Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT8233

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
10/00293
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, woonachtig in het buitenland, heeft deel uitgemaakt van de selectie van het Nederlands elftal bij de Europese kampioenschappen 2000. Na een procedure gevoerd door een andere speler (LJN: AZ3930) waarbij een tarief van 18 procent van toepassing werd verklaard op de van de KNVB ontvangen premie, heeft belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering van zijn aanslag ingediend. De inspecteur heeft dit verzoek aangemerkt als een bezwaarschrift en meegedeeld dat hij op dit bezwaar zou beslissen als het cassatieverzoek van de staatssecretaris tegen de hierboven genoemde Hofuitspraak was afgedaan. De Hoge Raad heeft op 9 januari 2009 (nr. 43.758) het cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 RO. De Inspecteur doet uitspraak op bezwaar en verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het Hof stelt dat bezwaartermijnen van openbare orde zijn en dat uitsluitend nog beoordeeld moet worden of artikel 6:11 toepassing kan vinden. Het Hof verwerpt het beroep op door de inspecteur opgewekt vertrouwen omdat de gedragingen en uitlatingen van de inspecteur hebben plaatsgevonden toen de bezwaartermijn reeds ruim was overschreden. Het gesloten stelsel brengt met zich dat tegen een weigering op een verzoek om een ambtshalve vermindering geen beroep openstaat. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2569
V-N 2011/55.23.3
FutD 2011-2558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00293

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y (Z), hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 maart 2010, nummer AWB 09/2543 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 met dagtekening 1 maart 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 253.272, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur, die op verzoek van belanghebbende een aantal verklaringen heeft afgelegd.

1.5. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Het Hof heeft het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Aan het Europees Kampioenschap voetbal 2000 hebben 16 landen, waaronder Nederland en België, deelgenomen, ieder met een selectie van 22 spelers. Belanghebbende behoort tot de selectie van het Nederlandse elftal.

2.2. Belanghebbende is in het onderhavige jaar woonachtig in Z.

2.3. Op basis van een praktische regeling, die is getroffen naar aanleiding van vooroverleg tussen de ministeries van Financiën van Nederland en België en de UEFA, was een bronheffing verschuldigd naar een vast tarief van 18 procent over het uiteindelijk aan een voetbalspeler door de bond betaalde en/of te betalen bedrag. De spelers van het Nederlandse en Belgische elftal zijn van de praktische regeling uitgezonderd.

2.4. Belanghebbende heeft van de KNVB in verband met zijn selectie voor het Nederlandse elftal voor het Europees Kampioenschap voetbal 2000 een bedrag ontvangen van ƒ 255.000 bruto. De KNVB heeft op dit bedrag op basis van de normale tabellen loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden en afgedragen.

2.5. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar een papieren aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen ingediend. De aangifte werd op 8 januari 2002 door de Inspecteur ontvangen.

2.6. Belanghebbende heeft met dagtekening 1 maart 2002 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ontvangen. Deze aanslag is overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte. Op deze aanslag is het in 2.4 genoemde bedrag tegen het tabeltarief van artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking genomen.

2.7. Tegen de onder 2.3 genoemde uitzondering hebben zeven voetbalspelers van het Nederlandse elftal tijdig bezwaar aangetekend en drie na afloop van de bezwaartermijn. Van de laatst bedoelde drie voetbalspelers hebben er twee bezwaar aangetekend in het jaar 2002 en één, belanghebbende, in het jaar 2006. De bezwaarmakers wonen allen buiten Nederland en spelen allen bij een buitenlandse betaaldvoetbalorganisatie.

2.8. Het Hof heeft op 9 november 2006 op het hoger beroep van één van de in 2.7 bedoelde bezwaarmakers in de zaak met nr. 06/00131, LJN: AZ3930, uitspraak gedaan en het tarief van 18 procent van toepassing verklaard.

2.9. Na het bekend worden van de in 2.8 genoemde uitspraak heeft belanghebbende telefonisch contact opgenomen met de Inspecteur en vervolgens op 22 december 2006 een verzoek om ambtshalve vermindering bij de Inspecteur ingediend. De Inspecteur heeft dit verzoek mede aangemerkt als een bezwaar tegen de onderhavige aanslag. De Inspecteur heeft belanghebbende medegedeeld, dat de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof had ingesteld en dat de afhandeling van belanghebbendes verzoek/bezwaarschrift, zou worden aangehouden totdat in de lopende procedure definitief uitspraak zou zijn gedaan.

2.10. Op 9 januari 2009 heeft de Hoge Raad bij arrest nr. 43.758, onder meer gepubliceerd in V-N 2009/7.5, het beroep in cassatie ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

2.11. De Inspecteur heeft bij brief van 24 februari 2009 zijn voornemen om het bezwaar af te wijzen kenbaar gemaakt aan belanghebbende. Belanghebbende heeft op deze brief gereageerd met zijn brief van 16 maart 2009.

2.12. Op 10 april 2009 heeft de Inspecteur belanghebbende gehoord. Van de hoorzitting is een verslag opgesteld.

2.13. De Inspecteur heeft bij brief van 12 mei 2009 het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en afwijzend beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar?

b. Zo ja, heeft de Inspecteur een andere voor bezwaar vatbare beschikking genomen?

c. Is het tarief van 18 procent van toepassing op het door belanghebbende van de KNVB ontvangen bedrag?

Belanghebbende is van mening dat vraag a ontkennend en vraag b en vraag c bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een waarbij het onder 2.4 bedoelde bedrag wordt belast tegen een tarief van 18 procent. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag a

4.1. Het Hof stelt voorop dat de wettelijke regeling over een bezwaartermijn van openbare orde is. Partijen kunnen geen rechtsgeldige afspraken maken waarbij van deze termijn wordt afgeweken. Evenmin staat het de rechter vrij om van deze termijn af te wijken.

4.2. Belanghebbende heeft het verzoek om ambtshalve vermindering, dat door de Inspecteur mede als bezwaarschrift is aangemerkt, ruimschoots na de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ingediend. Dit betekent dat het Hof ten aanzien van vraag a uitsluitend heeft te beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege moet blijven.

4.3. Belanghebbende stelt in dat kader gemotiveerd dat de Inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt (i) dat het bezwaar inhoudelijk zou worden behandeld en (ii) dat de afhandeling van het bezwaar zou worden aangehouden totdat de Hoge Raad het in 2.10 genoemde arrest heeft gewezen.

4.4. Daargelaten of belanghebbende aan de gedragingen en mededelingen van de Inspecteur vertrouwen mocht ontlenen, leidt de omstandigheid dat die gedragingen en mededelingen hebben plaatsgevonden na afloop van de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb, naar het oordeel van het Hof tot de conclusie dat belanghebbendes bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Feiten en omstandigheden die zich na het verstrijken van de termijn voordoen raken immers niet de vraag of belanghebbende ten aanzien van het verstrijken van de termijn in verzuim is geweest. De omstandigheid dat de Inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan, maakt dat niet anders.

4.5. Gelet op het onder 4.4 overwogene beantwoordt het Hof vraag a bevestigend.

Ten aanzien van vraag b

4.6. Voor zover belanghebbendes hoger beroep is gericht tegen de afwijzende beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering, geldt, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat daartegen in het fiscale bestuursrecht geen rechtsmiddelen openstaan. Dienaangaande verklaart het Hof zich onbevoegd. Het Hof heeft voorts in de door de Inspecteur genomen beslissingen geen andere voor bezwaar vatbare beschikkingen kunnen onderkennen.

4.7. Het Hof beantwoordt vraag b ontkennend.

Ten aanzien van vraag c

4.8. Gelet op al het vorenoverwogene komt het Hof niet toe aan een beoordeling van het materiële geschil en behoeft vraag c geen beantwoording.

Slotsom

4.9. Het Hof verklaart belanghebbendes hoger beroep ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 1 juli 2011 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.