Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5365

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
20-003211-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 30a Wet verontreiniging oppervlaktewat: OM ontvankelijk; A. Geen schending vertrouwensbeginsel, niet in redelijkheid verwachting kunnen ontlenen dat zaak niet vervolgd zou worden. B. Betreffende bepaling in Aanwijzing handhaving milieurecht is louter instructienorm (streeftermijn), geen beleidsuitgangspunt waaraan OM is gebonden en die zich ervoor leent om als rechtsregel te worden toegepast. Overschrijding redelijke termijn, strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20/003211-11

Uitspraak : 8 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2010 in de strafzaak met parketnummer 13/994353-08 tegen:

[verdachte] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de economische politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het tenlastegelegde zal veroordelen tot een geldboete van EUR 10.000,-.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 30 januari 2008 te Amsterdam, terwijl aan haar ([verdachte]), door of namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, op

19 december 1997, onder nummer [vergunningsnummer], een vergunning was verleend op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van afvalwater op de [haven] en [haven] en het op een andere wijze dan met behulp van een werk brengen van schadelijke of verontreinigende stoffen in de [haven] en [haven], welke vergunning bij besluit van of namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 07 september 2004, onder nummer [vergunningsnummer] is gewijzigd, opzettelijk zich heeft gedragen in strijd met artikel 5 lid 10 verbonden aan die vergunning, voorschrijvende dat op het gehele terrein een zone tot 2 meter uit de waterkant diende te bestaan die vrij was van bulkgoederen, immers

- waren er bulkgoederen opgeslagen binnen die ingestelde twee meter vrije zone en/of

- was er puin over de keerwand gegleden en/of in het oppervlaktewater van de [haven] terechtgekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens schending van beginselen van behoorlijke procesorde. Daartoe is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

A. sprake is van schending van het vertrouwenbeginsel, omdat de inhoud van de brief van de heer [medewerker Rijkswaterstaat]van Rijkswaterstaat d.d. 14 maart 2008 bij verdachte de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat de zaak niet strafrechtelijk zou worden vervolgd;

B. het openbaar ministerie de verdachte gelet op het bepaalde in de Aanwijzing handhaving milieurecht – hetgeen als rechtsregel dient te worden toegepast – binnen drie maanden na ontvangst van het proces-verbaal op 13 augustus 2008 had dienen te informeren omtrent de vervolgingsbeslissing: verdachte is echter pas op

22 maart 2010 gedagvaard, zonder enige tussentijdse informatieverschaffing zijdens het openbaar ministerie over de vervolgingbeslissing.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad A. Vertrouwensbeginsel.

In de brief van de heer [medewerker Rijkswaterstaat]d.d. 14 maart 2008 is onder het kopje ‘Geconstateerde overtredingen’ – voor zover hier van belang – opgenomen dat voor de geconstateerde overtredingen op een later tijdstip een proces-verbaal zal worden opgemaakt ten behoeve van de officier van justitie. Dit gedeelte van de brief ziet naar het oordeel van het hof aldus op de eventuele strafrechtelijke consequenties van de geconstateerde overtredingen.

In de betreffende brief is vervolgens onder het kopje ‘Waarschuwing’ vermeld dat, nu de werkzaamheden op de locatie binnen zeer korte tijd worden beëindigd het bij een waarschuwing wordt gelaten. Daarbij is opgemerkt:

´Ik wil u er op wijzen dat bij een volgende overtreding ik alsnog de mij bij wet ter beschikking staande handhavingsmiddelen inzet om de overtredingsituatie te beëindigen.”

Deze passage ziet ontegenzeggelijk op de wijze waarop de heer [medewerker Rijkswaterstaat], werkzaam bij Rijkswaterstaat en belast met bestuursrechtelijk handhaving, de kwestie wenst af te handelen en heeft derhalve enkel betrekking op de bestuursrechtelijke kant van de zaak.

Gelet op het vorenstaande is het hof – met de advocaat-generaal en de economische politierechter – van oordeel dat de verdachte aan de inhoud van de brief van de heer [medewerker Rijkswaterstaat]in redelijkheid niet de verwachting heeft kunnen ontlenen dat de zaak niet strafrechtelijk zou worden vervolgd, zodat van schending van het vertrouwensbeginsel in dit kader geen sprake kan zijn. Integendeel, de verdachte had er gelet op de inhoud van de betreffende brief juist rekening mee kunnen houden dat zij mogelijk nog strafrechtelijk zou worden vervolgd.

Dit onderdeel van het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ad B. Aanwijzing handhaving milieurecht.

In de Aanwijzing handhaving milieurecht (pagina 3, onder ‘Vervolging 1. Eenvoudige strafzaken’) is opgenomen dat bij afdoening van veel voorkomende milieuzaken van relatief eenvoudige aard of met een vrij geringe inbreuk op de te beschermen belangen, waarbij veelal alleen normbevestiging door bewustwording en – voor zover nodig – ontmoediging worden beoogd, snelheid een belangrijke factor is. In dergelijke gevallen dient het openbaar ministerie de verdachte daarom zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het proces-verbaal, te informeren over de vervolgingsbeslissing.

Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak geen veel voorkomende milieuzaak is van relatief eenvoudige aard, aangezien het gaat om overtreding van een vergunningsvoorschrift en een vergunning veelal betrekking heeft op een specifieke situatie. Om die reden acht het hof deze bepaling in de Aanwijzing handhaving milieurecht niet van toepassing.

In de Aanwijzing handhaving milieurecht (pagina 3, onder ‘Vervolging 2. Gecompliceerde strafzaken’) is opgenomen dat het openbaar ministerie er in gecompliceerde strafzaken naar streeft om binnen zes maanden na ontvangst van het proces-verbaal de verdachte een reactie te geven in de vorm van een transactievoorstel of een (aankondiging van een) dagvaarding. Deze termijn lijkt niet te zijn gehaald, nu in de onderhavige zaak het proces-verbaal op

13 augustus 2008 is ontvangen bij het functioneel parket te Amsterdam en de dagvaarding in eerste aanleg dateert van 22 maart 2010, terwijl niet is gebleken dat in de tussengelegen periode enige berichtgeving is uitgegaan naar verdachte omtrent de vervolgingsbeslissing.

Echter, gezien de redactie van deze bepaling in de Aanwijzing handhaving milieurecht, meer in het bijzonder het gedeelte ‘streeft er naar om’, kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat dit een regel is met betrekking tot een beleidsuitgangspunt waaraan het openbaar ministerie is gebonden en die zich ervoor leent om jegens verdachte als rechtsregel te worden toegepast.

De regel dient louter als een instructienorm voor het openbaar ministerie te worden gezien. Derhalve kan de verdachte naar het oordeel van het hof aan de overschrijding van de ‘streeftermijn’ dan ook niet dusdanige rechten ontlenen dat dit zou dienen te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt mitsdien dit onderdeel van het verweer.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 30 januari 2008 te Amsterdam, terwijl aan haar ([verdachte], door of namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, op 19 december 1997, onder nummer [vergunningsnummer], een vergunning was verleend op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van afvalwater op de [haven] en [haven] en het op een andere wijze dan met behulp van een werk brengen van schadelijke of verontreinigende stoffen in de [haven] en [haven], welke vergunning bij besluit van of namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 07 september 2004, onder nummer [vergunningsnummer] is gewijzigd, opzettelijk zich heeft gedragen in strijd met artikel 5 lid 10 verbonden aan die vergunning, dat voorschrijft dat op het gehele terrein een zone tot 2 meter uit de waterkant diende te bestaan die vrij was van bulkgoederen, immers

- waren er bulkgoederen opgeslagen binnen die ingestelde twee meter vrije zone en

- was er puin over de keerwand gegleden en in het oppervlaktewater van de [haven] terechtgekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Het hof overweegt dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (waaronder artikel 30a) met ingang van 22 december 2009 is vervangen door de Waterwet. Het bewezen verklaarde levert thans overtreding op van artikel 6.20, derde lid, van de Waterwet.

Deze wijziging berust niet op een gewijzigd inzicht van de wetgever met betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezen verklaarde, zodat het recht zal worden toegepast dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheden dat:

- weliswaar geen sprake lijkt te zijn van een strafbaar feit ten gevolge waarvan grote schade aan het milieu is ontstaan, doch dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een belangrijk vergunningsvoorschrift (dat kennelijk is bedoeld om te voorkomen dat schadelijke of verontreinigende stoffen in het havenwater terecht (kunnen) komen) en ten gevolge waarvan daadwerkelijk puin (bouwafval) in het oppervlaktewater van de [haven] terecht is gekomen: dit valt een professionele onderneming als verdachte in ernstige mate te verwijten;

- de verdachte blijkens de inhoud van een brief van de heer [medewerker Rijkswaterstaat]d.d.

13 november 2007 een officiële (bestuursrechtelijke) waarschuwing heeft gekregen naar aanleiding van eerdere overtredingen van het betreffende vergunningsvoorschrift, te weten op 18 juli 2007 en 1 november 2007, doch dat dit de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan overtreding van het voorschrift.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat – anders dan de raadsvrouwe van verdachte heeft bepleit – geen aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of voor oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete.

Alles afwegende, acht het hof oplegging van een geldboete van EUR 7.500,- passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging moet leven. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de (vertegenwoordiger van) verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is naar het oordeel van het hof aangevangen op 14 maart 2008, zijnde de datum van de brief van de heer [medewerker Rijkswaterstaat] van Rijkswaterstaat waarin is opgenomen dat voor de geconstateerde overtredingen op een later tijdstip een proces-verbaal zal worden opgemaakt ten behoeve van de officier van justitie. De rechter in eerste aanleg heeft eerst op 13 april 2010 eindvonnis gewezen.

Het hof is van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen en dat dit niet voor rekening van verdachte dient te komen. Het recht van verdachte is derhalve geschonden.

Het hof vindt in deze schending aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd en zal het hof de geldboete verminderen met EUR 500,- zodat een geldboete van EUR 7.000,- resteert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 30a van de

Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 7.000,00 (zevenduizend euro).

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 8 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.