Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
20-003200-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OVAR; feit niet strafbaar. Het bepaalde in artikel 1 van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen (Bzb) is met ingang van 24 januari 2007 niet meer van toepassing op zeeschepen. Verwijzing naar de artikelen 4 en 4ter van de (gewijzigde) Richtlijn 1999/32/EG en de memorie van toelichting op de Wet tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20/003200-11

Uitspraak : 8 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 april 2009 in de strafzaak met parketnummer 13/999258-08 tegen:

[verdachte] LIMITED,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

[adres]

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de economische politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen zonder oplegging van een straf of maatregel.

Door de raadsman van de verdachte is ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Gelet op de inhoud van het procesdossier is het de kennelijke bedoeling van de steller der tenlastelegging geweest om het verwijt te formuleren dat – kort gezegd – verdachte gasolie en/of gasolie voor de zeescheepvaart heeft gebruikt voor de (hulp)motor(en) van haar motorschip met een te hoog zwavelgehalte. Blijkens de inhoud van het procesdossier en het bepaalde in artikel 1 van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen, zoals dat luidde ten tijde van het ten laste gelegde, heeft de steller der tenlastelegging met “gasolie voor de zeescheepvaart” het oog gehad op “gasolie voor de scheepvaart”.

Gelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het in de tenlastelegging voor “gasolie voor de zeescheepvaart” de woorden “gasolie voor de scheepvaart” in de plaats stelt. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

Aan verdachte is – met inachtneming van het bovenstaande – ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 januari 2008, binnen de territoriale wateren van Nederland en/of te Vlissingen, al dan niet opzettelijk gasolie en/of gasolie voor de scheepvaart heeft gebruikt voor de (hulp)motor(en) van haar onder de vlag van Groot Brittannië varend motorschip genaamd “[naam schip ]”, met een zwavelgehalte van 0,12 % massa althans meer dan

0,10 % massa.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 3 januari 2008 te Vlissingen opzettelijk gasolie voor de scheepvaart heeft gebruikt voor de hulpmotor van haar onder de vlag van Groot Brittannië varend motorschip genaamd “[naam schip ]”, met een zwavelgehalte van 0,12 % massa althans meer dan 0,10 % massa.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

A.1

Op 3 januari 2008 lag het zeeschip “[naam schip ]” van verdachte in de haven van Vlissingen, zijnde een haven in de Europese Gemeenschap. Door opsporingsambtenaren werd een monster genomen van de scheepsbrandstof, welke die dag aan boord van het zeeschip werd gebruikt. Op grond van de inhoud van de analyseresultaten werd een vermoedelijk overtreding geconstateerd van het, op de Wet inzake de luchtverontreiniging gebaseerde, Besluit zwavelgehalte brandstoffen (hierna: Bzb).

Aan verdachte is overtreding van artikel 1 van het Bzb ten laste gelegd.

B.1

Artikel 4 van de Richtlijn 1999/32/EG luidde – voor zover hier van belang – als volgt:

’Maximumzwavelgehalte van gasolie’

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op hun grondgebied geen gasolie, met inbegrip van gasolie voor de zeescheepvaart, wordt gebruikt, met ingang van 1 januari 2008 als het zwavelgehalte meer dan 0,10 massaprocent gedraagt.

B.2

Ter uitvoering van de Richtlijn 1999/32/EG is het Bzb en in het bijzonder artikel 1 gewijzigd.

B.2.1

Artikel 1 van het Bzb luidde voor 24 januari 2007 – voor zover van belang – als volgt:

1.Het is verboden als brandstof te gebruiken:

a. gasolie of gasolie voor de zeescheepvaart met een zwavelgehalte van meer dan 0,20%, en met ingang van 1 januari 2008 gasolie of gasolie voor de zeescheepvaart met een zwavelgehalte van meer dan 0,10%;

b. …

c. …

B.3

Met de inwerkingtreding van de Richtlijn 2005/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 is de Richtlijn 1999/32/EG gewijzigd.

B.3.1

In overweging 13 van de considerans van de Richtlijn 2005/33/EG is – voor zover in casu van belang – het volgende opgenomen:

‘Teneinde de scheepvaartsector genoeg tijd te geven voor de technische aanpassing met het oog op de maximale waarde van 0,1 gewichtsprocent voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die worden gebruikt door binnenschepen en schepen die in communautaire havens liggen, moet de datum van toepassing voor deze eis 1 januari 2010 zijn.’

B.3.2

Artikel 4, eerste lid van de Richtlijn is – voor zover van belang – niet gewijzigd.

Aan de Richtlijn is voorts onder meer artikel 4ter toegevoegd.

B.3.3

Artikel 4ter, eerste lid van de gewijzigde Richtlijn 1999/32/EG - voor zover van belang - luidde als volgt:

‘Maximumzwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die door binnenschepen en schepen op hun ligplaats in havens van de Gemeenschap worden gebruikt’

1.

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat met ingang van

1 januari 2010 de volgende schepen geen scheepsbrandstoffen gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 0,1 massaprocent:

a) binnenschepen, en

b) schepen op hun ligplaats in havens in de Gemeenschap, waarbij de bemanning voldoende tijd wordt gegeven om zo spoedig mogelijk na de aankomst op de ligplaats en zo laat mogelijk vóór het vertrek indien nodig om te schakelen van of op andere brandstoffen.

B.4

Ter uitvoering van de Richtlijn 2005/33/EG is het Bzb alsmede de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (hierna: Wvvs) gewijzigd.

B.4.1

Artikel 1 van het Bzb is met ingang van 24 januari 2007 - voor zover van belang - als volgt gewijzigd:

In het eerste lid, onder a, wordt ‘zeescheepvaart’ telkens vervangen door: ‘scheepvaart’

B.4.2

In de memorie van toelichting op de Wet tot wijziging van de Wvvs heeft de minister van

Verkeer en Waterstaat - voor zover van belang - het volgende opgenomen.

Ҥ 1. Inleiding

…..

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de voorschriften van Bijlage VI, net als die van de andere bijlagen van het MARPOL-verdrag, onder de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs) uit te kunnen voeren.

…..

Inmiddels is ook een Europese richtlijn tot stand gekomen die (op onderdelen) overeenkomsten vertoont met Bijlage VI. Het gaat om richtlijn nr. 2005/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juli 2005 tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft (PbEU L 191). Gezien de overeenkomsten en de onlosmakelijke verbondenheid van de uitvoering, het toezicht en de handhaving van een belangrijk deel van de verplichtingen uit de richtlijn met het certificeringssysteem van de Wvvs, zullen de in dit wetsvoorstel voorgestelde aanpassingen mede dienen ter implementatie van onderdelen van die richtlijn bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

§ 2. Achtergrond en korte inhoud van Bijlage VI

a.…..

b.…..

§ 3. Eisen aan brandstofolie

a. …..

b. …..

c. implementatie Bijlage VI en de richtlijn

…..

Gezien de overeenkomsten tussen de bepalingen van Bijlage VI voor wat betreft de vermindering van de uitstoot van zwaveloxiden en die van de richtlijn zwavelgehalte brandstof, voorzover van toepassing op zeeschepen, zullen deze tezamen in Nederlandse regelgeving worden geïmplementeerd (zie ook paragraaf 1 van het algemeen deel van deze memorie). Drie wetgevingscomplexen zijn hierbij relevant: de uitvoering, het toezicht op de naleving en de handhaving van het MARPOL-verdrag plegen te geschieden bij of krachtens de Wvvs en de Wet havenstaatcontrole, terwijl de oorspronkelijke richtlijn zwavelgehalte brandstof is geïmplementeerd in het Besluit zwavelgehalte brandstof (Bzb) onder de Wet inzake de luchtverontreiniging. Gelet op de aard van de drie wetgevingscomplexen, de daarin geadresseerde normadressaten en de bestaande toezichts- en handhavingsstructuren, is het volgende uitgangspunt voor de implementatie van de nieuwe internationale en Europese regelgeving gehanteerd: de onderdelen van Bijlage VI en de richtlijn die verboden en verplichtingen betreffen die gericht zijn op gedragingen aan boord van zeeschepen zullen onder de Wvvs en de Wet havenstaatcontrole worden geïmplementeerd (deels bestaande wetgeving) en de onderdelen die verboden en verplichtingen betreffen die gericht zijn tot de leveranciers van brandstofolie in het Bzb. Meer concreet betekent dit dus dat alle voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van brandstofolie aan boord van zowel Nederlandse als buitenlandse zeeschepen en verplichtingen van de kapiteins van Nederlandse zeeschepen ten aanzien van de monsters en het bijhouden van gegevens in een logboek zullen worden uitgevoerd in regelgeving onder de Wvvs, en de voorschriften die betrekking hebben op de levering van brandstofolie aan schepen en de plichten van leveranciers ten aanzien van de bunkerafleveringsbonnen en monsters, in het Bzb. Door het gehanteerde uitgangspunt wordt overigens tevens overlap in toezichtbevoegdheden vermeden; voor de Wvvs en de Wet havenstaatcontrole is namelijk de divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (hierna: IVW) als toezichthouder aangewezen en voor het Bzb de VROM-inspectie.

…..

Voor de volledigheid zij hier nog vermeld dat bij de wijziging van het Bzb ter implementatie van Bijlage VI en de richtlijn de daarin – ter uitvoering van de nu geldende oorspronkelijke tekst van de richtlijn zwavelgehalte brandstof – opgenomen voorschriften betreffende het gebruik van brandstofolie aan boord van zeeschepen, zullen worden geschrapt; die voor de binnenvaartschepen blijven in het Bzb en zullen conform de wijzigingsrichtlijn worden aangepast.

De wijziging van de richtlijn zwavelgehalte brandstof leidt er overigens toe dat, anders dan in de huidige tekst van die richtlijn, op grond van de richtlijn geen eisen meer zullen gelden voor het zwavelgehalte van brandstofolie gebruikt aan boord van zeeschepen gedurende de tijd dat ze varen op de binnenwateren (dus ook in havens). Ook Bijlage VI bevat daarover geen voorschriften. Het is echter onwenselijk om de eis die zal gaan gelden op de Noordzee, namelijk het gebruik van brandstofolie met een zwavelgehalte van maximaal 1,5% m/m, niet ook te laten gelden gedurende de tijd dat het schip op de Nederlandse binnenwateren op weg is naar een haven, alwaar op een ligplaats aan de kade op grond van de richtlijn op termijn de eis van maximaal 0,1% m/m zal gaan gelden. In lijn met het uitgangspunt om de eisen ten aanzien van gedragingen aan boord van zeeschepen in de Wvvs te implementeren, wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om krachtens die wet ook op de Nederlandse binnenwateren de eis van maximaal 1,5% m/m in te stellen aan de brandstofolie die aan boord van zeeschepen wordt gebruikt (zie de toelichting bij artikel I, onderdeel A).”

B.5

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 1 van het Bzb met ingang van 24 januari 2007 niet meer van toepassing is op zeeschepen.

B.6

Het bewezen verklaarde was op 3 januari 2008 derhalve niet strafbaar.

De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar.

Ontslaat verdachte met betrekking tot dat feit van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 8 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.