Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5240

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
20-001969-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BM2901, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt ter zake van valsheid in geschrift en oplichting met betrekking tot premieteruggave WAO, computervredebreuk en omkoping medewerkers UWV 36 maanden gevangenisstraf op. Hoger beroep inzake LJN BM2901.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001969-10

Uitspraak : 22 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 april 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-997512-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

wonende te [woonplaats], [adres].

waarbij verdachte ter zake van:

- valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

- oplichting, meermalen gepleegd

- computervredebreuk

- valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

- een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen:

- de nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van het onder 1. primair en subsidiair en onder 2. ten laste gelegde voor zover het betreft het onderdeel “en/of andere bedrijven”;

- de vrijspraak ter zake van het onder 3. ten laste gelegde ten aanzien van de periode voor 15 december 2006 en na 31 december 2006;

- de vrijspraak ter zake van het onder 5. ten laste gelegde ten aanzien van [getuige 1].

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor de onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit dat:

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep;

- verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van (impliciet) cumulatief ten laste gelegde feiten waarvoor hij door de rechtbank werd vrijgesproken;

- vrijsprekende beslissingen van de rechtbank voetstoots zal bevestigen;

- de dagvaarding partieel nietig zal worden verklaard ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde;

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging;

- verdachte zal worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten;

- aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd althans dat volstaan zal worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat al dan niet in combinatie met een taakstraf, een geldboete of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep van de officier van justitie

A.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, aangezien het openbaar ministerie de appelschriftuur te laat heeft ingediend. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de wet de mogelijkheid biedt bij overschrijding van de termijn het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Daarbij dient een belangenafweging plaats te vinden, in het kader waarvan van belang is dat:

- het openbaar ministerie geen aanvaardbaar excuus voor de te late indiening heeft gegeven;

- het indienen van een appelschriftuur voor het openbaar ministerie verplicht is;

- van het openbaar ministerie, als vervolgende autoriteit, mag worden verlangd dat het de termijn van veertien dagen respecteert;

- het openbaar ministerie grotendeels in het gelijk werd gesteld door de rechtbank, zodat een verklaring waarom het openbaar ministerie toch hoger beroep heeft ingesteld zeer gewenst was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

A.2.1

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de officier van justitie op 11 mei 2010 hoger beroep heeft ingesteld. Vervolgens heeft de officier van justitie op 27 mei 2010 een schriftuur houdende grieven ingediend. Aldus heeft de officier van justitie in strijd met het bepaalde in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, ingediend.

A.2.2

Het hof stelt voorop dat het op grond van het bepaalde bij artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de rechter is overgelaten of hij al dan niet aan het door de officier van justitie niet indienen van de schriftuur, bedoeld in artikel 410 van dat wetboek, de sanctie van niet-ontvankelijkheid – al dan niet zonder onderzoek van de zaak zelf – zal verbinden. Voorts stelt het hof voorop dat in beginsel aan het niet tijdig indienen van een zodanige schriftuur dezelfde gevolgen kunnen worden verbonden als aan het in het geheel niet indienen ervan.

A.2.3

In het onderhavige geval stelt het hof voorop dat de inhoud van de schriftuur genoegzaam duidelijk maakt op welke gronden het openbaar ministerie in hoger beroep is gekomen.

Voorts overweegt het hof dat de overschrijding van de in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn gering is, te weten: twee dagen.

Ten slotte overweegt het hof dat in het onderhavige geval het belang van de strafzaak in casu zodanig groot mag worden genoemd, dat het behoort te prevaleren boven het belang dat is gediend met (de door de verdediging bedoelde) sanctionering van het gewraakte verzuim.

Het hof zal om deze redenen de officier van justitie ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

A.3

Het hof verwerpt het verweer.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verdachte

B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn hoger beroep ten aanzien van de (impliciet) cumulatief ten laste gelegde feiten waarvoor hij door de rechtbank werd vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- uit de bewijsconstructie volgt dat de rechtbank het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen heeft geacht voor bepaalde aanvragen van elke van de genoemde werkgevers en dus niet bij elke werkgever een aanvraag over elk jaar uit de tenlastelegging;

- de rechtbank in het onder 3. bewezen verklaarde het geautomatiseerde werk waarin is binnengedrongen heeft beperkt tot het PVWG-systeem, zodat verdachte voor de andere in de tenlastelegging genoemde werken is vrijgesproken;

- de in het onder 4. ten laste gelegde genoemde stukken DONA-006, DONA-009 en DONA-007 blijkens de bewijsmotivering niet voor het bewijs zijn gebezigd, zodat verdachte moet worden geacht voor die stukken te zijn vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2.1

Artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

“Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen van die gevoegde zaken waarin hij niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.”

Op grond van deze bepaling is de verdachte die in eerste aanleg van één of meer cumulatief ten laste gelegde en derhalve gevoegde strafbare feiten is vrijgesproken, ten aanzien van die feiten in hoger beroep niet ontvankelijk.

B.2.2

Naar het oordeel van het hof kan uit de bewezenverklaring van de rechtbank van het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde niet worden afgeleid dat verdachte is vrijgesproken van daarin opgenomen impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten. Voorts kan het hof, anders dan de verdediging aan haar betoog ten grondslag heeft gelegd, niet uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen de conclusie trekken dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde is vrijgesproken van impliciet cumulatief ten laste gelegde en derhalve gevoegde feiten, of onderdelen daarvan.

B.2.3

Naar het oordeel van het hof zijn de in het onder 3. ten laste gelegde genoemde geautomatiseerde systemen, te weten WEBBR, PVWG, e-mailbestanden, Wordbestanden en overige bestanden, gelet op het bepaalde in artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht geen geautomatiseerde werken, terwijl verdachte onder 3. wordt verweten dat hij is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk en/of in een deel daarvan. Aldus is naar het oordeel van het hof geen sprake van impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten en derhalve geen sprake van gevoegde strafbare feiten.

Uit de omstandigheid dat door de rechtbank onder 3. is bewezen verklaard – kort weergegeven – dat verdachte is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk en/of in een deel daarvan, namelijk het geautomatiseerde systeem (PVWG) van UWV, deel uitmakend van het (geautomatiseerde) netwerk van UWV, kan derhalve naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat verdachte is vrijgesproken van één of meer impliciet cumulatief ten laste gelegde en derhalve gevoegde strafbare feiten.

B.3

Het hof verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Vonnis waarvan beroep

C.1

De verdediging heeft subsidiair, te weten: indien het hof het openbaar ministerie wel ontvankelijk zou achten in het hoger beroep, bepleit dat het hof de onder B.1 weergegeven vrijsprekende beslissingen van de rechtbank voetstoots zal bevestigen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het openbaar ministerie blijkens de appelschriftuur enkel vanwege de strafmaat hoger beroep heeft ingesteld.

C.2

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd en gelet op het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding om genoemde beslissingen voetstoots te bevestigen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

C.3

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en daarmee de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Geldigheid van de dagvaarding

D.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde wat betreft de passage “het verrichten van diverse werkzaamheden”, omdat de tenlastelegging in zoverre niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) stellen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat onder deze passage alle werkzaamheden kunnen vallen, zodat deze passage onvoldoende feitelijk is.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

D.2

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 van het EVRM gestelde eisen. Mede gezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen.

Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van heeft gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren. Zo omvat haar pleidooi inhoudelijke verweren met betrekking tot de verschillende onderdelen van de tenlastelegging.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Tenlastelegging

E.1

Het onder 1. primair en subsidiair en 2. ten laste gelegde zal het hof om redenen van doelmatigheid en ter wille van de leesbaarheid verbeterd lezen; dit betreft verbeteringen van de indeling. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in de verdediging.

E.2

Aan verdachte is – voor zover thans nog aan de orde, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en met inachtneming van het vorenstaande – ten laste gelegd dat:

1. primair

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] (hierna te noemen de BV's) meermalen, althans eenmaal, in de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007, te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans die BV('s), (telkens) opzettelijk (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door (een) werkgever(s) betaalde WAO-premie(s) (zogenaamde aanvraag korting/vrijstelling op de basispremie WAO), te weten:

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 6] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 1999 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 2000 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 2001 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 7] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 1999 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2000 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2001 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 8] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 1999 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2000 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2001 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 9] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 1999 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 2000 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 2001 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 14] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 1999 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 2000 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 2001 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 10] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 1999 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 2000 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 2001 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 11] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 1999 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 2000 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 2001 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 12] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 1999 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 2000 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 2001 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken, althans heeft vervalst en/of heeft laten vervalsen,

hebbende zij, die BV('s), en/of haar medeverdachte(n) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die/dat aanvraagformulier(en) en/of op die daarbij behorende lijst(en) voornoemd (een) na(a)m(en) van (een) werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C] ([bedrijf 6]) en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] ([bedrijf 7] en [bedrijf 8]) en/of [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R] ([bedrijf 9]) en/of [CC] en/of [DD] ([bedrijf 11]) en/of [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB] ([bedrijf 13]) en/of [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V] ([bedrijf 14]) en/of [EE] en/of [FF] en/of [GG] ([bedrijf 12]) opgevoerd die niet (volledig) de status van arbeidsgehandicapte(n) (zogenaamde agh-status) in het/de betreffende (premie-)ja(a)r(en) heeft/hebben/hadden (bij het UWV en/of GAK) en/of niet in dienst waren bij genoemde werkgever(s) in het/de betreffende (premie)ja(a)r(en), (waardoor inzake die werknemer(s) ten onrechte WAO-premie(s) geheel en/of gedeeltelijk werd/werden terugbetaald (aan de werkgever(s)), met het oogmerk om voormelde aanvraagformulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] (hierna te noemen de BV's) in de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007, te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans die BV('s), meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door (een) werkgever(s) betaalde WAO-premie(s) (zogenaamde aanvraag korting/vrijstelling op de basispremie WAO), te weten:

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 6] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 1999 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 2000 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 2001 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 7] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 1999 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2000 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2001 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 8] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 1999 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2000 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2001 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 9] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 1999 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 2000 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 2001 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 14] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 1999 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 2000 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 2001 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 10] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 1999 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 2000 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 2001 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 11] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 1999 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 2000 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 2001 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 12] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 1999 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 2000 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 2001 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]),

- zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat die BV('s) en/of haar medeverdachte(n) die/dat aanvraagformulier(en) en/of die daarbij behorende lijst(en) voornoemd heeft opgesteld en/of heeft laten opstellen en/of heeft verstuurd en/of heeft laten versturen naar het UWV en/of GAK, bestaande die valsheid of vervalsing hierin, dat die BV('s) en/of haar medeverdachte(n) op die aanvraagformulier(en) en/of op die daarbij behorende lijst(en) (een) na(a)m(en) van (een) werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C] ([bedrijf 6]) en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] ([bedrijf 7] en [bedrijf 8]) en/of [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R] ([bedrijf 9]) en/of [CC] en/of [DD] ([bedrijf 11]) en/of [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB] ([bedrijf 10]) en/of [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V] ([bedrijf 14]) en/of [EE] en/of [FF] en/of [GG] ([bedrijf 12]) opvoert en/of heeft laten opvoeren die niet (volledig) de status van arbeidsgehandicapte(n) (zogenaamde agh-status) in het/de betreffende (premie-) ja(a)r(en) heeft/hebben/hadden (bij het UWV en/of GAK) en/of niet in dienst waren bij genoemde werkgever(s) in het/de betreffende (premie)ja(a)r(en), tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] (hierna te noemen de BV's) meermalen althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007 te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans die BV('s), (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) het UWV heeft/hebben bewogen tot de afgifte van (een) geld(bedrag) / geld(bedragen) (tot een totaal bedrag van ongeveer 4,4 miljoen euro), in elk geval van enig bedrag,

hebbende die BV('s) en/of haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (een) aanvraagfomulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door (een) werkgever(s) betaalde WAO-premie(s) (zogenaamde aanvraag korting/vrijstelling op de basispremie WAO), te weten:

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 6] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 1999 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 2000 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of 2001 (werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 7] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 1999 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2000 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2001 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 8] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 1999 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2000 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of 2001 (werknemer(s) [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 9] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 1999 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 2000 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of 2001 (werknemer(s) [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 14] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 1999 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 2000 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of 2001 (werknemer(s) [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 10] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 1999 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 2000 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of 2001 (werknemer(s) [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 11] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 1999 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 2000 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of 2001 (werknemer(s) [CC] en/of [DD]) en/of

- (een) aanvraagformulier(en) (met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers) tot terugbetaling van door [bedrijf 12] betaalde WAO-premie(s) over het/de ja(a)r(en) 1998 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 1999 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 2000 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]) en/of 2001 (werknemer(s) [EE] en/of [FF] en/of [GG]),

ingediend en/of laten indienen waarop de naam/namen was/waren vermeld van de volgende werknemer(s) [A] en/of [B] en/of [C] ([bedrijf 6]) en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] ([bedrijf 7] en [bedrijf 8]) en/of [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R] ([bedrijf 9]) en/of [CC] en/of [DD] ([bedrijf 11]) en/of [W] en/of [X] en/of [Y] en/of [Z] en/of [AA] en/of [BB] ([bedrijf 10]) en/of [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V] ([bedrijf 14]) en/of [EE] en/of [FF] en/of [GG] ([bedrijf 12]), terwijl (een of meer van) genoemde werknemer(s) niet (volledig) de status van arbeidsgehandicapte(n) (zogenaamde agh-status) in het/de betreffende (premie-)ja(a)r(en) had/hadden (bij het UWV en/of GAK) en/of niet in dienst was/waren bij genoemde werkgever(s) in het/de betreffende (premie)ja(a)r(en), waardoor het UWV (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij meermalen, althans eenmaal, in de periode van 15 december 2006 tot en met 31 december 2006, te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk en/of in een deel daarvan, namelijk in de/het geautomatiseerde syste(e)m(en) (WEBBR en/of PVWG en/of in e-mailbestanden en/of Wordbestanden en/of in overige bestanden) van UWV en/of GAK, deel uitmakend van het (geautomatiseerde) netwerk van UWV en/of GAK, immers heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (telkens) zich met (een) niet voor hem bestemde accountna(a)m(en) en/of inlogna(a)m(en) (te weten van [getuige 1] en/of [getuige 3] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]) en met (een) niet voor hem bestemd(e) wachtwoord(en), toegang verschaft tot het voor [getuige 1] en/of [getuige 3] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voornoemd gereserveerde deel van het geautomatiseerde netwerk van UWV en/of GAK, met behulp van een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, en heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), vervolgens gegevens (in het kader van de aanvraag c.q. restitutie van Korting- en Vrijstellingsgelden), te weten namen en/of sofinummers en/of burgerservicenummers en/of aansluitnummers en/of arbeidsgehandicaptenstatussen van werknemers en/of van werkgevers van verschillende bedrijven (te weten [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7/8] en/of [bedrijf 14] en/of [bedrijf 15] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 12] en/of [bedrijf 10]en/of [bedrijf 11] en/of [bedrijf 16] en/of [bedrijf 12]), die waren opgeslagen en verwerkt door middel van het geautomatiseerde werk, waarin hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), zich wederrechtelijk bevond(en), voor zichzelf/henzelf en/of voor een ander, overgenomen en/of uitgeprint en/of afgetapt en/of gewijzigd en/of verwerkt en heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (vervolgens) voornoemde (door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) gewijzigde) gegevens in dat/die geautomatiseerde syste(e)m(en) en/of geautomatiseerde bestand(en) (opnieuw) ingevoerd en/of geaccordeerd en/of laten invoeren en/of laten accorderen;

4. primair

hij meermalen, althans eenmaal, in de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007, te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) brie(f)(ven), al dan niet op briefpapier van UWV, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken, althans heeft vervalst en/of heeft laten vervalsen, hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid die brie(f)(ven) geschreven in naam van [getuige 3] en/of op die brie(f)(ven) de handtekening/paraaf van die [getuige 3] geplaatst, met het oogmerk om voormelde brie(f)(ven) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken (D-094, DONA-006, DONA-009 en DONA-007);

subsidiair

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 8 mei 2007, te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse brieven- zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) die brie(f)(ven) heeft opgesteld en/of heeft laten opstellen en/of uitgeprint en/of laten uitprinten (op briefpapier van UWV) en/of heeft verstuurd en/of heeft laten versturen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin, dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) die brie(f)(ven) heeft geschreven in naam van mevrouw [getuige 3] en/of op die brie(f)(ven) de handtekening/paraaf van die [getuige 3] voornoemd heeft geplaatst (D-094, DONA-006, DONA-009 en DONA-007);

5.

hij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007 te Eindhoven en/of Venlo en/of Maastricht en/of Bunde en/of Voerendaal en/of Gemert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, telkens opzettelijk een ambtenaar, te weten [getuige 3] in haar hoedanigheid van teamleider Polis en Premie van het UWV en/of [getuige 4] in haar hoedanigheid van assistent-polisbeheerder van de afdeling Polis en Premie van het UWV, een gift en/of belofte heeft gedaan met het oogmerk om die ambtena(a)r(en) te bewegen in zijn/haar bediening, in strijd met zijn/haar plicht, iets te doen of na te laten en/of een gift en/of belofte heeft gedaan naar aanleiding van hetgeen door die ambtena(a)r(en) in zijn/haar (vroegere) bediening, in strijd met zijn/haar plicht, is gedaan of nagelaten, hebbende hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) die [getuige 3] en/of [getuige 4] voornoemd in voormelde periode de volgende giften gedaan:

- aan [getuige 3] op 20 januari 2007 een bedrag groot 7.821,52 euro, althans een bedrag; (D-100a en D-100b);

- aan [getuige 4] op 20 januari 2007 een bedrag groot 10.805,09 euro, althans een bedrag, (D-100c en D-100d),

zijnde die gift(en) en/of belofte(n) telkens gedaan met het oogmerk om die [getuige 3] en/of [getuige 4] in zijn/haar bediening, in strijd met zijn/haar plicht te bewegen de toegang te verschaffen tot het gebouw van UWV te Eindhoven en/of tot de geautomatiseerde bestanden van UWV (met behulp van de inlognamen en wachtwoorden van [getuige 3] en/of [getuige 1] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of anderen) en/of het verrichten van diverse werkzaamheden ten behoeve van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) en/of naar aanleiding van het aan verdachte verschaffen van de toegang tot het gebouw van UWV te Eindhoven en/of tot de geautomatiseerde bestanden van het UWV (met behulp van inlognamen en wachtwoorden van [getuige 3] en/of [getuige 1] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of anderen) en of het verrichten van diverse werkzaamheden ten behoeve van verdachte en/of zijn medeverdachte(n).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

F.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: SIOD) en justitie een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak is tekortgedaan. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. sprake is van détournement de pouvoir en een flagrante schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging;

2. geen sprake is van een onpartijdig en onafhankelijk opsporingsonderzoek;

3. de privacy van verdachte is geschonden door het geven van inzage in het strafdossier en/of het verstrekken van afschriften daaruit door het openbaar ministerie aan het UWV en aan derden;

4. de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

G.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 1. gestelde:

G.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

- met het optreden van de opsporende en vervolgende autoriteiten in deze zaak vooral het belang van het UWV werd gediend en dat er onvoldoende vanuit het perspectief van het algemeen belang naar de zaak is gekeken;

- de belangen van verdachte bij de afweging om hem al dan niet te vervolgen kennelijk in het geheel niet aan bod zijn gekomen.

G.2

Het hof stelt voorop dat de officier van justitie in onafhankelijkheid kan beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte, hetgeen is neergelegd in het opportuniteitsbeginsel. Dit opportuniteitsbeginsel wordt slechts begrensd in de gevallen waarin evident is gehandeld in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging of het verbod van détournement de pouvoir.

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de bevoegdheid tot het vervolgen van verdachte is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven. Evenmin is uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden dat bij de vervolgingsbeslissing de in aanmerking komende belangen niet behoorlijk tegen elkaar zijn afgewogen.

Van een vormverzuim is bijgevolg geen sprake, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassing mist.

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

H.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 2. gestelde:

H.1

Ter adstructie van het verweer dat geen sprake is van een onpartijdig en onafhankelijk opsporingsonderzoek heeft de verdediging gewezen op:

- de aanwezigheid van veel oud-UWV’ers in het Atoem-team, met gevoelens van loyaliteit en sympathie jegens de oude werkgever;

- de continue informatie-uitwisseling met het UWV;

- het voorstel om als deskundige iemand van het UWV te benoemen;

- het “één-tweetje” tussen openbaar ministerie en UWV waarmee het strafrechtelijk beslag op de tegoeden van [bedrijf 1] werd omgezet in een civielrechtelijk beslag;

- de veelvuldige contacten tussen het openbaar ministerie, SIOD en UWV;

- de omstandigheid dat niet de SIOD zelf, maar het UWV de steekproef heeft uitgevoerd waarbij de werkgevers en vervolgens de werknemers werden geselecteerd die door de SIOD nader zouden worden onderzocht;

- de omstandigheid dat stukken in de zaak tegen [getuige 2] zonder enige gebleken noodzaak vanuit de SIOD naar het UWV zijn gegaan.

Voorts is aan het verweer ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat gelet op de belangen van het UWV bij de zaak en de wijze van optreden van het UWV de opsporing meer distantie en onafhankelijkheid dient te bewaren dan in deze zaak, omdat de waarheidsvinding anders ernstig in het gedrang komt. Gelet daarop heeft het openbaar ministerie ten onrechte het onderzoek aan de SIOD overgelaten.

H.2

Naar het oordeel van het hof verzet geen rechtsregel zich tegen de wijze waarop het UWV, de organisatie die aangifte heeft gedaan, in de onderhavige zaak betrokken is geweest bij het opsporingsonderzoek. Daarom is geen sprake van het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus van een vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassing mist.

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is reeds daarom niet aan de orde.

H.3

De SIOD van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is sinds 1 januari 2002 operationeel. Blijkens de toelichting bij het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SIOD 2002 pakte zij vanaf dat moment de zware, complexe en sectoroverschrijdende zaken op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op.

Op grond van artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten is de SIOD vanaf 1 juni 2007 een bijzondere opsporingsdienst. Blijkens de Memorie van Toelichting doet de SIOD zware zaken op het terrein van de werknemers- en volksverzekeringen, de Algemene bijstandswet en aanverwante regelingen, de Wet arbeid vreemdelingen en subsidiefraude af.

Gelet op het vorenstaande was de SIOD de bevoegde opsporingsdienst.

H.4

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de inzet van de SIOD het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus een vormverzuim oplevert. De enkele omstandigheid dat binnen het opsporingsteam

oud-medewerkers van het UWV werkzaam zouden zijn geweest, maakt dat niet anders.

Het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering mist derhalve toepassing, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

I.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 3. gestelde:

I.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

- ten onrechte inzage in het strafdossier is verleend en afschriften daaruit zijn verstrekt door het openbaar ministerie aan het UWV, aangezien artikel 51d van het

Wetboek van Strafvordering niet van toepassing was, nu het UWV zich niet had gevoegd als benadeelde partij en niet is gehandeld in overeenstemming met de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden;

- ten onrechte inzage in het strafdossier is verleend en afschriften daaruit zijn verstrekt door het openbaar ministerie aan [bedrijf 17], aangezien dit bedrijf niet of slechts zijdelings voorkomt in het strafdossier en niet valt in te zien welk spoedeisend en zwaarwegend algemeen belang is gediend met het verlenen van inzage in het strafdossier aan deze partij;

- gelet op het gemak waarmee in deze zaak door het openbaar ministerie inzage werd gegeven in het strafdossier niet valt uit te sluiten dat ook andere partijen inzage hebben gehad.

I.2

Op grond van artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering zoals dat luidde tot

1 januari 2011 werd aan een benadeelde partij op haar verzoek toestemming verleend om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang had. Bovendien kon zij van de stukken waarvan haar de kennisneming was toegestaan, een afschrift krijgen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het UWV als benadeelde partij kan worden aangemerkt. Zij kon zich immers op grond van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering ter zake van een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Gelet daarop was artikel 51d van het Wetboek van Strafvordering van toepassing, zodat de inzageverlening en de verstrekking van afschriften rechtmatig was.

Van een vormverzuim is bijgevolg geen sprake.

Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

I.3.1

Bij de pleitnota in eerste aanleg is als bijlage gevoegd een memorie van grieven van [bedrijf 17]. Blijkens deze memorie van grieven was sprake van een civielrechtelijk geding tussen enerzijds [bedrijf 17] en anderzijds medeverdachten [getuige 5] en [bedrijf 3]. Blijkens deze memorie van grieven heeft het openbaar ministerie in dat kader inzage in het strafdossier verleend alsmede afschriften daaruit verstrekt aan [bedrijf 17].

I.3.2

Het hof stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wordt bedoeld heeft te oordelen. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

I.3.3

Voor zover al sprake was van het niet naleven van een strafprocesrechtelijk geschreven of ongeschreven vormvoorschrift en dus van een vormverzuim bij de inzageverlening en verstrekking van afschriften aan [bedrijf 17], is het hof van oordeel dat dit vormverzuim niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassing mist. Immers, kennelijk heeft de inzageverlening en afschriftverstrekking plaatsgevonden in de strafzaak tegen [getuige 5] en/of [bedrijf 3].

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is reeds daarom niet aan de orde.

I.4

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat inzage is verleend in onderhavig dossier of afschriften zijn verstrekt aan anderen dan het UWV en [bedrijf 17].

J.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 4. gestelde:

J.1

Aan het verweer dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden, is ten grondslag gelegd dat vanaf de inval onder leiding van de rechter-commissaris op 8 mei 2007 tot aan de uitspraak in eerste aanleg de zaak bijna drie jaar heeft geduurd, terwijl sprake is geweest van twee perioden van inactiviteit: de periode tussen de inval in mei 2007 en de aanhoudingen eind augustus 2007 en de periode tussen december 2007 en de eerste zitting in januari 2009. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn aanving op 28 augustus 2007, op welke datum verdachte was aangehouden.

J.2

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

J.3

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 28 augustus 2007, de dag waarop de verdachte is aangehouden.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 29 april 2010. Er is dus sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de uitspraak in eerste aanleg.

J.4

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van:

- de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten;

- de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, waartoe kan worden gerekend het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak;

- de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, waartoe kan worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

J.5

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onder meer het volgende gebleken.

De verdachte is op 28 augustus 2007 aangehouden. Op 1 december 2007 is het onderzoek door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: SIOD) gesloten. Vervolgens is op 5 december 2007 aan de officier van justitie bericht dat de procesdossiers voor gezien en akkoord getekend zijn. De procesdossiers beslaan 18 ordners, bevattende 4748 pagina’s. Blijkens deze procesdossiers werden negen natuurlijke personen en vier rechtspersonen als verdachte aangemerkt.

Op 16 december 2008 is verdachte gedagvaard om te verschijnen op 14 januari 2009 ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank. Vervolgens is op 14 januari 2009 het onderzoek ter terechtzitting aanvangen. Mede naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 29 juni 2009 teneinde door de SIOD aanvullende processen-verbaal te laten opmaken.

Op 29 juni 2009 is het onderzoek in de zaak tegen verdachte hervat. Het onderzoek werd vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde op verzoek van de verdediging zestien getuigen te doen horen door de rechter-commissaris. Deze getuigen zijn door de rechter-commissaris gehoord in oktober 2009.

Ten slotte is de zaak op 14 en 15 april 2010 inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft vervolgens op 29 april 2010 vonnis heeft gewezen.

J.6

Gelet op de tenlastelegging en het onder J.5 weergegevene zijn naar het oordeel van het hof bijzondere omstandigheden aanwezig die de overschrijding van de termijn rechtvaardigen, te weten:

- de complexiteit van de strafbare feiten;

- de omvang van het verrichte opsporingsonderzoek;

- het aantal personen dat in het kader van het opsporingsonderzoek als verdachte is aangemerkt;

- de omstandigheid dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op

14 januari 2009 en 29 juni 2009 is geschorst teneinde – (mede) naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging – aanvullende processen-verbaal te laten opmaken respectievelijk zestien getuigen te doen horen.

Aldus is naar het oordeel van het hof de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet geschonden.

J.7

Van een vormverzuim is gelet op het vorenstaande geen sprake. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging reeds daarom niet aan de orde is.

K.

Naar ’s-hofs oordeel kunnen op grond van het bovenoverwogene de stellingen van de verdediging op zich, noch in samenhang met elkaar bezien, leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Het bewijs

[…]

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

L.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het onder 1. en 2. ten laste gelegde

M.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat ten onrechte werknemers werden opgevoerd op aanvragen en dat daardoor ten onrechte WAO-premies werden terugbetaald aan werkgevers. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat in alle gevallen waarin de bestuursrechter is geadiëerd, bestuursrechtelijk is komen vast te staan dat de toekenning, ook omvattende de werknemers waarvan het UWV meent dat deze onterecht was, juist was, zodat de geldigheid van de beschikkingen op grond van het leerstuk van de formele rechtskracht voor het hof een gegeven is en het hof zich moet onthouden van enig zelfstandig onderzoek en zelfstandige beoordeling.

M.2

Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat in het onderhavige geval de leer van de formele rechtskracht niet aan de orde is. Daartoe overweegt het hof dat in het onderhavige geval de bestuursrechter niet is toegekomen aan een materiële beoordeling van de materie. Immers, de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de in artikel 13, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering gestelde verjaringstermijn voor premievaststelling was verstreken en er geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die grond gaven om de betreffende termijn buiten toepassing te laten, zodat het UWV niet bevoegd was om in 2007 nader premie vast te stellen over de jaren 1998 tot en met 2001.

N.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de betrouwbaarheid van de als bijlagen bij het aanvullend proces-verbaal van 25 februari 2009 gevoegde WeBBR-prints allerminst vaststaat, zodat deze niet bruikbaar zijn voor gebruik als bewijs tegen verdachte. Daartoe is erop gewezen – zakelijk weergegeven – dat:

- de prints ruim twee jaar na indiening van de aanvragen zijn geprint, hetgeen het twijfelachtig maakt of het betreffende systeem toen nog dezelfde gegevens bevatte als destijds;

- er discrepanties bestonden tussen de WeBBR en de basisregistraties.

N.2

Uit het onderzoek ter terechtzitting is in het geheel niet aannemelijk geworden dat tussen het indienen van de aanvragen en het afdrukken van de WeBBR-prints gegevens (betrekking hebbend op de in de tenlastelegging opgenomen aanvragen) zijn veranderd in het systeem.

Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de in WeBBR-prints opgenomen gegevens. Het hof ziet dan ook geen aanleiding deze stukken dan wel de zakelijke weergave van de inhoud van die prints in het aanvullend proces-verbaal, uit te sluiten van het bewijs.

O.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat op grond van een eendagsmelding in het betreffende jaar of de vijf jaren eraan voorafgaand [C], [E], [O], [P], [R], [CC], [DD], [X], [Y], [S], [U] en [GG] wel degelijk arbeidsgehandicapte waren, zodat zij in de aanvraag konden worden opgenomen.

O.2

Op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten konden ten tijde van de tenlastelegging – zakelijk weergegeven – als arbeidsgehandicapte worden aangemerkt:

- de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, de WAZ of de WAJONG, tot vijf jaar na de datum waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met vermindering van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd;

- de persoon aan wie op grond van een wettelijk voorschrift in verband met ziekte of gebrek een voorziening is toegekend die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid of ten behoeve van wie een subsidie voor met een voorziening verband houdende kosten is verstrekt, tot vijf jaar na de datum waarop de voorziening is geëindigd;

- de persoon die bij indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van de WSW behoort tot de doelgroep voor de WSW, doch niet werkzaam is als werknemer in de zin van de WSW of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de WSW;

- voor de duur van vijf jaar na de datum van beëindiging van een dienstbetrekking op grond van de WSW, de persoon die arbeid heeft verricht op grond van de WSW;

- voor de duur van vijf jaar na de datum van een herindicatiebeschikking op grond van de WSW, de persoon die na herindicatie niet meer behoort tot de doelgroep van de WSW;

- de persoon ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid, gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van vaststelling.

O.3

Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stonden [E], [O], [P], [R], [CC], [DD], [X], [Y], [S], [U] en [GG] geregistreerd met een AAW/WAO-uitkering waarvan de ingangsdatum en einddatum hetzelfde was. In dergelijke gevallen diende dossieronderzoek plaats te vinden om te kunnen vaststellen of zij de status arbeidsgehandicapt hadden. Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de getuigenverklaringen van de genoemde personen, is het hof van oordeel dat deze personen geen arbeidsgehandicapten in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten waren. Aldus zijn zij ten onrechte opgenomen in de bewezen verklaarde aanvragen.

De enkele omstandigheid dat het kantoor van het UWV te Eindhoven – in het kader van efficiency-maatregelen – zonder nader onderzoek aannam dat deze personen arbeidsgehandicapten waren, kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze wijze van handelen doet immers niet af aan de wettelijke definitie van arbeidsgehandicapte.

O.4

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat omwille van efficiency personen die gedurende een gedeelte van het jaar arbeidsgehandicapt waren, werden meegenomen als waren zij het hele jaar arbeidsgehandicapten. Het hof merkt in dat verband op dat de aanvraagformulieren reeds inhielden dat voor werknemers die slechts een deel van de gewerkte periode arbeidsgehandicapt waren het aantal dagen en het brutoloon SV over deze periode apart moest worden opgegeven. Zulks is evenwel nagelaten in de aanvraagformulieren en de daarbij gevoegde lijsten. Aldus zijn op aanvraagformulieren valselijk en in strijd met de waarheid personen opgevoerd die niet de status van arbeidsgehandicapte hadden in het gehele betreffende premiejaar.

De enkele omstandigheid dat het kantoor van het UWV te Eindhoven – in het kader van efficiency-maatregelen – beweerdelijk bij de beoordeling steeds het gehele jaar in aanmerking zou nemen, kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze wijze van handelen doet immers niet af aan de in de wettelijke regelingen vastgelegde bepalingen.

O.5

Namens de verdachte is ten aanzien van de status van arbeidsgehandicapte van de in de aanvragen genoemde werknemers ten slotte naar voren gebracht dat zij terecht zijn opgenomen in de aanvragen omdat zij op basis van de wettelijke regeling dan wel op basis van de efficiency-maatregelen zoals die door het UWV werden toegepast werden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.

Het hof is ten aanzien van [A], [B], [C], [D], [E], [F], [G], [H], [J], [L], [M], [N], [O], [P], [Q], [R], [CC], [DD], [X], [Y], [S], [U] en [GG] op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat zij in de bewezen verklaarde jaren niet de status van arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten hadden. Aldus zijn zij valselijk en in strijd met de waarheid op de betreffende lijsten opgenomen. Voor zover is aangevoerd dat aan deze personen een voorziening is verstrekt, overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat dit een wettelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten was.

Voorts is het hof van oordeel dat valselijk en in strijd met de waarheid op de lijst de naam van [W] is opgevoerd, omdat deze niet in het gehele jaar 1999 de status van arbeidsgehandicapte had.

Ten slotte is het hof van oordeel dat [K], [Z] en [BB] ten onrechte zijn opgevoerd, omdat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zij tijdens hun dienstverband bij de betreffende werkgever niet de status van arbeidsgehandicapte hadden.

O.6

Het hof acht onder 1. wettig en overtuigend bewezen dat [H] (premiejaar 2001), [I] (premiejaar 2000) en [EE] (premiejaar 1999) ten onrechte zijn opgevoerd, omdat zij in het desbetreffende premiejaar niet in dienst waren bij de in de tenlastelegging genoemde werkgevers.

Het verweer dat in geval geen sprake was van een dienstverband niet gesproken kan worden van oplichting behoeft geen bespreking, omdat het hof ten aanzien van deze drie werknemers ten aanzien van de genoemde premiejaren de onder 2. ten laste gelegde oplichting niet bewezen acht.

P.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wegens het ontbreken van de originele aanvragen, hetgeen zou blijken uit het ontbreken van stempels.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het uit het enkele ontbreken van stempels niet het gevolg behoeft te worden getrokken dat zich niet de originele aanvragen in het dossier bevinden.

Wanneer de zich in het dossier bevindende aanvragen moeten worden aangemerkt als opnieuw uitgeprinte aanvragen, is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de inhoud van deze prints niet overeenkomen met de bij het UWV ingediende originele aanvragen.

Het hof is daarom van oordeel dat de in het dossier aangetroffen (wellicht opnieuw uitgeprinte) aanvragen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Q.

Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de aanvragen geen bewijsbestemming hebben, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde.

De bestemming van een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen wil, naar het oordeel van het hof, zeggen dat aan het geschrift in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Daaraan doet niet af dat de ontvanger van het geschrift de opgegeven gegevens kan of moet controleren.

Het hof is dan ook van oordeel dat de onderhavige aanvraagformulieren met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers geschriften zijn die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen.

R.1

Ter terechtzitting in hoger beroep is ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde omdat het opzet ontbreekt. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte te goeder trouw was, zodat hij geen opzet heeft gehad op eventuele onjuistheden. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat het ten aanzien van bepaalde werknemers zo duidelijk is dat zij ten onrechte op een lijst zijn beland dat men dat wel had moeten zien, moet het ervoor worden gehouden dat het in die gevallen een onschuldige fout betreft.

R.2

Het hof stelt voorop dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen verdachte deskundig was op het gebied van de onderhavige Kortings- en Vrijstellingsregeling.

Verdachte moet dus hebben geweten wie op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten als arbeidsgehandicapte werden aangemerkt en dus met betrekking tot wie een aanvraag als de onderhavige gedaan kon worden. Voorts kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat voor het vaststellen van de status van arbeidsgehandicapte onder omstandigheden nader onderzoek noodzakelijk was, zoals ten aanzien van de personen ten aanzien van wie een AAW/WAO-uitkering waarvan de ingangsdatum en einddatum hetzelfde is, is geregistreerd.

Tevens komt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren dat op grond van de gegevens zoals die in WeBBR aanwezig waren op zijn minst nader onderzoek noodzakelijk was om vast te stellen dat de betreffende werknemers de status van arbeidsgehandicapte hadden dan wel nog een dienstverband hadden bij de betreffende werkgever. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat verdachte met betrekking tot de werknemers die in de bij de aanvraagformulieren behorende lijsten zijn opgenomen WeBBR heeft geraadpleegd, dan wel gegevens afkomstig uit WeBBR voorhanden heeft gehad.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat door verdachte nader onderzoek is verricht met betrekking tot de na te melden werknemers. Blijkens de verklaring van Muijtjens werd geen dossieronderzoek verricht bij de bedrijven.

Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte wist dat er van controle van de door hem ingediende aanvragen door medewerkers van het UWV geen sprake (meer) was.

R.3

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door onder de hiervoor onder R.2 weergegeven omstandigheden de na te melden werknemers op te voeren in de bij de aanvraagformulieren behorende lijsten minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat werknemers werden opgevoerd die niet (of niet in het gehele jaar) de status van arbeidsgehandicapte hadden dan wel niet in dienst waren bij de op de aanvraagformulieren genoemde werkgevers. Aldus heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanvraagformulieren met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers valselijk werden opgemaakt.

R.4

De stelling dat in de onderhavige gevallen sprake is van onschuldige fouten is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat het hier om uitzonderlijke gevallen gaat.

S.1

Namens de verdachte is aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 2. ten laste gelegde, omdat onvoldoende is gebleken van een rechtstreeks verband tussen de gehanteerde oplichtingsmiddelen en de afgifte van het ten laste gelegde bedrag, aangezien een aanvraag slechts is op te vatten als een verzoek dat nog door de ontvangende instantie moet worden beoordeeld. Dat die beoordeling niet of niet voldoende plaatsvindt, maakt dat niet anders.

S.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte ervan op de hoogte was dat – al dan niet op grond van efficiencymaatregelen – de inhoud van aanvragen niet (meer) werd gecontroleerd. Onder die omstandigheid heeft verdachte door het indienen van valselijk opgemaakte aanvragen het UWV bewogen tot afgifte van geldbedragen.

S.3

Het hof leidt uit het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af:

- verdachte heeft opzettelijk – minst genomen in de zin van voorwaardelijk opzet – aanvraagformulieren met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers valselijk opgemaakt;

- verdachte heeft deze aanvraagformulieren en lijsten ingediend bij het UWV;

- verdachte heeft zelf aanvragen verwerkt in het computersysteem van het UWV;

- verdachte was ervan op de hoogte dat geen toetsing van de aanvragen plaatsvond;

Hieruit leidt het hof af dat verdachte wist dat het UWV telkens door – kort gezegd – een onjuiste voorstelling van zaken werd bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zodat verdachte met het voor een bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde oogmerk heeft gehandeld.

T.1

Ten slotte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken ten aanzien van de aanvragen van andere intermediairs dan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- verdachte niet als feitelijk leidinggever of opdrachtgever van gedragingen van [bedrijf 3] en/of [bedrijf 5];

- het opzet van die rechtspersonen op het plegen van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten niet kan worden bewezen.

T.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte de gewraakte aanvragen namens [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 5] heeft opgemaakt en ingediend. Dat handelen van verdachte kan aan deze rechtspersonen worden toegerekend. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

- de omstandigheid dat verdachte uit hoofde van afspraken met [getuige 5] respectievelijk [getuige 2] werkzaam was ten behoeve van [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 5];

- de werkzaamheden van verdachte pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 3] en [bedrijf 5];

- de werkzaamheden van verdachte [bedrijf 3] en [bedrijf 5] dienstig zijn geweest in de door hen uitgeoefende bedrijven, zoals blijkt uit de verklaringen van [getuige 5] en [bedrijf 4] over de fees.

T.3

Naar het oordeel van het hof kan ook het opzet van verdachte worden toegerekend aan [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 5].

In dat verband overweegt het hof dat overeenkomstig afspraken met [getuige 5] en [getuige 2] verdachte namens [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 5] de zorg voor het opmaken en indienen van de aanvraagformulieren had en de bewezen verklaarde handelingen in het kader van die werkzaamheden zijn begaan.

T.4

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 5] valselijk aanvraagformulieren met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers hebben opgemaakt en/of laten opmaken.

Deze bedrijven hebben met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep het UWV bewogen tot de afgifte van een geldbedrag.

Gelet op het feit dat het hier in feite handelen door verdachte betreft, kan hij als feitelijke leidinggever worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat verdachte formeel geen zeggenschap heeft binnen [bedrijf 3] en [bedrijf 5], kan daaraan niet afdoen.

U.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde

V.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het hem onder 3. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn;

- het raadplegen van de systemen niet wederrechtelijk was, aangezien verdachte ook na de sluiting van de afdeling op 15 december 2006 toestemming had om de systemen te raadplegen;

- verdachte zelf nimmer aanvragen heeft doorgedrukt, maar enkel statussen heeft gecontroleerd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

V.2

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat [getuige 1] op onderdelen wisselende verklaringen heeft afgelegd. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht het hof de verklaringen van [getuige 1] voor zover het deze heeft gebezigd tot het bewijs voldoende betrouwbaar en ziet het geen aanleiding deze in zoverre van het bewijs uit te sluiten. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat de tot het bewijs gebezigde onderdelen van deze verklaringen naar het oordeel van het hof in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen.

V.3.1

Aan de stelling dat geen sprake is van wederrechtelijk binnendringen van een geautomatiseerd werk is ten grondslag gelegd dat verdachte toestemming had gekregen van [getuige 6] om de systemen te raadplegen. Deze toestemming is evenwel nooit, ook niet vóór 15 december 2006, rechtsgeldig geweest. [getuige 6] is immers nooit gerechtigd geweest tot het geven van die toestemming.

V.3.2

Het hof wijst in dit kader op de verklaring van [getuige 6] dat:

- hij in de periode vanaf maart 2006 wist dat verdachte in de systemen een aantal zaken bekeek in het kader van de aanvragen K & V voor zijn eigen bedrijf, terwijl hij in die tijd besefte dat dit niet kon en het UWV dat absoluut verbood;

- het voor niet UWV medewerkers niet toegestaan was en is om in de UWV systemen in te kunnen loggen, ook voor verdachte niet;

- zijn leidinggevende en diens leidinggevenden nooit toestemming zouden hebben gegeven.

Voorts wijst het hof op de verklaring van [getuige 3] dat het algemeen beleid van het UWV is dat buitenstaanders niet in de UWV systemen mogen komen om bijvoorbeeld zaken te raadplegen.

V.3.3

Het hof overweegt voorts dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat binnen het UWV usernames met wachtwoorden slechts op naam (aan een werknemer van het UWV) werden uitgegeven. Nu niet is gebleken dat ten tijde van het ten laste gelegde aan verdachte een username met wachtwoord is verstrekt, was verdachte alleen daarom al niet gerechtigd zich toegang te verschaffen tot de systemen van het UWV.

V.3.4

Het kan naar het oordeel van het hof daarnaast niet anders zijn dan dat verdachte als voormalig leidinggevend medewerker van het UWV moet hebben geweten dat hij van het UWV nooit officieel toestemming zou hebben gekregen om gebruik te maken van de systemen van het UWV.

V.3.5

Het hof overweegt daarnaast dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het in de periode van 15 december 2006 tot en met 31 december 2006 in het geheel niet (meer) was toegestaan dat nog gebruik werd gemaakt van de usernames van [getuige 1] en [getuige 3]. Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de systemen enkel nog via de account van [naam] toegankelijk mocht zijn. Het inloggen middels de usernames en wachtwoorden van [getuige 1] en [getuige 3] in deze periode was dan ook wederrechtelijk, ongeacht wie van deze usernames en wachtwoorden gebruik heeft gemaakt.

V.4

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat verdachte en [getuige 1] bij het verschaffen van toegang met de door hen gebruikte usernames en wachtwoorden tot het geautomatiseerde netwerk van het UWV en het vervolgens verrichten van handelingen in dat geautomatiseerde netwerk met betrekking tot aanvragen van verdachte in verband met de kortings- en vrijstellingsregeling, zodanig bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Zulks heeft tot gevolg dat niet van belang is wie specifiek bepaalde handelingen heeft uitgevoerd. Het verweer dat verdachte zelf nimmer aanvragen heeft doorgedrukt, maar enkel statussen heeft gecontroleerd, behoeft dan ook geen bespreking.

V.5

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Met betrekking tot het onder 4. ten laste gelegde

W.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte of een van de met hem samenwerkende medeverdachten de brieven hebben geschreven in naam van [getuige 3] en/of op die brieven de paraaf van die

[getuige 3] geplaatst.

Met betrekking tot de door de verdediging (voorwaardelijk) gedane verzoeken

X.1

De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof niet tot het oordeel zou komen dat er sprake is van een verstrekking van gegevens aan derden die een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert, verzocht nader onderzoek hiernaar te doen plaatsvinden.

Uit hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, is het hof de noodzaak van dat nader onderzoek niet gebleken, nu de resultaten van dat onderzoek niet van belang zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak tegen verdachte. Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

X.2

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep, op de gronden als vermeld in de pleitnota, verzocht om uitdraaien uit de BRP aan het dossier toe te voegen.

Ter terechtzitting van 6 juli 2011 heeft het hof dat verzoek afgewezen. Door of namens de verdachte zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen nopen tot een andere beslissing.

Het hof is van oordeel dat het toevoegen van die uitdraaien niet noodzakelijk is, aangezien de gegevens uit het BRP via WeBBR waren te raadplegen en de informatie uit WeBBR in het dossier aanwezig is. De verdediging heeft aangevoerd dat niet het systeem WeBBR als uitgangspunt voor de AGH-statusbeoordeling had moeten worden genomen, maar het systeem BRP. Nu slechts de gegevens uit WeBBR aan het dossier zijn toegevoegd dienen ook de BRP-uitdraaien aan het dossier te worden toegevoegd.

Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd zijn discrepanties tussen die systemen echter gebleken noch aannemelijk geworden.

Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

X.3

De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof het verweer dat alle werknemers terecht zijn opgenomen in de aanvragen niet zou volgen, verzocht een deskundige op het gebied van het sociale zekerheidsrecht te horen.

Ter terechtzitting van 6 juli 2011 heeft het hof dat verzoek afgewezen. Door of namens de verdachte zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen nopen tot een andere beslissing.

Het hof is van oordeel dat het horen van een deskundige niet noodzakelijk is, nu het uitleggen van de toepasselijke rechtsregels behoort tot het domein van de rechter zelf en in casu tot het domein van het hof.

Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

X.4

De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof niet zonder meer van oordeel zou zijn dat de aanvragen in het dossier niet de originelen zijn, verzocht [betrokkene 3] van Bureau Integriteit van het UWV als getuige te horen.

Uit hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, is het hof de noodzaak van het horen van [betrokkene 3] niet gebleken, nu de verklaring van deze getuige niet van belang is voor enige te nemen beslissing in de zaak tegen verdachte. Aangezien daarvan ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

X.5

De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval het hof zou willen uitgaan van het beweerdelijk nadeel dat niet kan worden toegeschreven aan in de tenlastelegging genoemde werkgevers, verzocht in de gelegenheid te worden gesteld de berekening van dat nadeel te toetsen door toevoeging aan de stukken van alle relevante documenten en eventueel getuigenverhoor van de betrokkenen. Subsidiair heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht een deskundige op het vlak van statistiek te benoemen.

De verzoeken behoeven geen bespreking reeds omdat de aan de verzoeken verbonden voorwaarde niet is vervuld. Immers, het hof zal geen acht slaan op het gestelde benadelingsbedrag van 4,4 miljoen euro.

X.6

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om [getuige 1] als getuige te horen.

Ter terechtzitting van 6 juli 2011 heeft het hof dat verzoek afgewezen. Door of namens de verdachte zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen nopen tot een andere beslissing.

Het hof is van oordeel dat er geen noodzaak is de getuige opnieuw te horen nu de verdediging reeds de gelegenheid heeft gehad de getuige vragen te stellen en de verdediging geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die na eerst na dat verhoor bekend zijn geworden.

Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. primair, 2., 3., 4. primair en 5. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 5] (hierna te noemen de BV's) meermalen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 december 2006 in Nederland telkens opzettelijk een aanvraagformulier met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers tot terugbetaling van door een werkgever betaalde WAO-premie(s) (zogenaamde aanvraag korting/vrijstelling op de basispremie WAO), te weten:

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 6] betaalde WAO-premies over de jaren 1998 (werknemers [A] en [B] en [C]) en 1999 (werknemers [A] en [B] en [C]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 7] betaalde WAO-premies over de jaren 2000 (werknemers [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [I]) en 2001 (werknemers [D] en [E] en [F] en [H]) en

- een aanvraagformulier met een bijbehorende lijst met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 8] betaalde WAO-premie over het jaar 2000 (werknemers [J] en [K] en [L]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 9] betaalde WAO-premies over de jaren 1998 (werknemers [M] en [N] en [O] en [P] en [R]) en 1999 (werknemers [M] en [N] en [O] en [P] en [Q] en [R]) en

- aanvraagformulieren met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 14] betaalde WAO-premies over de jaren 2000 (werknemers [S] en [U]) en 2001 (werknemers [S] en [U]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 10] betaalde WAO-premies over de jaren 1998 (werknemers [X] en [Y]) en 1999 (werknemers [W] en [X] en [Y] en [Z]) en 2000 (werknemers [X] en [Y]) en 2001 (werknemers [X] en [Y] en [BB]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 11] betaalde WAO-premies over de jaren 2000 (werknemers [CC] en [DD]) en 2001 (werknemers [CC] en [DD]) en

- een aanvraagformulier met een bijbehorende lijst met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 12] betaalde WAO-premie over het jaar 1999 (werknemers [EE] en [GG]),

zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken,

hebbende zij, die BV’s, alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die lijsten voornoemd namen van werknemers [A] en [B] en [C] ([bedrijf 6]) en [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [I] en [J] en [K] en [L] ([bedrijf 7] en [bedrijf 8]) en [M] en [N] en [O] en [P] en [Q] en [R] ([bedrijf 9]) en [CC] en [DD] ([bedrijf 11]) en [W] en [X] en [Y] en [Z] en [BB] ([bedrijf 13]) en [S] en [U] ([bedrijf 14]) en [EE] en [GG] ([bedrijf 12]) opgevoerd die niet (volledig) de status van arbeidsgehandicapte (zogenaamde agh-status) in het/de betreffende premieja(a)r(en) hadden en/of niet in dienst waren bij genoemde werkgevers in het/de betreffende premieja(a)r(en), met het oogmerk om voormelde aanvraagformulieren als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 5] (hierna te noemen de BV’s) meermalen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 december 2006 in Nederland telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep het UWV hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag,

hebbende die BV's toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en in strijd met de waarheid een aanvraagfomulier met (een) bijbehorende lijst(en) met namen en sofinummers tot terugbetaling van door een werkgever betaalde WAO-premie(s) (zogenaamde aanvraag korting/vrijstelling op de basispremie WAO), te weten:

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 6] betaalde WAO-premies over de jaren 1998 (werknemers [A] en [B] en [C]) en 1999 (werknemers [A] en [B] en [C]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 7] betaalde WAO-premies over de jaren 2000 (werknemers [D] en [E] en [F] en [G] en [H]) en 2001 (werknemers [D] en [E] en [F]) en

- een aanvraagformulier met een bijbehorende lijst met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 8] betaalde WAO-premie over het jaar 2000 (werknemers [J] en [K] en [L]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 9] betaalde WAO-premies over de jaren 1998 (werknemers [M] en [N] en [O] en [P] en [R]) en 1999 (werknemers [M] en [N] en [O] en [P] en [Q] en [R]) en

- aanvraagformulieren met een bijbehorende lijst met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 14] betaalde WAO-premies over de jaren 2000 (werknemers [S] en [U]) en 2001 (werknemers [S] en [U]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 10] betaalde WAO-premies over de jaren 1998 (werknemers [X] en [Y]) en 1999 (werknemers [W] en [X] en [Y] en [Z]) en/of 2000 (werknemers [X] en [Y]) en/of 2001 (werknemers [X] en [Y] en [BB]) en

- een aanvraagformulier met bijbehorende lijsten met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 11] betaalde WAO-premies over de jaren 2000 (werknemers [CC] en [DD]) en 2001 (werknemers [CC] en [DD]) en

- een aanvraagformulier met een bijbehorende lijst met namen en sofinummers tot terugbetaling van door [bedrijf 12] betaalde WAO-premie over het jaar 1999 (werknemer [GG]),

ingediend en/of laten indienen waarop de namen waren vermeld van de volgende werknemers [A] en [B] en [C] ([bedrijf 6]) en [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [J] en [K] en [L] ([bedrijf 7] en [bedrijf 8]) en [M] en [N] en [O] en [P] en [Q] en [R] ([bedrijf 9]) en [CC] en [DD] ([bedrijf 11]) en [W] en [X] en [Y] en [Z] en [BB] ([bedrijf 10]) en [S] en [U] ([bedrijf 14]) en [GG] ([bedrijf 12]), terwijl genoemde werknemers niet (volledig) de status van arbeidsgehandicapte (zogenaamde agh-status) in het/de betreffende premieja(a)r(en) hadden, waardoor het UWV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij meermalen in de periode van 15 december 2006 tot en met 31 december 2006 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk en/of in een deel daarvan, namelijk in geautomatiseerde systemen van UWV, deel uitmakend van het geautomatiseerde netwerk van UWV,

immers hebben hij, verdachte, en zijn medeverdachte zich met niet voor hen bestemde accountnamen of inlognamen (te weten van [getuige 1] en [getuige 3]) en met niet voor hen bestemde wachtwoorden, toegang verschaft tot het voor [getuige 1] en/of [getuige 3] voornoemd gereserveerde deel van het geautomatiseerde netwerk van UWV, met behulp van een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid,

en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte vervolgens gegevens, te weten namen en/of sofinummers en/of aansluitnummers en/of arbeidsgehandicaptenstatussen van werknemers en/of van werkgevers van verschillende bedrijven (te weten [bedrijf 7/8] en [bedrijf 11] en [bedrijf 12]), die waren opgeslagen en verwerkt door middel van het geautomatiseerde werk, waarin hij, verdachte, en zijn medeverdachte zich wederrechtelijk bevonden, overgenomen en/of gewijzigd en/of verwerkt en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte (vervolgens) gegevens in die geautomatiseerde systemen ingevoerd en/of geaccordeerd;

4.

hij meermalen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 08 mei 2007, te Eindhoven en/of Bunde, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen telkens opzettelijk een brief, al dan niet op briefpapier van UWV, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid die brieven geschreven in naam van [getuige 3] en/of op die brieven de paraaf van die [getuige 3] geplaatst, met het oogmerk om voormelde brieven als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

5.

hij op 20 januari 2007 te Gemert telkens opzettelijk een ambtenaar, te weten [getuige 3] in haar hoedanigheid van teamleider Polis en Premie van het UWV en [getuige 4] in haar hoedanigheid van assistent-polisbeheerder van de afdeling Polis en Premie van het UWV, een gift heeft gedaan naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaren in hun (vroegere) bediening, in strijd met hun plicht, is gedaan of nagelaten, hebbende hij, verdachte, die [getuige 3] en [getuige 4] voornoemd in voormelde periode de volgende giften gedaan:

- aan [getuige 3] op 20 januari 2007 een bedrag groot 7.821,52 euro;

- aan [getuige 4] op 20 januari 2007 een bedrag groot 10.805,09 euro,

zijnde die giften gedaan naar aanleiding van het aan verdachte verschaffen van de toegang tot het gebouw van UWV te Eindhoven en/of het verrichten van diverse werkzaamheden ten behoeve van verdachte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. primair bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd.

Het onder 4. primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 5. bewezen verklaarde levert op:

Een ambtenaar een gift doen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Y.1

Op grond van de argumenten die ten grondslag lagen aan het ontvankelijkheidsverweer, zoals weergegeven onder F., heeft de verdediging betoogd dat strafvermindering dient te volgen. Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als gehanteerd bij de verwerping van deze onderdelen van het ontvankelijkheidsverweer.

Y.2

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich – kort weergegeven – heeft schuldig gemaakt aan:

- het feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon meermalen plegen van valsheid in geschrift;

- het feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon meermalen plegen van oplichting;

- het samen met een ander meermalen plegen van computervredebreuk;

- het samen met een ander of anderen meermalen plegen van valsheid in geschrift;

- het doen van een gift aan een tweetal ambtenaren naar aanleiding van hetgeen door deze ambtenaren in hun vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen.

De verdediging heeft op gronden als in de pleitnota verwoord betoogd dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd althans dat volstaan zal worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat, al dan niet in combinatie met een taakstraf, een geldboete of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof merkt in dat verband op dat het kennis heeft genomen van de onderdelen van de pleitnota die door de verdediging niet uitdrukkelijk zijn voorgedragen, doch wel aan het hof zijn overgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte zich gedurende langere tijd met de onder 1. en 2. bewezen verklaarde strafbare feiten heeft beziggehouden;

- de omstandigheid dat verdachte bij het plegen van het onder 1. en 2. bewezen verklaarde misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden zoals die bestonden binnen de afdeling van het UWV te Eindhoven, waarvan hij op de hoogte was, en het vertrouwen dat in hem als oud-medewerker van het UWV werd gesteld;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde onder 1. en 4. het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van de onderhavige geschriften mag worden gesteld, is geschaad;

- de mate waarin het onder 2. bewezen verklaarde tot financiële schade heeft geleid voor de gedupeerde;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

- de omstandigheid dat de verdachte de belangen van de premieplichtigen in Nederland, ten laste van wie de door het onder 2. bewezen verklaarde bewerkstelligde onterechte afgiften komen, kennelijk ondergeschikt heeft geacht aan de behoefte aan eigen financieel gewin;

- de omstandigheid dat verdachte bij het plegen van de feiten geraffineerd te werk is gegaan, zoals onder meer blijkt uit de omstandigheid dat hij zich in verband met het onder 1. en 2. bewezen verklaarde schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk en omkoping;

- de omstandigheid dat verdachte de spil is geweest bij het plegen van de bewezen verklaarde feiten en anderen gecorrumpeerd heeft;

- de omstandigheid dat door het onder 5. bewezen verklaarde de geregelde werking van overheidsorganen wordt belemmerd;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde handelen van verdachte het vertrouwen dat in overheidsorganen wordt gesteld, is geschaad;

- de omstandigheid dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte heeft geleid tot een verstoring van de markt van intermediairs op het gebied van de sociale zekerheidswetgeving;

- de omstandigheid dat de verdachte er geen enkele blijk van heeft gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

21 september 2011, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Reeds daarom kan niet worden volstaan met straffen als door de verdediging bepleit.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet daarop kan niet worden volstaan met een straf als opgelegd door de eerste rechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 51, 57, 138a, 177, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair, 2., 3., 4. primair en 5. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair, 2., 3., 4. primair en 5. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 22 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.