Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3198

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
HD 200.071.294 E
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BM2395, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:BM2396, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van tussenuitspraak van 28 september 2010, LJN BU3197

CAO beroepsgoederenvervoer, standplaats, verblijfkostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0906

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.071.294

arrest van de achtste kamer van 1 november 2011

in de zaak van

[X.] TRANSPORT B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats],

appellante,

advocaat: mr. A.C. Dabekaussen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Bruins,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 september 2010 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen onder nummer 312359 CV EXPL 08-9672 gewezen vonnissen van 15 juli 2009 en 31 maart 2010.

5. Het tussenarrest van 28 september 2010

Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. De geplande comparitie heeft geen doorgang gevonden.

6.2. [X.] heeft bij memorie van grieven producties overgelegd, het hoger beroep tegen het vonnis van 15 juli 2009 ingetrokken, zes grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 31 maart 2010 vernietigt en de vorderingen van [Y.] alsnog afwijst, met veroordeling van [Y.] in de kosten in beide instanties.

6.3. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

6.4. Vervolgens hebben partijen uitspraak gevraagd. Alleen [X.] heeft daartoe de gedingstukken overgelegd.

7. De verdere beoordeling

7.1.1. Het gaat in dit hoger beroep, kort gezegd, om het volgende.

- [Y.] is van 27 november 1989 tot en met 31 augustus 2007 bij [X.] in dienst geweest in de functie van (inter-)nationaal chauffeur. Hij verdiende laatstelijk € 2.063,82 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

- Op deze arbeidsovereenkomst was de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) van toepassing. In de periode van januari 2003 tot september 2007 - waarover het in deze procedure gaat - waren achtereenvolgens verschillende algemeen verbindend verklaarde cao’s van kracht.

- Artikel 3 lid 7 en artikel 40 van deze cao’s luiden, voor zover relevant, als volgt:

“Artikel 3

Definities

In deze overeenkomst (…) wordt verstaan onder

7. standplaats: het terrein waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid uitoefent of het terrein waar de garage der onderneming is gelegen, dan wel waar deze zijn vervoermiddelen stalt of behoort te stallen”

“Artikel 40

Vergoeding van verblijfkosten

1. Aan de werknemer worden volgens het in lid 3 van dit artikel opgenomen schema de onderweg gemaakte kosten vergoed bestaande uit maaltijden, overige consumpties en kleine uitgaven verbonden aan de uitoefening van de dienstbetrekking. Hieronder vallen niet de kosten van logies, inrichting van de cabine, koersverschillen en uitbetaalde fooien.

2. Van lid 1 kan worden afgeweken indien een afzonderlijke detacheringsregeling is getroffen of de werkgever een regeling heeft getroffen waardoor de werknemer gratis gebruik kan maken van bedrijfskantinefaciliteiten. Deze bedrijfskantinefaciliteiten dienen qua niveau in overeenstemming te zijn met de rechten die normaal gesproken ontleend kunnen worden aan onderstaand schema.

3. De verblijfkostenvergoeding bedraagt:

a. Bij ééndaagse ritten:

(…)

b. Bij meerdaagse ritten:

(…)

c. Tussentijdse dagen

(…)”

- In artikel 40 lid 3, althans in twee voetnoten bij dit artikel, is verder bepaald dat onder een ééndaagse rit wordt verstaan een rit waarbij het vertrek en de aankomst binnen 24 uur plaatsvinden alsmede dat het criterium geldt voor de afwezigheidsduur van de standplaats. De elkaar opvolgende cao’s bevatten wisselende tarieven.

- Na beëindiging van het dienstverband hebben partijen gecorrespondeerd over vermeende vorderingen over en weer. [Y.] heeft daarbij onder andere aanspraak gemaakt op een vergoeding van verblijfkosten bij meerdaagse ritten als bedoeld in artikel 40 van de cao.

- [Y.] is woonachtig in [woonplaats]. [X.] is gevestigd in [vestigingsplaats]. [Y.] reed geregeld met een oplegger van de Firma [Z.]. Deze firma is gevestigd in [vestigingsplaats].

7.1.2. [Y.] heeft na vermindering van eis gevorderd, kort gezegd, dat [X.] wordt veroordeeld tot betaling aan hem van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over een bedrag van € 1.548,01 bruto, alsmede tot betaling van € 4.362,85 netto ter zake niet uitbetaalde vergoeding voor meerdaagse ritten op basis van artikel 40 van de cao over de periode 1 januari 2003 tot 30 september 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [X.] in de proceskosten.

7.1.3. [X.] heeft verweer gevoerd.

7.1.4. De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 juli 2009 een comparitie van partijen gelast. De kantonrechter heeft vervolgens bij eindvonnis, kort gezegd, [X.] veroordeeld tot betaling aan [Y.] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad € 232,20 bruto en de wettelijke rente over € 1.548,01 bruto alsmede tot betaling van € 3.175,13 netto ter zake de niet uitbetaalde vergoeding ex artikel 40 van de cao, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [X.] in de proceskosten.

7.1.5. [X.] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

7.2. [X.] heeft haar appel tegen het tussenvonnis van 15 juli 2009 uitdrukkelijk ingetrokken. In dit tussenvonnis is de kantonrechter uitvoerig ingegaan op het door [X.] in eerste aanleg gevoerde verweer dat sprake zou zijn van rechtsverwerking, en dit verweer vervolgens verworpen. Gezien het uitdrukkelijke intrekken van het beroep tegen dit tussenvonnis merkt het hof dan ook de opmerkingen over rechtsverwerking (voorlaatste alinea pagina 3) niet aan als impliciete grief. Hierbij laat het hof meewegen dat ook [Y.] bedoelde opmerkingen evenmin als grief heeft opgevat.

Voor zover [X.] niettemin anders zou hebben beoogd, geldt dat de - alsdan wel als grief aan te merken - opmerkingen op geen enkele wijze ingaan op de door de kantonrechter gepleegde vaststelling dat [X.] artikel 26 lid 2 sub e van de cao niet heeft nageleefd. Zulks staat reeds aan een beroep op rechtsverwerking in de weg. Het oordeel van de kantonrechter dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond is voor rechtsverwerking is voorts in overeenstemming met vaste jurisprudentie.

7.3.1. Grief 1 heeft betrekking op de vaststelling door de kantonrechter van [woonplaats] als standplaats. In deze grief wordt betoogd dat de vraag of sprake is van een tweede standplaats bij [Z.] te [vestigingsplaats] niet afhankelijk is van het al dan niet bestaan van een detacheringsovereenkomst tussen [Z.] en [X.]. Deze vraag moet (primair) aan de hand van het bepaalde in lid 1 en lid 3 van artikel 40 van de cao worden beoordeeld. Voor het aannemen van [vestigingsplaats] als tweede standplaats noemt [X.] de volgende argumenten:

- [Y.] hoefde ten behoeve van zijn werkzaamheden niet (vaak) in [woonplaats] te zijn; hij stalde zijn wagen in [woonplaats] omdat dit voor hem makkelijk was en kosten en moeite bespaarde;

- [Y.] voerde zijn werkzaamheden uit vanuit [vestigingsplaats] in opdracht van [Z.] en conform de instructies van [Z.]; [X.] had hier geen zicht op;

- [Y.] diende bij aanvang van het werk de oplegger bij [Z.] te koppelen en bij terugkeer op het terrein van [Z.] de oplegger te ontkoppelen en aldaar te stallen;

- [Y.] is in het kader van de Rijtijdenwet uitgegaan van standplaats [vestigingsplaats].

Volgens [X.] werkt het oordeel van de kantonrechter misbruik van de regeling van artikel 40 van de cao in de hand, nu [Y.] de mogelijkheid had om een extra vergoeding te verdienen door via [woonplaats] om te rijden, terwijl de afstand tussen [vestigingsplaats] en het woonadres van [Y.] kleiner is dan de afstand tussen [Z.] en [X.]. [X.] voert tot slot aan dat haar uitleg past bij de strekking van de regeling in artikel 40 van de cao.

Grief 2 bouwt volledig voort op grief 1.

7.3.2. Het hof zal de grieven 1 en 2 gezamenlijk bespreken en overweegt als volgt. Voor de vaststelling van de hoogte van de verblijfkostenvergoeding van artikel 40 van de cao is nodig dat komt vast te staan wat de standplaats van de werknemer is. Artikel 3 lid 7 van de cao bepaalt dat onder standplaats moet worden verstaan: het terrein waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid uitoefent of het terrein waar de garage der onderneming is gelegen, dan wel waar deze zijn vervoermiddelen stalt of behoort te stallen. Als uitgangspunt voor de uitleg van deze cao-bepaling geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (HR 10 december 2004, LJN AR1049, JAR 2005, 31).

7.3.3. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 3 lid 7 van de cao en met name het gebruik van het eerste woordje ‘of’ erop wijst dat slechts sprake kan zijn van één standplaats. Ook het feit dat in (een voetnoot bij) artikel 40 van de cao wordt gesproken over ‘de standplaats’ wijst in die richting. Dit sluit naar het oordeel van het hof bovendien aan bij de aard van een standplaatsbepaling, waarbij het immers moet gaan om een vast gegeven aan de hand waarvan onder meer bepaalde vergoedingen worden berekend. Het hof verwerpt dan ook het standpunt van [X.] dat de cao niet uitsluit dat twee standplaatsen mogelijk zijn. Voorts geldt dat, hoewel dit in artikel 4 lid 1 sub b van de cao wordt voorgeschreven, in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen standplaats is opgenomen. In dat geval moet naar het oordeel van het hof voor het bepalen van de standplaats in beginsel worden uitgegaan van de plaats waar de werkgever is gevestigd. Dat is in deze zaak [woonplaats], alwaar de garage van [X.] is gelegen. Naar het oordeel van het hof heeft [X.] onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd om te kunnen aannemen dat desondanks (niet [woonplaats] maar) [vestigingsplaats] als standplaats moet worden aangemerkt. Het hof merkt op dat uit de eigen stellingen van [X.] volgt dat [Y.] zijn vrachtwagen feitelijk juist in [woonplaats] stalde. Daar komt bij dat [X.] enkele van haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, mede gelet op het daartegen door [Y.] gevoerde verweer. Zo heeft [Y.] gemotiveerd weersproken dat hij zijn vrachtwagen in [vestigingsplaats] stalde of behoorde te stallen. Hij heeft verder aangevoerd dat de planning via [X.] verliep. [Y.] heeft tot slot betwist dat hij alleen vanuit praktisch oogpunt zijn eigen wagen in [woonplaats] stalde. Het lag op de weg van [X.] om haar stellingen nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten gaat het hof - zonder [X.] de gelegenheid te bieden om bewijs te leveren - voorbij aan haar stelling dat [vestigingsplaats] als (tweede) standplaats moet worden beschouwd. Dat [Y.] in het kader van de Rijtijdenwet zou zijn uitgegaan van de standplaats [vestigingsplaats], maakt het voorgaande niet anders. De grieven 1 en 2 falen dan ook.

7.4.1. Grief 3 is gericht tegen de verwerping door de kantonrechter van de stelling van [X.] dat de vordering van [Y.] aanpassing behoeft aan de wisselende tarieven in de elkaar opvolgende cao’s. Volgens de kantonrechter had [X.] dit standpunt onvoldoende onderbouwd.

7.4.2. [Y.] heeft aan de hand van de door [X.] over de periode september 2006 tot en met augustus 2007 overgelegde originele urenlijsten een herberekening laten maken van de nog verschuldigde verblijfkostenvergoeding over die periode, uitgaande van de standplaats [woonplaats]. Het hof leidt uit de in eerste aanleg overgelegde toelichting op deze berekening af dat daarbij rekening is gehouden met het feit dat per 1 april 2007 een nieuwe cao van kracht werd. Deze herberekening resulteerde in een tekort over voornoemde periode van € 679,90 netto. [Y.] heeft op basis hiervan de achterstallige verblijfkostenvergoeding over de gehele periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2007 geschat op een bedrag van € 3.175,13 netto. De kantonrechter heeft dit bedrag toegewezen. [X.] heeft in eerste aanleg aangevoerd en voert ook thans in deze grief aan dat de schatting van [Y.] niet juist is omdat geen rekening is gehouden met het feit dat de vergoedingen gedurende het dienstverband opliepen. Volgens [X.] is in de hiervoor bedoelde herberekening uitgegaan van het laatste/hoogste bedrag. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [X.] deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op de weg van [X.] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen, door zelf een nieuwe berekening te maken. Zij heeft dit echter nagelaten. Deze grief faalt dan ook.

7.5.1. In grief 4 wordt betoogd dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, wel degelijk sprake is van een detacheringsregeling als bedoeld in artikel 40 lid 2 van de cao, althans een feitelijke gang van zaken die daarmee kan worden gelijk gesteld. [X.] voert daartoe het volgende aan:

- [Y.] reed in opdracht van [Z.];

- [Y.] vertrok vanuit standplaats [vestigingsplaats];

- [Y.] kwam vervolgens weer in [vestigingsplaats] aan na het voltooien van de opdracht;

- [X.] stond volledig buiten de door [Z.] gemaakte planning;

- [Y.] liet in opdracht van [Z.] de oplegger achter;

- [Y.] is in het kader van de Rijtijdenwet uitgegaan van standplaats [vestigingsplaats];

- [Y.] maakte gebruik van de kantine van [Z.], ook al bood deze naar zeggen van [Y.] minder faciliteiten.

7.5.2. Het hof stelt vast dat [X.] ook in hoger beroep heeft nagelaten om een schriftelijke detacheringsovereenkomst in het geding te brengen of een ander stuk waaruit het bestaan van een zodanige detacheringsovereenkomst kan worden afgeleid. De door [X.] bij conclusie van dupliek overgelegde schriftelijke verklaringen zijn eveneens onvoldoende. Het hof hecht hier geen doorslaggevende betekenis aan omdat het gaat om door [X.] opgestelde en door twee werknemers van [X.] ondertekende verklaringen waarin heel algemeen wordt gesproken over een detacheringsregeling. Over concrete wetenschap van of mededelingen aan [Y.] wordt niets gemeld. [X.] heeft daarnaast een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd. Echter, deze zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan de hand daarvan het bestaan van een regeling zoals bedoeld in artikel 40 lid 2 van de cao te kunnen aannemen. Gezien de ratio van deze bepaling moet het naar het oordeel van het hof immers gaan om een voor de werknemer duidelijke afspraak. Een zodanige afspraak kan niet achteraf worden afgeleid uit de door [X.] gestelde feiten en omstandigheden. Daarbij komt dat [Y.] de stellingen van [X.] gemotiveerd heeft weersproken. Zo heeft [Y.] onder meer weersproken dat hij in opdracht van [Z.] reed. De stelling over de kantinefaciliteiten zal in het kader van grief 5 worden besproken. Het voorgaande betekent dat grief 4 ongegrond is.

7.6.1. In grief 5 wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat [X.] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfskantinefaciliteiten van [Z.] qua niveau in overeenstemming waren met de rechten die kunnen worden ontleend aan het schema van artikel 40 lid 3 van de cao. Volgens [X.] waren de voorzieningen in haar kantine vergelijkbaar met die in de bedrijfskantine van [Z.].

7.6.2. Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 40 lid 2 kan van de regeling van de leden 1 en 3 worden afgeweken indien de werkgever een regeling heeft getroffen waardoor de werknemer gratis gebruik kan maken van bedrijfskantinefaciliteiten die qua niveau in overeenstemming zijn met de rechten die normaal gesproken ontleend kunnen worden aan het schema van lid 3. Hiermee wordt naar het oordeel van het hof gedoeld op zodanige voorzieningen dat de werknemer onderweg gratis maaltijden en consumpties kan nuttigen. Naar het oordeel van het hof heeft [X.] haar hierop gerichte stellingen - die door [Y.] zijn betwist - ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. [X.] heeft enkel aangevoerd dat de kantine van [Z.] hetzelfde niveau heeft als die van [X.] zelf, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van kantinefaciliteiten zoals bedoeld in artikel 40 lid 2 van de cao. Hierop strandt deze grief.

7.7.1. In grief 6 wordt aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het bedrag van € 1.548,01 heeft toegewezen, aangezien deze hoofdsom op het moment van het erkennen van de verschuldigdheid daarvan is uitbetaald.

7.7.2. [Y.] heeft bij memorie van antwoord aangegeven dat de gevorderde hoofdsom op of kort na de datum van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding is voldaan. Om deze reden kan volgens [Y.] de vordering ter zake de wettelijke rente over € 1.548,01 op nihil worden gesteld. Gelet hierop heeft [X.] wat betreft de wettelijke rente geen belang meer bij haar grief. Wat betreft de wettelijke verhoging faalt de grief. Dat de gevorderde hoofdsom op of kort na de datum van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding is voldaan, neemt niet weg dat daarover toch de wettelijke verhoging volledig verschuldigd kan zijn. Naar het oordeel van het hof was dit het geval nu op het moment van betalen de maximale termijn als bedoeld in artikel 7:625 BW ruimschoots was verstreken. De hoofdsom was immers reeds eind 2007 opeisbaar.

7.8. [X.] heeft in de memorie van grieven een algemeen bewijsaanbod gedaan. Nu een deel van haar stellingen echter niet ter zake dienend is en zij haar overige stellingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [Y.], onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

7.9. De slotsom is dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest zal wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

8. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Y.] worden begroot op € 263,-- aan verschotten en € 632,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, E.A.G.M. Waaijers en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 november 2011.