Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6978

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
20-000943-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 6 maanden op ter zake van poging tot moord, meermalen gepleegd. Verdachte heeft vanuit een rijdende auto een schot afgevuurd op de twee naast hem op één fiets rijdende slachtoffers. Verweren met betrekking tot opzet, voorbedachte raad en medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000943-11

Uitspraak : 5 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-839314-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave,

waarbij:

- verdachte ter zake van

1. poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit begaan is met betrekking tot een wapen van categorie III

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte werd opgelegd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.292,98, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 32 dagen hechtenis;

- aan de verdachte werd opgelegd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.156,61, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 31 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] werd toegewezen tot een bedrag van

EUR 2.292,98, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] werd toegewezen tot een bedrag van

EUR 2.156,61, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1. (medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd) en 2. ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.292,98 subsidiair 32 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.156,61 subsidiair 31 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 2.292,98, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 2.156,61, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdediging heeft:

- bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde;

- bepleit dat de op te leggen straf zal worden gematigd;

- met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen:

o primair bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard;

o subsidiair zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor zover die ziet op materiële schade alsmede bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de immateriële schade zal worden gematigd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 mei 2010 te Helmond ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en/of al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van/op die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 10 mei 2010 te Helmond een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, model 36) voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2. tenlastegelegde

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat het bewijs ervoor tekort schiet dat de revolver een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie was. Immers, behoudens met betrekking tot het aantreffen van de revolver is over deze revolver in het dossier niets gerelateerd. In het bijzonder ontbreekt een technische beschrijving (met categorieaanduiding als bedoeld in de Wet wapens en munitie) van het wapen. De verklaring van de verdachte dat deze revolver een vuurwapen is, bewijst nog niet dat het daadwerkelijk een vuurwapen als bedoeld in de Wet wapens en munitie is.

Bewezenverklaring van het onder 1. tenlastegelegde

Het bewijs

1. De aangifte d.d. 10 mei 2010 van [benadeelde 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Gisterenavond (het hof begrijpt: op 9 mei 2010) was ik bij mijn vriendin [benadeelde 2], wonende [adres] te Helmond. Omstreeks 22.15 of 22.30 uur ben ik met [benadeelde 2] op de fiets richting het station in Helmond gegaan. [benadeelde 2] zat achterop en ik fietste. Ik reed met haar over de Johannes Vermeerlaan. We kwamen aan bij de kruising met de Vondellaan. Wij zijn toen rechtdoor de Vondellaan in gereden. Van rechts op die kruising zag ik een personenauto aankomen. Achter het stuur zat een blanke man. Ik zag dat er nog iemand in de auto zat. Ik heb de chauffeur goed gezien omdat we elkaar aankeken om te zien wie er eerst door zou rijden. Eerst wilde hij mij op de kruising voor laten gaan maar ik bleef staan met de fiets waarna hij toen doorreed. Hij reed rechtdoor dus kruiste mijn weg. Ik ben daarna rechtdoor gereden de Vondellaan op. Degene die naast de bestuurder zat dook een beetje onderuit en daardoor viel hij mij op. Ik fietste toen dus rechtdoor. Mijn aandacht was naar voren en ik had muziek aan op de luidspreker van mijn MP4-speler.

Ineens hoorde ik pang. Meteen hoorde ik achter mij mijn vriendin schreeuwen. Ze had haar rechterhand in mijn zak. Ik voelde ook een harde plof op mijn borst tegen mijn jas en hoorde die knal. Meteen voelde ik ook dat het warm werd op mijn borst. Ik zag ook dat diezelfde auto die ik op de kruising had gezien mij voorbij kwam rijden. Die auto reed heel hard weg rechtdoor op de Vondellaan. Ook mijn vriendin zei dat het dezelfde auto was.

Ik heb onmiddellijk mijn vriendin vastgepakt en zag dat zij naar haar arm pakte. Ik dacht dat zij geraakt was. Ik voelde even later dat het weer warm werd op die plek op mijn borst en toen zag ik ook dat ik aan het bloeden was.

Ten gevolge van deze schietpartij, ben ik opgenomen in het Elkerliek ziekenhuis in Helmond. Ik heb een schotwond die dwars door mijn rug gaat. Het schot is aan de linker zij-achterkant gegaan en een 10 cm verder er weer uit gekomen.

Ik weet dat de auto mij passeerde toen iemand uit die auto schoot.

2. De aangifte d.d. 10 mei 2010 van [benadeelde 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op zondag 9 mei 2010 was ik samen met mijn vriend (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) bij mij thuis op de [adres] te Helmond.

Tussen 22.15 uur en 23.00 uur ben ik samen met [benadeelde 1] (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) op een fiets weg gefietst vanuit de woning van mijn ouders. [benadeelde 1] fietste en ik zat achterop. Mijn rechterhand zat in de jaszak van [benadeelde 1]. Wij zijn vanuit de Johannes Vermeerlaan de Jan van Goyenlaan ingefietst richting de Vondellaan. Ik zag dat er een auto van achter naast ons kwam rijden. Ik keek recht tegen de auto aan omdat ik met twee benen aan een kant zat. De auto kwam naast ons rijden en reed met ons mee. Ik zag dat er een persoon achterin zat. Ik kan me alleen de man herinneren die achterin zat en die schoot. Ik zag dat die man iets in zijn hand had wat hij op ons richtte. Ik dacht hij een pistool of zoiets in zijn rechterhand vast had. Het leek of hij heel erg boos naar mij keek. Hij hield het pistool voor zijn mond. Er is geen communicatie geweest tussen ons en de inzittenden van de auto. Plots kwam er een schot vanuit de auto. Ik hoorde dat [benadeelde 1] riep dat hij was beschoten. Op hetzelfde moment voel ik dat mijn rechterbovenarm begon te gloeien. Doordat we al langzamer waren gaan fietsen in verband met het gevaar kwamen we half vallend tot stilstand. U vraagt mij waar de auto bleef. De auto is in ieder geval niet gestopt.

3. De verklaring d.d. 11 mei 2010 van [benadeelde 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Om ongeveer 22.15 uur zijn [benadeelde 1] en ik weggegaan en zijn op de fiets richting het station gefietst. We zijn toen met de fiets de Johannes Vermeerlaan afgereden richting de Vondellaan en daar zijn we de kruising overgestoken de Vondellaan op. Ik zat bij [benadeelde 1] achterop met mijn benen aan de linkerkant. Ik had mijn rechterarm om hem heen en had mijn rechter hand in zijn jaszak gestoken.

Op het moment dat de auto van achteren naast ons kwam rijden, zag ik de auto. Ik zag dat die man recht tegenover mij was en hij keek heel boos en gemeen naar ons. Met name heel erg boos. Hij was vlakbij en keek echt naar ons. Hij had hierbij een pistool in zijn rechterhand. Dat pistool richtte hij op ons en hij hield het voor zijn gezicht net even onder zijn mond. Door de manier waarop hij met zijn handen iets vast had, weet ik zeker dat het een vuurwapen was en natuurlijk ook door de knal later.

Toen hoorde ik ineens een knal. Ik hoorde [benadeelde 1] maar roepen, we zijn beschoten. Ik zag dat [benadeelde 1] zijn jas uit deed en zijn T-shirt ook en ik zag dat er allemaal bloed op hem en op zijn jas was. Ik voelde meteen na de knal al iets hards tegen mijn rechter bovenarm aan de binnenzijde vlak bij mijn oksel. Pas later voelde ik dat het daar begon te branden. Ik heb toen ook mijn jas uitgedaan. Ik zag toen een ronde verwonding.

Ik weet dat de auto ons aan de linkerkant is gepasseerd.

Ik heb als verwonding dus een schaafwond op mijn rechterbovenarm aan de binnenzijde van mijn arm. Ik zag dat het wel iets dieper dan een oppervlakkige schaafwond was.

4. De verklaring d.d. 11 mei 2010 van [medeverdachte], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

[verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) heeft mij lang geleden al ooit verteld dat hij ruzie had met een jongen. [verdachte] had toen gevochten met die jongen op straat.

U zegt mij dat [betrokkene] (het hof begrijpt: [betrokkene]) heeft gezegd dat ik heb gezegd “He daar rijdt die ene.” U zegt mij dat dit gaat over de avond van de schietpartij. Een maand eerder zijn wij, [betrokkene], [verdachte] en ik, die jongen tegen gekomen. En toen zei [verdachte] dat het die jongen was waar hij ongeveer twee jaar geleden ruzie mee heeft gehad. [verdachte] vroeg aan mij of ik naar die jongen toe wilden rijden. Dit wilde ik niet, omdat zij ruzie hadden. Ik weet dat het eerst rustig zou verlopen en er dan ruzie zou komen. Ik wilde dat niet. [verdachte] zei toen “slimme keuze die je maakt”.

Afgelopen zondag (het hof begrijpt: 9 mei 2010) belde [betrokkene] mij op. Zij vroeg mij of ik hen samen op wilde halen bij de moeder van [verdachte]. [verdachte] en [betrokkene] zijn in de auto gestapt. Ik zat achter het stuur, [verdachte] ging voorin op de passagiersstoel zitten en [betrokkene] ging achter [verdachte] zitten. U laat mij een plattegrond van Helmond zien en u vraagt mij de route aan te geven welke wij hebben gereden.

Wij reden vanaf de Adonislaan richting de Venuslaan. Op de kruising Paulus Potterlaan/Jan van Goyenlaan moest ik afremmen voor een drempel. Ik keek naar links, de Jan van Goyenlaan in, en zag toen een fietser zonder licht aan komen fietsen. Pas toen de fietser voor mij doorreed zag ik dat het die jongen was waar [verdachte] drie jaar geleden ruzie mee heeft gehad. Ik zag toen dat het die donkere jongen was met het blonde meisje achter op de fiets. Ik zei toen letterlijk: “volgens mij is dat die jongen.” [verdachte] zei toen eerst niets. Maar tweehonderd meter verderop vroeg [verdachte] aan mij of ik wilde stoppen, omdat hij achterin bij [betrokkene] wilde gaan zitten. [verdachte] is toen achter mij gaan zitten.

Voordat ik verder reed, vroeg [verdachte] of ik langs die jongen wilde rijden. Ik deed dit en ik draaide de eerstvolgende mogelijkheid rechtsaf via de Frans Halslaan en ben toen rechtdoor gereden. Vervolgens ben ik linksaf de Vondellaan ingereden. Ik zag toen 75 meter verder voor ons die jongen en dat meisje fietsen.

De auto was met de voorzijde ter hoogte van de fietser. Ik keek toen in mijn achteruitkijkspiegel en zag dat [verdachte] over [betrokkene] heen boog en met zijn hoofd bij het rechter achterraam zat.

Ik reed verder om de fietser in te halen. Toen het rechter achterportier ter hoogte van de fietser was hoorde ik een harde knal.

Ik wist dat [verdachte] een echt vuurwapen had.

De manier waarop [verdachte] vroeg om naar die jongen te rijden was niet gewoon als vriend, maar meer als een opdracht. Hij sloeg toen ook op de kopsteun bij mij. Normaal vraagt hij dingen netjes en niet dwingend.

Toen ik die knal hoorde, wist ik dat er geschoten was. Op het moment dat ik de knal hoorde, wist ik dat hij dat ding had gebruikt. Toen vroeg ik aan [verdachte] waarom hij dit had gedaan. Ik hoorde [verdachte] zeggen “Nu is hij gewaarschuwd”.

5. De verklaring van [betrokkene] d.d. 10 mei 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb bij [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) in de auto gezeten gisterenavond (het hof begrijpt: op 9 mei 2010). [medeverdachte] reed en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) zat achter [medeverdachte]. Ik zat weer naast [verdachte]. Toen wij op de Vondellaan reden richting AH reed rechts voor ons een fietser met een meisje achterop. Toen wij vlak bij deze fietser kwamen boog [verdachte] plotseling voor mij door. Hij stak zijn hand uit het openstaande raam en in zijn hand had hij een wapen. Ik zag en hoorde dat [verdachte] met het wapen een schot loste in de richting van de fietser.

[verdachte] schoot 1 (een) keer. Ik vroeg nog aan [verdachte] of de fietser was geraakt. [verdachte] zei: “Nee maar het is wel een waarschuwing voor hem”.

Ik zag een jongen op de fiets met een blondje achterop.

U vraagt me wat er in de auto is gezegd voordat [verdachte] door het raam naar buiten schoot.

Ik dacht dat ik op een bepaald moment [medeverdachte] hoorde zeggen:”he, daar rijdt die ene”. [medeverdachte] draaide de Vondellaan in en reed langzaam. Op dat moment kwam [verdachte] over mij heen hangen, stak zijn hand uit het raam en schoot één keer in de richting van de fietsers.

Ik zag dat [verdachte] een donkerkleurig wapen in zijn hand had. Ik zag dat hij dat wapen voor me door het geopende raam stak en richting de fietser schoot.

[medeverdachte] reed vervolgens gewoon door. Ik hoorde dat [verdachte] toen zei:”ik hoop dat hij nou gewaarschuwd is”.

U vraagt me of [medeverdachte] nog is gestopt nadat er was geschoten. Nee.

6. De verklaring van verdachte d.d. 20 mei 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb met [benadeelde 1] (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) ruzie gekregen op mijn verjaardag, 7 juli, nu vier jaar geleden.

[medeverdachte] wist dat ik problemen met [benadeelde 1] had. [medeverdachte] wist wie [benadeelde 1] was. Ik heb namelijk een keer tegen [medeverdachte] gezegd wie [benadeelde 1] was. Dit is nog niet zo lang geleden.

Ik ben met [betrokkene] (het hof begrijpt: [betrokkene]) naar buiten gegaan en we zijn bij [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) in de auto gestapt. Ik ben naast [medeverdachte] voor in de auto gaan zitten. [betrokkene] is achterin gaan zitten. [medeverdachte] is via de Paulus Potterlaan aangereden. Ter hoogte van de kruising met de Vondellaan zag [medeverdachte] [benadeelde 1]. [medeverdachte] zei dat tegen mij. Hij zei: “He daar heb je [benadeelde 1]”. Ik zei toen: “Wacht”. [medeverdachte] is toen gestopt en ik zei: “Kom laat me achterin zitten bij het raam”. Dit heb ik ook gedaan. Ik ben achter [medeverdachte] gaan zitten. Ik heb toen ook al mijn vuurwapen achter mijn broekriem gepakt en hem in mijn hand genomen.

[medeverdachte] is achter [benadeelde 1] aangereden.

Ik had al gezien dat [benadeelde 1] met een meisje achterop op een fiets zat. [medeverdachte] moest met een omweg achter [benadeelde 1] aanrijden omdat wij de Vondellaan al voorbij waren. Via een kleine omweg kwamen we weer op de Vondellaan. [medeverdachte] zag [benadeelde 1] fietsen en is die kant opgereden, [benadeelde 1] achterna. Ik zag toen [benadeelde 1] ook weer fietsen. [medeverdachte] naderde [benadeelde 1] van achteren. Ik had het vuurwapen op [benadeelde 1] gericht. Voordat we bij [benadeelde 1] waren ben ik voor [betrokkene] door gaan hangen naar het openstaande raam toe. Het vuurwapen ging af en er viel een schot.

7. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 februari 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik reed die dag met [medeverdachte] over de Vondellaan in Helmond. [medeverdachte] bestuurde de auto en ik zat naast hem. [betrokkene] (het hof begrijpt: [betrokkene]) zat achter mij in de auto. Op een gegeven moment zag [medeverdachte] [benadeelde 1] fietsen. Ik vroeg [medeverdachte] om te stoppen. Ik ben toen naast [betrokkene] achter in de auto gaan zitten. Vervolgens heb ik [medeverdachte] gevraagd om naar [benadeelde 1] te rijden. Ik heb het vuurwapen gepakt. Ik droeg het vuurwapen in mijn broek. Ik hield het vuurwapen eerst achter het portier. Daarna heb ik het vuurwapen boven het portier gehouden. Mijn vinger zat aan de trekker. Ik heb het vuurwapen in de richting van [benadeelde 1] gehouden. Ik hing op dat moment langs [betrokkene] naar het openstaande raam toe. Het vuurwapen was gebruiksklaar. Op het moment dat wij [benadeelde 1] passeerden ging het vuurwapen af.

8. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 september 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het klopt dat de Vondelstraat slechts een smalle rijweg heeft en dat indien je met de auto een fietser inhaalt er geen ruimte meer is voor een tegenligger.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van het leven te beroven. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- verdachte niet opzettelijk heeft geschoten, aangezien het vuurwapen per ongeluk is afgegaan;

- verdachte niet het opzet had om [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van het leven te beroven;

- verdachte impulsief heeft gehandeld en van voorbedachte raad geen sprake is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.1

Aan het verweer dat verdachte niet opzettelijk heeft geschoten, is de stelling ten grondslag gelegd dat de auto waarin verdachte zich bevond plotseling vaart minderde, als gevolg waarvan het vuurwapen per ongeluk is afgegaan.

C.2

Deze stelling van de verdachte vindt geen steun in enige verklaring van de getuigen. Getuige [benadeelde 2] heeft verklaard: Ik zag dat er een auto van achter naast ons kwam rijden. Ik keek recht tegen de auto aan omdat ik met twee benen aan een kant zat. De auto kwam naast ons rijden en reed met ons mee.

De getuige [betrokkene] heeft verklaard: [medeverdachte] draaide de Vondellaan in en reed langzaam. Op dat moment kwam [verdachte] over mij heen hangen, stak zijn hand uit het raam en schoot één keer in de richting van de fietsers.

In de verklaringen van [medeverdachte] is evenmin steun te vinden voor de door de verdediging betrokken stelling dat de auto vaart zou hebben geminderd. [medeverdachte] heeft hieromtrent verklaard dat op het moment hij de knal hoorde langzaam voorbij de fietsende jongen en meisje reed.

Uit de verklaringen van [betrokkene] en [medeverdachte] blijkt voorts niet dat verdachte op enig moment nadat het vuurwapen is afgegaan, heeft gezegd dat het per ongeluk is afgegaan, hetgeen toch voor de hand zou hebben gelegen indien verdachte dit was overkomen. Blijkens de verklaring van [betrokkene] en [medeverdachte] heeft verdachte direct nadat het vuurwapen is afgegaan gezegd: “ik hoop dat hij nou gewaarschuwd is” of “nu is hij gewaarschuwd”. Woorden die er niet op duiden dat het pistool per ongeluk is afgegaan.

Daarnaast had het voor de hand gelegen dat de verdachte, als zijn pistool werkelijk per ongeluk was afgegaan, meteen in zijn verhoren met deze lezing op de proppen was gekomen. De verdachte heeft er echter voor gekozen in de eerste verhoren (respectievelijk op 10 mei 2010 (blz. 108) en op 11 mei 2010 (blz. 112-115) te ontkennen: hij zou thuis zijn geweest en niet betrokken bij het schietincident. Pas bij de rechter-commissaris op 12 mei 2010 erkent hij dat hij erbij was en dat hij het vuurwapen vast had met zijn vinger aan de trekker, maar dat het vuurwapen per ongeluk afging. De verdachte is dus, blijkens het verloop van de verhoren, minder geloofwaardig.

C.3

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de stelling kunnen onderbouwen dat de auto waarin verdachte zich bevond (plotseling) vaart minderde, als gevolg waarvan het vuurwapen per ongeluk is afgegaan.

Gelet op het hiervoor onder C.2 overwogene, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft geschoten in de richting van [benadeelde 1] en [benadeelde 2].

D.

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte opzettelijk – minstgenomen in voorwaardelijke zin – [benadeelde 1] van het leven heeft willen beroven. Immers, verdachte heeft van korte afstand uit een rijdende auto opzettelijk en gericht geschoten in de richting van de op een fiets rijdende [benadeelde 1] en [benadeelde 2], waarbij [benadeelde 1] in het bovenlijf is geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand als gevolg van het aldus uitgeoefende geweld – in de nabijheid van vitale lichaamsdelen – de aanmerkelijke kans loopt zodanig ernstig letsel te bekomen, dat hij als gevolg daarvan het leven verliest. De gedraging van verdachte was dan ook geëigend om [benadeelde 1] te doden. De verdachte moet zich daarvan, evenals ieder ander weldenkend mens, bewust zijn geweest.

De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het doden van [benadeelde 1], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde 1] als gevolg van zijn bewezen verklaarde handelen zou sterven en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

E.1

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leidt het hof voorts – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende af.

[benadeelde 2] zat samen met [benadeelde 1] op een fiets. [benadeelde 2] zat achterop met haar benen aan de linkerkant van de fiets. Zij had haar rechterarm om [benadeelde 1] heen en had haar rechterhand in zijn jaszak gestoken. Aldus zat zij zo goed als tegen [benadeelde 1] aan. Verdachte heeft vervolgens van korte afstand vanuit een rijdende auto opzettelijk en gericht geschoten in de richting van de fietsende [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. De kogel heeft hen beiden geraakt. [benadeelde 2] is geraakt aan de binnenzijde van haar rechterbovenarm en derhalve ook dichtbij vitale organen in bovenlichaam of hoofd.

E.2

Het hof is van oordeel dat verdachte, door onder de hiervoor onder E.1 weergegeven omstandigheden te schieten in de richting van [benadeelde 1] en [benadeelde 2], willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die [benadeelde 2] dodelijk getroffen zou kunnen worden. Verdachte heeft aldus opzettelijk – in voorwaardelijke zin – [benadeelde 2] van het leven willen beroven.

F.1

Voor bewezenverklaring van poging tot moord is vereist dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

F.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof voor zover hier van belang de volgende gang van zaken af.

Medeverdachte [medeverdachte] zag [benadeelde 1] fietsen en na tweehonderd meter vroeg verdachte aan [medeverdachte] om de auto te stoppen zodat hij achterin de auto kon gaan zitten. [medeverdachte] stopte daarop de auto. Verdachte is toen achterin de auto gestapt en heeft toen al zijn vuurwapen ter hand genomen. Verdachte heeft vervolgens tegen [medeverdachte] gezegd dat hij achter [benadeelde 1] aan moest rijden. Er moest vervolgens een omweg genomen worden, omdat ze inmiddels de Vondellaan al gepasseerd waren. Vervolgens is [medeverdachte] de Vondellaan ingereden. Op 75 meter afstand fietsten toen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. [medeverdachte] is achter hen aan gereden. Hij is vervolgens links naast [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gaan rijden. Verdachte heeft vervolgens opzettelijk geschoten in de richting van [benadeelde 1] en [benadeelde 2].

F.3

Uit de hiervoor omschreven gang van zaken en het daarmee gemoeide tijdsverloop leidt het hof af dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het kan zijn dat de verdachte, toen hij [benadeelde 1] zag fietsen, impulsief het plan heeft opgevat om op [benadeelde 1] te gaan schieten – er zijn althans geen aanwijzingen dat de verdachte die avond bewust op zoek is gegaan naar [benadeelde 1] – maar vervolgens heeft de verdachte voldoende gelegenheid gehad om op dat plan terug te komen, wat hij niet heeft gedaan. In plaats daarvan is hij doorgegaan met de uitvoering van zijn voornemen.

Het hof acht daarom - anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal - de voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.

G.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

H.

De raadsvrouw heeft in aansluiting bij het betoog van de raadsman van de gelijktijdig behandelde zaak van de medeverdachte [medeverdachte], voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof in de zaak tegen medeverdachte zou komen tot de in die zaak bepleite uitsluiting van een verklaring van [medeverdachte] van het bewijs, nog ten verweer betoogd dat deze verklaring in de zaak tegen verdachte eveneens van het bewijs moet worden uitgesloten. Nu het hof in de zaak tegen [medeverdachte] niet tot bewijsuitsluiting heeft geoordeeld, behoeft dit voorwaardelijk verweer geen bespreking.

I.

De advocaat-generaal heeft gelet op het aandeel dat medeverdachte [medeverdachte] heeft gehad in de voorbereiding, de uitvoering en in de afhandeling van de tenlastegelegde feiten, gerekwireerd dat medeplegen bewezen dient te worden verklaard.

Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers vereist. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens samenwerken tot het plegen van de tenlastegelegde feiten. Dat vereist onder meer een dubbel opzet: opzet op de samenwerking en opzet op het van het leven beroven.

Dit betekent in dit geval dat medeverdachte [medeverdachte] zich willens en wetens moet hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een samenwerking aanging die gericht was op het van het leven beroven van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]. Dit vereist niet alleen dat [medeverdachte] de wetenschap van die aanmerkelijke kans had, maar tevens dat hij die kans ook aanvaardde. In dat verband verdient opmerking dat de enkele wetenschap van [medeverdachte] dat die aanmerkelijke kans bestond niet zonder meer met zich brengt dat hij die kans ook heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om te kunnen aannemen dat [medeverdachte] zich bewust was dat er een aanmerkelijke kans was dat [verdachte] op [benadeelde 1] zou schieten. Weliswaar wist [medeverdachte] dat [verdachte] die dag een vuurwapen bij zich had en dat [verdachte] ruzie had (gehad) met [benadeelde 1], maar dit brengt op zich zelf nog niet mee dat [medeverdachte] rekening moest houden met de (aanmerkelijke) kans dat [benadeelde 1] dat vuurwapen zou gebruiken om te schieten op [benadeelde 1]. [medeverdachte] kende [verdachte] niet als iemand die al vaker geschoten had of daartoe snel geneigd was. Er is geen aanwijzing dat [medeverdachte] heeft gezien dat [verdachte] in de auto, toen deze achter [benadeelde 1] aanreed, het pistool in zijn hand had en evenmin dat hij heeft gezien dat [verdachte] dat pistool, met zijn vinger aan de trekker, heeft gericht op de slachtoffers.

Bij deze stand van zaken kan ook niet worden gesproken van een bewuste aanvaarding door [medeverdachte] van de aanmerkelijke kans dat [verdachte] op [benadeelde 1] zou schieten.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 09 mei 2010 te Helmond ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffend rapport, d.d. 16 november 2010, opgemaakt door drs. L.C.M. Beurskens, GZ-psycholoog, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit lijdende was aan zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat het feit hem in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof volgt deze conclusie en legt die ten grondslag aan zijn beslissing. Op grond daarvan zal het hof het bewezen verklaarde feit de verdachte in licht verminderde mate toerekenen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De eerste rechter heeft verdachte ter zake van poging tot doodslag op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en een overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van medeplegen van poging tot moord op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en een overtreding van de Wet wapens en munitie zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit dat de op te leggen straf zal worden gematigd, gelet op de rapporten die met betrekking tot de persoon van verdachte zijn opgemaakt, de omstandigheid dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld en de omstandigheid dat verdachte oprecht spijt heeft betoond.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In verband met de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 9 mei 2010 zonder schuldig gemaakt aan een dubbele poging tot moord door vanuit een rijdende auto een schot af te vuren op de naast hem fietsende [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Beide slachtoffers zijn ook verwond door dit schot.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze tot de dood van de slachtoffers had kunnen leiden. Dat de slachtoffers niet zijn komen te overlijden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte en daarom geenszins aan hem toe te rekenen. De slachtoffers hebben groot geluk gehad dat zij het voorval kunnen navertellen.

Een en ander vond plaats in de avonduren op de openbare weg. Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het leidt vanwege het gewelddadig karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Dergelijke feiten leiden vaak tot langdurige psychische klachten bij de slachtoffers, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, hetgeen ook naar voren komt uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 19 januari 2011 van [benadeelde 2].

Ten laste van de verdachte weegt verder dat hij, volgens zijn eigen verklaring, in staat is gebleken om geruime tijd – in de weken of maanden voorafgaande aan de onderhavige feiten - met een doorgeladen pistool bij zich de straat op te gaan. Dit is strafbaar en zeer onverantwoord gedrag. Waartoe dit kan leiden is wel gebleken in het onderhavige geval, immers de verdachte had toen min of meer standaard het middel bij zich om bij deze aanvankelijk niet gezochte ontmoeting met het slachtoffer [benadeelde 1] het plan op te vatten en uit te voeren om op [benadeelde 1] te schieten.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

16 augustus 2011, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de inhoud van het hiervoor genoemde deskundigenrapport, alsmede de hiervoor vastgestelde licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte;

- de inhoud van het hem betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland

d.d. 26 juli 2010;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles afwegende komt het hof tot een gevangenisstraf van zeven jaar, indien ook het tweede feit (het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een revolver) bewezen zou kunnen worden verklaard. Nu dit niet het geval is, zal het hof een gevangenisstraf opleggen van zes jaren en zes maanden.

Schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht

1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 2] als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.156,61.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 2.156,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 1] als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.292,98.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 2.292,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 2.156,61, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1. bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.850,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 306,61. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

2. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 2.292,98, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1. bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 2.000,00.

Voor zover de verdediging heeft bepleit dit bedrag verder te matigen vanwege provocerend gedrag van het slachtoffer volgt het hof dit pleidooi niet. In het bijzonder op de dag van het schietincident zijn het uitsluitend de intenties en gedragingen van de verdachte geweest, die tot dit incident hebben geleid. Of in de voorafgaande periode sprake is geweest van negatief gedrag van het slachtoffer jegens de verdachte kan het hof niet vaststellen en doet overigens niet af aan de volledige eigen verantwoordelijkheid van de verdachte voor dit incident.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 292,98. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

En ten aanzien van elk van de bovenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Het hof zal de verdachte tevens verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 60a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 2.156,61 (tweeduizend honderdzesenvijftig euro en eenenzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 2.292,98 (tweeduizend tweehonderdtweeënnegentig euro en achtennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 2] terzake van het onder 1. bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.156,61 (tweeduizend honderdzesenvijftig euro en eenenzestig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 1] terzake van het onder 1. bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.292,98 (tweeduizend tweehonderdtweeënnegentig euro en achtennegentig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

En ten aanzien van elk van de bovenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 5 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. K. van der Meijde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.