Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3281

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
HD 200.075.917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geïntimeerde is autoweg opgelopen, waardoor appellante met haar auto moest uitwijken en krachtig moest remmen; (gedeeltelijke) toewijzing vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.075.917

arrest van de zevende kamer van 1 november 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 september 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond gewezen vonnis van 20 juli 2010 tussen appellante - [X.] - als eiseres en geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 263025 \ CV EXPL 10-54)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. [Y.] is ten dienende dage niet verschenen, zodat tegen haar verstek is verleend.

2.2. Bij memorie van grieven met drie producties heeft [X.] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de inleidende vorderingen van [X.], met veroordeling van [Y.] in de kosten van beide instanties.

2.3. [X.] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1. Op 11 december 2007 heeft tussen 20.30 uur en 21.00 uur op de [weg] te [plaatsnaam A.] een incident plaatsgevonden, waarbij onder meer [X.] en [Y.] zijn betrokken.

[X.] heeft in eerste aanleg ter zake een door de politie opgemaakte mutatie van diezelfde datum overgelegd (productie 1 conclusie van repliek). Hierin staat onder meer het navolgende vermeld:

‘Ter plaatse gegaan na melding van vrouw die te voet de rijbaan van de [weg] weg op zou willen. Bleek te gaan om mevr. [Y.] (…). Deze was, nadat zij gezakt was voor het examen sociale hygiëne, met haar man, [Z.] (…), onderweg naar huis uit de auto gestapt op de [weg] te [plaatsnaam A.]. Hierna wilde zij de weg op lopen. Zij kon nog worden tegengehouden door [Z.]. Twee voorbijrijdende personenauto’s moesten hiervoor uitwijken. Zij zijn gestopt en hebben even met mevr. [Y.] gepraat en haar rustig gehouden tot politie arriveerde.

Mevr. [Y.] was duidelijk onder invloed van alcohol en daardoor erg lastig. Volgens [Z.] had zij voor het examen al alcohol gedronken tegen de zenuwen en na het examen had zij nog meer gedronken…’

4.1.2. [X.] heeft daarnaast in eerste aanleg een (ongedateerde) schriftelijke verklaring van mevrouw [A.] overgelegd (productie 2 conclusie van repliek), waarin deze het navolgende verklaart:

‘Bij deze wil ik getuigen voor hetgeen op dinsdag 11 december 2007 is voorgevallen. Ik reed omstreeks 20.30 uur op de oude [weg] richting [plaatsnaam A.] ([plaatsnaam B.]). Voor mij reed een zilvergrijze Golf met het kenteken [kenteken]. Tot mijn schrik week deze auto opeens uit naar de linker weghelft. Omdat ik midden op de weg een vrouw zag staan, volgde ik de zilvergrijze Golf die voor me reed… Toen ik de vrouw naderde, zag ik dat een man haar van de weg af trok en haar stevig in haar middel vasthield. Voor mij zag ik de zilvergrijze Golf krachtig remmen. De auto kwam een eindje verder tot stilstand... Toen de politie eenmaal ter plaats was, werd de vrouw die voor de zilvergrijze Golf gesprongen was, erg agressief… Ze rook naar alcohol en stond op haar blote voeten. Ze was heel opstandig…’

4.1.3. Uit het door [X.] overgelegde verslag van de spoedeisende hulp van 18 december 2007 (productie 2 inleidende dagvaarding) blijkt dat [X.] zich op 12 december 2007 heeft gemeld bij de spoedeisende hulp met nek- en hoofdpijnklachten en dat aldaar als diagnose spiercontusie na trauma is vastgesteld.

4.1.4. Bij brief van 9 december 2010 (productie 2 bij memorie van grieven) heeft de gemeente Weert aan [X.] omtrent de status van de [weg] te [plaatsnaam A.] medegedeeld dat de hoofdrijbaan van deze weg vanuit [plaatsnaam C.] richting [plaatsnaam A.] een autoweg buiten de bebouwde kom binnen de gemeentegrenzen van Weert betreft en dat de toegestane snelheid vanaf de afslag A2 tot aan het viaduct Hushoven 100 kilometer per uur is. De gemeente heeft daarnaast medegedeeld dat het voor voetgangers niet is toegestaan om op of over een autoweg te lopen.

4.2. [X.] heeft in eerste aanleg gevorderd [Y.] te veroordelen tot betaling van een totaal bedrag van € 4.982,79 ter zake van schadevergoeding. [X.] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij op 11 december 2007 tussen 20.30 uur en 21.00 uur op de [weg] te [plaatsnaam A.] met haar auto (een zilvergrijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]) uit heeft moeten wijken en een noodstop heeft moeten maken, omdat [Y.] doelbewust plotseling de weg op sprong. [X.] heeft zich op het standpunt gesteld dat [Y.] aansprakelijk is voor de door haar ten gevolge hiervan geleden materiële schade ter hoogte van € 482,79 en immateriële schade ter hoogte van € 4.500,-

[Y.] heeft in eerste aanleg betwist dat zij doelbewust voor de auto van [X.] is gesprongen en dat zij aansprakelijk is voor de door [X.] gestelde geleden schade. Voorts heeft zij de door [X.] gestelde schade betwist.

4.3. Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van [X.] afgewezen en [X.] veroordeeld in de proceskosten.

4.4. [X.] kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis en komt hiertegen op.

Met haar vijf grieven heeft [X.] het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Voor zover van belang zal op de afzonderlijke grieven worden ingegaan.

4.5.1. Het hof begrijpt de stellingen van [X.] aldus dat zij stelt dat [Y.] een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd door op 11 december 2007 doelbewust de autoweg op te lopen waardoor [X.] een noodstop moest maken.

[Y.] heeft in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg erkend dat zij zich op de bewuste datum en tijd (11 december 2007 tussen 20.30 uur en 21.00 uur) op de [weg] richting [plaatsnaam A.] bevond. [Y.] heeft echter betwist dat zij midden op de weg stond. Volgens haar stond zij aan de rand van de weg.

Tussen partijen staat vast dat de [weg] te [plaatsnaam A.] een autoweg betreft waar de maximum toegestane snelheid 100 kilometer per uur is en dat toegang tot deze weg voor voetgangers is verboden. Voorts heeft [X.] bij conclusie van repliek de eerdergenoemde schriftelijke verklaring van mevrouw [A.] overgelegd, waarin de door [X.] gestelde gang van zaken wordt bevestigd. De aanwezigheid van mevrouw [A.] ter plaatse wordt bevestigd door de eveneens bij conclusie van repliek overgelegde politiemutatie van 11 december 2007. [Y.] heeft de inhoud van de verklaring van mevrouw [A.] noch de bevindingen van de politie, zoals vermeld in de mutatie, weersproken, aangezien zij in eerste aanleg geen conclusie van dupliek heeft genomen en zij in hoger beroep geen verweer voert.

Het hof is dan ook van oordeel dat [Y.] de door [X.] gestelde en met bescheiden onderbouwde gang van zaken op 11 december 2011 op de [weg] te [plaatsnaam A.] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat van de juistheid daarvan uitgegaan dient te worden. [Y.] heeft in eerste aanleg in algemene termen bewijs aangeboden, maar voor levering van (tegen)bewijs ziet het hof bij deze stand van zaken geen grond.

Het hof gaat er aldus van uit dat [Y.] op de bewuste avond de autoweg is opgelopen waardoor [X.] genoodzaakt was krachtig te remmen.

4.5.2. Met het voorgaande heeft [Y.] naar het oordeel van het hof een onrechtmatige daad gepleegd jegens [X.]. Er is immers sprake van een doen in strijd met een wettelijke plicht/norm, te weten artikel 42 lid 2 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Op grond van deze bepaling is het gebruik van de autoweg slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 kilometer per uur mag en kan worden gereden en is het voor voetgangers dus verboden om de autoweg te gebruiken. Deze bepaling betreft een veiligheidsvoorschrift die naar haar aard strekt tot bescherming tegen het gevaar van ongelukken en beoogt het belang van alle weggebruikers te beschermen (dus ook dat van [X.]). Door haar gedraging heeft [Y.] het gevaar voor ongevallen in aanmerkelijke mate verhoogd. Hieruit volgt dat tevens is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.

De onrechtmatige daad kan voorts aan [Y.] worden toegerekend, nu deze te wijten is aan haar schuld. [Y.] heeft immers uiterst gevaarlijk en onverantwoordelijk gedrag vertoond door ’s avonds in het donker in beschonken toestand (hetgeen zowel door de politie als door mevrouw [A.] is geconstateerd) een autoweg op te lopen waar een voetgangersverbod geldt en het voor motorvoertuigen is toegestaan 100 kilometer per uur te rijden.

4.5.3. Uit het voorgaande volgt dat het hof het oordeel van de kantonrechter, inhoudende dat [Y.] niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de door [X.] gestelde geleden schade, niet deelt.

4.6.1. Nu vast staat dat [Y.] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [X.] die aan haar kan worden toegerekend, is zij op grond van artikel 6:162 lid 1 BW verplicht de schade die [X.] dientengevolge lijdt te vergoeden. Voor vergoeding komt in aanmerking schade die in een zodanig verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [Y.] berust, dat zij haar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).

[X.] heeft zowel materiële als immateriële schadevergoeding gevorderd. Het hof zal eerst de vordering tot vergoeding van immateriële schade behandelen (hierop heeft grief 3 mede betrekking).

4.6.2. Op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 BW aanhef en onder b BW heeft [X.] recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien komt vast te staan dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Bij de bepaling van de omvang van de immateriële schadevergoeding moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is de mate waarin [X.] door de onrechtmatige gedraging van [Y.] is getroffen.

[X.] vordert ter zake van immateriële schadevergoeding een bedrag van € 4.500,- en stelt in dit kader aan het ongeval hoofdpijn, nekklachten en concentratieproblemen te hebben overgehouden. Ter ondersteuning van haar vordering heeft [X.] in eerste aanleg onder meer het eerdergenoemde verslag van de spoedeisende hulp van 18 december 2007 overgelegd (productie 2 inleidende dagvaarding). Hieruit blijkt dat zij zich op 12 december 2007 bij de spoedeisende hulp heeft gemeld met nek- en hoofdpijnklachten en dat de dienstdoende arts de diagnose spiercontusie (spierkneuzing) na trauma heeft gesteld.

Zij heeft daarnaast twee telefoonnotities van de huisarts van 13 december 2007 en van de waarnemend huisarts van 16 december 2007 overgelegd waarin tevens dezelfde klachten beschreven worden (productie 4 conclusie van repliek). Ten slotte heeft [X.] een verklaring van een fysiotherapeute van 26 maart 2008 overgelegd (productie 2 inleidende dagvaarding). Hieruit is af te leiden dat [X.] sinds twee weken na het ongeval door de fysiotherapeute is behandeld in verband met nekklachten en hoofdpijnklachten vanuit de diagnose hypertonie (verhoogde druk en/of spanning) nek/schouder met reaktieve hoofdpijn.

Gelet op de data van het bezoek aan de spoedeisende hulp en van de telefoonnotities (één dag respectievelijk twee dagen en vijf dagen na de datum van het incident op de [weg] te [plaatsnaam A.]) en nu gesteld noch gebleken is dat [X.] reeds voor het ongeval last had van dergelijke klachten, acht het hof het voldoende aannemelijk dat voornoemde nek- en hoofdpijnklachten van [X.] verband houden met de onrechtmatige gedraging van [Y.].

Hoewel de fysiotherapeute niet expliciet de conclusie trekt dat de door haar gestelde diagnose verband houdt met het incident op de [weg] te [plaatsnaam A.] op 11 december 2007, acht het hof het voldoende aannemelijk dat het ook hier nog steeds om dezelfde klachten gaat, gelet op de overeenkomst in de beschrijving van de klachten en de datum waarop de behandeling door de fysiotherapeute is aangevangen (twee weken na de datum waarop de onrechtmatige gedraging van [X.] heeft plaatsgevonden). Aldus is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat [X.] als gevolg van de onrechtmatige gedraging van [Y.] enige immateriële schade heeft geleden. De stelling van [X.] dat zij aan het incident een whiplash heeft overgehouden, wordt echter niet in de door haar overgelegde stukken bevestigd. De dienstdoende arts op de spoedeisende hulp noch de fysiotherapeute heeft deze diagnose gesteld en [X.] heeft ook geen stukken van andere medici overgelegd waaruit deze diagnose volgt. Weliswaar worden in de telefoonnotities van de huisarts en waarnemend huisarts de term whiplash genoemd, maar deze diagnose is niet door hen zelf vastgesteld (aangezien het in beide gevallen om een telefonisch consult ging), maar kennelijk door [X.] aan de telefoon medegedeeld.

[X.] heeft voorts ten aanzien van haar medische situatie ná 26 maart 2008 geen stukken overgelegd, zodat voor het hof niet duidelijk is of, en zo ja, hoe lang zij bovengenoemde klachten nadien nog heeft gehad. In ieder geval is onvoldoende gesteld of gebleken dat [X.] (blijvende) beperkingen in haar dagelijkse activiteiten heeft ondervonden als gevolg van de onrechtmatige gedraging van [Y.]. [X.] heeft in haar inleidende dagvaarding slechts gesteld dat de hoofdpijnen en het concentratieverlies zeer bezwarend voor haar zijn gezien de zorg die zij heeft voor haar drie minderjarige kinderen, maar zij heeft deze stelling in het geheel niet nader onderbouwd. In haar conclusie van repliek heeft zij aangegeven dat zij in verband met de klachten enige tijd niet heeft kunnen autorijden, hetgeen door [Y.] niet is weersproken, maar het hof begrijpt dat dit slechts enkele weken heeft geduurd.

De door [X.] aangehaalde gevallen uit het zgn. Smartengeldboek van de ANWB waarop zij de hoogte van haar vordering ter zake van immateriële schade baseert, acht het hof niet vergelijkbaar met haar geval. In deze gevallen staat namelijk wel vast dat de slachtoffers een whiplash hadden overgehouden aan het ongeval en was er veelal sprake van (blijvende) beperkingen in de dagelijkse activiteiten.

Gezien het hiervoor overwogene zal het hof, mede gelet op rechterlijke uitspraken in vergelijkbare gevallen, de immateriële schadevergoeding bepalen op € 600,-.

4.6.3. Het hof komt thans toe aan de behandeling van de vordering van [X.] tot materiële schadevergoeding ter hoogte van € 482,79, bestaande uit de vergoeding van de kosten voor het vervangen van de banden van haar auto en de kosten van de halskraag.

4.6.3.1. Ten aanzien van de vervanging van de autobanden stelt [X.] dat zij door de noodstop en het bovenmatig remmen om [Y.] te ontwijken nieuwe banden heeft moeten aanschaffen. Zij heeft ter onderbouwing hiervan in eerste aanleg een factuur d.d. 23 januari 2008 van DHZ Garage [vestigingsnaam] bv overgelegd (productie 1 inleidende dagvaarding), waaruit blijkt dat de kosten voor de vervanging van de autobanden € 404,60 bedroegen. [Y.] heeft in haar conclusie van antwoord het causaal verband tussen de aan haar verweten gedraging en de vervanging van de autobanden betwist. Zij heeft in dit kader aangevoerd dat de banden pas zes weken na het incident vervangen zijn en dat de banden wellicht toch al aan vervanging toe waren. Dit laatste verweer is kennelijk door de kantonrechter gevolgd.

Ten aanzien van de periode van zes weken tussen de onrechtmatige gedraging van [Y.] en de vervanging van de autobanden heeft [X.] in haar conclusie van repliek naar voren gebracht dat zij aanvankelijk niet meer heeft kunnen rijden vanwege haar klachten. Dit heeft [Y.] niet meer betwist.

[X.] heeft daarnaast in hoger beroep een schriftelijke verklaring van DHZ Garage [vestigingsnaam] bv d.d. 15 december 2010 overgelegd (productie 3 memorie van grieven). Hierin wordt het navolgende verklaard:

‘Op 23-01-2008 hebben we nieuwe banden gelegd op de auto (Volkswagen Golf met het kenteken: [kenteken]) van mevrouw [X.]… Dit was nodig, omdat er een noodstop was gemaakt. Met een snelheid van 100 km/h remmen, dat volgens mevrouw [X.] gebeurd is, heeft tot gevolg dat de wielen geblokkeerd worden en de auto doorschuift waardoor wrijving ontstaat op de banden die niet meer draaien, omdat ze geblokkeerd zijn. Er ontstaan dan remplekken waardoor de banden vervangen moeten worden. Wij hebben dezelfde banden er opgelegd als die er op zaten. De auto is altijd bij ons in onderhoud geweest en was tip top in orde, inclusief de banden. De banden waren vóór de noodstop echt niet versleten.’

De inhoud van deze verklaring is evenmin weersproken, aangezien [Y.] in hoger beroep geen verweer voert.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de banden van de auto van [X.] als gevolg van de door haar gemaakte noodstop om [Y.] te ontwijken zodanig versleten waren dat zij vervangen moest worden. Hiermee staat het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van [Y.] en de door [X.] geleden schade, bestaande uit de kosten van vervanging van de autobanden, voldoende vast. Het verweer van [Y.] dat er in ieder geval een aftrek dient plaats te vinden in verband met vervanging van oud voor nieuw (punt 9 conclusie van antwoord) verwerpt het hof, gelet op de verklaring van de autogarage dat de banden van de auto van [X.] vóór de noodstop echt niet versleten waren. Uit deze verklaring leidt het hof af dat de banden toen nog in erg goede staat waren.

Voor vergoeding komt in aanmerking het op voornoemde factuur d.d. 23 januari 2008 vermelde bedrag van € 404,60. [Y.] heeft deze factuur immers niet betwist.

4.6.3.2. [X.] vordert daarnaast een bedrag van € 70,95 ter zake van de aanschaf van een halskraag. [X.] heeft ter onderbouwing van dit bedrag in eerste aanleg een kopie van een door haar ingevuld aanvraagformulier verstrekkingen van zorgverzekeraar CZ d.d. 13 december 2007 en een factuur met betrekking tot de aanschaf van de nekkraag van diezelfde datum overgelegd (productie 1 inleidende dagvaarding). [Y.] heeft in haar conclusie van antwoord betwist dat de kosten van de halskraag, gelet op het aanvraagformulier verstrekkingen, uiteindelijk door [X.] zelf zijn gedragen. Daarnaast betwist zij de noodzaak tot het dragen van de halskraag.

Gelet op de datum van aanschaf van de halskraag (twee dagen na de datum van het incident op de [weg]), acht het hof het geenszins onaannemelijk dat de aanschaf van de halskraag verband houdt met de als gevolg van de onrechtmatige gedraging van [Y.] ontstane nekklachten bij [X.]. [X.] heeft echter in haar conclusie van dupliek noch in hoger beroep gereageerd op de betwisting door [Y.] dat de kosten van de halskraag uiteindelijk door [X.] zelf zijn voldaan. Het is het hof derhalve niet duidelijk of deze kosten later alsnog door de ziektekostenverzekeraar aan [X.] (geheel) zijn vergoed. Het had op de weg van [X.] gelegen om, gelet op het verweer van [Y.], nader inzicht hierin te verschaffen, hetgeen zij heeft nagelaten. De door [X.] gevorderde vergoeding van de kosten voor de halskraag komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

4.6.3.3. [X.] vordert een totaal bedrag van € 482,79 ter zake van materiële schadevergoeding. Aangezien de kosten van de vervanging van de autobanden en de kosten van de aanschaf van de halskraag tezamen € 475,55 bedragen, resteert nog een (summier) bedrag van € 7,24. Dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dit bedrag in ieder geval zal worden afgewezen.

4.7. Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van [X.] tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.004,60 (€ 600,- immateriële schadevergoeding en € 404,60 materiële schadevergoeding). Over dit bedrag is, zoals gevorderd, de wettelijke rente toewijsbaar vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (31 december 2009).

4.8a. Het vonnis van de kantonrechter dient derhalve te worden vernietigd.

[Y.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [Y.] aan [X.] te betalen een bedrag groot € 1.004,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2009 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Y.] in de kosten van beide instanties en begroot deze kosten aan de zijde van [X.] tot op heden:

- in eerste aanleg op € 208,- voor griffierecht, € 85,98 voor explootkosten en € 768,-voor salaris gemachtigde, derhalve in totaal op € 1.061,98, welk totaalbedrag op de voet van artikel 243 (oud) Rv dient te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Roermond onder vermelding van zaaknr. 263025 \ CV EXPL 10-54;

- in hoger beroep op € 372,93 voor verschotten en € 632,- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en S. Bochove en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 november 2011.