Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU1952

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
20-004383-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2010:BO4464, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 289 Sr. Moord en poging tot moord. Voorbedachte raad. Geen ontoerekeningsvatbaarheid. Gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek. TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-004383-10

Uitspraak : 26 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 19 november 2010 in de strafzaak met parketnummer 04-800037-10 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te Venlo op [datum],

thans verblijvende in Maastricht PPC te Maastricht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen (met inbegrip van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd), met uitzondering van de opgelegde straf, en dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, de keel van die [slachtoffer 1] doorgesneden althans met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de keel van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

althans indien terzake het voorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (meermalen) met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, de keel van die [slachtoffer 1] doorgesneden, althans met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de keel van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, de keel van die [slachtoffer 2] heeft doorgesneden althans met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de keel van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien terzake het voorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, de keel van die [slachtoffer 2] heeft doorgesneden, althans met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de keel van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 11 februari 2010 te Baexem, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes de keel van die [slachtoffer 1] doorgesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op 11 februari 2010 te Baexem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes de keel van die [slachtoffer 2] heeft doorgesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Voorbedachte raad

1. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] en de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 2], nu niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een onmiddellijke opwelling ten gevolge van een heftige gemoedstoestand welke kalm beraad en rustig overleg uitsluit. De situatie werd door verdachte in toenemende mate als uitzichtloos ervaren. De vraag wat er na de scheiding met de kinderen zou gebeuren, liet hem niet meer los. Deze situatie in combinatie met verdachtes persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblemen brachten bij verdachte een panieksituatie teweeg. Er was sprake van een uitermate heftige gemoedstoestand waarbij verdachte in een opwelling handelde, aldus de verdediging.

2. Het hof overweegt als volgt:

2.1. Vooropgesteld dient te worden dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad – in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" – voldoende is dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

2.2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan onder meer het navolgende worden afgeleid.

a. Op de avond van 11 februari 2010 bevond verdachte zich met zijn kinderen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], in zijn woning te Baexem. Die avond ontving hij van H, destijds echtgenote van verdachte, een e-mail bericht waarin zij onder meer aankondigde van verdachte te gaan scheiden.

b. Verdachte heeft verklaard dat hij die avond erg kwaad is geworden op zijn echtgenote H.

c. Om 21.09 uur heeft verdachte een e-mail aan H gestuurd waarin hij reageert op het eerdere e-mail bericht van H en onder andere schrijft: ‘ (…) je moet weten dat het voor mij nooit zo zal eindigen zoals jij dat wilt H weet wat je doet neem gauw contact met me op vandaag je weet nooit waar ik het over heb’.

d. Om 21.12 uur heeft verdachte wederom een e-mailbericht aan H gestuurd, waarin hij schrijft: “Bel me anders ben je niet blij.”

e. Om 21.53 uur heeft verdachte nogmaals een e-mailbericht aan H - gestuurd, getiteld “Ik hoop dat je kunt leven met wat je aan hebt gericht”, waarin hij schrijft: “Als je mij wil slopen dan zul je er de rest van je leven de spren (het hof begrijpt: sporen) van voelen ik geef je een kans bel me nu op want het gaat helemaal verkeerd vandaag en morgen.”

f. Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment drie messen heeft gepakt. Vervolgens is hij naar de slaapkamer gegaan waar de kinderen sliepen en heeft daar een afscheidsbrief geschreven met de volgende tekst: “Ik kan de kinderen niet met deze schande laten leven en ik vertrouw het niet met die meneer S. B. In 2 weken ben je weg bij je gezin hoe kan ik dit nog vertrouwen of hopen op een goede aflopende scheiding. Sorry maar hiervoor laat ik je ’t zelfde voelen als wat ik voel een pijn en een gemis voor de rest van je leven. H als jij mij het recht ontneemt om een volwaardige vader te zijn dan vind ik dat jij ook niet ’t recht hebt om een volwaardige moeder van dit gezin te zijn nou kun je je ouders helemaal nooit meer in de ogen kijken je houdt mij niet voor de gek eens een hoer altijd een hoer en toch heb ik altijd van je gehouden.”

g. Verdachte heeft vervolgens één van de messen gepakt, is naar [slachtoffer 1] gegaan en heeft met meerdere snijbewegingen haar keel doorgesneden. Vervolgens is hij naar [slachtoffer 2] gegaan en heeft toen ook hem met meerdere snijbewegingen de keel doorgesneden.

h. [slachtoffer 1] is tengevolge van het toegebrachte letsel overleden. Bij [slachtoffer 2] zijn meerdere snijwonden aan de voorzijde van de hals geconstateerd, waarbij onder meer letsel aan het strottenhoofd is toegebracht.

2.3. Verdachte heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij iedereen mee wou nemen die H lief was , dat hij alles wilde meenemen wat heilig was en (ook) de kinderen wilde doodmaken en dat volgens hem de aanleiding voor het schrijven van de afscheidsbrief is geweest dat hij een einde wilde maken aan alles wat lief was voor H, ook aan de levens van de kinderen.

Dat, zoals verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard, hem door de politie woorden in de mond zijn gelegd, is noch uit de (woordelijke) weergave van de verhoren van verdachte, noch anderszins aannemelijk geworden.

2.4. Uit de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring, bezien in relatie tot de inhoud van de door hem geschreven afscheidsbrief, met name waar verdachte schrijft dat hij de kinderen ‘niet met deze schande kan laten leven’, dat hij H ‘een pijn en een gemis voor de rest van haar leven’ wil laten voelen en dat als H hem het recht ontneemt om een volwaardige vader te zijn, ‘zij ook niet het recht heeft om een volwaardige moeder te zijn’, leidt het hof af dat verdachte in ieder geval al op het moment dat hij de afscheidsbrief schreef van plan was om de kinderen van het leven te beroven.

Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof dat hij met de afscheidsbrief heeft bedoeld dat hij alleen zichzelf van het leven wilde beroven en dat hij pas aan het eind van de afscheidsbrief heeft besloten om de kinderen iets aan te doen omdat hij hen niet alleen achter wilde laten.

Nadat verdachte de afscheidsbrief heeft geschreven heeft hij een van de messen gepakt, is naar [slachtoffer 1] gegaan en heeft met het mes met meerdere snijbewegingen haar keel doorgesneden. Vervolgens heeft verdachte met het mes ook bij [slachtoffer 2] met meerdere snijbewegingen de keel doorgesneden.

2.5. Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat hij voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

2.6. Naar aanleiding van het verweer van de verdediging overweegt het hof voorts het volgende.

Door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC), psychiater A.C. Bruijns en psycholoog J.B. Seinen, is bij verdachte een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en theatrale kenmerken vastgesteld. Daarnaast is sprake van een verslavingsproblematiek in de vorm van afhankelijkheid van cannabis. Volgens de deskundigen heeft de persoonlijkheidsstoornis het gedrag van verdachte beïnvloed. Bij het ten laste gelegde komen, naast de doorwerking van de narcistische component van de persoonlijkheidsstoornis, ook de gebrekkige gewetensfuncties van de antisociale pool naar voren. Aanwijzingen voor een dissociatieve stoornis zijn niet aangetroffen. Er zijn ook geen aanwijzingen voor een depressieve stoornis, noch van wanen of van andere verschijnselen van psychotische aard ten tijde van het bewezenverklaarde. Op grond van hun bevindingen hebben de deskundigen geconcludeerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De persoonlijkheidsstoornis zoals deze door de deskundigen bij de verdachte is vastgesteld en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, brengen het hof niet tot een andere conclusie. Verdachte is die avond in staat geweest de hiervoor weergegeven e-mail berichten naar zijn echtgenote te versturen en een afscheidsbrief te schrijven waarin hij de dood van de kinderen aankondigt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het handelen van verdachte wel degelijk het gevolg is geweest van het tevoren door hem genomen besluit om een einde te maken aan de levens van de kinderen en dat hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

2.7. Gelet op het voorgaande acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Moord.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

1. Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte is door de verdediging het

verweer gevoerd dat bij verdachte sprake was van een zodanig psychiatrisch ziektebeeld dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is. Verdachte zag die avond geen gedragsalternatieven meer. Er is sprake geweest van een narcistische woede die op dat moment gecombineerd kan zijn met een vitale depressie. Het plotseling stoppen met cannabisgebruik kan versterkend hebben gewerkt. De verdediging heeft ter onderbouwing van het verweer gewezen op de bevindingen van psychiater Morre die verdachte kort na het gebeuren heeft gesproken en heeft gesteld dat verdachte op hem imponeerde als zijnde vitaal depressief.

2. Het hof overweegt als volgt:

2.1. Verdachte is ter observatie opgenomen in het PBC en aldaar onderzocht. De deskundigen psychiater A.C. Bruijns en psycholoog J.B. Seinen zijn tot de volgende bevindingen en conclusies gekomen :

Samengevat wordt vastgesteld dat er bij betrokkene sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische, antisociale en theatrale kenmerken. (…) Tevens is er sprake van een verslavingsproblematiek, in de vorm van cannabisafhankelijkheid. De verslaving vormt de ziekelijke stoornis van de geestvermogens, terwijl de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de persoonlijkheidsstoornis tot uiting komt. Beide bestaan al lange tijd en gelden ook in de periode van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen.

[…]

Betrokkenes persoonlijkheidsstoornis heeft zijn gedrag bij de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, duidelijk beïnvloed.

Het afhankelijk-narcistisch dilemma, dat hierboven is geschetst, bereikt een climax door het bericht van zijn vrouw, waarin zij aankondigt hem definitief te verlaten. De verlating voedt de vernedering van de afhankelijkheid. De krenking die wordt losgewoeld is de bron van de woede op zijn vrouw. Het extreem agressieve gedrag ten opzichte van zijn kinderen is sterk gerelateerd aan de woede op zijn vrouw.

[…]

Het voert […] te ver om te kunnen stellen dat hij volledig door razernij zou zijn bezeten. Bij het tenlastegelegde komen, naast de beschreven doorwerking van de narcistische component van de persoonlijkheidsstoornis, ook de gebrekkige gewetensfuncties van de antisociale pool naar voren.

[…]

Aanwijzingen voor een dissociatieve stoornis zijn bij betrokkene niet aangetroffen. […] Kortweg kan worden gesteld dat ernstige ontwenningsverschijnselen, na een acuut staken van langdurig en veelvuldig cannabisgebruik, worden uitgesloten en dat een overheersende invloed van GHB of alcohol zeer onwaarschijnlijk wordt geacht.

[…]

Wij komen tot de conclusie […] te adviseren om betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor de ten laste gelegde feiten, indien bewezen.

In de diagnostische beschouwing schrijft psychiater Bruijns onder meer het volgende :

Zowel uit de observaties van de groepsleiding, als die van de mederapporterende psycholoog en milieurapporteur, als mijn eigen observaties komen geen verschijnselen van evidente psychiatrische ziektebeelden naar voren als cognitieve stoornissen, ADHD, symptomen van stoornissen in het autismespectrum, psychotische beelden, stemmingsstoornissen, dissociatieve stoornissen of een posttraumatische stressstoornis. […] In de beschreven opsomming van stoornissen die niet worden vastgesteld, staan ook de stemmingsstoornissen. Kort na de ten laste gelegde feiten is door psychiater Morre de indruk van een vitale depressie genoemd. Een week later wordt door psychiater Van Laar een rouwreactie gediagnosticeerd. Beide toestandsbeelden worden tijdens de opnameperiode van het PBC niet waargenomen. De sombere stemming die door betrokkene wordt genoemd kan niet worden geobjectiveerd. Andere symptomen die zouden kunnen wijzen op een depressieve stoornis of op een rouwreactie ontbreken. Ook van de tegenpool van de depressie in het spectrum van de stemmingsstoornissen, te weten de manie en de daarbij horende ontremming worden geen verschijnselen waargenomen.

Betrokkene zelf suggereert dat hij gedurende de afgelopen zes jaar, voorafgaande aan de ten laste gelegde feiten, depressief zou zijn geweest. Uit de gegevens van de anamnese kan zijn suggestie niet worden bevestigd.

In het verslag van het psychiatrisch onderzoek van 19 februari 2010 maakt de psychiater, mevrouw Van Laar, melding van een uitspraak van betrokkene die op haar een waanachtige indruk maakt […]. Dit fenomeen heeft zich in het huidige onderzoek niet voorgedaan. Ook zijn er geen aanwijzingen voor andere verschijnselen van psychotische aard. […]

De psychiatrische problematiek kent twee belangrijke aspecten. Als hoofddiagnose moet een persoonlijkheidsstoornis worden vermeld. Bij betrokkene is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, met kenmerken van de narcistische, de antisociale en de theatrale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er de verslavingsproblematiek in de vorm van afhankelijkheid van cannabis.

De persoonlijkheidsstoornis heeft geleid tot aanzienlijke beperkingen in het sociaal- maatschappelijke en beroepsmatig functioneren.

De narcistische pool kenmerkt zich door het opgeblazen zelfgevoel; […] Deze kant van de persoonlijkheidsstoornis vormt de dynamische kern van [de] stoornis. De functie van zijn narcisme bestaat uit het reguleren van het zelfgevoel, als belangrijke consequentie van het narcistisch spectrum geldt zijn verhoogde krenkbaarheid.

De uitingsvorm is vooral antisociaal van aard […].

De agressiehuishouding is het best te beschrijven als gestuwd. Frustraties bouwen zich op en vormen de voedingsbodem van de woede die zich bij betrokkene vooral uit in de context van de intieme relatie.

In de diagnostische beschouwing schrijft psycholoog Seinen onder meer het volgende :

Er zijn geen aanwijzingen voor een depressie of een posttraumatische stressstoornis. […]

De antisociale trekken komen tot uiting in het patroon van wetovertredend gedrag (de verschillende contacten met politie en justitie), de beperkingen in de gewetensfuncties, zoals een geringe neiging tot het ervaren van gevoelens van spijt en schuld, het egocentrisme, de weinige empathie, de neiging om de verantwoordelijkheid voor negatief gedrag buiten zichzelf te leggen (het externaliseren).

De narcistisch-afhankelijke trekken uiten zich in een eenzijdig, overpositief zelfbeeld. […] Betrokkene is voor de handhaving van dit zelfbeeld in hoge mate aangewezen op, afhankelijk van, bevestiging door anderen, met name in de intieme, relationele sfeer. […]

De vooral binnen de intieme relationele sfeer verhoogde narcistische afhankelijkheid is – inherent aan de narcistische pathologie – evenwel krenkend en dus een navenante bron van boosheid. Door de agressieremming kan deze boosheid accumuleren en zich – door de remming heen – uiten.

2.2. De deskundigen Bruijns, Seinen, Morre en Ramaker zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord over hun bevindingen.

2.3. Door psychiater Bruijns is onder meer het navolgende verklaard :

In zijn algemeenheid zal een vitale depressie niet leiden tot het advies van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. […]

Ik heb geen enkele aanwijzing dat bij de verdachte sprake was van een depressie met psychotische kenmerken. De constatering van psychiater H.L.C. Morre dat mogelijk sprake is van een vitaal depressief syndroom is geen aanwijzing voor het bestaan van een depressie met psychotische kenmerken. Een depressie met psychotische kenmerken betreft een ander ziektebeeld. […]

In het PBC zijn wij ervan uitgegaan dat de uitspraken van de verdachte over kanker moeten worden bezien in het licht van het theatrale kenmerk van de persoonlijkheidsstoornis en niet als een waanidee, omdat er voor het overige geen aanwijzingen zijn voor wanen bij de verdachte. […]

Van Laar heeft geen vitaal depressief beeld bij de verdachte waargenomen maar een rouwreactie. Anderhalve maand later hebben wij de verdachte gezien in het PBC en op dat moment hebben wij geen vitaal depressief beeld en geen rouwreactie waargenomen. Naar mijn oordeel liggen deze verschillende bevindingen in elkaars verlengde en zijn deze niet met elkaar in tegenspraak. […]

Ik zie op geen enkele wijze een discongruentie tussen hetgeen door Morre bij de verdachte is waargenomen en hetgeen wij als deskundigen in het PBC bij de verdachte hebben waargenomen.

[…]

Ik denk niet dat ik tot wezenlijk andere conclusies was gekomen indien de verdachte gedurende zijn verblijf in het PBC geen medicatie zou hebben gebruikt. In het PBC hebben wij niet alleen naar de verdachte gekeken zoals hij op dat moment was, maar ook naar zijn verleden. Aan de hand van het milieurapport hebben wij kunnen kijken hoe de stemming van de verdachte was in de jaren voordien. Onze conclusie luidt derhalve niet alleen dat er gedurende het verblijf in het PBC geen depressie bij de verdachte is waargenomen, maar ook dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstig depressief beeld in het verleden. […]

Wij hebben geprobeerd om in het rapport naar voren te brengen dat in het geval van de verdachte de kern van de dynamiek van het probleem het narcistisch denken is en de krenkbaarheid daarin. Het afhankelijke aspect van de relatie waarin de verdachte destijds verkeerde versterkte die krenkbaarheid. […]

Bij het onderzoek in het PBC hebben wij geen aanwijzingen gevonden dat ten tijde van het plaatsvinden van de ten laste gelegde feiten bij de verdachte sprake was van een psychiatrisch toestandsbeeld in de zin van een vitale depressie. Ik blijf bij die conclusie. […]

[Ik] blijf […] bij de conclusie dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is achten voor de ten laste gelegde feiten. […]

Naar ons oordeel is het psychiatrisch beeld niet van dien aard dat de verdachte geen andere keuze heeft gehad. Om die reden komen wij tot het advies om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. […]

De verdachte zat in een fuik, waarin zijn afhankelijkheid steeds sterker werd, waardoor zijn krenking steeds groter werd en zijn woede werd gevoed. Aan de ene kant is dit het motief geweest voor de daad. Maar aan de andere kant is het ook de leidraad geweest voor de weg die de verdachte heeft gevolgd. Echter, de razernij is niet zo groot geweest dat de feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend. […]

Men spreekt over ‘narcistic rage’ indien iemand dusdanig gekrenkt is dat alle stoppen doorslaan. In het geval van de verdachte is van een ‘narcistic rage’ evenwel geen sprake geweest. […]

Ik zie geen aanleiding om te veronderstellen dat een andere psychiater in het kader van een nieuwe dubbelrapportage andere aspecten zal belichten of dat uit nieuw onderzoek wezenlijk andere zaken naar voren zullen komen die tot andere conclusies zouden leiden. […]

Tijdens het onderzoek in het PBC hebben de verdachte en ik uitvoerig over die boosheid gesproken. Ik heb de verdachte toen passages uit zijn brieven en verklaringen voorgehouden en hem gevraagd wat daaruit spreekt. De verdachte en ik waren het er toen over eens dat dat woede was. De woede was naar mijn oordeel echter niet zo groot dat dit de wilsvrijheid van de verdachte heeft aangetast en dat de feiten hem niet meer zouden kunnen worden toegerekend.

2.4. Door psycholoog Seinen is onder meer het navolgende verklaard :

Als ik naar de situatie van betrokkene kijk, zie ik dat de agressie zich naar buiten heeft gericht, richting de partner. De dynamiek die voorafging aan het ten laste gelegde staat dus diametraal tegenover de voor een depressie kenmerkende agressie die juist gericht is tegen de eigen persoon. […] Ik heb bij betrokkene een hoog ‘stank voor dank’-gehalte, veel boosheid en verwijten jegens de partner geconstateerd. […]

Ik heb inmiddels gelezen dat de justitieel forensisch psychiater H.L.C. Morre bij verdachte een toestand vaststelde die imponeerde als vitaal depressief. Deze bevindingen vind ik niet vreemd. Zijn bevindingen brengen mij ook niet tot een bijstelling van mijn pro justitia-rapport. Morre beschrijft een syndroom dat hij op dat moment bij verdachte constateerde. Dat is iets anders dan een depressieve stoornis. […] Bij het onderzoek [is] niet van een depressieve stoornis gebleken. […]

Ik acht het onwaarschijnlijk dat verdachte een depressieve stoornis heeft gekregen enkele weken voor het ten laste gelegde, nadat zijn vrouw hem had verlaten, en dat deze naderhand is weggeëbd. Het centrale kenmerk van een depressieve stoornis is een vorm van agressie die is gericht op de eigen persoon. Dat trof ik bij verdachte niet aan. […]

Vanuit de omgeving van verdachte zijn signalen naar voren gekomen die eerder ontkrachten dat verdachte een depressieve stoornis had. […]

Ik ben ervan overtuigd dat een depressieve stoornis bij verdachte uitgesloten is. […]

Enkel de aanwezigheid van een narcistische stoornis kan mijns inziens niet tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid leiden. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid is voorbehouden aan toestanden waarbij zich een ernstige vertekening van de realiteit voordoet. […]

Verdachte had nog genoeg gedragsalternatieven over om niet tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid te concluderen. […]

Ik zie geen aanwijzingen voor andere bevindingen door een nieuwe deskundige. […]

Naar mijn inschatting staat bij verdachte […] de narcistische component bovenaan. We hebben geen overtuigende aspecten geconstateerd die duiden op een borderline stoornis. […]

2.5. Door psychiater Morre is onder meer het volgende verklaard :

Een syndroom is een toestand zoals ik die op dat moment bij iemand waarneem, derhalve een momentopname. Om een vitaal depressieve stoornis te kunnen diagnosticeren, dienen daarbij ook zogenaamde beloopskenmerken te worden betrokken en dient bekend te zijn hoe dat beeld zich in de loop van de tijd ontwikkelt. Ten tijde van het consult met de verdachte beschikte ik niet over die informatie en derhalve spreek ik over een vitaal depressief syndroom. […]

In een geval van een uitgesproken vitaal depressief syndroom zoals ik bij de verdachte heb waargenomen, zou ik niet komen tot het advies volledige ontoerekeningsvatbaarheid. […]

Tijdens het consult beschik ik niet over achtergrondinformatie om het verhaal van de betrokkene te toetsen. Mijn rol beperkt zich bij een voorgeleidingsconsult tot het adviseren omtrent het laten plaatsvinden van nader onderzoek. […]

Als uitsluitend een persoonlijkheidsstoornis wordt waargenomen, dan kan ik mij de conclusie van verminderde toerekeningsvatbaarheid goed indenken. […]

Ik heb geen dissociatie bij de verdachte waargenomen. […]

De vraag wat het toestandsbeeld bij de verdachte is geweest ten tijde van het delict is geen onderwerp geweest van mijn onderzoek. […]

[Ik] zie […] geen aanleiding om tot een nieuw onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte te komen omdat het onderzoek door de deskundigen van PBC volledig is geweest. […]

Ik heb […] geen aanleiding om te veronderstellen dat de feiten door een andere deskundige anders geïnterpreteerd en anders geduid zullen worden […].

2.6. Door psychiater Ramaker is onder meer het volgende verklaard :

Toen ik verdachte ongeveer een week na de ten laste gelegde feiten sprak, constateerde ik geen kenmerken van een depressieve stoornis.

2.7. Uit het voorgaande leidt het hof af dat er geen sprake is van een discrepantie tussen de bevindingen en conclusies van psychiater A.C. Bruijns en psycholoog J.B. Seinen en de bevindingen van psychiater H.L.C. Morre. De deskundigen van het PBC hebben uitgebreid onderzoek gedaan naar de geestvermogens van verdachte. Bij dat onderzoek is naar voren gekomen dat bij verdachte sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en theatrale kenmerken, dat de persoonlijkheidsstoornis het gedrag van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten heeft beïnvloed en dat dit leidt tot de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Volgens de deskundigen zijn er geen aanwijzingen dat bij verdachte sprake is geweest van een andere stoornis dan hiervoor omschreven, zoals een dissociatieve stoornis of een depressieve stoornis. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de woede bij verdachte zo groot was dat de feiten niet meer aan hem kunnen worden toegerekend. Voorts worden ernstige ontwenningsverschijnselen uitgesloten geacht.

2.8. Het hof ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en de conclusies van de deskundigen van het PBC, te weten dat verdachte op grond van de bij hem geconstateerde gemengde persoonlijkheidsstoornis verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, te twijfelen. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat ook de deskundige Morre geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat de feiten door een andere deskundige anders geïnterpreteerd en anders geduid zullen worden.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de op te leggen gevangenisstraf:

Verdachte heeft in zijn boosheid jegens zijn echtgenote zijn dochtertje [slachtoffer 1] van het leven beroofd en zijn zoon [slachtoffer 2] getracht van het leven te beroven door met een mes hun keel door te snijden. Het hof acht bewezen dat verdachte daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte had als vader van de nog jonge, aan zijn zorg toevertrouwde kinderen hen juist bescherming en veiligheid moeten bieden. Hij heeft [slachtoffer 1] het leven benomen en daarmee een intens diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden. [slachtoffer 2] is door verdachtes toedoen zwaargewond geraakt. Hetgeen hem en zijn zusje is aangedaan moet voor hem traumatiserend zijn geweest.

Voor deze zeer ernstige feiten is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Het hof houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen. Het hof verwijst in dit kader naar de bevindingen en de conclusies van de deskundigen psychiater A.C. Bruijns en psycholoog J.B. Seinen, zoals weergegeven bij de overwegingen ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat, alles afwegend, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van twintig jaren met zich brengt. Hetgeen door de verdediging is betoogd met betrekking tot de gradatie van de voorbedachte raad, namelijk dat geen sprake is geweest van een planmatig uitvoeren van daden welke zorgvuldig zijn beraamd, brengt het hof, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet tot een ander oordeel dan hiervoor gegeven.

Het hof zal de advocaat-generaal niet volgen in zijn eis, gelet op de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen en omdat het hof naast de gevangenisstraf de maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal opleggen.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel:

Het hof zal, naast een gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het door psychiater A.C. Bruijns en psycholoog J.B. Seinen over verdachte uitgebrachte rapport houdt onder meer als overweging en conclusie het navolgende in:

Samengevat wordt vastgesteld dat er bij betrokkene sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische, antisociale en theatrale kenmerken. […]

Betrokkenes persoonlijkheidsstoornis heeft zijn gedrag bij de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, duidelijk beïnvloed.

De combinatie van de narcistische en antisociale aspecten van de persoonlijkheidsstoornis vormt, vooral in een intieme relatie, de kern van het recidivegevaar. Los van andere menselijke argumenten, zal betrokkene juist vanuit zijn afhankelijk- narcistische behoefte een relatie met een vrouw zoeken. In het geval van een nieuwe intieme relatie zal het eerder beschreven dilemma rond afhankelijkheid en narcisme wederom een bepalende rol in de relatie gaan spelen, waarbij betrokkene de partner zal willen overheersen. Indien de partner zich van betrokkene wil losmaken of hem wil verlaten, is de kans groot dat betrokkene in de toekomst opnieuw met ernstig agressief gedrag zal reageren jegens de partner en/of haar eventuele kinderen.

In het onderhavige onderzoek blijkt dat er bij betrokkene, vanwege de genoemde persoonlijkheidsstoornis, nog steeds een sterke gerichtheid bestaat op zijn vrouw en op zijn zoontje. Het is niet ondenkbaar dat betrokkene vanuit de bovenbeschreven dynamiek in een toekomstige situatie wederom zijn agressie op hen richt.

De klinische indruk van het hoge recidivegevaar wordt ondersteund door de uitkomst van de toepassing van het risicotaxatie-instrument, de HCR-20.

Als wij de omvang van de stoornis combineren met de ernst van het recidivegevaar, komen wij tot de conclusie […] te adviseren om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Een behandeling in een minder stringent juridisch kader zal ontoereikend zijn om het recidivegevaar te beperken.

Het hof verenigt zich met bovengenoemde bevindingen en conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. De door verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van het hof eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel.

Voorts eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de inhoud van de overige adviezen en (brief)rapporten over de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld. Het hof overweegt nog, dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten drie messen en een keukenbijltje, welke door het hof worden beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen met betrekking tot welke het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, zijn naar het oordeel van het hof van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Op grond daarvan zal het hof deze voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren.

Vordering van de benadeelde partij H. -

De benadeelde partij H. - heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.000,-- vermeerderd met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte en zijn raadsman hebben de vordering noch voor wat betreft de inhoudelijke aspecten, noch voor wat betreft de hoogte van het gevorderde bedrag betwist.

Het hof zal de vordering daarom in zijn geheel toewijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2]. is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 26.847,-- vermeerderd met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte en zijn raadsman hebben de vordering noch voor wat betreft de inhoudelijke aspecten, noch voor wat betreft de hoogte van het gevorderde bedrag betwist.

Het hof zal de vordering daarom in zijn geheel toewijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

drie messen en een keukenbijltje.

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde H. - toe ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 5.000,-- (vijfduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd H. -, een bedrag te betalen van EUR 5.000,-- (vijfduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 2] toe ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 26.847,-- (zesentwintigduizend achthonderdzevenenveertig euro) bestaande uit EUR 847,-- (achthonderdzevenenveertig euro) materiële schade en EUR 26.000,-- (zesentwintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd een bedrag te betalen van EUR 26.847,-- (zesentwintigduizend achthonderdzevenenveertig euro) bestaande uit EUR 847,-- (achthonderdzevenenveertig euro) materiële schade en EUR 26.000,-- (zesentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 169 (honderdnegenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. J. Buhrs-Platschorre en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 26 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Buhrs-Platschorre en mr. F.P.E. Wiemans zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.