Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
HD 200.076.728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting met time-sharing.

Onrechtmatige daad van meeprofiterende echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.076.728

arrest van de vierde kamer van 25 oktober 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E.W.J.M. van Bree,

tegen:

1. [Y.],

2. [Z.],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.F.H. Donners,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 17 maart 2010 en 4 augustus 2010 tussen appellante - [X.] – en [Q.] als gedaagden en geïntimeerden – geïntimeerde sub 1 te noemen [Y.] en geïntimeerde sub 2 [Z.] - als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 90036/HA ZA 08-784)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, alsmede naar het vonnis in het incident tot vrijwaring van 4 maart 2009 en het comparitievonnis van 29 april 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] 10 producties overgelegd, zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [Z.] en veroordeling van [Z.] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Z.] twee producties overgelegd en de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

In het dossier van [X.] ontbreken alle processtukken van het hoger beroep.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. In 2002 heeft [Z.] van [Q.], die handelde onder de naam €VO Group, eerst 20 en vervolgens nog 15 timeshare-weken gekocht. Timesharing houdt in het kopen van rechten op verblijf gedurende een aantal weken per jaar in verschillende vakantieaccomodaties, in dit geval in Spanje. [Z.] heeft hiervoor op 23 januari 2003 een bedrag van € 41.231,-- en op 27 juni 2003 een bedrag van € 30.855,-- overgemaakt op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] van de BBVA te [vestigingsnaam], Spanje. Deze rekening stond ten name van [Q.] en [X.] was op deze rekening gemachtigd. [Q.] zou deze weken voor [Z.] tegen een hogere prijs doorverkopen aan derden. Kort na de eerste betaling door [Z.] heeft [Q.] aan [Z.] € 7.430,-- betaald wegens, naar [Q.] stelde, geslaagde doorverkopen van drie timeshare-weken.

4.1.2. Bij faxbrief van 20 april 2004 heeft [Z.] aan [Q.] geschreven dat [Q.] hem gebakken lucht heeft verkocht en dat hij zijn geld terug wil hebben. Op 28 april 2004 heeft [Z.] bij de politie te Roermond aangifte gedaan tegen [Q.] wegens oplichting.

Bij brief van 29 juni 2004 heeft de advocaat van [Z.] aan [Q.] geschreven dat [Q.] [Z.] had opgelicht, dat [Z.] de overeenkomsten wegens bedrog vernietigt dan wel ontbindt, en dat hij het betaalde bedrag inclusief rente ad € 68.920,26 terugvordert. Eveneens op 29 juni 2004 heeft de advocaat van [Z.] aan [X.] geschreven, onder verwijzing naar een brief hierover van [Z.] aan [X.] van 21 mei 2004, dat [Q.] [Z.] heeft opgelicht door aan [Z.] niet bestaande timesharingweken te verkopen, en dat [Z.], nu de bankrekeningen waarop [Z.] geld had gestort ten name van [X.] stonden, ook van [X.] het betaalde bedrag inclusief rente ad € 68.920,26 terugvordert op grond van onverschuldigde betaling. [X.] heeft bij brief van 1 juli 2004 aan de advocaat van [Z.] geschreven dat zij tot haar stomme verbazing de brief van 29 juni 2004 kreeg, dat zij er helemaal niks mee te maken heeft, dat het niet waar is dat het geld op haar rekening is gestort, dat [Z.] niet met haar een zakelijke transactie heeft gedaan en dat zij eist dat [Z.] haar met rust laat.

4.1.3. Op 2 juli 2004 heeft [X.] een appartement aan de [perceel 1.] te [plaatsnaam] gekocht voor € 135.000,-- k.k. Als haar beroep staat in de koopakte vermeld “manager verkoop marketing”. Het appartement is op 10 september 2004 aan haar geleverd. Zij heeft daarvoor een hypothecaire geldlening gesloten bij Obvion N.V. te [vestigingsplaats] (verder: Obvion) voor € 150.000,--.

Op 3 augustus 2004 heeft [Q.] ten behoeve van deze hypotheeklening een Werkgeversverklaring ondertekend, waarop hij vermeldt dat [X.] sinds 1 november 2003 voor onbepaalde tijd in dienst is van Rema Marketing S.L. in Spanje, vestiging [vestigingsplaats], tegen een brutojaarsalaris van € 48.469,68 plus vakantiegeld. Bij dit stuk hoort een salarisspecificatie ten name van [X.] met de functie “Manager verkoopmarketing” van 23 juli 2004 met een salaris over juli 2004 van bruto € 4.039,14 en netto € 2.835,03.

[X.] heeft op 7 augustus 2004 een verklaring ondertekend waarbij zij de hypotheekofferte van Obvion accepteert.

Het appartement is voor € 1.000,-- per maand verhuurd aan de moeder van [X.].

4.1.4. Op 8 juli 2005 heeft [X.] een villa met garage en ondergrond gekocht aan de [perceel 2.] te [vestigingsplaats] voor € 380.000,-- v.o.n. Ook hiervoor heeft zij een hypothecaire geldlening gesloten bij Obvion, voor € 360.000,--. Als beroep van [X.] staat in de hypotheekakte vermeld “manager”.

Op 15 augustus 2005 heeft [Q.] een werkgeversverklaring ten behoeve van het aanvragen van een Nationale Hypotheek Garantie ondertekend waarin hij verklaart dat [X.] sinds 1 april 2005 voor onbepaalde tijd in dienst is van V.C.A. Marketing te [vestigingsplaats] als vestigingsmanager voor een brutojaarsalaris van € 57.600,-- plus vakantiegeld. Bij dit stuk behoren een salarisspecificatie ten name van [X.] van 22 juli 2005 over de maand juli 2005 (brutoloon € 4.800,--, netto € 3.043,99) en een arbeidsovereenkomst d.d. 1 april 2005, door [X.] en door [Q.] voor VCA getekend, waarin wordt verklaard dat [X.] de functie aanvaardt van vestigingsmanager voor 40 uur per week.

[X.] heeft op 15 augustus 2005 een verklaring ondertekend waarbij zij de hypotheekofferte van Obvion accepteert.

4.1.5. Op 20 april 2007 heeft [Z.] aanvullende aangifte tegen [Q.] gedaan bij het Bureau Financiële Ondersteuning van de recherche Regiopolitie Limburg-Noord (verder: BFO) bij de inspecteur-rechercheur [A.] (verder: [A.]).

4.1.6. Bij vonnis van de strafkamer van de rechtbank Roermond van 22 augustus 2008 is [Q.] wegens (onder meer) oplichting van (onder meer) [Z.] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 voorwaardelijk. Na appel tegen dat vonnis door het Openbaar Ministerie heeft de strafkamer van dit hof bij arrest van van 29 mei 2009 [Q.] voor dezelfde feiten veroordeeld tot eenzelfde straf. [X.] is op 22 augustus 2008 door de rechtbank veroordeeld wegens het medeplegen van – kort gezegd – oplichting van Obvion met betrekking tot de zojuist genoemde hypotheekverstrekkingen, maar bij arrest van 29 mei 2009 van de strafkamer van dit hof is zij vrijgesproken omdat het hof aannemelijk achtte dat zij vervalste stukken had getekend zonder voldoende besef over de consequenties van haar handelen, althans kon het hof niet met voldoende mate van zekerheid uitsluiten dat zij dat besef niet had gehad.

[Z.] heeft ten laste van [X.] conservatoir derdenbeslag gelegd onder het OM.

Blijkens een verklaring derdenbeslag van het Openbaar Ministerie van 16 juli 2009 heeft het OM in verband met een voorgenomen ontnemingsprocedure ten laste van [X.] beslag gelegd op een bedrag van USD 300,--, een bedrag van € 23.000,- (door de moeder van [X.] betaalde huurpenningen) en op een ten name van [X.] staande BMW 330i. De ontnemingsprocedure is echter stopgezet in verband met de vrijspraak van [X.].

4.1.7. In een (ongedateerd) proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van een strafrechtelijk financieel onderzoek naar [Q.] (prod. 19 bij antwoordakte 12 mei 2010) staat vermeld dat [X.] in de voorafgaande periode slechts een zeer beperkt legaal inkomen genoot van enkele duizenden euro’s per jaar bij een uitzendbureau, dat haar vermogen volgens door haar zelf ingediende fiscale aangiften zeer beperkt was, en dat [Q.] van 1 januari 2000 tot 20 november 2007 geen enkel legaal inkomen heeft genoten.

4.1.8. [Q.] en [X.] hebben van juli 2000 tot juli 2003 op [vestigingsplaats], Spanje, gewoond. Zij zijn in mei 2003 met uitsluiting van iedere gemeenschap gehuwd. Op 14 mei 2005 zijn zij gescheiden, op 8 maart 2006 zijn zij hertrouwd en op 25 maart 2009 zijn zij opnieuw gescheiden.

4.1.9. Op 8 mei 2009 heeft [X.] het appartement aan de [perceel 1.] te [plaatsnaam] verkocht voor € 155.000,--. Na aflossing hypotheek en andere kosten diende zij nog € 2.642,83 te voldoen.

4.1.10. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 4 mei 2010 blijkt dat sinds 26 mei 2009 aan het adres [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] staat ingeschreven de Stichting Time Share, belangenbehartiging van timesharing eigenaren/gebruikers, met als voorzitter [Q.].

4.1.11. Op 25 juni 2009 heeft [A.] een proces-verbaal opgemaakt waarin hij gedetailleerd de gang van zaken rond en na het storten van geld door [Z.] op rekening van [Q.] analyseert.

4.1.12. Bij brief van 15 april 2010 heeft [A.] aan de advocaat van [Z.] geschreven dat uit onderzoek is gebleken dat de hypotheekbetalingen voor de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] correct zijn betaald aan Obvion, dat er geen betalingsachterstand is en dat de betalingen zijn gedaan vanaf een girorekening ten name van [Q.].

4.2.1. Bij exploot van 3 november 2008 heeft [Z.] [X.] en [Q.] gedagvaard en gevorderd [X.] en [Q.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 64.656,--, met wettelijke handelsrente, en een bedrag van € 1.788,-- wegens buitengerechtelijke incassokosten, met hun veroordeling in de proceskosten.

Als grondslag voor de vordering tegen [X.] voerde [Z.] aan primair onverschuldigde betaling, subsidiair onrechtmatige daad en meer subsidiair ongerechtvaardigde verrijking.

4.2.2. Nadat de rechtbank bij vonnis van 4 maart 2009 de vordering van [X.] om [Q.] in vrijwaring te mogen oproepen had afgewezen, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 29 april 2009 een comparitie na antwoord gelast, die op 12 augustus 2009 is gehouden.

In het tussenvonnis van 17 maart 2010 heeft de rechtbank om nadere inlichtingen van [X.] gevraagd. In het eindvonnis van 4 augustus 2010 heeft de rechtbank de vorderingen van [Y.] afgewezen en [Q.] en [X.] hoofdelijk veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [Z.] van een bedrag van € 64.650,-- met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis. Verder veroordeelde de rechtbank [Q.] tot betaling aan [Z.] van de wettelijke rente over de door [Z.] aan [Q.] betaalde (minus ontvangen) bedragen in 2003 en 2006 vanaf de dagen der betalingen tot de datum van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over dat rentebedrag vanaf heden tot aan de dag van voldoening. [Q.] en [X.] zijn hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [Z.] veroordeeld.

Wat betreft de vordering tegen [X.] heeft de rechtbank de grondslagen onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad afgewezen en de grondslag ongerechtvaardigde verrijking aanvaard.

4.3.1. [X.] is van de vonnissen van 17 maart 2010 en 4 augustus 2010 in hoger beroep gekomen en heeft daartegen de volgende grieven aangevoerd.

De eerste drie grieven zijn gericht tegen het tussenvonnis van 17 maart 2010 en houden in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [Q.] en [X.] volgens [A.] geen noemenswaardige legale inkomsten hebben verworven, dat ten onrechte de overwaarde tot het verhaalsvermogen van [Q.] is gerekend, en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de revenuen uit onrechtmatig verkregen inkomsten, waaruit financiering en woonlasten zijn voldaan, aan [Z.] toekomen.

De grieven 4 en 5, gericht tegen het eindvonnis, houden in dat de rechtbank ten onrechte de huurpenningen van het pand aan de [perceel 1.] ad € 23.000,-- als ongerechtvaardigde verrijking heeft aangemerkt en ten onrechte heeft overwogen dat bij het pand aan de [perceel 2.] kan worden uitgegaan van een overwaarde van € 40.000,--.

De grieven 6 en 7, eveneens tegen het eindvonnis, zijn gericht tegen de toewijzing van de hoofdsom van de vordering van [Z.].

4.3.2. Het hof overweegt allereerst het navolgende.

De rechtbank heeft in het eindvonnis de vorderingen van [Y.] afgewezen. Nu noch zij, noch [Z.] hiertegen een (incidentele) grief hebben gericht is dat oordeel van de rechtbank onherroepelijk geworden. Dat brengt mee dat [X.] in haar hoger beroep, voor zover dat is ingesteld tegen [Y.], niet ontvankelijk is.

4.3.3. Het hof overweegt voorts het volgende.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat een van de door [X.] aangevoerde, tegen de aanvaarding door de rechtbank van de grondslag ongerechtvaardigde verrijking gerichte, grieven zou slagen, dan zou het hof op grond van de devolutieve werking van het appel vervolgens de door de rechtbank afgewezen grondslagen die [Z.] heeft aangevoerd, dienen te onderzoeken.

Het hof ziet aanleiding thans eerst de subsidiair aangevoerde grondslag onrechtmatige daad te onderzoeken.

4.3.4. [Z.] heeft ter onderbouwing van deze grondslag aangevoerd, dat [X.] grote sommen geld van haar echtgenoot [Q.] heeft ontvangen en dat zij zijn oplichting mede mogelijk heeft gemaakt en/of gefaciliteerd en/of er de vruchten van heeft genoten. Van haar had mogen verwacht dat zij niet klakkeloos geld in ontvangst nam zonder te vragen naar de oorsprong daarvan, aldus [Z.].

[X.] heeft als verweer aangevoerd dat zij in de strafzaak is vrijgesproken, dat zij een niet buitensporig huishoudgeld van haar echtgenoot ontving en dat zij geen enkele reden had de herkomst van die gelden te onderzoeken. Ter comparitie heeft zij verklaard dat zij niet wist dat [Q.] zich met verkeerde zaken bezig hield, dat het voor haar een grote schok was te ontdekken dat haar inmiddels ex-man een oplichter en een bedrieger was, en dat deze ontdekking aan de scheiding ten grondslag heeft gelegen.

4.3.5.1. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

4.3.5.2. In het proces-verbaal van 25 juni 2009 verklaart [A.] van BFO dat alle door de benadeelden, waaronder [Z.], overgemaakte gelden contant werden opgenomen door [Q.] en dat een groot deel daarvan door hem aan [X.] ter beschikking werd gesteld, contant of door storting op een bankrekening van [X.]. Deze gelden werden door [X.] gebruikt voor privébetalingen en privébestedingen. [X.] heeft dat zelf ook zo verklaard tegenover de politie. [A.] heeft berekend dat [Q.] aldus tussen 2003 en 2007 ruim € 200.000,-- op rekeningen van [X.] heeft gestort. Daarnaast ontving [X.] per maand van [Q.] contant € 1.500 tot € 2.000 huishoudgeld, hetgeen [A.] berekent op een totaal van ruim € 110.000,-- in de periode 2002 t/m 2007.

[X.] heeft deze bevindingen niet gemotiveerd bestreden. Zij heeft daarentegen concreet verklaard (proces-verbaal van 27 november 2007, prod. 18 bij antwoordakte van 12 mei 2010) dat haar bankrekeningen voornamelijk werden gevoed door stortingen van [Q.]. Gevraagd naar de herkomst van die gelden heeft [X.] toen geantwoord dat zij geen idee heeft, dat zij [Q.] dat nooit heeft gevraagd en dat zij daarover nooit gesproken hebben. [Q.] regelde alles voor haar, als er saldotekort was en er moest iets betaald worden, dan stortte [Q.] geld op één van haar bankrekeningen.

Zo is volgens de verklaring van [X.] in dit proces-verbaal een op naam van [X.] gestelde BMW betaald met een contante aanbetaling door [Q.] van € 10.000,-- en is er daarna in mei 2005 in drie transacties nog ongeveer € 32.000,-- op betaald. Die gelden waren door [Q.] op rekening van [X.] gestort en daarna doorbetaald aan de garage, aldus [X.].

4.3.5.3. [Q.] genoot volgens het proces-verbaal van [A.] van BFO in deze periode geen enkel legaal inkomen en [X.] slechts enkele duizenden euro’s per jaar.

[X.] heeft daartegenover gesteld dat zij in 2000 met het nodige spaargeld uit Nederland naar Spanje is vertrokken.

[A.] heeft daarnaar een onderzoek ingesteld (brief van 6 mei 2010), maar daaruit is niet meer gebleken dan dat [X.] een bedrag van € 36.500,-- heeft meegenomen uit Nederland en dat op haar bankrekening niet anders dan loon bij de Spaanse rechtspersoon Chayofa van ongeveer € 900,-- per maand binnenkwam. Van het ingelegde spaargeld resteerde eind 2000 nog ongeveer € 6.000,--. Op een in augustus 2001 door [X.] geopende spaartermijn rekening in Spanje werden kort daarna bedragen van ongeveer € 18.000,-- en € 8.400,-- ingelegd. Na terugkeer in Nederland heeft [X.] blijkens dit proces-verbaal aan legaal loon ontvangen: 2003: geen, 2004: € 4.221,--, 2005: € 7.783,--, 2006: geen, 2007: € 1.493,--. [X.] heeft deze gegevens niet gemotiveerd betwist. Zij heeft wel een aantal malen gesteld dat zij aankopen – onder meer de BMW – (ook) betaalde met spaargeld dat zij had overgehouden van de huizen en dat zij thuis contant of in een kluis bewaarde. Dat zou gaan om bedragen van € 15.000,-- en € 10.000,-- die zij na terugkeer in Nederland ontving van de verkoop via Hotenba S.L. van het huis in [plaatsnaam] (proces-verbaal van 27 november 2007, p. 293, prod. 18 bij antwoord akte van 12 mei 2010).

Het hof overweegt dat zelfs indien wordt aangenomen dat [X.] van dit bedrag van in totaal € 25.000,--, en van het (restant-)spaargeld dat zij uit Nederland had meegenomen, concreet heeft aangegeven waar dat vandaan kwam, in elk geval van niet meer dan van dit bedrag kan worden aangenomen dat dit uit een andere bron afkomstig was dan uit stortingen op de rekeningen van [X.] door [Q.].

Het moet mitsdien uitgesloten worden geacht dat “eigen spaargeld” van [X.] een meer dan marginale rol heeft gespeeld bij alle uitgaven en bestedingen door [X.].

4.3.5.4. Wat de wetenschap van [X.] omtrent de herkomst van de aan haar door [Q.] verstrekte gelden betreft overweegt het hof dat [X.] door [Z.] en door diens advocaat in mei en juni 2004 uitdrukkelijk is gewezen op de oplichtingspraktijken van [Q.] en de betrokkenheid van [X.] daarbij. Als [X.] niet daarvóór al van een en ander op de hoogte was, had zij in elk geval na deze waarschuwingen een nader onderzoek naar de herkomst van de gelden moeten instellen door tenminste bij [Q.] daarnaar te informeren, en mocht zij niet doorgaan met het aannemen van (soms grote) sommen geld van [Q.] terwijl zij, zoals zij verklaarde, geen idee had waar dat geld vandaan kwam. Uit niets is gebleken dat [X.] ook maar enige vraag heeft gesteld, zij heeft integendeel verklaard dat [Q.] en zij daar nooit over spraken.

Dat [X.] wel met de situatie bekend moet zijn geweest, althans bekend heeft kunnen zijn, maar zich daar niets aan gelegen heeft laten liggen, blijkt ook uit haar gedrag na juni 2004.

Zij heeft in juli 2004 – slechts enkele dagen na de waarschuwende brief van 29 juni 2004 - en in juli 2005 onroerende zaken gekocht en op haar naam laten stellen en die gefinancierd met een hypotheek, die zij verkreeg met gebruikmaking van door [Q.] vervalste werkgeversverklaringen, arbeidsovereenkomsten en salarisstroken. Daarbij deed zij zich voor als “manager verkoopmarketing” of “vestigingsmanager”. Zij heeft deze stukken zelf ook deels mede ondertekend. [Q.] maakte zelfs een paar keer “salaris” op haar bankrekening over. [X.] heeft niet betwist dat zij nooit daadwerkelijk voor Rema Marketing of V.C.A. Marketing heeft gewerkt, en dit in het proces-verbaal van verhoor bij de politie van 27 november 2007 expliciet erkend. Zij moet zich er aldus bewust van zijn geweest dat zij de onroerende zaken en de hypothecaire leningen door middel van vervalste stukken verkreeg. Door deze samen met [Q.] uitgevoerde constructie werden de opbrengsten van de oplichtingen door [Q.] “veilig” gesteld en verhaalsmogelijkheden ten laste van [Q.] onmogelijk gemaakt.

In combinatie met de enkele dagen daarvoor ontvangen duidelijke waarschuwing van de advocaat van [Z.] moet het voor [X.] duidelijk zijn geweest dat zij met [Q.] betrokken was bij oplichtingspraktijken in verschillende vormen.

4.3.5.5. [X.] heeft ter comparitie bij de rechtbank op 12 augustus 2009 verklaard, dat het voor haar een grote schok was toen zij de oplichting van [Q.] ontdekte, en dat dat aan de scheiding ten grondslag heeft gelegen. Zij heeft echter niet weersproken dat sinds 26 mei 2009 – dus nog geen drie maanden voor die comparitie - [Q.] aan haar woonadres staat ingeschreven met een stichting op het gebied van Timesharing, waarvan hij voorzitter is, en dat [Q.] ook op haar woonadres woont. [X.] heeft hiervan geen enkele uitleg gegeven. Evenmin heeft zij een toelichting gegeven op het gebleken feit dat [Q.] in elk geval t/m april 2010 de hypotheekbetalingen voor het door [X.] bewoonde huis heeft verricht (zie prod. 22 bij antwoordakte van 12 mei 2010).

4.3.5.6. Het hof stelt tenslotte vast dat [Q.] tegenover [Z.] wanprestatie heeft gepleegd, op grond waarvan de tussen [Q.] en [Z.] gesloten overeenkomsten buitengerechtelijk zijn ontbonden (brief van 29 juni 2004). Daarnaast volgt uit de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van [Q.] wegens oplichting van (onder meer) [Z.] dat hij jegens [Z.] onrechtmatig heeft gehandeld.

4.3.6. Het hof concludeert op grond van deze overwegingen dat [X.] moet hebben geweten dat de herkomst van de gelden die [Q.] haar contant verstrekte of op haar bankrekening stortte, en waarmee zij zowel dagelijkse als grote uitgaven (de aanschaf van onroerende zaken op haar naam en een auto) deed, niet legaal was. Ondanks het feit dat zij hiervoor in juni 2004 uitdrukkelijk was gewaarschuwd en aansprakelijk was gesteld heeft zij geen enkel onderzoek ingesteld of getracht afstand te nemen om zich aan de illegale praktijken te onttrekken, maar is zij juist daarin verder meegegaan en heeft zij niet alleen mee geprofiteerd van de door oplichting – onder meer van [Z.] - verkregen gelden, maar zich ook actief met de besteding daarvan en het buiten bereik van de schuldeisers van [Q.] brengen van die gelden, bezig gehouden. Voor [X.] was voorzienbaar dat de kopers van de zogenaamde timesharing-weken, die daarvoor vele duizenden euro’s betaalden, daardoor ernstig nadeel zouden lijden.

Het hof merkt dat aan als het profiteren van de wanprestatie, c.q. van het onrechtmatig handelen van [Q.] jegens [Z.] en mitsdien als onrechtmatig jegens [Z.] (vgl. HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760). [X.] is dus aansprakelijk voor de door haar handelen veroorzaakte schade, erin bestaande dat zij mogelijke verhaalsobjecten op haar naam heeft gezet of laten zetten en dat zij daar (huur-)inkomsten uit heeft verkregen, hetgeen niet mogelijk zou zijn geweest als daartoe geen middelen zouden zijn aangewend afkomstig van het onrechtmatig handelen door [Q.]. Het hof volgt de redenering van de rechtbank in haar overwegingen in r.o. 3.5 van het tussenvonnis van 17 maart 2010 en r.o. 3.1 en 3.2 van het eindvonnis van 4 augustus 2010 met betrekking tot de van [Q.] afkomstige bedragen.

De tegen die overwegingen gerichte grieven treffen geen doel, nu [X.] ook in hoger beroep volstrekt onvoldoende heeft gesteld om tot een ander oordeel te komen.

[X.] zal derhalve het door [Z.] gevorderde bedrag van € 64.656,-- dienen te voldoen.

4.3.7. Dat brengt mee dat de vonnissen zullen worden bekrachtigd met verbetering van gronden. De grieven behoeven geen verdere beoordeling meer.

4.3.8. [X.] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [X.] niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen [Y.];

bekrachtigt de vonnissen, voor zover in beroep aan het hof voorgelegd, op 17 maart 2010 en 4 augustus 2010 onder rolnr. 90036/HA ZA 08-784 tussen partijen gewezen, met verbetering van de gronden waarop deze zijn gewezen;

veroordeelt [X.] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [Z.] gevallen en begroot op € 640,-- voor verschotten en € 1.631,-- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, M. Wabeke en A. van der Putt-Lauwers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 oktober 2011.