Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5157

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
11/00020
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

B was werkzaam bij de Belastingdienst en is veroordeeld voor het oplichten van de Belastingdienst. Hij verminderde opgelegde aanslagen waardoor de betreffende belastingplichtigen ten onrechte bedragen van de Belastingdienst hebben ontvangen. Eén van die personen is belanghebbende. Hij heeft aldus ongeveer € 21.000 ontvangen. Ingevolge een afspraak met B heeft hij de helft van het terugontvangen bedrag via een tussenpersoon aan B doen toekomen. In geschil is of de navorderingsaanslag, opgelegd ter correctie van de vermindering, terecht is opgelegd. Het hof laat in het midden of de inspecteur over een navordering rechtvaardigend nieuw feit beschikte. Het hof oordeelt dat er sprake was van een discrepantie tussen de wil van de inspecteur en de vastlegging daarvan in de aanslag, zoals deze luidt na vermindering (vgl. HR 8-8-03, nr. 37 570, NTFR 2003/1399). Niet gezegd kan worden dat voor de frauduleuze werkwijze van B was gekozen binnen de Belastingdienst dan wel dat de inspecteur de gevolgen van deze frauduleuze werkwijze op enigerlei wijze voor zijn rekening heeft willen nemen. Beslissend is dan nog slechts of het belanghebbende kenbaar was dat er een fout was gemaakt. Dat leidt volgens het hof geen twijfel. Navordering is dan toegestaan. Ten overvloede oordeelt het hof dat belanghebbende ter zake van de vermindering te kwader trouw was, zodat de inspecteur ook op die grond navorderingsbevoegd is.

(Hoger beroep ongegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2822
V-N 2012/2.6 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2920
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00020

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 december 2010, nummer 09/4215, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor Y,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.H.27 over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een bedrag van € 4.616. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 14 september 2009 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende in (de door het Hof als zodanig genummerde) zaak 11/00020 een griffierecht geheven van € 41. In de met deze zaak samenhangende zaken 11/00021, 11/00022 en 11/00023 heeft de griffier van de Rechtbank geen griffierecht geheven.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. In de met deze zaak samenhangende zaken 11/00021, 11/00022 en 11/00023 heeft de griffier geen griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 14 juli 2011 te 's-Hertogenbosch. Te dezer zitting zijn - met instemming van partijen - de zaken 11/00020 tot en met 11/00023 van belanghebbende en de zaken 11/00024 tot en met 11/00027 van mevrouw A gevoegd behandeld. Ter zitting is verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast. Zij zijn tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene gesteld en door de andere niet, dan wel onvoldoende, weersproken.

2.1. Met dagtekening 4 september 2003 is aan belanghebbende over het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag geen bezwaar gemaakt.

2.2. Met dagtekening 6 juli 2007 is de voornoemde aanslag in de vorm van een uitspraak op bezwaar verminderd met een bedrag vans € 3.838 (hierna: de vermindering). De aanslagen over de jaren 1999 tot en met 2005 zijn in de periode van mei tot en met september 2007 op soortgelijke wijze verminderd. Het dientengevolge in totaal door belanghebbende ontvangen belasting- en premiebedrag bedraagt ongeveer € 21.000.

2.3. Met dagtekening 28 december 2007 is de onderhavige navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd ter correctie van de vermindering.

2.4. Het Hof neemt voorts de volgende, door de Rechtbank vastgestelde feiten over, nu die in hoger beroep niet zijn bestreden.

"2.6. Door de FIOD-ECD is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen B, een medewerker bij de Belastingdienst, inzake het plegen van valsheid in geschrifte en het oplichten van de Belastingdienst. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat B met betrekking tot bepaalde belastingplichtigen onjuiste gegevens in het systeem van de Belastingdienst/kantoor Y (IBS) heeft ingevoerd, waardoor belastingplichtigen ten onrechte bedragen van de Belastingdienst hebben ontvangen. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek heeft de rechtbank Maastricht wettig en overtuigend bewezen verklaard dat B meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd en de Belastingdienst heeft opgelicht. Het vonnis van de rechtbank Maastricht is door de inspecteur bij de stukken van het geding gevoegd. Eén van de betrokkenen bij wie B in het systeem van de Belastingdienst onjuiste gegevens heeft ingevoerd, is belanghebbende.

2.7. Op 20 december 2007 heeft een hoorgesprek tussen de inspecteur en belanghebbende plaatsgevonden. In dit gesprek gaf belanghebbende aan dat hij niet wist waarom hij bedragen van de inspecteur heeft teruggekregen en dat hij geen bezwaarschriften heeft ingediend.

2.8. Op 28 februari 2008 heeft een hoorgesprek met belanghebbende onder bijstand van zijn advocaat-belastingkundige C plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft belanghebbende verklaard dat hij geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslagen. Tevens verklaarde hij dat hij van zijn tante, mevrouw D, had vernomen dat mevrouw D iemand bij de Belastingdienst kende die er voor kon zorgen dat "je geld terug kreeg". Hiervoor diende wel de helft van de terugontvangen bedragen aan deze persoon te worden betaald. Belanghebbende wist niet wie die persoon was. De betalingen zouden volgens afspraak via mevrouw D aan de betreffende persoon verricht worden. Belanghebbende behoefde hiervoor alleen zijn fiscaal nummer te verstrekken aan mevrouw D."

2.5. Ten slotte stelt het Hof de volgende feiten vast. Belanghebbende is verwant (neef/aangetrouwd) aan mevrouw D. Mevrouw D voorzag de heer B van het sofinummer (thans: burgerservicenummer) van (onder meer) belanghebbende. De heer B verzorgde de hiervóór in onderdeel 2.2. genoemde verminderingen volgens de hierna in 2.6 omschreven werkwijze. Overeenkomstig de door tussenkomst van mevrouw D tussen belanghebbende en de heer B gemaakte afspraak, diende belanghebbende de helft van de aan hem ten gevolge van die verminderingen betaalde belasting- en premiebedragen aan de heer B te betalen. Deze betaling vond plaats door tussenkomst van mevrouw D.

2.6 De heer B ging als volgt te werk. Hij was onbevoegd om in te loggen op het systeem van de Belastingdienst. Hij keek over de schouders van een bevoegde collega mee wanneer die collega inlogde. Vervolgens logde de heer B met de inloggegevens van de bedoelde collega in en voerde hij gegevens in ter vermindering van opgelegde (primitieve) aanslagen. Hij zorgde ervoor dat de bedragen van de verminderingen zodanig waren dat ze beneden de uitworpcriteria van de systemen van de Belastingdienst bleven.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is de Inspecteur, gezien het bepaalde in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bevoegd tot navordering?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving daarvan.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. De Rechtbank heeft terecht vooropgesteld:

"(...) dat de brief van 6 juli 2007 weliswaar vermeldt dat het een uitspraak op bezwaar betreft, maar dat er feitelijk sprake is van een (ambtshalve) vermindering van de aanslag. Er is immers geen bezwaarschrift op grond waarvan uitspraak gedaan kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de enkele omstandigheid dat er een vermindering is verleend, niet aan navordering in de weg te staan. Ook in dat geval is de aanslag (na vermindering) te laag vastgesteld in de zin van artikel 16, eerste lid, van de AWR."

Het Hof sluit daar voor zoveel nodig bij aan.

4.2. Het Hof laat, evenals de Rechtbank, in het midden of de Inspecteur beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

4.3. Ook zonder het bekend worden van enig nieuw feit is navordering toegestaan ingeval een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd en het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt (vgl. HR 8 augustus 2003, nr. 37.570, LJN AI0921,BNB 2003/345, onderdeel 3.5). De aanwezigheid van zo'n discrepantie kan echter niet worden aanvaard in geval van fouten die het gevolg zijn van een onjuiste gegevensverwerking (door personen of automatiseringssystemen) welke voortvloeit uit een bepaalde werkwijze waarvoor binnen de Belastingdienst of op de eenheid gekozen is. In dat geval moet de inspecteur worden geacht de gevolgen van die werkwijze voor zijn rekening te hebben willen nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de fout een gevolg is van de keuze van de inspecteur of de Belastingdienst voor een onzorgvuldige werkwijze met beperkte controle of het gevolg is van het laten invoeren van gegevens uit de aangifte in het geautomatiseerde systeem door personen met onvoldoende vakkennis en zonder voldoende instructie (zie HR 14 april 2006, nr. 40.958, LJN AT7225, BNB 2006/315).

4.5. Naar het oordeel van het Hof was er sprake van een discrepantie tussen de wil van de Inspecteur en de vastlegging daarvan in de aanslag (zoals die na de vermindering luidt) in de vorenbedoelde zin. Naar 's Hofs oordeel kan niet worden gezegd dat voor de in 2.6 beschreven frauduleuze werkwijze van de heer B was gekozen binnen de Belastingdienst of op de eenheid, dan wel dat de Inspecteur de gevolgen van deze frauduleuze werkwijze van de heer B op enigerlei wijze voor zijn rekening heeft willen nemen.

Beslissend is dan volgens de Hoge Raad nog slechts of het belanghebbende kenbaar was dat er een fout was gemaakt. Naar het oordeel van het Hof leidt dat geen twijfel.

4.6. Belanghebbende ontving in vrij korte tijd in totaal ongeveer € 21.000 aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen door de enkele verstrekking van zijn sofinummer aan mevrouw D die dat sofinummer, naar belanghebbende wist, op haar beurt doorgaf aan een medewerker van de belastingdienst. Belanghebbende heeft, overeenkomstig de door hem gemaakte afspraak, de helft van de teruggave afgestaan aan mevrouw D, die voor betaling aan die medewerker zorgde. Belanghebbende wist dat zij de contacten met die medewerker onderhield en dat zij hem betaalde voor de door hem bewezen 'fiscale' diensten. Naar 's Hofs oordeel weet een redelijk denkend mens, ook zonder fiscale deskundigheid, dat deze gang van zaken zozeer ongebruikelijk is dat op het uitbetaalde geen wettelijk recht bestaat. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende geen redelijk denkend mens is.

4.7. Op grond van het vorenoverwogene is navordering mogelijk en dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

4.8. Ten overvloede is het Hof van oordeel dat belanghebbende ter zake van de vermindering te kwader trouw was, zodat de Inspecteur ook op die grond navorderingsbevoegd is. Gelet op het in 4.6 hiervóór overwogene, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende wist dat de afgifte van zijn sofinummer aan mevrouw D ertoe zou leiden dat zijn aanslag zou worden verminderd naar een onjuist bedrag. Het Hof acht in het licht van de aldaar vermelde feiten en gezien belanghebbendes wetenschap tevens aannemelijk dat belanghebbendes wil erop was gericht dat afgifte van zijn sofinummer zou leiden tot die onjuiste vermindering. Derhalve was belanghebbende ter zake van die vermindering te kwader trouw.

4.9. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur. Het hoger beroep is ongegrond. De navorderingsaanslagen blijven volledig in stand.

4.10. Het Hof is gezien het voorgaande van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 16 september 2011 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van

K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.