Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU4194

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
HV 200.087.827
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsverhaal;

Draagkracht;

Bewijslast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 26 oktober 2011

Zaaknummer: HV 200.087.827/01

Zaaknummer eerste aanleg: 142420/ FA RK 09-1007

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats], thans verblijvende in P.I. De Geerhorst te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J.H.S. Thomassen,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht,

zetelende te Maastricht,

verweerster,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: de heer Ch.W.J. Bouwens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 1 maart 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 mei 2011, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de gemeente tot vaststelling van een verhaalsbedrag in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) alsmede de veroordeling van de man tot betaling van dit bedrag in hoger beroep alsnog af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juli 2011, heeft de gemeente verzocht het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren althans hem dit verzoek te ontzeggen en de voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, kantoorgenoot van mr. Thomassen;

- de gemeente, vertegenwoordigd door de heer Ch.W.J. Bouwens.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 mei 2010.

3. De beoordeling

3.1. De man is op 17 oktober 2005 gehuwd met mevrouw [Y.] (hierna: de vrouw). Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [kind sub 1.], op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats];

- [kind sub 2.], op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

Bij beschikking van 7 oktober 2009 van de rechtbank Maastricht is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.

3.2. De gemeente Maastricht verstrekt sinds 23 januari 2009 ten behoeve van de vrouw en de beide kinderen een Wwb-uitkering ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

3.2.1. De gemeente heeft de man bij brief van 14 april 2009 aangeschreven en hem gewezen op zijn wettelijke onderhoudsplicht. Daarbij is aan de man verzocht inlichtingen met betrekking tot zijn financiële omstandigheden te verstrekken. De man heeft op het daartoe verstrekte inlichtingenformulier slechts aangegeven dat hij geen inkomsten heeft en bij zijn ouders inwoont.

3.2.2. Bij beschikking van 26 mei 2009 heeft de gemeente de man een verhaalsbijdrage opgelegd en het verhaalsbedrag met ingang van 1 juni 2009 vastgesteld op € 1.444,47 per maand.

De man heeft geen gevolg gegeven aan deze beschikking.

3.3. Bij verzoekschrift d.d. 20 juli 2009 heeft de gemeente de rechtbank Maastricht verzocht:

- het door de man ten behoeve van de vrouw en de beide minderjarige kinderen van partijen verschuldigde verhaalsbedrag met ingang van 1 juni 2009 vast te stellen op €1.444,47 per maand, zolang de bijstandsverlening voortduurt en er zich geen wijzigingen voordoen in de omstandigheden;

- de man te veroordelen dit bedrag aan de gemeente te voldoen.

3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de gemeente voor de periode 1 juni 2009 tot 29 juli 2010 toegewezen.

De verhaalsperiode is beperkt tot 29 juli 2010 omdat de man vanaf die datum in voorlopige hechtenis gedetineerd is.

3.5. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6. De man voert - kort samengevat - aan dat hij in de genoemde periode inwoonde bij zijn ouders die voorzagen in zijn levensonderhoud. Hij ontving ook bijdrages van zijn broers en zussen. De man legt ter onderbouwing van deze stelling een door zijn familieleden ondertekende verklaring over. De man stelt dat hij in 2008 zijn criminele activiteiten heeft beëindigd en sindsdien niet in staat is geweest in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

De man heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat het binnen de Marokkaanse cultuur gebruikelijk is dat men voor elkaar zorgt. Het feit dat een aantal familieleden zelf een inkomen op of onder bijstandsniveau heeft, sluit niet uit dat zij bijdragen in het levensonderhoud van de man.

De bijdragen van de broer die naar België is verhuisd zijn contant aan de man voldaan. De man heeft daar geen bankafschriften van.

De man stelt dat het in strijd is met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM dat er de facto sprake is van omkering van de bewijslast, omdat hij zou moeten aantonen dat hij niet over voldoende inkomsten beschikt om de opgelegde bijdrage te voldoen.

De man biedt aan zijn ouders en overige familieleden, genoemd in de betreffende brief, als getuigen te horen ten aanzien van zijn stelling dat hij in deze periode op hun kosten leefde.

De man is opgeleid als metaallasser, maar heeft al jaren niet in loondienst gewerkt. Als gevolg van een ongeval, waarbij hij gewond is geraakt aan zijn hoofd, heeft de man te kampen met concentratieproblemen. Hierdoor kan hij maar moeilijk werk vinden.

3.7. De gemeente voert - kort samengevat - aan dat zij de stelling van de man, dat hij in de betreffende periode niet beschikte over eigen inkomsten en dat hij volledig aangewezen was op de ondersteuning door derden, niet aannemelijk acht.

De ouders van de man ontvangen een aanvullende bijstandsuitkering waarop zij gekort worden in verband met het feit dat de man bij hen inwoont. Waarschijnlijk worden zij ook gekort op de huurtoeslag waardoor zij uitkomen op een inkomen ruim onder bijstandsniveau. Ook de broers en zussen van de man die genoemd worden in de door de man overgelegde (ongedateerde) verklaring ontvangen ieder - in meer of mindere mate - een uitkering. Het is niet aannemelijk dat zij gezien hun lage inkomen in staat zijn een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de man.

De man heeft gedurende het huwelijk met de vrouw volgens verklaringen van de vrouw maandelijkse kasstortingen van € 800,- tot € 1.000,- op haar rekening verricht, terwijl de man stelt ook toen geen inkomsten te hebben gehad.

Er zijn geen medische beperkingen bekend die maken dat de man geen inkomen uit arbeid zou kunnen genereren.

3.8. Het hof overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 62 Wwb is de gemeente bevoegd om de verstrekte bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht te verhalen op de onderhoudsplichtige.

Blijkens artikel 62a Wwb wordt bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud zou moeten worden toegekend.

3.9. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage voor haar en de kinderen is niet in geschil.

3.10. De draagkracht van de man dient beoordeeld te worden alsof sprake zou zijn van een procedure tussen de man en de vrouw.

3.10.1. Het hof stelt voorop dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft, voldoende gemotiveerd dient te onderbouwen door het overleggen van stukken waarover hij wel, maar de gemeente niet kan beschikken. De man gaat dus uit van het onjuiste uitgangspunt dat het aan de gemeente is om aan te tonen dat de man over voldoende inkomsten heeft beschikt in de van belang zijnde periode. Waarom dit in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien.

3.10.2. De man heeft geen inkomensgegevens overgelegd. De man stelt niet te hebben gewerkt. De man heeft echter in de hier aan de orde zijnde periode ook geen uitkering ontvangen (althans niet in Nederland) en evenmin sollicitaties verricht, althans daar is niet van gebleken. Het hof is van oordeel dat de man geen aannemelijke verklaring heeft gegeven hoe hij - hoewel hij geen inkomsten had - desondanks in staat is gebleken in zijn eigen kosten van levensonderhoud te voorzien.

In zijn algemeenheid is het niet aannemelijk dat een volwassene gedurende een aanmerkelijke periode volledig op de kosten van zijn ouders en andere familieleden leeft, temeer niet als die ouders en familieleden zelf de kosten van hun eigen huishouden dienen te voldoen uit een inkomen op of omstreeks bijstandsniveau.

De mogelijkheid dat de man volledig wordt onderhouden door zijn familie, acht het hof weliswaar niet uitgesloten, doch wel onaannemelijk gezien het feit dat de ouders en bijna alle broers en zussen van de man een inkomen op of onder bijstandsniveau hebben. De bijdragen van [Z.], de broer van de man die in België woonachtig en werkzaam is, krijgt de man naar zijn zeggen contant. Verder heeft de man geen stukken in het geding gebracht van betalingen door zijn ouders van zijn kosten van levensonderhoud, zoals bijvoorbeeld zijn premies WA-verzekering en ziektekostenverzekering en geldopnames ten behoeve van de man. Gesteld noch gebleken is dat de man aanspraak heeft gemaakt op uitbetaling van zijn algemene heffingskorting en op een zorgtoeslag. Evenmin heeft de man inzage gegeven in afschriften van zijn bankrekening, waaruit overboekingen van familieleden zouden kunnen blijken, hoewel hij wel volgens eigen zeggen over een bankrekening beschikte.

3.10.3. Het hof is voorts van oordeel dat de man zijn stelling, dat hij in verband met concentratieproblemen als gevolg van een ongeval niet kan werken, onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft ook hiervan geen verificatoire bescheiden overgelegd. Desgevraagd heeft de man ook niet aan kunnen geven wanneer dit ongeval heeft plaatsgevonden.

3.10.4. Het hof is mitsdien van oordeel dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft gehad en dat hij redelijkerwijs geen inkomen heeft kunnen verwerven in de bedoelde periode, onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan bewijslevering komt het hof derhalve niet toe.

3.11. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 1 maart 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R. Everaars-Katerberg, L.Th.L.G. Pellis en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.