B. Vos, hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 augustus 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [X.] d.dis. 25 oktober en 9 november 2011;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.dis. 16 september en 4 november 2011.

3. De beoordeling

3.1. Bij vonnis van 17 maart 2010 is ten aanzien van [X.] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 21 mei 2011 tussentijds beëindigd, nu feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. [X.] heeft in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – het volgende aangevoerd.

[X.] betwist dat er feiten en omstandigheden zijn die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. [X.] stelt dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd is aangezien de rechtbank niet duidelijk aangeeft op welk onderdeel van artikel 288 eerste of tweede lid de beslissing is gegrond. [X.] stelt dat hij tijdens de toelatingszitting nog niet onherroepelijk was veroordeeld, zodat hij op dat moment nog niet kon melden dat er strafrechtelijke veroordelingen waren. Bovendien is [X.] van mening dat er uit deze veroordelingen geen nieuwe schulden zijn voortgevloeid. [X.] stelt dat hij altijd te goeder trouw is geweest.

Voorts stelt [X.] dat het uitvoeren van de taakstraffen geen invloed zal hebben op het nakomen van de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen. [X.] stelt dat hij tot 14 februari 2011 in de Ziektewet zat en per gelijke datum 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Volgens [X.] heeft de rechtbank gezien de feiten en omstandigheden ten onrechte geconcludeerd dat de gronden zoals geformuleerd in het genoemde wetsartikel zich zouden hebben voorgedaan. Tot slot voert [X.] aan dat er tijdens de toelatingszitting niet of nauwelijks is gesproken over deze veroordelingen, maar dat het gesprek voornamelijk ging over de arbeidsongeschiktheid van [X.] en zijn mogelijkheden om inkomen te verwerven. [X.] stelt derhalve dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

3.4.1. De bewindvoerder heeft in zijn brief en ter zitting het volgende aangevoerd.

De bewindvoerder stelt dat [X.] niet of in onvoldoende mate heeft gereageerd op herhaalde verzoeken om stukken over te leggen. Ter zitting van 5 september 2011 heeft [X.] verklaard dat hij tijdens de toelatingszitting niet heeft gemeld dat hij werd verdacht van het plegen van strafbare feiten die hem taakstraffen van in totaal 300 uur opleverden. Bovendien blijkt dat er nog een verdenking is van het plegen van een strafbaar feit in juni 2010. De bewindvoeder stelt dat het hem niet bekend is of er in deze zaak een oordeel is geveld. De bewindvoerder is van mening dat [X.] melding had moeten maken van deze veroordelingen dan wel verdenkingen. Reeds in dit stadium kwam [X.] zijn inlichtingenverplichting niet na. Het feit dat het uitvoeren van de taakstraffen geen gevolgen voor de nakoming van de verplichtingen zouden hebben, doet daaraan niet af. Voorts stelt de bewindvoerder dat het ten tijde van de toelating niet bekend was dat [X.] voor 100% arbeidsongeschikt zou worden verklaard.

Tevens heeft [X.] de bewindvoerder niet gemeld dat hij is verhuisd. De bewindvoerder heeft dit op moeten maken uit de huurspecificaties. [X.] had dit moeten melden, omdat een wijziging in de huur de belangen van de schuldeisers raakt. De woonkosten worden namelijk voor een deel gecompenseerd in het vrij te laten bedrag. Het feit dat zijn partner de huur betaalt en dat de hoogte van de huur iets lager is, doet hieraan niet af.

Onder druk van de tussentijdse beëindiging heeft [X.] op 23 juni 2011 stukken verschaft waaruit blijkt dat zijn schuldsaneringsgezindheid alles te wensen over laat en waarmee hij niet voldaan heeft aan de inlichtingen- en mogelijk ook de afdrachtplicht, aldus de bewindvoerder. Door het ontbreken van inkomensgegevens kan de bewindvoerder geen berekening van de afdracht aan de boedel maken.

Resumerend is de bewindvoerder van mening dat het thans in hoger beroep door [X.] bestreden vonnis van de rechtbank in stand dient te blijven.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw, te beoordelen of er bij [X.], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

3.5.2. Het hof is van oordeel dat [X.] structureel tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende - actieve - informatieverplichting. Vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling, ten tijde van de toelatingszitting, voldeed [X.] al niet aan deze verplichting, omdat [X.] toen niet heeft gemeld dat hij moest voorkomen bij de politierechter. Ook over de andere strafbare feiten dan wel verdenkingen heeft [X.] nooit enige informatie verschaft. Van het – verlengde – bevel tot inverzekeringstelling bleek de bewindvoerder evenmin op de hoogte. [X.] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard op 30 juni 2011 tot een werkstraf en een geldboete te zijn veroordeeld, doch ook hiervan bleek de bewindvoerder niet op de hoogte. Daarbij stelt het hof vast dat door [X.] het strafvonnis met daarin de beweerdelijke veroordeling niet is overgelegd noch ter nadere overlegging is aangeboden. Het hof, evenzeer als trouwens de bewindvoerder, had reeds daarom graag kennis genomen van de inhoud van dit vonnis (ten aanzien waarvan [X.] overigens niet aanvullend heeft verklaard hiertegen in hoger beroep te zijn gegaan), nu blijkens de wel in het geding gebrachte dagvaarding d.d. 18 mei 2011, meer in het bijzonder blz. 4 hiervan, een tweetal benadeelden had aangegeven een vordering tot schadevergoeding te willen indienen – in totaal gaat het om een bedrag van € 4.600,84 =, - hetgeen, indien ten laste van [X.] een bedrag aan schadevergoeding (onherroepelijk) zou zijn toegewezen, in elk geval een nieuwe schuld zou hebben opgeleverd. Afgezien hiervan kan men zich in redelijkheid afvragen of bij het wangedrag als waarvan thans [X.] bij dagvaarding 18 mei 2011 door de officier van justitie werd beticht – maar waarvan de precieze omvang zich aan de waarneming van het hof onttrekt doordat het beweerdelijke strafvonnis niet door [X.] is overgelegd hetgeen in feite voor diens eigen risico komt – , de schuldsanering niet dient te worden beëindigd teneinde duidelijk te maken dat dergelijk gedrag in het kader van de schuldsaneringsregeling niet wordt getolereerd; op zichzelf genomen biedt, gelet op de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van deze bepaling, artikel 350 lid 3 onder c Fw deze mogelijkheid (in vergelijkbare zin, met enkele voorbeelden uit de rechtspraak, B. Wessels, Schuldsanering natuurlijke personen, 2e druk, 2009, nr. 9371a).

3.5.2.1. Verder heeft de bewindvoerder [X.] maar liefst 15 keer verzocht informatie over te leggen. Het hof is derhalve van oordeel dat [X.] niet, althans onvoldoende, heeft gereageerd op deze herhaalde verzoeken van de bewindvoerder. Uit de in de onderhavige procedure gemaakte verslagen van de bewindvoerder maakt het hof, onder meer, ook nog op dat [X.] in verband met het eerste huisbezoek op 6 april 2010 onvoldoende voorbereidingen had getroffen doordat er stukken ontbraken waarvan een aantal stukken op het moment van het opstellen van het aanvangsverslag, 26 april 2010, kennelijk nog steeds ontbraken, dat ook nadien ondanks verzoeken daartoe stukken zijn blijven ontbreken en inlichtingen niet – altijd – werden verstrekt, dat de bewindvoerder via de postblokkade niet alleen moest vernemen over de strafrechtelijke handel en wandel van [X.] maar ook over het bestaan van een beleggingsverzekering waarover [X.] kennelijk niet eerder informatie had verstrekt en dat de bewindvoerder door [X.] niet eerder zelf op de hoogte was gesteld van de brief van het UWV d.d. 21 juli 2011 inzake de toekenning aan [X.] van een loongerelateerde WGA-uitkering over de periode 14 februari 2011 tot 14 november 2012.

3.5.3. Het bovenstaande kan in redelijkheid niet tot een ander oordeel leiden dan dat, wat er verder zij van het bestaan van nieuwe schulden c.q. het niet overgelegd zijn van betaalbewijzen met betrekking tot – al – deze schulden, de schuldsaneringsregeling reeds krachtens artikel 350 aanhef en sub c Fw voor tussentijdse beëindiging in aanmerking komt, nu [X.] structureel en van meet af aan – op wezenlijke onderdelen - diens inlichtingenplicht niet is nagekomen, welke inlichtingenplicht blijkens de op dit punt geldende jurisprudentie van de Hoge Raad zowel een pro-actieve inlichtingenplicht àls een algemene inlichtingenplicht omvat (zie onder meer HR 15 februari 2002, LJN: AD9144). Van het schenden van de inlichtingenplicht zoals hierover geduid kan [X.] een verwijt worden gemaakt, reeds omdat hij bij herhaling niet op verzoeken om informatie van de bewindvoerder heeft gereageerd. Het hof laat de kwestie of het wangedrag van [X.] niet evenzeer een reden zou moeten vormen om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen hier verder buiten beschouwing, reeds omdat naar het oordeel van het hof het schenden van de informatieplicht de beslissing tot tussentijdse beëindiging kan dragen en opdat [X.] niet met een zogenoemde verrassingsbeslissing wordt geconfronteerd, hetgeen in strijd met het zogeheten fair trail-beginsel artikel 6 van het EVRM zou zijn geweest.

3.6. Het bovenstaande leidt ertoe dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] tussentijds beëindigd dient te worden.

3.7. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, Th.A. Pouw en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011.