Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3706

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
HD 200.034.650 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van tussenarrest d.d. 16 november 2010, LJN BU3702

Vordering tot schadevergoeding tegen leverancier keuken, badkamer en tegelvloer terzake van ondeugdelijk gelegde tegelvloer. Verweer leverancier dat enkel levering doch niet tevens montage was overeengekomen faalt na bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.034.650

arrest van de vierde kamer van 8 november 2011

in de zaak van

1. [X.],

2. [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: “[X.] c.s.”,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen:

[Z.] KEUKENS & BADKAMERS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: “[Z.]”,

advocaat: mr. J. Verhoeven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 november 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder nummer 196537/HA ZA 08-1942 gewezen vonnis van 29 april 2009.

6. Het tussenarrest van 16 november 2010

Bij genoemd arrest zijn [X.] c.s. tot bewijslevering toegelaten en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. Op 31 januari 2011 zijn [X.] c.s. en de ouders van [X.] als getuige gehoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Bij gelegenheid van deze getuigenverhoren zijn tevens schriftelijke stukken door [X.] c.s. overgelegd, die aan genoemd proces-verbaal zijn gehecht.

7.2. Op 31 maart 2011 is [E.], voormalig werknemer van [Z.], als getuige gehoord.

7.3. [Z.] heeft afgezien van contra-enquête.

7.4. Op 26 mei 2011 hebben [X.] c.s. drie DVD’s bevattende geluidsopnames met de transcripties daarvan ter griffie van dit hof gedeponeerd.

7.5. Vervolgens hebben [X.] c.s. onder overlegging van een productie een memorie na enquête genomen. [Z.] heeft een antwoord-memorie na enquête genomen.

7.6. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. Bij genoemd tussenarrest zijn [X.] c.s. toegelaten te bewijzen dat zij met [Z.] tevens de montage (het leggen) van de tegelvloer zijn overeengekomen dan wel feiten en omstandigheden waaruit zou blijken dat zij dat zo hebben begrepen en mochten begrijpen.

8.2.1. [X.] heeft verklaard:

“ (…)

In maart 2006 zijn mijn vrouw en ik naar [Z.] keukens in [vestigingsplaats 1.] gegaan. (…) Wij wilden een badkamer, een keuken, en een tegelvloer kopen en de installatie/ het leggen daarvan ook door de verkoper laten uitvoeren. Het ging ons erom dat we een totaalpakket aanschaften dat in zijn geheel door [Z.] zou worden uitgevoerd.

Wij spraken bij [Z.] met de filiaalhouder tevens verkoper [E.]. [E.] gaf aan dat alles wat wij bij [Z.] zouden kopen ook door [Z.] geïnstalleerd kon worden. Alleen dan zouden we een garantie op de installatie / het leggen van de tegels krijgen.

Een en ander blijkt ook uit een folder van [Z.] die toen in de winkel lag. Die folder is ook te downloaden van het internet. Ik heb dat het afgelopen weekend nog eens gedaan en ik leg deze over zodat u deze folder aan het proces-verbaal kan hechten. U zegt mij dat u de folder als bijlage A zult merken.

Ik wijs u meer in het bijzonder op het hoofdstukje “PERFECT GEINSTALLEERD” waarin onder het kopje “Vakkundig gevloerd” staat vermeld: “Wat voor de installatie van uw badkamer geldt, geldt natuurlijk ook voor het plaatsen en leggen van tegels. Onze erkende vakmensen verzorgen dit van begin tot eind. Met of zonder vloerverwarming. Het is maar net hoe comfortabel u het wilt hebben”.

Voor zover ik dat kan zien is de door mij dit weekend uitgedraaide folder dezelfde versie als die wij toen in maart 2006 te zien kregen.

Dat wij in maart 2006 ook opdracht tot montage hadden gegeven blijkt ook uit de montagebon die bij de comparitie van partijen van 18 maart 2009 is overgelegd en waarop een totaalbedrag van € 2031,- staat vermeld.

(…) zijn mijn vrouw en ik samen met mijn ouders in juni 2006 weer naar [Z.] keukens in [vestigingsplaats 1.] gegaan. Daar hebben we toen met [E.] de totale planning gemaakt dus wat wanneer geleverd en geïnstalleerd/ gelegd zou worden. Van die afspraken zijn door [E.] notities gemaakt die ik hierbij over leg. U zegt me dat u ze als bijlage B 1-5 aan het proces-verbaal zult hechten.

[E.] heeft ons gezegd dat te zijner tijd contact met ons zou worden opgenomen over de installatie/ het leggen van de vloer [E.] zei ons ook dat we de installatie/ het leggen van de vloer rechtstreeks aan de betreffende aannemer zouden moeten betalen.

(…)

Vervolgens kregen wij van [Z.] [vestigingsplaats 2.], afdeling correspondentie/montage, bij brief van 10 juli 2006 (eerste bijlage van proces verbaal van comparitie d.d. 18 maart 2009) de mededeling dat de tegelvloer zou worden gelegd door [A.]. De naam [A.] was ons niet eerder genoemd. Ongeveer 3 weken voor de installatiedatum hebben wij met [A.] contact opgenomen voor de inspectie van de vloer. [A.] is toen gekomen en stuurde daarna zijn offerte (onderdeel van productie 1 bij de inleidende dagvaarding). Het daarin genoemde totaalbedrag van € 1466,- is niet inclusief de vloerverwarming. Dat verklaart het verschilt met het eerder met [Z.] afgesproken bedrag voor de montage van de vloer en de vloerverwarming van € 2031,-. In de offerte van [A.] zit echter wel een extra bedrag van € 490,- voor het voorstrijken van de vloer dat niet in het met [Z.] afgesproken bedrag van € 2031,- was opgenomen. Toen wij [Z.] daar later op aanspraken wees men ons op de zin onder aan de montagebon waarin staat dat als de vloer niet vlak genoeg is deze geëgaliseerd of uitgevlakt moet worden.

(…)

[E.] heeft ons nooit gezegd dat als het op het leggen van de vloer aankwam wij niet met [Z.] maar met een derde zaken zouden doen. Ons is altijd de indruk gegeven dat wij uitsluitend met [Z.] zaken deden. U vraagt mij waarom wij destijds [A.] hebben gesommeerd om herstelwerkzaamheden uit te voeren en aansprakelijk hebben gehouden voor de uit het onjuist leggen van de vloer voortvloeiende schade. Wij hadden daarvoor al [Z.] aangesproken (zowel telefonisch als schriftelijk; zie bijvoorbeeld onze brief van 5 oktober 2006 overgelegd bij de comparitie van partijen van 18 maart 2009) maar [Z.] verwees ons naar [A.].”

8.2.2. [Y.] (niet aanwezig bij het verhoor van haar echtgenoot [X.]) heeft verklaard:

“(…)

Mijn man en ik waren op zoek naar een bedrijf dat een badkamer, een keuken en een vloer zou kunnen leveren en installeren/leggen. We wilden echt “alles onder één dak” en daarmee bedoel ik dat we niet afgezien van de aankoop zelf de rompslomp zouden hebben van het zoeken van aannemers voor de installatie van het een en ander. Zo kwamen we bij [Z.] terecht. We spraken op een vestiging van [Z.] in [vestigingsplaats 1.] met de heren [E.] en [F.]. Ik heb toen aan hen gezegd waar het ons om ging, dus dat we een totaalpakket zouden kopen (levering en montage). De heer [E.] heeft ons toen gezegd dat [Z.] dat voor ons zou kunnen verzorgen. Hij zei ons dat er montage-bedrijven zijn die de montage namens [Z.] zouden uitvoeren. Op die wijze zouden we ook 3 jaar garantie krijgen op de uitgevoerde montagewerkzaamheden. [E.] zei ons dat het helemaal goed zou komen en we ons geen zorgen hoefden te maken. We hebben toen een montagebon ondertekend die als bijlage bij de comparitie van partijen van 18 maart 2009 bij de stukken zit.

Overigens adverteert [Z.] ook nog steeds op die wijze; daarmee bedoel ik dat ze zowel de levering als de installatie van zaken kunnen verzorgen. Ik verwijs hier kortheidshalve naar reclamemateriaal van [Z.] (bijlage A) en het daarin onder het kopje “Vakkundig gevloerd” opgenomen stukje waarin staat dat [Z.]’s erkende vakmensen het plaatsen en leggen van tegels van begin tot eind verzorgen. Of dit hetzelfde reclamemateriaal is als wat mij destijds bij het eerste bezoek aan [Z.] onder ogen is gekomen durf ik niet te zeggen. Wel weet ik zeker dat in dat reclamemateriaal in ieder geval werd geadverteerd met het aanbieden van een totaalpakket waarmee ik zowel de levering als de installatie van zaken bedoel.

(…) zijn wij samen met mijn schoonouders in juni 2006 weer naar de vestiging van [Z.] in [vestigingsplaats 1.] gegaan. Toen zijn er eindelijk concrete afspraken gemaakt omtrent wat wanneer zou worden geleverd en geïnstalleerd/gelegd. Daarvan zijn notities gemaakt die geparafeerd werden door [E.]. U laat me een aantal stukken zien die zijn gewaarmerkt B1-5. Dat zijn inderdaad de notities die ik bedoelde.

Tijdens het gesprek in juni 2006 ging [E.] ook af en toe even weg om telefonisch te informeren of de planning zoals wij die bespraken ook gehaald zou kunnen worden.

[E.] heeft ons gezegd dat we op een bepaald moment een brief zouden krijgen met daarin de naam en nadere gegevens van de aannemer voor de keuken respectievelijk de badkamer respectievelijk de tegelvloer. Zo kregen wij inderdaad een brief met daarin de naam [A.]. Die naam was ons niet eerder genoemd. Wij namen contact op met [A.]. Deze kwam langs om de vloer te inspecteren en bepaalde toen dat de vloer geëgaliseerd moest worden. Dat meerwerk is toen geoffreerd. In die offerte is ook het reeds met [Z.] afgesproken bedrag van € 686,- voor het leggen van de vloer opgenomen.

[E.] had ons gezegd dat alleen het bedrag voor het leggen van de vloer alvast kon worden afgesproken (dat bedrag is ook in de montagebon van [Z.] opgenomen) maar dat de uiteindelijke offerte van de betreffende aannemer zou komen; pas na inspectie door die aannemer zou immers bekend zijn of er nog meerwerk zou moeten worden verricht en/of de vloer nog voorbehandeld zou moeten worden. Ik heb toen aangenomen dat we te zijner tijd ook de betreffende aannemer rechtstreeks zouden moeten betalen en dat is ook zo gebeurd.

Toen wij klachten hadden omtrent de gelegde tegelvoer hebben wij die direct bij [Z.] schriftelijk gemeld maar die verwees ons naar [A.].

Er is nooit door [Z.] tegen ons gezegd dat wij wat betreft het leggen van de vloer niet met [Z.] maar met een derde een overeenkomst sloten.”

8.2.3. [G.] (vader van [X.]) heeft verklaard:

“(…) zijn mijn vrouw en ik op 17 juni 2006 samen met mijn zoon en zijn vrouw naar [Z.] in [vestigingsplaats 1.] gegaan. Daar hebben we wel 3 uur met [E.] gesproken. Toen zijn er per onderdeel (badkamer, keuken, tegelvloer) concrete afspraken gemaakt omtrent wat wanneer zou worden geleverd en geïnstalleerd/gelegd. Tijdens dat gesprek ging [E.] nogal eens weg om telefonisch te informeren of de door ons beoogde planning zou kunnen worden gehaald. (…)

Tijdens dit gesprek in juni 2006 kwam nog expliciet aan de orde dat de bedrijven die de montage zouden uitvoeren door [Z.] geselecteerd waren en in opdracht van [Z.] zouden werken. Daarbij kwam ook aan de orde dat alleen dan door [Z.] een garantie op de uitvoering van de montagewerkzaamheden zou worden gegeven.

De afspraken in juni 2006 zijn schriftelijk vastgelegd en geparafeerd door [E.]. U laat mij de bijlage B 1-5 zien. Dat zijn inderdaad de stukken waarop ik doel.

Aan het slot van de bespreking in juni 2006 heeft [E.] nog eens gezegd: “Wij regelen alles, u kunt erop rekenen dat een en ander goed wordt uitgevoerd”.

8.2.4. [E.] heeft verklaard:

“(…)

De familie [X.] kwam bij ons – en daarmee bedoel ik [Z.] – met de wens om een keuken, een badkamer en een tegelvloer te kopen en daarbij ook de montage/ plaatsing van het een en ander te regelen. Zij wilden een totaalpakket en daarmee bedoel ik dat zij wilden dat [Z.] voor alles verantwoordelijk was. Ik heb gezegd dat we dat konden regelen.

De familie [[X.] heeft met verschillende verkopers van [Z.] een keuken, een badkamer en een tegelvloer uitgezocht (…). Vervolgens heb ik als bedrijfsleider met de familie [X.] (…) een definitieve prijs afgesproken. Die prijs betrof de verkochte producten en ook de montage ervan, maar niet eventueel meerwerk. Een voorbeeld van meerwerk is het egaliseren van een vloer voordat de verkochte tegelvloer kan worden gemonteerd.

Ik denk dat er na die eerste bespreking nog een bespreking is geweest die ging over de planning. (…) De aantekeningen die u mij laat zien (bijlagen B1-B4, proces-verbaal van getuigenverhoor dd. 31 januari 2011) zijn met uitzondering van B3 door mij gemaakt. B3 is van de hand van mijn collega [F.], die toen verkoper was op de afdeling badkamers/ vloeren.

(…) Wel kan ik zeggen dat het gebruikelijk was dat vervolgens de desbetreffende verkoper contact opnam met de monteur die het desbetreffende product zou plaatsen/monteren. Zo’n monteur was niet in dienst van [Z.], maar een zelfstandig montagebedrijf. Ieder filiaal van [Z.] had een lijst met een aantal vaste montagebedrijven die met [Z.] samenwerkten.

Wat de vloer betreft was al wel een montagebon door [Z.] opgemaakt. Niettemin moest er daarna nog wel een offerte van het montagebedrijf komen dat de tegelvloer zou plaatsen. Dat houdt verband met het feit dat er mogelijk nog meerwerk zou moeten worden verricht. Op deze wijze kan de monteur dus aan de klant een definitieve prijs wat de montage betreft opgeven. (…) factureert de monteur dit bedrag aan de klant. Tevens moet de monteur een bepaald bedrag, een soort provisie, aan [Z.] betalen omdat [Z.] aan de monteur het werk heeft aangeboden. (…)

(…) Als de klant de producten op eigen gelegenheid door een aannemer liet plaatsen/ monteren en later bleek dat die montage gebrekkig was uitgevoerd, was dat een zaak tussen de klant en die aannemer. Maar in het geval van de familie [X.] was nu juist afgesproken dat [Z.] de desbetreffende monteurs zou inschakelen. (…)

Als in zo’n geval waarbij [Z.] aan een monteur opdracht had gegeven ten behoeve van een klant een product van [Z.] te monteren/ plaatsen, later bleek dat die montage gebrekkig was, nam [Z.] het op zich om dan de klant aan te horen en contact op te nemen met hetzij de monteur in kwestie of de afdeling service van [Z.]. (…) [Z.] bleef wel verantwoordelijk voor een oplossing voor het door de klant gemelde probleem.

(…) folder van [Z.] (…) (bijlage A bij proces-verbaal van getuigenverhoor dd. 31 januari 2011) (…) De in die brochure onder het kopje ‘Vakkundig gevloerd’ opgenomen boodschap (…), althans de strekking ervan, is in ieder geval wel de boodschap die [Z.] ook toen al (hof: maart 2006) aan klanten gaf.”

8.3.1. Naar het oordeel van het hof valt uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen af te leiden dat [X.] c.s. met [Z.] tevens de montage (het leggen) van de tegelvloer zijn overeengekomen. In de verklaringen van [X.] en [Y.] komt helder naar voren dat zij uitdrukkelijk met [Z.] ([E.]) afspraken, dat [Z.] ook voor de montage van de gekochte producten zou zorgen. Weliswaar hebben hun verklaringen slechts beperkte bewijskracht, aangezien [X.] c.s. als partij-getuige hebben verklaard (art. 164 lid 2 Rv.), maar naar het oordeel van het hof zijn in casu aanvullende bewijzen voorhanden, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de getuigenverklaringen van [X.] c.s. voldoende geloofwaardig maken. Het hof doelt dan met name op de verklaring van [E.], die er – kort gezegd – op neer komt dat [X.] c.s. een totaalpakket (levering en montage) wilden en dat [E.] dat namens [Z.] met hen is overeengekomen. Het hof neemt ook de verklaring van de vader van [X.] in aanmerking, daar waar deze getuige heeft verklaard dat bij de bespreking in juni 2006 aan de orde kwam dat de montage-bedrijven door [Z.] waren geselecteerd en in opdracht van [Z.] werkten en dat alleen dan door [Z.] een garantie op de uitvoering van de montagewerkzaamheden zou worden gegeven.

8.3.2. Bij deze waardering van het bewijs betrekt het hof bovendien de aantekeningen van de hand van [E.] en van een collega van hem van juni 2006 (bijlagen B1-B5 bij het proces-verbaal van getuigenverhoor dd. 31 januari 2011), waaruit duidelijk aanwijzingen zijn te putten voor afspraken tussen [X.] c.s. en [Z.] omtrent de plaatsing/montage van de door [X.] c.s. bij [Z.] gekochte producten, meer in het bijzonder van de tegelvloer.

8.3.3. In het licht van het voorgaande is de enkele betwisting door [Z.] dat zij destijds met [X.] c.s. ook de montage/ het leggen van de tegelvloer is overeengekomen en haar kanttekening bij de verklaring van [E.], onvoldoende om tot een andere bewijswaardering te komen. [Z.] acht het niet geloofwaardig dat [E.] zich de afspraken met [X.] c.s. nog zo goed weet te herinneren, maar zij baseert dat enkel op het opgetreden tijdsverloop. Zij gaat bijvoorbeeld niet in op de hiervoorgenoemde aantekeningen uit juni 2006 die ook wijzen op afspraken met [Z.] omtrent de plaatsing/montage van de tegelvloer.

Wel heeft [Z.] aangevoerd dat de door [X.] c.s. overgelegde brochure (Bijlage A bij proces-verbaal van getuigenverhoor dd. 31 januari 2011) in 2006 nog niet werd gebruikt. Ook indien dat zo zou zijn doet dat echter niet af aan de hiervoor gegeven bewijswaardering, waaraan die brochure immers niet ten grondslag is gelegd.

8.3.4. Bij zijn oordeel dat vast is komen te staan dat [X.] c.s. met [Z.] ook het leggen van de tegelvloer waren overeengekomen betrekt het hof tenslotte de in r.o. 4.4.1 van het tussenarrest van 16 november 2010 genoemde aanwijzingen. Die aanwijzingen waren vóór de hiervoor besproken bewijslevering nog onvoldoende om het bestaan van bedoelde overeenkomst definitief of bij wijze van voorlopig oordeel te kunnen vaststellen, maar leiden thans in combinatie met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen tot het oordeel dat partijen ook het leggen van de tegelvloer zijn overeengekomen. Aan dit oordeel staan de in r.o. 4.4.2 van het tussenarrest van 16 november 2010 genoemde feiten en omstandigheden niet meer in de weg; die “contra-indicaties” voor het aannemen van de hiervoor bedoelde overeenkomst zijn immers verklaard/weggenomen in/door de nadien gehouden getuigenverhoren dan wel hebben te zeer hun gewicht verloren na die bewijslevering.

8.3.5. [X.] c.s. hebben nog geluidsopnames van in 2011 gehouden gesprekken met medewerkers van [Z.] gedeponeerd en de transcripties van die gesprekken overgelegd. [Z.] wijst erop dat deze gesprekken zijn opgenomen zonder dat dat tevoren aan de desbetreffende [Z.]-medewerker kenbaar werd gemaakt. Voorzover [Z.] daarmee bedoelt te betogen dat dit bewijsmateriaal onbruikbaar is want op onrechtmatige wijze is verkregen, overweegt het hof als volgt. Of dat materiaal als onrechtmatig verkregen moet worden gekwalificeerd kan in het midden blijven, nu het hof bij zijn oordeel omtrent de bewijslevering geen acht heeft geslagen op de geluidsopnames en de transcripties van de opgenomen gesprekken.

8.4. Grief 1 slaagt derhalve. Dat heeft tevens tot gevolg dat de in eerste aanleg door [Z.] aan de orde gestelde, maar destijds buiten behandeling gelaten of verworpen stellingen of weren, thans bespreking behoeven.

8.5.1. [Z.] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat [X.] c.s. te laat, namelijk pas in maart 2007, hebben geklaagd. [X.] c.s. hebben dat bestreden en gewezen op hun brief van 5 oktober 2006 en op de reactie daarop van [Z.] van diezelfde datum. [Z.] is hier niet meer op terug gekomen.

Uit genoemde correspondentie is inderdaad af te leiden, dat [X.] c.s. niet voor het eerst in maart 2007, maar reeds begin oktober 2006 bij [Z.] hebben geklaagd. Dat was tijdig, nu de vloer pas eind september 2006 is gelegd. Dit verweer van [Z.] wordt dan ook verworpen.

8.5.2. Dan de door [X.] c.s. gevorderde schadevergoeding en de te dien aanzien door [Z.] gevoerde verweren.

Tussen partijen staat vast dat de tegelvloer gebrekkig is. Nu eveneens is komen vast te staan dat [Z.] als contractspartij van [X.] c.s. heeft te gelden, ook wat betreft het leggen van deze vloer, staat de tekortkoming van [Z.] jegens [X.] c.s. vast. Deze tekortkoming kan [Z.] worden toegerekend. [X.] c.s. hebben vergoeding van de tengevolge van die tekortkoming geleden en nog te lijden schade gevorderd. Zij hebben die schade ten dele begroot (op € 10.530, -- aan herstelkosten op basis van het tweede Jabjo rapport en de in verband daarmee uitgebrachte specificatie tot dit bedrag) en ten dele als nog niet te begroten gevolgschade gekwalificeerd, waarvan zij vergoeding op te maken bij staat hebben gevorderd. Wat die gestelde “gevolgschade” betreft hebben [X.] c.s. betoogd dat de keuken, de hal en de woonkamer als gevolg van het herstellen van de vloer zullen worden beschadigd.

8.5.3. Ten aanzien van de door [X.] c.s. gevorderde schadevergoeding heeft [Z.] betoogd, dat die gebaseerd is op het tweede rapport van Jabjo (hof: van 2 januari 2008), maar dat zij daaraan niet is gebonden. Partijen hadden volgens [Z.] immers afgesproken dat het eerste rapport van Jabjo (hof: van 3 april 2007) bindend zou zijn. In dat rapport is aangegeven dat de vloer hersteld kon worden door een nieuwe vloer over de oude heen te leggen. [Z.] is bij de totstandkoming van het tweede Jabjo rapport niet betrokken geweest. Subsidiair heeft [Z.] betwist dat de herstelkosten € 10.351,-- (hof: [Z.] bedoelt kennelijk € 10.530,--) zouden bedragen. Daartoe heeft [Z.] aangevoerd, dat dat bedrag is gebaseerd op de als productie 5 bij inleidende dagvaarding overgelegde specificatie, maar dat [X.] c.s. die kennelijk niet geaccepteerd hebben, zodat niet vaststaat dat [X.] c.s. die schade hebben geleden of in de toekomst zullen lijden.

[X.] c.s. hebben bestreden dat partijen hadden afgesproken dat zij zich zouden conformeren aan de uitkomst van het eerste Jabjo rapport.

8.5.4. Het hof oordeelt als volgt. Uit het eerste Jabjo rapport blijkt niet van een afspraak tussen partijen om zich aan de uitkomst ervan te conformeren. [Z.] heeft dat wel voorgesteld in haar brief van 9 maart 2007 aan de gemachtigde van [X.] c.s., maar dat partijen dat vervolgens ook zo hebben afgesproken is niet komen vast te staan. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg hebben [X.] c.s. een dergelijk afspraak betwist.

Voorts blijkt uit de stellingen van partijen dat zij na het eerste Jabjo rapport onderhandeld hebben omtrent een afdoening in der minne en in het kader daarvan omtrent de hoogte van eventuele schikkingsbedragen. Dergelijke onderhandelingen lijken minder voor de hand te liggen, indien een partijen bindend advies tot stand zou zijn gekomen. Dat [Z.] - anders dan bij het tweede Jabjo rapport - bij het onderzoek dat leidde tot het eerste Jabjo rapport aanwezig is geweest en bij de totstandkoming van dat rapport betrokken is geweest, betekent zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat dat rapport als een partijen bindend advies was te kwalificeren.

8.5.5. Voorts brengt het enkele feit dat [Z.] niet bij de totstandkoming van het tweede Jabjo rapport betrokken is geweest niet zonder meer met zich dat op dat rapport geen acht zou kunnen worden geslagen. Kennelijk is de deskundigheid van Jabjo ook wat [Z.] betreft geen punt van discussie. Evenmin heeft [Z.] de bevindingen van Jabjo in dat tweede rapport inhoudelijk betwist. Het verweer van [Z.] dat het tweede Jabjo rapport buiten beschouwing moet worden gelaten wordt dan ook verworpen.

Overigens hadden de bevindingen in het tweede rapport tevens betrekking op na het eerste rapport opgetreden verschijnselen, namelijk het loslaten van de tegels na de ingebruikneming van de vloerverwarming. Dus zelfs indien partijen zouden hebben afgesproken zich te conformeren aan het eerste rapport, dan zou dat enkel hebben gegolden ten aanzien van de voorafgaand aan dàt rapport opgetreden verschijnselen, te weten de scheef gelegde tegels. Tot gebreken van een andere aard zoals die zich later manifesteerden (loslaten tegels na ingebruikneming vloerverwarming) zou een dergelijke afspraak zich hoe dan ook niet hebben kunnen uitstrekken.

8.5.6. In het tweede Jabjo rapport is op blz. 2 uiteengezet dat en waarom herstel van de vloer niet mogelijk is door het erover heen leggen van een nieuwe vloer. Kort gezegd komt het er op neer dat de oude (de in dit geding aan de orde zijnde) vloer na het in gebruik nemen van de vloerverwarming – waarop de tegelvloer rechtstreeks blijkt te zijn verlijmd - in zijn geheel los blijkt te komen van de cement dekvloer. Volgens Jabjo zal deze onthechting steeds verder gaan en zal de gehele tegelvloer op den duur los komen te liggen. Omdat ten tijde van de eerste inspectie de vloerverwarming nog niet in werking was gesteld, was er toen nog geen sprake van loszittende tegels. Volgens Jabjo kan de vloer alleen nog maar hersteld worden door deze in zijn geheel te verwijderen, inclusief de vloerverwarming en de cement dekvloer, om daarna opnieuw te worden aangebracht.

Zoals overwogen heeft [Z.] deze bevindingen niet, althans niet gemotiveerd betwist. Het hof zal van (de juistheid van) deze bevindingen en van de daaraan verbonden conclusie uitgaan.

8.5.7. Aan haar betwisting van de hoogte van de herstelkosten heeft [Z.] ten grondslag gelegd, dat [X.] c.s. “de specificatie ad € 10.530,-- ” kennelijk niet hebben geaccepteerd. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat [Z.] meent dat zolang niet blijkt dat [X.] c.s. de vloer daadwerkelijk voor dit bedrag hebben doen herstellen, niet kan worden gezegd dat zij schade tot dit bedrag hebben geleden.

Dit verweer faalt. [Z.] verliest uit het oog dat behoudens bijzondere omstandigheden, die in casu echter niet zijn gesteld noch zijn gebleken, [X.] c.s. recht hebben op de abstract berekende herstelkosten, met abstrahering van het antwoord op de vraag of zij daadwerkelijk tot herstel zijn overgegaan of zullen overgaan en van het feit of zij zelf hebben hersteld voor een lager bedrag.

Nu [Z.] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de gespecificeerde herstelkosten, is het aldus begrote bedrag van € 10.530,-- toewijsbaar.

8.5.8. [X.] heeft voorts gevorderd vergoeding van gevolgschade, op te maken bij staat. Het ziet dan, zo begrijpt het hof, niet op de directe kosten van vervanging van de tegelvloer zelf (daarop ziet het bedrag van € 10.530,--), doch op schade welke het gevolg is van het moeten verwijderen van de vloer. Bij comparitie na antwoord in eerste aanleg verklaarde [X.] in dat verband rekening te houden met – geschat - € 7.000,-- aan gevolgschade.

Inhoudelijk heeft [Z.] hierop niet gereageerd.

8.5.9. In de rapporten van Jabjo wordt echter op geen enkele wijze gewag gemaakt van zodanige gevolgschade. [X.] heeft ook niet toegelicht waarin die schade zou kunnen bestaan. Niet eens is duidelijk of het daarbij gaat om fysieke schade, bijvoorbeeld fysieke schade aan onderdelen van de keuken (nog daargelaten dat niet is toegelicht waarom het ontstaan van dergelijke schade onvermijdelijk zou zijn), dan wel om andere vormen van materiële schade.

8.5.10. Bij die stand van zaken is niet alleen de omvang van zodanige eventuele schade, doch zelfs het bestaan daarvan zozeer onvoldoende toegelicht, dat voor toewijzing van enige schadevergoeding geen plaats is, ook niet in de vorm van een vergoeding van schade, op te maken bij staat.

8.5.11. [X.] c.s. hebben ook vergoeding gevraagd van door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten. Volgens hen bestaan die kosten uit het bestuderen en bespreken van de zaak door hun juridisch adviseur, het schrijven van aanmaningsbrieven en het plegen van overleg.

[Z.] heeft betwist dat andere werkzaamheden zijn verricht dat die welke betrekking hebben op de voorbereiding en instructie van de onderhavige procedure.

8.5.12. Gelet op deze betwisting en op het ontbreken van een nadere onderbouwing van deze kosten door [X.] c.s. zal het hof deze vordering afwijzen.

8.5.13. De gevorderde wettelijke rente zal, als niet, althans als niet gemotiveerd betwist worden toegewezen.

8.6. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat [Z.] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de aan de zijde van [X.] c.s. gevallen proceskosten in beide instanties.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep van 29 april 2009 van de rechtbank Breda (196537/HA ZA 08-1942) en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [Z.] tot betaling aan [X.] c.s. van een bedrag van € 10.530,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2006;

veroordeelt [Z.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [X.] c.s. worden begroot op € 491,44 aan verschotten en € 904,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 507,98 aan verschotten en € 90,-- aan getuigentaxe en € 2.682,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en M.A. Wabeke en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 november 2011.