Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT9014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
10/00509
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een uitkering uit de ziektewet en een loongerelateerde uitkering Werkhervatting Gedeeltelijke Arbeidsongeschikten (WGA) op grond van de WIA. In zijn aangifte vermeldt belanghebbende de WGA uitkering als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking; de inspecteur beschouwt de uitkering als loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor er geen arbeidskorting wordt verleend. Het Hof oordeelt dat de WGA-uitkering geen verband houdt met bepaalde arbeid en geen rechtstreekse beloning daarvoor vormt. Er is geen sprak van een met loon gelijkgestelde uitkering en derhalve geen recht op arbeidskorting. Het beroep op strijd met het gelijkheidsbeginsel ex art 14 EVRM en/of 26 IVBPR verwerpt het Hof met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005, nr. 39 870, BNB 2005/310. De vergelijking met het arbeidskostenforfait brengt belanghebbende evenmin verder. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2423 met annotatie van Schouten
V-N Vandaag 2011/2599
Belastingadvies 2011/24.7
V-N 2012/2.10 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00509

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 2 juni 2010, nummer AWB 09/3510, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.538, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 4 mei 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft in het jaar 2007 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen ten bedrage van € 8.053. Daarnaast ontving belanghebbende een loongerelateerde uitkering Werkhervatting Gedeeltelijke Arbeidsongeschikten (hierna: de WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: de Wet WIA) ten bedrage van € 17.166.

2.2. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.538. In zijn aangifte heeft belanghebbende de WGA-uitkering vermeld als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

2.3. Bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur de WGA-uitkering aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, waardoor ter zake van deze uitkering geen arbeidskorting is verleend.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of ter zake van de WGA-uitkering aanspraak kan worden gemaakt op de arbeidskorting. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot de toekenning van een arbeidskorting van € 1.890. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. In artikel 8.11 van de Wet IB 2001 is - voor zover van belang - bepaald dat de arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid loon geniet en dat de arbeidskorting wordt berekend over hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als loon.

4.2. De door belanghebbende ontvangen WGA-uitkering houdt niet ten nauwste verband met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en vormt daarvoor geen rechtstreekse beloning. Deze uitkering vindt meer algemeen haar oorzaak in het voorheen verricht hebben van arbeid en kan derhalve niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking worden aangemerkt (vergelijk HR 21 juni 2000, nr. 358, gepubliceerd in BNB 2000/271). Aangezien de WGA-uitkering, zijnde een uitkering ingevolge de Wet WIA, evenmin ingevolge het bepaalde in artikel 1.7a van de Wet IB 2001 met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is gelijkgesteld, is ter zake van deze uitkering terecht geen arbeidskorting verleend.

4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat hij nadeliger wordt behandeld ten opzichte van hen die een uitkering in verband met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid genieten als aanvulling op loon ter zake van (deeltijds) in dienstbetrekking verrichte arbeid, waarbij de loonaanvulling wordt betaald door de werkgever. In een zodanig geval kan ter zake van de gehele door de werkgever verstrekte beloning aanspraak worden gemaakt op de arbeidskorting, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft hier kennelijk op het oog de situatie waarin de werkgever, gedurende ten hoogste de eerste twee jaren van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, zorg draagt voor loondoorbetaling. De na de desbetreffende periode verstrekte WGA-uitkering wordt immers niet door of vanwege de werkgever betaald en ter zake van een zodanige uitkering bestaat, gezien het onder 4.2 overwogene, geen recht op de arbeidskorting. Het door belanghebbende gewraakte verschil in behandeling betreft derhalve in wezen het door de wetgever in artikel 1.7a van de Wet IB 2001 gemaakte onderscheid tussen gevallen van tijdelijke arbeidsongeschiktheid enerzijds en gevallen van meer duurzame arbeidsongeschiktheid anderzijds. Naar het Hof begrijpt, huldigt belanghebbende de opvatting dat dit onderscheid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag en artikel 26 van het IVBPR. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.4. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door deze verdragsbepalingen verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen moet worden vooropgesteld dat deze bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, maar alleen die welke als discriminatie moeten worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Op fiscaal gebied komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vergelijk onder meer Hoge Raad 8 juli 2005, nr. 39 870, gepubliceerd in BNB 2005/310).

4.5. De arbeidskorting geldt ten eerste als vervanging van het arbeidskostenforfait uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De arbeidskorting is voorts bedoeld als stimulans voor het verrichten van betaalde arbeid, het vergroten van de afstand tussen uitkering en werk en, daarmee samenhangend, als middel ter bestrijding van de armoedeval (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 210, nr. 3, blz. 6-7). Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de wetgever de onder 4.4 genoemde grenzen niet heeft overschreden door een naar de arbeidskorting doorwerkend onderscheid te maken tussen enerzijds situaties van tijdelijke arbeidsongeschiktheid waarin de band met tegenwoordige arbeid als regel in zekere mate aanwezig kan worden geacht en anderzijds situaties van meer duurzame arbeidsongeschiktheid waarin de band met tegenwoordige arbeid minder sterk is.

4.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 17 juni 2011 door P.C. van der Vegt, voorzitter, P.A.G.M. Cools en A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van M.C.G. Spierings-van Kessel, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.