Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6831

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
10/00869
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter finale kwijting betaald bedrag betreft geen nagekomen bedrijfslast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2273
V-N Vandaag 2011/2463
V-N 2011/55.1.2
FutD 2011-2422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00869

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 november 2010, nummer AWB 07/2197, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.908, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

"2.1. Belanghebbende is firmant geweest in A VOF. Nadat A VOF is ontbonden bleek er nog een openstaande schuld van de VOF aan B-bank te bestaan van ƒ 1.632.579,25 (€ 740.832). Namens de B-bank heeft C (C) op 29 juni 1998 de invordering van de openstaande schuld ter hand genomen. Op 21 december 2004 zijn belanghebbende en C overeengekomen dat belanghebbende € 19.748 aan C zal voldoen ter finale kwijting van de openstaande schuld.

2.2. Belanghebbende brengt in zijn aangifte inkomstenbelasting 2004 € 19.748 in mindering op zijn inkomen uit werk en woning als zijnde een nagekomen bedrijfslast. De inspecteur corrigeert bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting 2004 het inkomen met € 19.748 en stelt het inkomen uit werk en woning vast op € 41.908."

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.2. De curator in het faillissement van A VOF en van D en X heeft een definitief financieel eindverslag opgemaakt dat op 11 december 1996 is goedgekeurd door de rechter-commissaris. Uit dit verslag blijkt dat de concurrente crediteuren een totaal bedrag aan vorderingen hebben van f 2.536.009,36.

2.3. Het Incassobureau C BV heeft op 20 oktober 1998 namens B Bank NV belanghebbende bericht dat de invorderingsactiviteiten voorlopig worden opgeschort in verband met belanghebbendes financiële situatie.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is het door belanghebbende aan B Bank NV betaalde bedrag van € 19.748 aan te merken als een nagekomen bedrijfslast?

II. Kan voormeld bedrag als negatief inkomen dan wel als aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen?

III. Is er sprake van een niet in aanmerking genomen stakingsverlies, dat alsnog in aanmerking kan worden genomen?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en, naar het Hof verstaat, tot vermindering van de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.160. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbendes onderneming is in 1996 gestaakt wegens faillissement. De B Bank NV had op dat moment nog een vordering op A VOF, waarvoor belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk was.

4.2. Het Hof is van oordeel dat de schuld van belanghebbende aan B Bank NV na de staking van de onderneming tot diens privévermogen is gaan behoren. Met ingang van 2001 is er sprake van een schuld die behoort tot het zogenoemde "box 3-vermogen". Het door belanghebbende in 2004 betaalde bedrag ter finale kwijting van deze schuld vormt een voldoening van die schuld, die niet ten laste van het inkomen kan worden gebracht.

4.3. Het Hof is overigens met de Rechtbank van oordeel dat de aflossing van een schuld geen voor de winstbepaling van belang zijnde transactie vormt. Het gaat daarbij slechts om een mutatie in het vermogen. Zelfs indien nog sprake zou zijn van een ondernemingsschuld, zou de aflossing niet als nagekomen bedrijfslast in aanmerking kunnen worden genomen.

4.4. Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het betaalde bedrag als negatief inkomen dan wel als aftrekbare kosten in aanmerking kan worden genomen. Belanghebbende stelt daartoe dat bij het uitblijven van de betaling van € 19.748, onvermijdelijk een faillissement zou zijn gevolgd. Als gevolg van een dergelijk faillissement zou - aldus belanghebbende - hij zijn woning en zijn inkomen hebben verloren. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat hij met dit laatste zijn arbeidsinkomen bedoelt.

4.5. Het Hof verwerpt belanghebbendes standpunt. Zelfs indien aangenomen zou worden dat belanghebbende, in het geval dat hij failliet gegaan zou zijn, zijn dienstbetrekking zou hebben verloren, dan nog kan de verrichte betaling naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als negatief arbeidsinkomen. De betaling staat niet zozeer in verband met een dienstbetrekking (of andere bron van arbeidsinkomen) dat deze als negatieve opbrengst daarvan kan worden beschouwd. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de betaling als aftrekbare kosten ter zake van de eigen woning moet worden aangemerkt, verwerpt het Hof dit standpunt eveneens. Er is geen sprake van uitgaven als bedoeld in artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4.6. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat in 1996 ten onrechte geen rekening is gehouden met een stakingsverlies, althans niet tot het bedrag van € 19.748 dat hij in 2004 heeft betaald. De Inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden en gesteld dat in 1996 een bedrag van f 100.000 als verlies uit onderneming in aanmerking is genomen en dat daarin alle geleden verliezen waren begrepen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een geheel of gedeeltelijk niet in aftrek toegelaten stakingsverlies. Het Hof overweegt voorts ten overvloede dat indien in 1996 sprake zou zijn geweest van een stakingsverlies dat niet in aanmerking is genomen, belanghebbende rechtsmiddelen had moeten aanwenden tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over dat jaar. Een dergelijk niet in aftrek gebracht stakingsverlies kan niet alsnog in 2004 in aanmerking worden genomen.

Slotsom

4.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 24 juni 2011 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.