Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU4196

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
20-003277-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2008:BE9649, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ1439, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1439
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 247 Sr.: Ontucht met minderjarigen. Hof veroordeelt verdachte voor een geringer aantal gevallen van ontucht met minderjarigen dan door de rechtbank bewezen is verklaard tot een gevangenisstraf van 27 maanden met last tot tbs met dwangverpleging.

Het hof gaat onder meer in op verweren omtrent fair trial, ondervragingsrecht, betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de noodzaak van tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003277-08

Uitspraak : 12 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van

2 september 2008 in de strafzaak met parketnummer 04-860582-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

waarbij de verdachte werd vrijgesproken van de hem onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten en ter zake – kort gezegd –:

- feit 1 primair: verkrachting, meermalen gepleegd;

- feit 3: ontucht met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren, meermalen gepleegd;

- feit 4 primair: seksueel binnendringen van het lichaam van iemand beneden twaalf jaar, meermalen gepleegd;

- feit 6 primair: ontucht met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, en waarbij de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd opgelegd.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is blijkens de akte van partiële intrekking van het hoger beroep d.d. 18 februari 2009 niet gericht tegen de vrijspraken van hetgeen aan verdachte op de inleidende dagvaarding onder de feiten 2 en 5 is ten laste gelegd.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hoger beroep van de verdachte evenmin betrekking op de hiervoor genoemde feiten.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 3, feit 4 primair en feit 6 primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Door de verdediging is primair verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, subsidiair om de verdachte vrij te spreken van alle hem ten laste gelegde feiten en meer subsidiair om de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken en de vordering tot ter beschikking stelling met dwangverpleging af te wijzen, in ieder geval hooguit een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 april 2005 in de gemeente Venlo, meermalen, althans eenmaal, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [minderjarige 1], geboren op

[1996], heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de anus van genoemde [minderjarige] geduwd, althans gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte genoemde [minderjarige] op een bed heeft gegooid, althans geduwd en vervolgens op genoemde [minderjarige] is gaan liggen;

(subsidiair) althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 april 2005 in de gemeente Venlo, meermalen, althans eenmaal, met [minderjarige 1], geboren op [1996], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van genoemde [minderjarige], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de anus van genoemde [minderjarige] geduwd, althans gebracht;

(meer subsidiair) althans, indien terzake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 april 2005 in de gemeente Venlo, meermalen, althans eenmaal, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [minderjarige 1], geboren op

8 oktober 1996, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), (telkens) bestaande uit het duwen van zijn, verdachtes, penis tussen de billen, althans tegen het lichaam van genoemde [minderjarige] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) in het duwen, althans gooien, van genoemde [minderjarige] op een bed en vervolgens op genoemde [minderjarige] gaan liggen;

(meest subsidiair) althans, indien terzake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 april 2005 in de gemeente Venlo, meermalen, althans eenmaal, met [minderjarige 1], geboren op [1996], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het ontuchtig duwen van de penis van hem, verdachte, tussen de billen althans tegen het lichaam van genoemde [minderjarige];

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 april 2005 in de gemeente Venlo, meermalen, althans eenmaal, met [minderjarige 2], geboren op [1993], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het ontuchtig likken langs, althans over de vagina van genoemde [minderjarige] en/of het strelen over, althans betasten van de borsten van genoemde [minderjarige];

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 22 mei 2006 in de gemeente Doetinchem, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1], geboren op [1996], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens) (een) vinger(s) van hem, verdachte, geduwd, althans gebracht in de vagina van genoemde [slachtoffer 1];

(subsidiair) althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 22 mei 2006 in de gemeente Doetinchem, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1], geboren op [1996], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het ontuchtig betasten van, althans strelen over de schaamstreek van genoemde [slachtoffer 1];

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2005 tot en met 21 november 2005, in elk geval in het jaar 2005, in de gemeente Venlo meermalen, althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [1997], bestaande die ontucht (telkens) uit het met zijn, verdachtes, hand(en) vastpakken van en/of betasten van en/of wrijven over en/of knijpen in de borsten van genoemde [slachtoffer 2];

(subsidiair) althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2005 tot en met 21 november 2005, in elk geval in het jaar 2005, in de gemeente Venlo meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 2], geboren op [1997], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handeling(en) (telkens) uit het met zijn, verdachtes, hand(en) vastpakken van en/of betasten van en/of wrijven over en/of knijpen in de borsten van genoemde [slachtoffer 2].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1. Door de verdediging is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat onherstelbare vormfouten zijn gemaakt die, afzonderlijk en tezamen bezien, op onaanvaardbare wijze de rechten van de verdachte hebben geschaad. Er is doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de rechten van verdachte inbreuk gemaakt op zijn recht op een eerlijk proces. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman het navolgende aangevoerd.

- Er is gehandeld in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: de Aanwijzing). Niet duidelijk is of de zedenaanspreekofficier is geconsulteerd. Voorts is voorafgaand aan de verhoren met betrokkenen kennelijk over de verdachte en inhoudelijk over de zaak gesproken.

- Het openbaar ministerie blokkeert en frustreert iedere vorm van toetsing van het cruciale bewijs. Zo bestond geen noodzaak om de kinderen in een verhoorstudio te horen en is niet aangetoond dat het op enig moment horen door de verdediging van de vermeende slachtoffers hen schade zou hebben kunnen toebrengen. Het openbaar ministerie heeft zich steeds verzet tegen het verzoek van de verdediging de kinderen te kunnen horen. Daardoor is geen sprake van ‘fair play’ van de zijde van het openbaar ministerie.

- Tijdens de verhoren van de verdachte zijn onherstelbare fouten gemaakt en is gehandeld in strijd met het pressieverbod. De verdachte is door de verhorende verbalisanten onder onaanvaardbare druk gezet: ondanks dat verdachte herhaalde malen heeft gezegd zich op zijn zwijgrecht te beroepen, de feiten heeft ontkend en heeft aangegeven te willen stoppen met het verhoor, is men verder gegaan met het verhoor. Ook is de verdachte door de verhorende verbalisanten op het verkeerde been gezet en zijn hem ongeoorloofde vragen gesteld. Zo hebben de verbalisanten de verdachte meegedeeld dat hij werd verdacht van misbruik van andere meisjes dan [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2], terwijl dat feitelijk onjuist was. Ook de mededeling van de verbalisanten aan de verdachte dat het eind 2005 over deze kinderen ging is aantoonbaar onjuist, omdat de verdenking in 2005 betrekking had op twee andere meisjes. Met de vraag aan de verdachte wat hij dacht dat [minderjarige 4] in Eindhoven kan gaan verklaren hebben de verbalisanten hem blijkbaar uit zijn evenwicht willen brengen. Bovendien hebben de verbalisanten aan de verdachte foto’s van minderjarigen getoond die volgens de verdachte niet afkomstig zijn van zijn computer. Niet valt uit te sluiten dat de verbalisanten zo maar wat aan de verdachte hebben voorgehouden in de hoop dat hij zou gaan verklaren.

- De vermeende slachtoffers zijn niet medisch onderzocht. Het openbaar ministerie heeft zijn vervolgingsrecht verspeeld door zonder deugdelijke onderbouwing de verdachte aan te houden en te beschuldigen van zeer ernstige feiten.

2. Het hof overweegt het volgende.

2.1 Bij de beoordeling van het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie moet het volgende worden vooropgesteld.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

2.2.1 Zo er al vanuit wordt gegaan dat de zedenaanspreekofficier niet is geconsulteerd, valt bij gebreke van een nadere toelichting door de verdediging niet in te zien waarom deze omstandigheid zou moeten leiden tot de gevolgtrekking dat het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is geschonden.

2.2.2 De Aanwijzing bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik in het algemeen en in afhankelijkheidsrelaties en regels voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten. Volgens de Aanwijzing is het, gezien de complexiteit van misbruik in afhankelijkheidsrelaties, wenselijk de aanloop tot een aangifte te omschrijven aan de hand van onderwerpen die aan de orde moeten komen in het informatieve gesprek. Bij het informatieve gesprek moet de betrokkene zo goed als mogelijk de kans krijgen het gehele verhaal te vertellen en worden de consequenties van het doen van aangifte besproken. In bijlage 1 van de Aanwijzing wordt vermeld wat in het informatief gesprek aan de orde moet komen, zoals wat er (globaal) is gebeurd, hoe dat bekend is geworden, waar en wanneer het is gebeurd en wie de verdachte is.

Door de verdediging is niet dan wel niet voldoende geconcretiseerd op welk(e) onderde(e)l(en) de Aanwijzing niet is nageleefd en waarom dit zou moeten leiden tot de gevolgtrekking dat het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is geschonden.

2.3 Niet valt in te zien dat door het horen in een verhoorstudio de rechten van de verdediging tot toetsing van de verklaring worden gefrustreerd en geblokkeerd. Van de studioverhoren zijn audiovisuele opnamen gemaakt waarvan de verdediging kennis heeft kunnen nemen. Wel is het zo dat de verdediging niet op enig moment de gelegenheid heeft gehad te kinderen vragen te (doen) stellen. De politie en het openbaar ministerie zijn echter niet zonder meer gehouden de verdediging die mogelijkheid te geven. De Aanwijzing verwoordt dit als volgt: ‘In beginsel heeft verdachte recht op het horen van getuige(n) (onder wie ook het slachtoffer). Er moet echter altijd een belangenafweging worden gemaakt tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de veiligheid en gezondheid van het slachtoffer en het recht van de verdachte om het slachtoffer te (doen) ondervragen (…)’.

Door het openbaar ministerie is gedurende de procedure het standpunt ingenomen dat de belangen van de kinderen prevaleren. Dat daarvoor moet zijn aangetoond dat het horen van de kinderen hen schade zou kunnen toebrengen, is in dit kader een te zware eis. Dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak deze belangenafweging heeft gemaakt brengt niet mee dat daarmee het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met een eerlijk proces.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de processen-verbaal, inhoudende de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd. Uit geen van die processen-verbaal komt naar voren dat door de verhorende verbalisanten zou zijn gehandeld in strijd met het zogenaamde pressieverbod, ook niet indien daarbij in aanmerking wordt genomen de zwakbegaafdheid van verdachte. Ook overigens is van een handelen in strijd met het pressieverbod niet gebleken. Het hof merkt daarbij nog op dat de enkele omstandigheid dat een verdachte herhaalde malen zegt zich op zijn zwijgrecht te beroepen, de feiten ontkent en zegt te willen stoppen, nog niet meebrengt dat de verhorende ambtenaar is gehouden het verhoor te beëindigen. De verhorende ambtenaar mag desondanks de verdachte confronteren met getuigenverklaringen of ander bewijsmateriaal.

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat verdachte door de verhorende verbalisanten op het verkeerde been is gezet overweegt het hof dat aan het doen van dergelijke mededelingen, voor zover deze al onjuist zijn geweest (verdachte is op 4 juli 2007 ook gehoord over seksueel misbruik van [minderjarige 4]) door het hof niet de gevolgtrekking wordt verbonden dat de verbalisanten de rechten van de verdachte op onaanvaardbare wijze hebben geschonden. Deze gevolgtrekking verbindt het hof evenmin aan de door de verbalisant aan de verdachte gestelde vraag wat hij denkt wat [minderjarige 4] in Eindhoven kan gaan verklaren, noch aan de omstandigheid dat aan de verdachte foto’s zijn getoond zonder dat daarbij uitsluitsel zou zijn gegeven over de herkomst. De enkele door de verdediging geopperde suggestie dat niet valt uit te sluiten dat ‘zo maar’ wat aan de verdachte is voorgehouden in de hoop dat hij gaat praten, is onvoldoende om daaruit te concluderen dat de rechten van de verdachte op onaanvaardbare wijze zijn geschonden.

2.5 Nog daargelaten dat uit het dossier blijkt dat een aantal kinderen wel degelijk medisch is onderzocht, betekent het ontbreken van een medisch onderzoek niet dat een deugdelijke onderbouwing van de verdenking terzake seksueel misbruik ontbreekt. Het dossier bevat voldoende aanwijzingen om tot aanhouding van de verdachte en vervolging ter zake van seksueel misbruik over te gaan.

2.6 Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Het hof heeft ook overigens geen aanwijzingen gevonden dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Vrijspraak van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, nu naast de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals vastgelegd in de studioverhoren van deze kinderen, als steunbewijs gebruik gemaakt kan worden van de verklaring van verdachte dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem hebben ingewoond en dat hij op hen gepast heeft. Bovendien hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over en weer verklaard over het misbruik van de ander door verdachte.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben op respectievelijk 17 januari 2006 en 22 juni 2006 verklaringen afgelegd tijdens studioverhoren op het politiebureau in Eindhoven met betrekking tot ontuchtige handelingen gepleegd door verdachte.

De verdediging heeft niet de gelegenheid gehad [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vragen te (doen) stellen.

De verklaringen zijn grotendeels betrouwbaar, respectievelijk gedeeltelijk verminderd betrouwbaar bevonden door de deskundige Prof. dr. J. Frenken.

Anders dan de advocaat-generaal stelt en mede gelet op de bevindingen van Frenken, bevestigen deze verklaringen elkaar over en weer niet ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. De verklaringen kunnen derhalve niet als steunbewijs dienen.

De aangiftes en de getuigenverklaringen over het misbruik zijn feitelijk afkomstig uit dezelfde bron, te weten de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Verdachte heeft verklaard dat het gezin, waartoe deze kinderen behoorden, bij hem inwoonde, doch heeft de ten laste gelegde handelingen ontkend.

Alles afwegend is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak voor de verklaringen van de kinderen niet in voldoende mate steun te vinden in andere bewijsmiddelen. Het hof zal de verdachte van deze feiten vrijspreken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Vrijspraak voor de onder feit 4 primair en 6 primair ten laste gelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de ontuchtige handelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 4 primair) gepaard zijn gegaan met binnendringing van het lichaam van [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 2] op het moment dat de ontucht plaatsvond aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd (feit 6 primair). Verdachte zal voor die feiten worden vrijgesproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 4 subsidiair en feit 6 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 4 subsidiair:

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 22 mei 2006 in de gemeente Doetinchem, meermalen, met [slachtoffer 1], geboren op [1996], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande in het ontuchtig betasten van de schaamstreek van genoemde [slachtoffer 1];

feit 6 subsidiair:

hij in de periode van 1 april 2005 tot en met 21 november 2005 in de gemeente Venlo met [slachtoffer 2], geboren op [1997], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het met zijn, verdachtes, hand(en) betasten van of wrijven over of knijpen in de borsten van genoemde [slachtoffer 2].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte met betrekking tot deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I. Verklaringen van de verdachte.

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs nu de verdachte iedere mogelijkheid tot rechtsbijstand voorafgaand en tijdens het verhoor is onthouden. Bovendien is de verdachte zwakbegaafd. Zijn beperking is van invloed op zijn verklaringen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd voordat wegens de gewijzigde samenstelling van het hof de behandeling van de zaak opnieuw is aangevangen, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Het hof overweegt het volgende.

Ter terechtzitting van het hof van 3 februari 2010 en 27 oktober 2010 heeft de verdachte verklaringen afgelegd over de ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting van 1 maart 2011 is door de voorzitter meegedeeld dat het hof de zaak niet in dezelfde samenstelling verder kan behandelen. Bij brief van 10 maart 2011, gericht aan de strafgriffie van het hof, heeft de raadsman te kennen gegeven niet in te stemmen met hervatting van het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Op de terechtzitting van

18 maart 2011 is het onderzoek opnieuw aangevangen. Ter terechtzitting van 22 juni 2011 is de korte inhoud meegedeeld van de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waaronder de verklaringen van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof. De raadsman heeft meegedeeld dat de stukken voldoende zijn voorgehouden.

De omstandigheid dat het onderzoek opnieuw is aangevangen staat er niet aan in de weg dat het hof de processen-verbaal van de terechtzittingen inhoudende de toen door de verdachte afgelegde verklaringen, voor het bewijs gebruikt (HR 16 december 1997, NJ 1998, 387).

Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt maakt het hof slechts gebruik van de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof inhoudende de toen door de verdachte afgelegde verklaring. De verdachte werd bijgestaan door zijn raadsman.

De enkele omstandigheid dat de verdachte zwakbegaafd is, leidt nog niet tot de gevolgtrekking dat dit aan het gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs in de weg staat. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de verdachte voor zover deze zijn gebruikt voor het bewijs.

Nu het hof geen gebruik maakt van de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd, behoeven de verweren voor het overige geen bespreking.

II. Het verzoek tot het horen van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en van [moeder van slachtoffer 1] als getuige.

IIa. Het verzoek tot het horen van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als getuige.

1. De raadsman heeft verzocht de genoemde personen als getuige te horen (naar het hof begrijpt mede over de mogelijkheid dat sprake kan zijn geweest van een zogenaamd ‘borrowed scenario’). De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het recht op een eerlijk proces meebrengt dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen de verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen. De raadsman heeft voorts de conclusie van de deskundigen om de kinderen niet te horen, betwist.

2. Het oordeel van het hof.

2.1 Het hof heeft ter terechtzitting van 4 maart 2009 beslist dat, alvorens een beslissing te nemen op dit verzoek, het hof zich wenst te voorzien van een deskundig oordeel over de vraag of al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van genoemde personen door het afleggen van een verklaring ter zitting of bij de raadsheer-commissaris of rechter-commissaris (eventueel door middel van een studioverhoor) in gevaar wordt gebracht.

De deskundige Prof. dr. W.H.G. Wolters, klinisch psycholoog-psychotherapeut, heeft bij brief van 15 juli 2009 gerapporteerd.

Ter terechtzitting van 12 maart 2010 heeft het hof bepaald dat het hof zich door een tweede deskundige voorgelicht wenst te zien over de vraag of en in hoeverre de gezondheid en/of het welzijn van genoemde personen door het als getuige afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak in gevaar wordt gebracht. Het hof heeft daarbij bepaald dat de deskundige zijn visie voor ieder van de genoemde personen afzonderlijk dient te geven, als verhoor niet mogelijk is voor ieder van de genoemde personen afzonderlijk gemotiveerd dient aan te geven waarom verhoor niet mogelijk is en als verhoor wel mogelijk is voor ieder van de genoemde personen afzonderlijk dient aan te geven of daarvoor beperkende voorwaarden hebben te gelden, uitgaande van de verhoormogelijkheden in een verhoorstudio, een verhoor bij de rechter-commissaris of een verhoor op de terechtzitting van het hof.

Op 7 oktober 2010 heeft drs. A. Laurijssen-Timmers, psycholoog, na een psychologisch onderzoek, gerapporteerd over voormelde vraag. De deskundige heeft de vraag of genoemde personen ter terechtzitting kunnen worden gehoord, dan wel bij de rechter-commissaris of in het kader van een studioverhoor telkens afzonderlijk bekeken.

Het hof heeft ter terechtzitting van 8 december 2010 beide deskundigen gehoord. Nadat het onderzoek ter terechtzitting van het hof wegens de gewijzigde samenstelling opnieuw was aangevangen, is op de terechtzitting van 22 juni 2011 de korte inhoud meegedeeld van de inhoud van de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waaronder de verklaringen van de deskundigen drs. A. Laurijssen-Timmers en Prof. dr. W.H.G. Wolters.

2.2.1 De verdediging heeft de resultaten van het onderzoek van de deskundigen drs. A. Laurijssen-Timmers en Prof. dr. W.H.G. Wolters betwist. De verdediging heeft daartoe onder meer aangevoerd dat een aantal kinderen op de hoogte was van de reden van het onderzoek en dat mogelijk een ‘strategie’ is ontwikkeld om te voorkomen dat zij gehoord zouden worden. De verdediging vindt het onbegrijpelijk hoe de deskundige een objectief, onafhankelijk en deskundig oordeel heeft kunnen geven indien de kinderen voorbereid waren op het onderzoek en de achterliggende reden. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat Wolters geen deskundigenoordeel kan geven over het al dan niet horen van de kinderen zonder hen gesproken te hebben. Er is sprake van wetenschappelijk onverantwoorde onderzoeken die geen grondslag kunnen bieden voor het afwijzen van het verzoek van de verdediging om de kinderen te horen.

2.2.2 Beide deskundigen hebben naar het oordeel van het hof genoegzaam verslag gedaan van hun ervaringen op hun deskundigheidsgebied en van hun bij het onderzoek gevolgde werkwijze.

Uit de rapporten van de deskundige Laurijssen-Timmers en uit haar verklaring blijkt onder meer dat zij met elk kind afzonderlijk een gesprek heeft gehad en dat testen zijn afgenomen. De informatie van opvoeder, voogd, school, behandelaars en/of hulpverleners is door de deskundige getoetst en bleek congruent te zijn. De deskundige heeft haar advies uitgebreid toegelicht en onderbouwd.

Door de deskundige Wolters is beargumenteerd waarom hij ook zonder een gesprek met alle kinderen tot zijn conclusie is gekomen. Hij heeft daartoe onder meer verklaard dat het bij de kinderen steeds gaat om dezelfde kwetsbare omgeving en dezelfde kwetsbare kinderen met dezelfde psychologische problematiek en dat, gelet op de situatie waarin de kinderen verkeren en op de persoonlijkheid van de kinderen, een nieuw verhoor zal leiden tot gevaar voor benadeling van hun gezondheid en welzijn en dat dit gevaar zo groot is dat een dergelijk verhoor niet mag plaatsvinden.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van drs. A. Laurijssen-Timmers en Prof. dr. W.H.G. Wolters, aan de door hen gevolgde werkwijze en aan hun beoordeling en advies. Het hof merkt daarbij op dat de omstandigheid dat een aantal kinderen op de hoogte was van de reden van het onderzoek niet betekent dat geen objectief en onafhankelijk deskundig oordeel mogelijk is over de vraag of de gezondheid of het welzijn van de kinderen in de weg staat aan een verhoor. De door de raadsman opgeworpen suggestie dat mogelijk in overleg met de ouders en BJZ een ‘strategie’ is ontwikkeld om te bewerkstelligen dat wordt geadviseerd de kinderen niet te horen en dat de deskundigen derhalve een onjuist beeld hebben gekregen, is door de verdediging niet met steekhoudende argumenten onderbouwd.

In hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd (er is niet gebleken van ernstig en relevant afwijkend gedrag) ziet het hof evenmin reden om te twijfelen aan de deskundigheid van beide rapporteurs en de resultaten van hun onderzoek. Het hof merkt daarbij nog op dat het hof de stelling van de verdediging dat de kinderen ‘feitelijk emotieloos “hun” verhaal afdraaien’ niet onderschrijft.

De deskundigen hebben het hof voldoende en adequaat voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de verdediging om de kinderen te horen.

2.3 Het hof heeft ter terechtzitting van 21 september 2011 het verzoek van de verdediging om [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als getuige te horen gemotiveerd afgewezen omdat, gelet op de inhoud van de adviezen, het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van genoemde personen door het afleggen van een verklaring, al dan niet ter terechtzitting of al dan niet in een verhoorstudio, in gevaar wordt gebracht en, gezien de aan de adviezen ten grondslag liggende overwegingen, bij afweging van de belangen van genoemde personen tegen het belang van de verdachte hen als getuige te kunnen horen, het voorkomen van dit gevaar in casu zwaarder weegt dan het belang om die personen als getuige te kunnen ondervragen.

Het hof ziet geen aanleiding om deze beslissing te herzien. Het hof merkt daarbij nog op dat alleen al op grond van de bevindingen van A. Laurijssen-Timmers het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de genoemde personen door het afleggen van een verklaring, al dan niet ter terechtzitting of al dan niet in een verhoorstudio, in gevaar wordt gebracht en dat bij afweging van hun belangen tegen het belang van de verdachte om hen als getuige te kunnen horen, het voorkomen van dit gevaar in casu zwaarder weegt dan het belang om de genoemde personen als getuige te kunnen ondervragen.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging om de kinderen te horen op de hiervoor genoemde gronden af.

IIb. Het verzoek tot het rechtstreeks horen van [moeder van slachtoffer 1] als getuige.

1. De raadsman heeft verzocht om [moeder van slachtoffer 1] rechtstreeks te kunnen bevragen.

2. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 13 september 2007 op verzoek van de verdediging de zaak verwezen naar de rechter-commissaris teneinde [moeder van slachtoffer 1] als getuige te horen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2007 blijkt dat de rechter-commissaris heeft besloten om, gelet op de persoon van deze getuige, het verhoor in een verhoorstudio te laten plaatsvinden. Ter terechtzitting van 5 december 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om [moeder van slachtoffer 1] in een verhoorstudio te horen. De rechtbank heeft de zaak wederom verwezen naar de rechter-commissaris om de getuige te horen. Uit een brief van J.A. Cleven, griffier bij het kabinet rechter-commissaris d.d. 12 december 2007 aan de raadsman van verdachte, blijkt dat de raadsman in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het verhoor zijn vragen in te dienen. Op 9 januari 2008 heeft een studioverhoor van de getuige plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van het verhoor blijkt dat de raadsman van verdachte bij dit verhoor in de regiekamer aanwezig was, dat tijdens het verhoor is geïnventariseerd of er nog vragen waren en dat er op enig moment is vastgesteld dat er geen vragen meer waren.

3. Het oordeel van het hof.

Hoewel de verdediging de getuige niet rechtstreeks heeft kunnen bevragen, is de verdediging wel in staat gesteld om voorafgaand aan het verhoor vragen in te dienen en in de regiekamer het verhoor te volgen. De verdediging heeft niet aangevoerd in welk opzicht, anders dan dat de verdediging niet rechtstreeks vragen heeft kunnen stellen, aan het ondervragingsrecht is tekort gedaan. Zo is bijvoorbeeld niet aangevoerd dat vragen van de verdediging niet aan de getuige zijn gesteld en, zo er vragen niet zijn gesteld, welke vragen dit geweest zijn en welke relevantie die vragen hadden voor de toetsing van de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de verklaring.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de redenen om de getuige in een verhoorstudio te horen, is de verdediging voldoende de gelegenheid geboden de getuige vragen te doen stellen en de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen.

Ook de omstandigheid dat [moeder van slachtoffer 1] bij het studioverhoor op onderdelen anders heeft verklaard dan bij de politie is voor het hof geen aanleiding om haar alsnog als getuige te (doen) horen. Tijdens het studioverhoor is zij op essentiële onderdelen bij haar eerder bij de politie afgelegde verklaring gebleven. De opmerking van de getuige dat, zoals het hof begrijpt, men haar woorden heeft verdraaid, heeft geen betrekking op het voor het bewijs gebruikte deel van haar verklaring.

Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, een verhoor van de getuige niet noodzakelijk en wijst het daartoe strekkende verzoek van de verdediging af.

III. Gevolgen van het niet (rechtstreeks) kunnen horen van de getuigen.

IIIa. Ten aanzien van de kinderen.

1. Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad de getuigen te ondervragen. Het bekijken van de audiovisuele opnamen van de verhoren en het door Prof. dr. J. Frenken verrichte onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen bieden geen compensatie. De verdediging betwist voorts de resultaten van het door Frenken verrichte onderzoek. Zouden de verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, dan wordt daarmee gehandeld in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM.

2. Het hof heeft de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebruikt voor het bewijs en overweegt dienaangaande het volgende.

2.1 Hoewel de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van de processen-verbaal van de studioverhoren bij de politie, inhoudende hun verklaring, niet in de weg.

Het hof overweegt daartoe dat de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat, anders dan door de verdediging wordt gesteld, geen sprake is van (telkens) één bewijsmiddel uit één en dezelfde bron.

Bovendien is aan de verdediging voldoende compensatie geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging.

Door de deskundige Prof. dr. J. Frenken, psycholoog, em.-hoogleraar Seksuologie aan het Leids Universitair Medisch Centrum en verbonden aan de Rutgers Nisso Groep/Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek te Utrecht, vast gerechtelijk deskundige inzake zedenzaken, is een onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen. De deskundige heeft daarvoor de audiovisuele opnamen van de studioverhoren bekeken en geanalyseerd. De deskundige is in aanwezigheid van de verdediging ter terechtzitting van de rechtbank hierover gehoord. Het hof heeft zowel kennis genomen van het deskundigenrapport als van zijn bij de rechtbank afgelegde verklaring.

Voorts zijn de beelden van de studioverhoren ter terechtzitting van het hof getoond en zijn op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris getuigen gehoord onder meer met betrekking tot de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.

2.2 Ten aanzien van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen overweegt het hof het volgende.

Frenken heeft zijn bij het onderzoek gehanteerde methode, de zogenaamde ‘Statement Validity Assessment’ (SVA), beschreven in par. 2 van het rapport. Bij de beoordeling van de afgelegde verklaringen heeft hij er voorts op gelet of de verklaring werd beïnvloed door aspecten van de interviewsituaties en condities voor onbetrouwbare getuigenissen.

In zijn briefrapport van 24 september 2011 heeft de deskundige verduidelijkt waarom hij heeft gekozen voor de hiervoor genoemde methode en uitgelegd waarom de ‘Criteria Based Content Analysis’ (CBCA), een onderdeel van de SVA, niet als een ‘harde, wetenschappelijk geijkte methode’ kan worden beschouwd. De deskundige heeft daarmee naar het oordeel van het hof genoegzaam verslag gedaan van zijn bij het onderzoek gehanteerde methode en gevolgde werkwijze.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van Prof. dr. J. Frenken, noch aan de door hem gehanteerde methode en gevolgde werkwijze en zijn beoordeling en advies. Ook is er geen aanleiding om te veronderstellen dat, zoals de verdediging stelt, het onderzoeksmateriaal ‘onjuist is verkregen’.

Het hof ziet ook geen aanleiding om zijn eerder genomen beslissing op het verzoek om Prof. dr. J. Frenken te horen en een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen naar de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen te herzien. Het hof acht zich ter zake voldoende voorgelicht.

Het hof acht het horen van de deskundige Frenken en het laten verrichten van een nieuw onderzoek door deskundigen naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen en het horen van die deskundigen dan ook niet noodzakelijk en wijst de daartoe strekkende verzoeken van de verdediging af.

Het hof merkt daarbij nog op dat de omstandigheid dat het hier, zoals Frenken opmerkt, niet om een ‘harde, wetenschappelijk geijkte methode’ gaat, niet betekent dat de toegepaste methode niet valide zou zijn.

2.3 De verdediging heeft voorts verzocht om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] psychologisch en psychiatrisch te laten onderzoeken teneinde een oordeel te kunnen geven over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.

Het hof heeft ter terechtzitting van 21 september 2011 op dit verzoek beslist. Het hof acht zich ter zake voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding om de eerdere beslissing op het verzoek te herzien.

Het hof acht een onderzoek zoals door de verdediging is verzocht dan ook niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

2.4 Gelet op de redenen die ten grondslag liggen aan de beslissing om de kinderen niet te (doen) horen, de omstandigheid dat de verklaringen van de kinderen over de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen en de omstandigheid dat voldoende compensatie is geboden voor het niet kunnen (doen) horen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door de verdediging, is door het niet horen van die kinderen het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM niet geschonden.

Het hof verwerpt het verweer.

IIIb. Ten aanzien van [moeder van slachtoffer 1]

1. Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad de getuige rechtstreeks te ondervragen. Art. 6 EVRM verzet zich tegen het gebruik van de verklaringen voor het bewijs.

2. Het hof heeft de verklaringen van [moeder van slachtoffer 1] gebruikt voor het bewijs en overweegt dienaangaande het volgende.

2.1 Zoals hiervoor is weergegeven is de verdediging genoegzaam in de gelegenheid gesteld de getuige te bevragen en de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen. Dat dit in het kader van een studioverhoor is gebeurd en de verdediging niet rechtstreeks vragen heeft kunnen stellen brengt niet mee dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. Het hof merkt nog op dat door de verdediging niet is aangevoerd dat vragen van de verdediging niet aan de getuige zijn gesteld en, zo er vragen niet zijn gesteld, welke vragen dit geweest zijn en welke relevantie die vragen hadden voor de toetsing van de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de verklaring.

Art. 6 EVRM verzet zich derhalve niet tegen het gebruik van de verklaringen voor het bewijs. Het hof verwerpt het verweer.

2.2 De verdediging heeft verzocht om [moeder van slachtoffer 1] psychologisch en psychiatrisch te laten onderzoeken teneinde een oordeel te kunnen geven over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.

Het hof heeft ter terechtzitting van 21 september 2011 op dit verzoek beslist. De verdediging is voldoende in de gelegenheid gesteld de getuige vragen te stellen en de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen. Het hof acht zich ter zake voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding om de eerdere beslissing op het verzoek te herzien.

Het hof acht een onderzoek zoals door de verdediging is verzocht dan ook niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

IV. Geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen.

IVa. De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

1. Door de verdediging is de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen betwist. Zo zijn er aanwijzingen dat de kinderen zijn geïnstrueerd, is met of in hun bijzijn over de feiten gesproken en is mogelijk sprake van ‘collaborative storytelling’. Voorts kan er sprake zijn van seksueel misbruik door een ander dan de verdachte en kunnen zij redenen hebben om de verdachte –ten onrechte- te beschuldigen. Bovendien is niet genoeg doorgevraagd. De verklaringen zijn innerlijk tegenstrijdig en in ieder geval op onderdelen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar. Aan de verklaringen van de kinderen kan dan ook geen geloof worden gehecht. De verdediging heeft in dit kader verzocht om de toevoeging aan het dossier van het dossier omtrent de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

2. Het hof overweegt het volgende.

2.1 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geloofwaardig en betrouwbaar.

Zo heeft [slachtoffer 2] tijdens het verhoor in de verhoorstudio meerdere keren verklaard dat de verdachte over haar borsten heeft gewreven en dat dit in haar bed gebeurde. Op de vraag of andere mensen wel eens zoiets bij haar hebben gedaan heeft zij ontkennend geantwoord.

Door de moeder van [slachtoffer 2], [naam], is onder meer verklaard dat de verdachte wel eens bleef slapen en dan bij [slachtoffer 2] op haar slaapkamer sliep.

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] een keer ‘in haar tietje heeft geknepen’. De verklaring van de verdachte dat dit niet opzettelijk was acht het hof ongeloofwaardig. Uit de omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer 2] in haar borst heeft geknepen en dat [slachtoffer 2] daarvan pijn ondervond, leidt het hof af dat de verdachte wel degelijk ontuchtig heeft gehandeld.

[slachtoffer 1] heeft tijdens het verhoor in de verhoorstudio onder meer verklaard dat, toen zij in bed lag, de verdachte haar bij haar vagina heeft betast en dat dit pijn deed. Door de moeder van [slachtoffer 1], [moeder van slachtoffer 1], is onder meer verklaard dat zij de verdachte heeft betrapt in het bed van haar dochter [slachtoffer 1], dat hij bij [slachtoffer 1] onder de deken zat, bij haar benen.

Door [getuige 1] is onder meer verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte met zijn hand bij het geslachtsorgaan van [slachtoffer 1] zat. Ook deze verklaring biedt steun aan de verklaring van [slachtoffer 1] over het ontuchtig handelen van de verdachte.

Het hof ziet noch in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch anderszins een reden om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte verklaringen te twijfelen.

2.2 Ook het advies van de deskundige Frenken over de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen geeft het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Volgens de deskundige was de kwaliteit van de ondervragingen goed.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] stelt de deskundige in zijn rapport van 20 juni 2007 dat [slachtoffer 2] op trefzekere wijze gewag maakt van strelen over de borsten ‘over haar hemd’. Wat [slachtoffer 2] vertelt over de handelingen klinkt waarachtig en accuraat. Ze geeft desgevraagd voldoende details over de situatie, de context en de handelingen, doet dat correct voor met poppen en tekeningen en vertelt over de opgelegde geheimhouding die karakteristiek is voor seksueel misbruik van kinderen.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de raadsman van de verdachte de deskundige onder meer voorgehouden dat [slachtoffer 2] met haar moeder overleg heeft gehad en heeft gevraagd hoe het kan dat de verklaring desondanks betrouwbaar wordt geacht. De deskundige heeft verklaard dat het aanraken van de borsten voldoende is omschreven om betrouwbaar te zijn. Volgens de deskundige is er geen sprake geweest van beïnvloeding. Ten aanzien van de verklaring over het aanraken van de borsten heeft de deskundige geen enkele aanwijzing dat deze verklaring geïndiceerd is door de moeder.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] stelt de deskundige in zijn rapport van 20 juni 2007 dat [slachtoffer 1] op betrouwbare wijze heeft beschreven hoe zij betast werd door [verdachte] (hof: verdachte). Het waren vaginale aanrakingen met de vinger. De ondervraging is correct geweest, er zijn geen alternatieve verklaringen voor het relaas en ook de tekstanalyse van het verhoor wijst erop dat de verklaring goeddeels betrouwbaar is.

Gelet op het voorgaande heeft het hof geen aanleiding om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te twijfelen.

Het hof verwerpt het verweer.

2.3 Voor wat betreft het verzoek tot het toevoegen aan het dossier van de stukken met betrekking tot de ondertoezichtstelling overweegt het hof het volgende.

Onder omstandigheden kunnen de beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat nieuwe bescheiden worden overgelegd. In dit geval gaat het om privacygevoelige stukken. De verdediging heeft de suggestie geopperd dat hierin mogelijk een reden kan worden gevonden voor het afleggen van belastende verklaringen.

Nu het enerzijds gaat om privacygevoelige stukken en anderzijds de verdediging zijn stelling niet voldoende heeft beargumenteerd en onderbouwd en het hof geen gronden ziet om de stukken toe te voegen aan het dossier, brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde niet mee dat aan het verzoek gevolg dient te worden gegeven.

Het hof wijst het verzoek af.

IVb. De verklaringen van [moeder van slachtoffer 1]

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd evenmin aanleiding om aan de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [moeder van slachtoffer 1] te twijfelen.

[moeder van slachtoffer 1] heeft onder meer verklaard dat zij de verdachte heeft betrapt in het bed van haar dochter [slachtoffer 1], dat hij bij [slachtoffer 1] onder de deken zat, bij haar benen.

De opmerking van de getuige dat, zoals het hof begrijpt, men haar woorden heeft verdraaid, heeft geen betrekking op het voor het bewijs gebruikte deel van haar verklaring.

Het hof acht het horen van de getuige [moeder van slachtoffer 1] ook in dit opzicht niet noodzakelijk en wijst het verzoek van de verdediging af.

IVc. De overige verklaringen

Onder het kopje ‘Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in vervolging’ heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van ‘de volwassenen’ dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat voorafgaand aan de verhoren met betrokkenen kennelijk over de verdachte en inhoudelijk over de zaak is gesproken.

Het hof overweegt het volgende.

De enkele omstandigheid dat voorafgaand aan de verhoren zou zijn gesproken over de verdachte en inhoudelijk over de zaak is op zich genomen geen omstandigheid die aan het gebruik van de betreffende verklaringen in de weg hoeft te staan. Het hof verwijst in dit kader voorts naar hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd en ook overigens geen aanleiding om aan de juistheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen te twijfelen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

De duur van de op te leggen gevangenisstraf zal korter zijn dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, mede gelet op het feit dat die straf is gebaseerd op meer en zwaardere feiten dan die het hof bewezen heeft verklaard.

Verder is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers.

Verdachte heeft met de zeer jeugdige slachtoffers (9 en 7 jaar) ontucht gepleegd. Hiermee heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers op ernstige wijze geschonden.

Door zijn handelwijze heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem als volwassene mocht worden gesteld. Verdachte heeft aldus miskend dat kinderen juist bescherming behoeven tegen seksuele benadering door volwassenen en dat zij moeten kunnen rekenen op die bescherming. Verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn eigen (lust)gevoelens.

Bovendien vond de ontucht plaats terwijl de slachtoffers in hun bed lagen, bij uitstek de plek waar kinderen zich veilig behoren te voelen.

Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten daarvan (direct of later in hun leven) nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Dergelijke feiten kunnen ook persoonlijk leed toebrengen aan de ouders/verzorgers van de slachtoffers en kunnen leiden tot onrust in de maatschappij.

Het hof heeft bij de straftoemeting voorts in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie – eerder voor gelijksoortige zedendelicten is veroordeeld.

Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de onderzoeksbevindingen van de gedragsdeskundigen T. van Endt, A.E. Grochowska en H.A. van Kempen, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum, in hun na te melden en hieronder deels weergegeven rapport. Op grond van die bevindingen is het hof van oordeel dat het bewezen verklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt voor de duur van 30 maanden.

Redelijke termijn

Door de raadsman is, zij het in het kader van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden nu het voorarrest ruim vijf jaren heeft geduurd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De onderhavige strafzaak kent het volgende verloop:

1. In de zaak met betrekking tot [slachtoffer 2] is verdachte op 6 december 2005 in verzekering gesteld.

2. In de zaak met betrekking tot [slachtoffer 1] is verdachte op 3 juli 2006 in verzekering gesteld.

3. De zaak is voor het eerst behandeld ter terechtzitting van de rechtbank van 12 oktober 2006.

4. De rechtbank heeft op 14 maart 2008 tussenvonnis gewezen teneinde de gedragsdeskundigen opnieuw te consulteren en hen voor te leggen of het tijdsverloop aanleiding geeft op hun eerdere adviezen terug te komen.

5. De rechtbank heeft op 2 september 2008 eindvonnis gewezen.

6. Door de verdachte is op 3 september 2008 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld en door het openbaar ministerie op 15 september 2008, waarna de stukken op 9 december 2008 bij het hof zijn ingekomen.

7. De zaak is voor de eerste maal ter terechtzitting van het hof behandeld op 20 februari 2009 voor een inventarisatie van de onderzoekswensen. Op deze terechtzitting is het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 4 maart 2009.

8. Op de terechtzitting van 4 maart 2009 heeft het hof de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van 22 getuigen op verzoek van de verdediging, en het, naar aanleiding van een verzoek van de verdediging tot het horen van de in de tenlastelegging genoemde minderjarige meisjes als getuigen, laten verrichten van onderzoek naar de vraag of al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van die getuigen door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht.

9. Op 15 mei 2009, 7 augustus 2009, 28 oktober 2009 en 13 januari 2010 zijn er (pro forma) terechtzittingen geweest ter controle van de voortgang in het onderzoek.

10. Op de terechtzitting van 3 februari 2010 en 12 maart 2010 is de zaak inhoudelijk behandeld en zijn de deskundigen die in eerste aanleg over de geestvermogens van verdachte hebben gerapporteerd gehoord, waarna de zaak opnieuw is verwezen naar de rechter-commissaris voor het benoemen van een nieuwe deskundige voor onderzoek naar de vraag of al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van die getuigen door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht alsmede voor een nieuw onderzoek naar de geestvermogens van verdachte in het Pieter Baan Centrum.

11. Op 29 april 2010, 16 juni 2010 en 25 augustus 2010 zijn er (pro forma) terechtzittingen geweest ter controle van de voortgang in het onder 10 genoemde onderzoek.

12. Op 27 oktober 2010 is er wederom een inhoudelijke terechtzitting geweest waarop twee van de drie deskundigen, Grochowska en Van Kempen, van het Pieter Baan Centrum zijn gehoord. Het onderzoek is vervolgens geschorst tot de zitting van 3 en 8 december 2010 voor het horen van de derde deskundige van het Pieter Baan Centrum, Van Endt, en de deskundigen Laurijssen-Timmers en Wolters, die hebben gerapporteerd over de vraag of al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van die getuigen door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht.

13. Op de terechtzitting van 3 december 2010 is gebleken dat de deskundige Van Endt tot begin mei 2011 in Curaçao verbleef en tussentijds niet terug naar Nederland kon komen voor verhoor.

14. Op de terechtzitting van 8 december 2010 zijn de deskundige Laurijssen-Timmers en Wolters gehoord en is het onderzoek geschorst tot 14 januari 2011 om de deskundige Van Endt te horen door middel van een videoconferentie en voorts de studioverhoren ter terechtzitting te tonen.

15. Op de terechtzitting van 14 januari 2011 is gebleken dat het technisch niet mogelijk was om Van Endt door middel van een videoconferentie te horen en is een aanvang gemaakt met het tonen van de studioverhoren.

16. Op de terechtzitting van 1 maart 2011 is gebleken dat het hof door omstandigheden de zaak niet kon afhandelen in dezelfde samenstelling als op de eerdere zittingen en ook op die dag geen zitting kon hebben in de samenstelling die over de zaak zou beslissen.

17. Op 18 maart 2011 is de zaak opnieuw aangevangen omdat de verdediging niet instemde met hervatting van het onderzoek in een andere samenstelling. Op die zitting is een aanvang gemaakt met het integraal vertonen van de studioverhoren.

18. Op 15 april 2011 is het hof verder gegaan met het vertonen van de studioverhoren. Het onderzoek is vervolgens geschorst voor het horen van de deskundige Van Endt.

19. Op 22 juni 2011 is, in verband met het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting, de korte inhoud medegedeeld van de stukken van het dossier en de processen-verbaal van de eerdere terechtzittingen, is de deskundige Van Endt gehoord en zijn de verzoeken van de verdediging besproken. Het onderzoek is vervolgens geschorst tot 24 augustus 2011 (pro forma) en 21 en 28 september 2011 voor het nemen van de beslissing op de verzoeken van de verdediging en, eventueel, de verdere inhoudelijke behandeling van de zaak.

20. Op 24 augustus 2011 heeft een pro-formazitting plaatsgevonden.

21. Op 21 september 2011 heeft het hof beslist op de meeste verzoeken van de verdediging en de persoonlijke omstandigheden van verdachte besproken en vervolgens de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het laten beantwoorden van een tweetal vragen door de deskundige Frenken.

22. Op 28 september 2011 is de zaak inhoudelijk afgedaan en bepaald dat de uitspraak heden, 12 oktober 2011, zal plaatsvinden.

Het hof constateert dat, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet binnen de door de Hoge Raad gestelde termijn is beslist.

Volgens de Hoge Raad kan van de gestelde termijn onder meer worden afgeweken indien de complexiteit van de strafzaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld daartoe aanleiding geeft.

Naar het oordeel van het hof is hier sprake van een complexe strafzaak waarin diverse deskundigenonderzoeken hebben moeten plaatsvinden en deskundigen zijn gehoord en waarin op verzoek van de verdediging vele getuigen zijn gehoord.

Gelet op de omvang van het in eerste aanleg en in hoger beroep verrichte onderzoek en de complexiteit van de zaak, is het hof dan ook van oordeel dat er redenen zijn om af te wijken van de door de Hoge Raad gestelde termijn.

Het vorenstaande rechtvaardigt echter niet de gehele duur van de procedure. Zo is tijd verloren gegaan aan de poging om de deskundige Van Endt door middel van een videoconferentie te horen.

Het hof constateert daarmee een schending van de redelijke termijn voor vervolging als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal leiden tot strafvermindering. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Indien geen sprake zou zijn geweest van schending van de redelijke termijn voor vervolging, zou het hof, zoals hiervoor reeds gezegd, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, passend en geboden achten. In verband met de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn zal echter de in de beslissing te noemen straf worden opgelegd.

Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege

Bij het opleggen van na te melden maatregel heeft het hof gelet op de inhoud van het op

13 oktober 2010 opgemaakte psychiatrisch rapport van T. van Endt, psychiater in opleiding, onder supervisie van A.E. Grochowska, psychiater, en H.A. van Kempen, psycholoog, allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, welk rapport -onder meer- inhoudt als conclusie en advies van de rapporteurs:

“Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling, te weten zwakbegaafdheid waarbij hij tegen de grens van lichte zwakzinnigheid aanzit. Deze uit zich in onder meer een oppervlakkig gevoelsleven en weinig reflecterend vermogen. Betrokkene komt desondanks niet uitgesproken kwetsbaar, maar eerder gewiekst over in de gesprekken. Op gedragsniveau zien wij een wat kinderlijke man die contactbehoeftig is en gericht is op harmonie in het contact.

Naast zijn zwakbegaafdheid is er eveneens sprake van een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling welke valt te classificeren als een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met antisociale en vermijdende trekken. (…)

De antisociale trekken uiten zich in gedragsproblemen voor het 12e levensjaar en antisociale gedragingen met meerdere veroordelingen voor inbraken, vernielingen, brandstichtingen en eerdere zedendelicten vanaf jongvolwassen leeftijd. (…) Hij heeft wel normbesef maar zijn gewetensfunctie is gebrekkig ontwikkeld. Daarnaast ontbreekt het bij betrokkene aan empathie ten opzichte van vroegere slachtoffers van zijn criminele gedrag en er is in zijn gedrag een patroon aan te wijzen van het niet accepteren van verantwoordelijkheden. (…)

Daarnaast is er bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis, te weten pedofilie. Betrokkene is in 1997 veroordeeld voor pedoseksuele delicten welke hij ook heeft toegegeven. Betrokkene heeft toentertijd binnen het Pro Justitia onderzoek (E.N. Jacob, zenuwarts-psychiater d.d. 29 april 1997) enig inzicht gegeven in zijn pedoseksuele fantasieën (zie “Psychiatrische anamnese”). Hierbij dient te worden aangemerkt dat pedofilie op volwassen leeftijd een bestendig fenomeen is. Betrokkene heeft begeleiding en behandeling voor zijn pedofilie in het verleden geweigerd. Tijdens de huidige observatieperiode is betrokkene in zijn verhalen overmatig sterk gericht op jonge, prepuberale meisjes. (…)

(…)

De hierboven beschreven psychopathologie betreft bestendige, chronische problematiek. Deze was eveneens aanwezig tijdens de ten laste gelegde feiten.

(…)

De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van betrokkenes geestvermogens beïnvloedden betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde in substantiële mate. Betrokkene heeft vanuit zijn zwakbegaafdheid en zijn persoonlijkheidsstoornis moeite met het opbouwen van emotioneel gelijkwaardige relaties met leeftijdsgenoten. Vanuit zijn beperkte intellectuele vermogens is hij op emotioneel vlak meer gericht op de kinderwereld. Hij voelt zich meer op zijn gemak en hij ervaart bevestiging bij kinderen.

(…)

Vanuit zijn pedofilie is er naast een emotionele, ook een seksuele gerichtheid op kinderen. Het blijft in het onderhavige onderzoek echter onduidelijk hoe autonoom en sterk deze pedofiele seksuele drive is. (…)

De antisociale trekken binnen zijn persoonlijkheidsstoornis en in het bijzonder zijn gebrekkige gewetensfunctie, maken dat betrokkene, hoewel hij zich goed bewust is van normen en wetten, makkelijker kan overgaan tot overschrijding van normen en wetten. Deze persoonlijkheidstrekken hebben een faciliterende rol gespeeld in de ten laste gelegde feiten, indien bewezen.

(…)

Gezien de doorwerking van betrokkenes pathologie achten wij betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar voor alle ten laste gelegde feiten.

(…)

Het risico op een recidive wordt als hoog ingeschat.

Betrokkenes problematiek is chronisch en hij heeft geen sociaal vangnet.

Vanuit zijn zwakbegaafdheid heeft betrokkene een gebrekkig zelfreflectief vermogen en vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis ontbeert hij doorleefd berouw ten aanzien van eerdere (zeden)delicten. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard, betreffen het recidiven na een eerdere veroordeling voor vergelijkbare zedendelicten in 1997.

Door zijn zwakbegaafdheid en in mindere mate zijn persoonlijkheidsstoornis is betrokkene onvermogend in het aangaan van emotioneel bevredigende relaties met vrouwen en vriendschappen. Mede hierdoor is betrokkene, ook ten tijde van het onderhavig onderzoek, emotioneel nog sterk gericht op kinderen.

Betrokkene heeft geen inzicht in zijn problematiek en hij is niet gemotiveerd om daarin stappen te nemen. Een eerder forensisch psychiatrisch behandelcontact heeft betrokkene afgebroken na twee gesprekken.

Als beschermende factor kan genoemd worden dat betrokkene geen antecedenten heeft van agressief gedrag, en ook wel gericht is op het behouden van harmonie in het contact met volwassenen.

Risicotaxatie met de SVR-20 als instrument ondersteunt de klinische inschatting dat er sprake is van een hoog recidiverisico. Met name gezien de combinatie van pedofilie, het bagatelliseren van eerdere zedendelicten, zijn zwakbegaafdheid en de afwezigheid van een sociaal vangnet.

Gelet op het voorgaande adviseren wij om betrokkene met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Wij zijn van mening dat het recidivegevaar slechts dan in voldoende mate kan worden teruggebracht.

Een tbs met voorwaarden is onzes inziens niet haalbaar gezien de afwezigheid van probleem- en ziekte-inzicht. Betrokkene heeft geen reëel inzicht in de intensiteit van passende behandeling en hij is evenmin gemotiveerd voor een dergelijke behandeling. Hierin wegen wij ook mee dat betrokkene in het verleden ambulante forensisch psychiatrische behandeling na twee gesprekken heeft afgebroken. Betrokkene is in de gesprekken wisselend in zijn medewerking. Hij geeft aan dat er geen sprake is van een probleem en dat er niets aan hem veranderd moet worden. Daarnaast geeft hij aan alleen akkoord te willen gaan met een tbs met voorwaarden indien hij de zekerheid krijgt dat deze behandeling niet langer dan een jaar zal duren. Gezien de complexe problematiek is dit echter niet reëel.

(…)

Wij adviseren een langdurig behandel- en begeleidingstraject beginnend in een gesloten setting waarbinnen betrokkene kan werken aan probleembesef en ziekte-inzicht. De behandeling dient gericht te worden op het vergroten van zijn gedragsrepertoire en sociale vaardigheden waarmee gestreefd wordt naar het ontwikkelen van emotioneel meer bevredigende relaties met leeftijdsgenoten. Daarnaast dient uiteraard aandacht te worden besteed aan verder onderzoek en behandeling van zijn seksuele deviantie en het ontplooien van constructieve dagactiviteiten.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de deskundigen hun bevindingen toegelicht en zijn zij bij hun conclusies en adviezen gebleven.

De deskundige A.E. Grochowska heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 oktober 2010, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, onder meer verklaard:

(…)

Het is juist dat wij met betrekking tot de pedofilie niet alleen emotionele, maar ook seksuele aspecten aanwezig achten. Pedofilie is als stoornis een vrij ruim begrip. Deze stoornis kan bij een persoon op het gebied van emoties, denken of gedrag aanwezig zijn. Om te spreken van een stoornis moet dit tenminste een half jaar in iemands leven aanwezig zijn. Bij verdachte hebben wij gezien dat alle drie de genoemde criteria aanwezig waren, dus zowel op het gebied van emoties, als in zijn denken en gedrag. Door Jacob zijn indertijd de symptomen beschreven. De diagnose is naar onze mening toen goed gesteld.

(…)

Zijn grensoverschrijdend gedrag valt mede te verklaren vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis, waarbij zijn geweten niet optimaal functioneert.

De emotionele component kan naast de seksuele component bestaan. Verdachte heeft verklaard dat hij met een kind van 11 jaar oud een relatie is aangegaan. Daaraan zie je dat hij wederkerigheid zoekt. Dat is niet zoals een gemiddelde volwassen man zich zou gedragen.

Op de vraag of ik, ook afgezien van de vraag of de thans ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard en los van de verklaringen die de meisjes in de onderhavige zaak hebben afgelegd, seksuele componenten in de pedofiele stoornis bij verdachte aanwezig acht, zeg ik dat wij op basis van het verloop van de ziekte kunnen zeggen dat het niet vanzelf overgaat. Met betrekking tot verdachte komt uit de stukken naar voren dat er meldingen zijn geweest, dat hij is verwezen naar zorginstanties en dat daar niet veel van terecht gekomen is. Dit zijn aanwijzingen dat de stoornis niet voorbij is. Ook de manier waarop hij zich in onze gesprekken heeft gepresenteerd wijst op een belangstelling en levenswijze die bij pedofilie past. Zelfs als de ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden blijf ik bij de vaststelling van deze stoornis, maar dan vooral op grond van wat er in het verleden heeft plaatsgevonden, het rapport van Jacob, de meldingen rondom verdachte en de gesprekken. We hebben uit het onderzoek genoeg gegevens verkregen om die conclusie te kunnen trekken.

Met betrekking tot zijn pre-occupatie voor kinderen merk ik op dat het gesprek vaak spontaan kwam op hoe hij met kinderen omgaat. Dat hij helpt met douchen, dat hij voor ze zorgt. Hij is steeds bezig met hoe hij omgaat met kinderen. Ook zijn belangstelling voor kinderlijke thema’s en hoe hij daarover vertelt wijst op meer dan alleen maar normale belangstelling voor kinderen.

Dat hij de meisjes onder de douche heeft gezet is tijdens onze gesprekken ook aan de orde geweest. U houdt mij voor dat hij dit op zitting heeft ontkend. Ik zeg u daarop dat hij soms dingen zegt die niet met elkaar rijmen. De ene minuut zegt hij iets en twee minuten later kan hij iets zeggen wat daar niet bij past. Dat maakt het moeilijk om waarde te hechten aan sommige uitspraken van hem. Ook van zijn verleden weten we niet precies wat waar en niet waar is. Als het gaat om negatieve informatie omtrent zijn persoon kan hij keihard ontkennen dat hij dat gedaan of gezegd heeft. Of hij zegt dat hij dat helemaal vergeten is. Daarentegen kan hij positieve informatie omtrent zijn persoon erg aandikken en daarover opscheppen. Hij heeft verschillende manieren om informatie die gunstig of niet gunstig is een draai te geven.

U vraagt mij naar de alinea op pagina 56 van het rapport, waarin ik zeg dat gaandeweg de observatieperiode zijn verhalen vol blijken te zitten met discrepanties en feitelijke onjuistheden en dat hij een opportunistische en leugenachtige indruk maakt. Het is juist dat ik dit vrij stellig geformuleerd heb en ik sta daar nog steeds achter. Sommige dingen zijn zo duidelijk dat het niet aan zijn intelligentie kan liggen. Hij zegt dan iets omdat het hem goed uitkomt. Soms lijkt het dom of ongeloofwaardig, soms is het minder bewust. Maar soms weet hij het bewust in zijn eigen voordeel te gebruiken. Soms kloppen dingen zo evident niet met elkaar dat het leugens moeten zijn. Als hij daarmee geconfronteerd wordt, geeft hij er weer een draai aan. Dit gebeurt niet onbewust.

(…)

Een groot verschil tussen 1997 en nu is dat hij destijds open stond voor een gesprek over zijn seksuele problematiek. Op dat moment kun je spreken over ziektebesef, probleembesef, fantasieën en de reden om over te gaan tot ongewenst gedrag. In die situatie is het mogelijk om minder restrictieve vormen van behandeling te overwegen.

Dit keer was de seksuele binnenwereld helemaal niet, of nauwelijks bespreekbaar. Dan weet je niet hoe die seksuele binnenwereld eruit ziet. De seksuele afwijking kan zo geïntegreerd zijn met de persoonlijkheidsstoornis dat er helemaal geen probleembesef is.

Het kan ook zijn dat er wel een probleembesef is, maar dat hij dat voor zichzelf houdt om behandeling te voorkomen.

(…)

Het advies voor een langdurige behandeling in een gesloten setting is gebaseerd op het feit dat sprake is van een moeilijk te behandelen stoornis en dat het probleeminzicht niet is in te schatten. De behandeling moet meer gericht zijn op resocialisatie. Als hij in de juiste behandelsetting komt waar hij zal moeten meewerken, dan zou het misschien lukken om iets tot stand te brengen waar hij kan resocialiseren. Vanwege zijn zwakbegaafdheid en zijn persoonlijkheidsstoornis is het belangrijk om meer controle van buitenaf te houden. Het is belangrijk dat hij meer mensen om zich heen krijgt die hem corrigeren en begeleiden, zodat hij het niet bij kinderen hoeft te zoeken.

Het feit dat hij ook relaties met volwassen vrouwen heeft gehad is niet een aanwijzing dat er geen sprake van pedofilie zou zijn. Pedofilie heb je in exclusieve en niet exclusieve typen.

(…)

Op zich is het mogelijk dat mensen met een pedofiele stoornis op een bepaald moment de knop omzetten. Als zij gewetensremming hebben bij hun seksuele behoeftes kunnen zij zichzelf ervan weerhouden, maar daar hebben zij dan wel hulp bij nodig. Zij gaan dan in therapie om meer controle te krijgen over zichzelf.

Ik denk dat verdachte zichzelf overschat. Hij heeft therapie aangeboden gekregen, maar er geen gebruik van gemaakt.

Er was toen al sprake van een gedragspatroon. Het is moeilijk om dat stop te zetten als je weinig alternatieven hebt. Ik bedoel daarmee dat het bestendig is.

(…)

Het feit dat verdachte consistent is in zijn ontkenning heeft mijn conclusie niet anders gemaakt. Bij seksuele delicten ontkennen heel veel mensen en dit houden zij soms heel lang vol. Dat is een enorme belemmering, maar niet een reden om anders te werk gaan. Het is niet zo dat, omdat hij ontkend heeft, wij tot een zwaardere pathologie zijn gekomen.

(…)

De deskundige H.A. van Kempen heeft ter terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 27 oktober 2010, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, onder meer verklaard:

(…)

Over de diagnose van de persoonlijkheidsstoornis hebben we uitvoerig gediscussieerd. Het is niet een doorsnee antisociale man. Het is dan de vraag hoe je in de omschrijving duidelijk maakt dat er andere aspecten in zitten. De beschouwing, de conclusie en het advies worden door de psycholoog en de psychiater gedragen.

Er is geconcludeerd dat er sprake is van pedofilie, zowel op het emotionele als op het seksuele vlak. Tot die bevinding ben ik als volgt gekomen. Allereerst bleek dat hij erg gericht was op jonge kinderen, met name meisjes. Die kwamen in zijn verhalen veelvuldig voor. Zo had hij het bijvoorbeeld over de vrouw van een kermisexploitant, die twee jonge dochters had. Dit hoeft op zich niet te betekenen dat er sprake is van pedofilie, maar het zegt wel wat over het feit dat hij erg opvallend gericht is op jonge kinderen. Meer dan andere volwassenen.

Emotioneel is hij zeer sterk op kinderen en hun belevingswereld gericht. Dat uit zich in het feit dat hij zich nogal gelijkschakelt met hen. Nu is het zo dat door zijn zwakbegaafdheid zijn belevingswereld wat kinderlijker is dan gemiddeld, zodat hij meer op dat niveau functioneert en beleeft. Echter dit verklaart zijn preoccupatie met kinderen niet voor het grootste deel. Niet iedereen met zwakbegaafdheid heeft dezelfde preoccupatie voor kinderen.

Daarnaast zijn er feiten en aanwijzingen die maken dat hij ook in seksuele zin geïnteresseerd blijkt te zijn in kinderen. Allereerst is er de veroordeling voor ontucht met jonge meisjes. In die tijd heeft hij inzicht gegeven in hoe hij fantaseerde over die kinderen en wat hij in seksuele zin met één van die meisjes gedaan had. Dat geeft een duidelijk beeld van een persoon die niet toevallig een keer verdwaald is maar gericht en gefixeerd is op seksueel contact met kinderen.

Dat is dus een sterke aanwijzing voor pedofiele gerichtheid. Ook in het rapport van Jacob uit 1997 wordt al melding gemaakt dat zijn omgeving zich zorgen maakte over zijn contact met kinderen in seksuele zin. Verder is er een vrij lange lijst van de kinderbescherming met meldingen van mensen uit de omgeving van Achten. Mensen die beweren dat zij gezien hebben dat hij kinderen aanraakte op een seksuele manier. Eigenlijk hetzelfde als wat er in 1997 is gezien. Toen vroeg een meisje hem haar handstand te leren in het bos en de volgende dag kwam zij terug om het verder te leren. Dan zie je situaties die duidelijk een seksuele richting op gaan. Ik betrek daarbij ook zijn eigen mededeling dat hij in bed heeft gelegen met een meisje, dat hij haar heeft geholpen met haren wassen en dat hij veelvuldig meisjes naar bed brengt. Dat zijn allemaal grensoverschrijdende activiteiten. Een normaal persoon van 40 jaar oud begeeft zich niet in dergelijke intieme situaties. Ook niet als je gek bent op kinderen. Voorlezen of naar de winkel gaan kan voorkomen, maar niet dit soort intieme situaties.

(…)

U houdt mij voor dat verdachte verklaart dat hij nooit in bed heeft gelegen met een meisje, dat hij ze nooit onder de douche heeft gezet en nooit naar bed heeft gebracht en vraagt mij of ik zonder dit aspect ook tot mijn conclusie zou zijn gekomen.

Ik denk dat ik ook wel tot die conclusie zou zijn gekomen zonder dat daarvan sprake is. De hoofdlijn is de geschiedenis van een persoon. Als daaruit naar voren komt dat iemand op eerdere leeftijd pedoseksuele fantasieën had en tot pedoseksuele daden is gekomen en dat er steeds meldingen blijven komen dat hij met kinderen te ver gaat, kan die conclusie getrokken worden.

Daarbij komt het gegeven dat bekend is dat pedofilie niet een aandoening is die op die leeftijd nog over gaat.

(…)

Als het op oudere leeftijd nog voortduurt is eigenlijk niet te verwachten dat die voorkeur nog verdwijnt. Wel bij adolescenten, maar in 1997 was verdachte 30-31 jaar oud toen zijn pedoseksuele voorkeur heel duidelijk naar voren kwam. Dat vergroot de waarschijnlijkheid van de vaststelling van de stoornis. Het is dus een bestendig fenomeen. (…)

De omstandigheid dat hij ook seksuele relaties heeft gehad met volwassenen is geen contra-indicatie voor pedoseksualiteit. Het ene sluit het andere niet uit.

(…)

Wij zijn tot de conclusie gekomen dat tbs met dwangverpleging de meest aangewezen vorm van behandeling is. Een tbs met voorwaarden is in mijn ogen geen reële optie. Voor een tbs met voorwaarden heb je wel enige motivatie nodig. Die heb ik bij verdachte niet kunnen constateren.

(…)

Echter, het is een lang en intensief proces om deze problemen onder ogen te zien en te herkennen. Je moet er vanuit gaan dat de aantrekkingskracht naar kinderen niet verdwijnt.

(…)

Daarnaast is het van belang dat iemand leert dat het niet in zijn eigen voordeel is als hij gevolg geeft aan zijn drang. Ook dat zal nog niet genoeg zijn om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. Er zal toezicht op hem moeten komen en dit toezicht zal blijvend moeten zijn.

(…)

Op pagina 53 van het rapport schrijf ik dat verdachte zich sterk lijkt te identificeren met de belevingswereld van kinderen, dat deze emotionele gerichtheid evident en massaal aanwezig is en dat uit onderzoek blijkt van zwakbegaafd, kinderlijk gedrag. Op de vraag van de raadsman of dit zo gezien moet worden dat verdachte juist daarom aansluiting zoekt bij leeftijdsgenootjes niet in biologische maar in geestelijke zin, antwoord ik dat dit maar voor een deel verklaart waarom hij zo sterk gericht is op jonge kinderen. Ook al is de sterkte van de seksuele component moeilijk vast te stellen, omdat hij daarin zelf geen inzicht geeft, staat voor mij vast dat de seksuele component wel degelijk meespeelt. Omdat verdachte ontkent dat sprake is van een seksuele component, hij zegt daar zelf over dat hij dat vroeger wel had maar dat het nu niet meer zijn hobby is, is niet vast te stellen hoe prominent die drive is. Maar dat die er is staat voor mij vast.

(…)

Toen ik het rapport las zijn er geen aspecten naar voren gekomen die niet juist in het rapport staan.

(…)

De deskundige Van Endt, heeft ter terechtzitting d.d. 22 juni 2011 onder meer verklaard:

(…)

U houdt mij voor dat ik heb geschreven dat betrokkene zwakbegaafd was, maar wel een gewiekste indruk maakte. Dat klopt. Wat opviel was dat hij geen schuchtere, beïnvloedbare indruk maakte. Vervelende vragen trachtte hij te omzeilen door op andere onderwerpen over te gaan. Hij kwam zeker niet kwetsbaar over en hij probeerde het gesprek naar zijn hand te zetten. Met vervelende vragen bedoel ik vragen waarvan de antwoorden hem in een ongunstig daglicht zouden kunnen plaatsen.

(…)

Volgens mij zijn er tussen mij en mevrouw Grochowska geen verschillen van mening geweest over de diagnose of de bevindingen.

(…)

Het was moeilijk om een consistent verhaal uit hem te krijgen. Ik had niet de indruk dat hij problemen met zijn geheugen had. Dat bleek ook niet uit de bij hem afgenomen testen. In eerste instantie was het wel een aandachtspunt, want het viel me op dat het verhaal van betrokkene steeds wisselde. Later in het traject kreeg ik steeds meer de indruk dat hij in zijn antwoorden opportunistisch was. Het ging dan om antwoorden die hem in een ongunstig daglicht zouden kunnen plaatsen.

(…)

Ik heb voorafgaand aan deze terechtzitting het rapport nog zeer aandachtig gelezen. (…)

Ik blijf bij mijn bevindingen en conclusies.

(…)

Van een aantal elementen is moeilijk aan te geven of verdachte bewust de waarheid verdraaide. Maar bijvoorbeeld bij de bespreking van zijn veroordeling in 1997 wijzigde hij steeds zijn verhaal toen hij doorkreeg wat ik wist. Eerst ontkende hij het feit uit 1997, maar toen ik hem papieren liet zien waaruit bleek wat ik wist, zei hij: o ja, het klopt.

(…)

Pedofilie is een stoornis die niet overgaat.

(…)

Pedofilie bevat de volgende seksuele componenten: seksuele fantasieën, drang tot seksuele contacten met kinderen en gedragingen. Het is duidelijk dat bij verdachte sprake is van pedofilie. Alle elementen zijn van toepassing. Zijn gedrag blijkt uit de feiten waarvoor hij in 1997 is veroordeeld. Hij heeft toen ook verklaard over zijn fantasieën. Er is bij hem duidelijk sprake van een emotionele gerichtheid op kinderen. Betrokkene is zwakbegaafd. Op zich is het niet vreemd dat je hem associeert met kinderen. Maar er speelt wel degelijk een seksuele component.

(…)

Hij stelde zelf zijn voorwaarden aan een eventuele behandeling, bijvoorbeeld niet langer dan een jaar en elke week een kort gesprek. Toen wij hem uitlegden dat dat niet voldoende zou zijn, vervloog de motivatie. Later hebben we het nog een keer besproken. Hij was toen heel stellig en zei dat hij, als hij TBS opgelegd zou krijgen, zijn cel niet uit zou komen en met niemand zou praten. Hij beseft niet wat de diagnose van een persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid en pedofilie inhoudt. Een TBS met voorwaarden is niet uitvoerbaar.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting ziet het hof geen redenen om aan bovenstaande bevindingen en conclusies te twijfelen en acht het hof zich door de deskundigen voldoende voorgelicht. Het hof ziet geen noodzaak tot nadere of nieuwe rapportage.

Het hof neemt de conclusies en adviezen zoals weergegeven in het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 13 oktober 2010 over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld, nu tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond zoals door de deskundigen beschreven, de door de verdachte bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van ter beschikking stelling van de verdachte eist.

Nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks eist, zal het hof, in navolging van het advies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Bespreking van de verweren

1. Door de verdediging is het navolgende aangevoerd:

1.1 De verdediging verzet zich tegen het gebruik van het rapport van het Pieter Baan Centrum door het hof.

a. Daartoe is aangevoerd dat het hof op basis van het uitgebrachte rapport van de psycholoog en de psychiater niet kan en mag aannemen dat verdachte een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijk stoornis heeft en pedofiel is.

b. Volgens de raadsman deugen die rapporten op vele onderdelen niet en zijn ze onbegrijpelijk, zodat ernstig getwijfeld moet worden aan de vakinhoudelijke conclusies die de deskundigen trekken. Ook staan er tegenstrijdigheden in het rapport, zoals de stelling dat verdachte verzorgend en dienend is, maar ook antisociaal en egocentrisch.

Van een onbevangen en onafhankelijk deskundigenonderzoek is geen sprake.

c. Dit betekent, aldus de raadsman, dat niet voldaan is aan het vereiste van de aanwezigheid van een gedragsdeskundig advies waaronder een psychiater, zodat om die reden de maatregel van terbeschikkingstelling (nader: TBS) niet kan worden opgelegd.

d. Ook het feit dat de deskundige Frenken heeft geoordeeld dat de verklaringen van de meisjes (op onderdelen) ongeloofwaardig zijn betekent dat aan de oordeelsvorming (pedofilie en TBS) van de psychiater en psycholoog getwijfeld dient te worden, zodat TBS niet kan worden opgelegd op basis van deze rapporten.

1.2 De veiligheid van anderen vereist de oplegging van de maatregel TBS niet.

a. De psycholoog zegt in zijn rapport dat hij verdachte niet ziet als iemand die een wildvreemd kind van straat plukt om zijn seksuele behoefte te bevredigen.

b. Ook de assistent psychiater heeft ter terechtzitting van 22 juni 2011 verklaard dat de vraag of verdachte vanuit een seksuele prikkel kinderen opzoekt of dat de seksuele prikkel komt na het opbouwen van een emotionele band met een kind, bij het onderzoek onbeantwoord is gebleven en dat ze niet met zekerheid hebben kunnen vaststellen dat sprake was van “grooming”.

c. De verdediging wijst er ook op dat de politie en het AMK in het najaar 2005 cliënt in een “vrijwillig kader” naar FPP De Horst hebben gestuurd en dat, als cliënt zich zou houden aan de behandelovereenkomst, er geen verdere juridische stappen zouden worden genomen.

d. Derhalve is het de vraag hoe extreem gevaarlijk cliënt dan nu ineens is geworden dat de deskundigen tbs met dwangverpleging noodzakelijk vinden. In die zin zijn de rapporten van de deskundigen niet voldoende gemotiveerd en door het hof niet als basis voor het opleggen van TBS te gebruiken.

Voorts wijzen de overige rapporten niet in de richting van TBS en heeft de FPD geadviseerd om een enkelvoudige rapportage uit te brengen.

e. Verdachte is geen gevaar voor anderen. Sterker nog, hij helpt anderen. De verdediging wijst er verder op dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd.

f. Vanuit een oogpunt van proportionaliteit is dan het opleggen van de maatregel TBS, in welke vorm dan ook, niet te rechtvaardigen (Hof ‘s-Hertogenbosch 14 december 2007, LJN: BC 0227 en BC 0236).

1.3 Voor zover TBS onverhoopt aan de orde zou zijn, dient verdachte TBS met voorwaarden opgelegd te krijgen. In de voorwaarden kan dan afdoende maatwerk worden geboden om een eventueel gevaar uit te sluiten.

a. Gelet op het feit dat de deskundigen niet aangeven dat verdachte een wildvreemd kind van straat zal plukken, zijn de argumenten die de deskundigen aandragen waarom er geen minder verstrekkende oplossingen mogelijk zijn, niet voldoende overtuigend.

b. Naar het oordeel van de raadsman bestaat op zijn minst genomen twijfel of er voldoende professioneel is opgetreden tijdens het bespreken van de diagnose en de gestelde onmogelijkheid van TBS met voorwaarden.

c. Het feit dat verdachte aangeeft beperkt gemotiveerd te zijn en daar eigen voorwaarden aan stelt (1 keer per week maximaal gedurende 1 jaar) moet niet als een pertinente weigering worden gezien. Zijn opmerking dient geplaatst te worden in het licht van zijn beperkte verstandelijke vermogens.

d. Verdachte onttrekt zich niet aan behandeling. Hij is op vrijwillige basis in contact getreden met FPP De Horst, gelet op zijn beperkte IQ en zijn ontkenning van de aantijgingen is het niet opmerkelijk dat hij vlot afhaakt bij een behandeling op vrijwillige basis.

2. Het hof overweegt als volgt.

2.1 Het hof stelt voorop dat ter terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d.

27 oktober 2010 en 22 juni 2011, op welke terechtzittingen de deskundigen zijn gehoord, het rapport voorhanden was en dat toen de deskundigheid van de rapporteurs door de verdediging niet is betwist.

De deskundigen zijn, ook door de verdediging, ter terechtzitting gehoord over hun bevindingen en conclusies, ook voor wat betreft de door de raadsman gestelde onvolkomenheden daarin, en over de wijze van totstandkoming van het rapport. Daarbij zijn zij gemotiveerd gebleven bij hun adviezen en conclusies. Het hof ziet geen aanleiding om aan de deskundigheid, de vakinhoudelijke conclusies en de oordeelsvorming van de deskundigen te twijfelen. Van tegenstrijdigheden in het rapport is naar het oordeel van het hof geen sprake.

2.2 De deskundigen hebben geconcludeerd dat er risico is op recidive en geadviseerd om betrokkene met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Zij zijn van mening dat het recidivegevaar slechts dan in voldoende mate kan worden teruggebracht.

In die conclusie is rekening gehouden met het door de raadsman onder 1.2 gestelde.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft het hof geen reden om aan die conclusie te twijfelen.

Hetgeen door de verdediging onder 1.2 onder c is aangevoerd doet aan die conclusies niet af, te meer niet nu dit heeft plaatsgevonden voordat de eerste aangifte van ontucht (met betrekking tot het zusje van [slachtoffer 2], [minderjarige 5]) op 29 november 2005 werd gedaan.

De deskundigen hebben voldoende gemotiveerd waarom zij tot het advies van ter beschikking stelling met dwangverpleging komen. Het advies van de FPD tot het verrichten van een enkelvoudig psychologisch onderzoek doet aan het voorgaande niet af.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de deskundigen omtrent het gevaar voor herhaling. De omstandigheid dat verdachte geen geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd doet niet af aan de vaststelling dat door het recidiverisico op soortgelijke zedendelicten de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht, noch aan de conclusie dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat vanuit het oogpunt van proportionaliteit het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geïndiceerd is. Verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke delicten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden om zich opnieuw aan zedendelicten schuldig te maken. Daarnaast zijn de slachtoffers kinderen in een leeftijd waarin zij nog nauwelijks weerbaar zijn tegen de seksuele handelingen van verdachte, zodat de maatschappij bescherming behoeft in die zin dat verdachte moet worden behandeld voor zijn problematiek. Verdachte heeft er blijk van gegeven in een vrijwillig kader (De Horst) niet aan behandeling te willen deelnemen. Ook ten aanzien van een eventuele voorwaardelijke terbeschikkingstelling is verdachte niet of slechts onder zijn voorwaarden gemotiveerd om zich aan een behandeling te onderwerpen. Het hof verenigt zich derhalve met de conclusie van de deskundigen dat een terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

2.3 Met betrekking tot hetgeen onder 1.3 wordt gesteld heeft het hof, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen reden om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de deskundigen en evenmin aan hun professionaliteit bij het bespreken van een mogelijke terbeschikkingstelling met voorwaarden met de verdachte.

Het hof stelt voorop dat behandeling van verdachte noodzakelijk is. Terbeschikkingstelling met voorwaarden is naar het oordeel van het hof slechts mogelijk indien er een betrouwbare bereidheid is tot medewerking aan die behandeling. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is daarvan niet gebleken.

2.4 Het hof verwerpt de verweren. Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

2.5 Nu het hof komt tot oplegging van de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging, wordt het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt eveneens afgewezen, omdat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang dient te prevaleren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair, 3, 4 primair en 6 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair en

6 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 4 subsidiair en 6 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. A.R.O. Mooy en mr. J. Buhrs-Platschorre, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 12 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.