Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6818

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
10/00022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levering onroerende zaak op moment overgang economisch risico

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2288
FutD 2011-2414
V-N Vandaag 2011/2448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00022

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V. te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 november 2009, nummer AWB 08/5706, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 december 2006 onder aanslagnummer 0000.00.000.F.01.5501 over het tijdvak van 1 mei 2005 tot en met 31 mei 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 602.836 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 150.709.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur met dagtekening 1 november 2008, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot € 60.283.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

Bij uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 1 februari 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen de Inspecteur. Belanghebbende en diens gemachtigde zijn niet verschenen.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

De Rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.7. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Nu daartegen door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.1. Belanghebbende bezit 50% van de aandelen in A BV (hierna: A). In januari 2003 hebben belanghebbende en A een stuk opgemaakt met het opschrift 'Voorovereenkomst tot koop'. Het stuk is niet ondertekend en bevat kanttekeningen in de marge. In het stuk is onder meer het volgende opgenomen:

"in aanmerking nemende:

dat [belanghebbende] eigenaar is van de sporthal met horecagelegenheid, staande en gelegen te 0000 XX Y (...);

- dat [belanghebbende] voornemens is dit complex verder uit te breiden en de bestaande faciliteiten ingrijpend te wijzigen, zodanig dat er een hotel-theatercomplex met sportzaal, horecagelegenheid alsmede appartementen worden gerealiseerd;

verklaren:

dat zij zijn overeengekomen dat [A] koopt van [belanghebbende]: een zodanig appartementsrecht c.q. zodanige appartementsrechten als na splitsing zullen ontstaan, omvattende het hotel-theatercomplex met sporthal en horecagelegenheid (...) zulks voor een koopsomgelijk aan de boekwaarde (...) thans gesteld op (...) welke exacte koopsom tussen partijen in nader overleg zal worden bepaald, en welke koopsom zal worden vermeerderd met de alsdan eventueel verschuldigde omzetbelasting; (..)

Voorts zijn partijen overeengekomen dat [A] met ingang van 1 januari 2003 het gekochte (...) zal huren tot aan de datum van juridische levering (...)."

Het onderwerp van deze voorovereenkomst wordt hierna aangeduid als "het object".

In december 2002 hebben belanghebbende en A een huurovereenkomst gesloten, getiteld "Huurovereenkomst winkelruimte". In deze huurovereenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

" 9 Koopovereenkomst

(..)

Partijen zijn overeengekomen dat [A] koopt van [belanghebbende] een zodanig appartementsrecht c.q. zodanige appartementsrechten als na splitsing zullen ontstaan, omvattende het hotel complex met sporthal, multifunctionele ruimte en de horecagelegenheid conform de tekeningen zoals deze ten behoeve van de aanvraag bouwvergunning zijn ingediend. Details van de koopovereenkomst worden nog nader uitgewerkt.

De onderhavige huurovereenkomst is onlosmakelijk verbonden met de hiervoor vermelde koopovereenkomst en zal door vermenging van rechtswege eindigen zodra de levering van het gekochte heeft plaatsgevonden. "

2.2. In april 2004 zijn belanghebbende als verkoper en A als koper in een overeenkomst, getiteld "koopakte appartementsrecht" met betrekking tot het object onder meer het volgende overeengekomen:

"Ondergetekenden, verkoper en koper, hebben in december 2002 een mondelinge koopovereenkomst gesloten (...). De bepalingen van die koopovereenkomst worden thans nader uitgewerkt als volgt (...)

4. Feitelijke staat en het gebruik van het gekochte

Het gekochte wordt geleverd in de feitelijke staat waarin het zich ten tijde van de levering bevindt, geheel afgebouwd conform de aan de koper ter hand gestelde bouwtekeningen. (...)

11. De koopprijs

De koopprijs bedraagt (...) € 3.172.822 (...)

12. (...)

- omzetbelasting (thans 19%) is wel verschuldigd voor zover het betreft het door de verkoper nieuw vervaardigd onroerend goed. Dit bedrag is niet begrepen in de hiervoor vermelde koopsom. (..)

17. Risico-overgang. Schaderisico

Vanaf de aflevering is het gekochte voor rekening en risico van de koper. De verkoper is verplicht het gekochte tot de aflevering voor zijn rekening en op de daar voor gebruikelijke wijze naar herbouwwaarde te verzekeren en verzekerd te houden. (...)."

19. Datum leveringsakte

De hiervoor bedoelde leveringsakte zal worden verleden (...)binnen twee weken na oplevering van het gekochte door de aannemer (omstreeks 1 mei 2005) (...)

2.3. Het object is aan A geleverd bij notariële akte van mei 2005. In de akte is onder meer vermeld:

De koopprijs bedraagt (...) € 3.172.822,00.

(...)

Aangezien het gekochte een nieuw vervaardigde onroerende zaak betreft dient de koopsom te worden verhoogd met omzetbelasting ten bedrage van (...) € 602.836,18 (...). Deze omzetbelasting is niet begrepen in de koopprijs.

(...)

De koopprijs alsmede de verschuldigde omzetbelasting is door de koper voldaan door storting op een daartoe bestemde rekening van de notaris.(...)"

2.4. De koopprijs van € 3.172.822,00 en de omzetbelasting ad € 602.836,18 zijn als zodanig vermeld op de nota van afrekening van de notaris. Daaruit blijkt tevens dat de koopprijs gedeeltelijk, tot een bedrag van € 842.415, is omgezet in een achtergestelde lening van belanghebbende aan A.

2.5. Belanghebbende heeft de onder 2.3. en 2.4. vermelde omzetbelasting ad € 602.836,18 niet als verschuldigde omzetbelasting opgenomen in de aangifte over het tijdvak mei 2005, maar die belasting voldaan op de aangifte over het tijdvak december 2005. De aangifte is op 30 januari 2006 elektronisch ingediend. Volgens de aangifte was € 671.745 omzetbelasting verschuldigd. Bij brief van 30 januari 2006 heeft belanghebbende aan de inspecteur onder de benaming "suppletieaangifte" een specificatie van het bedrag van € 671.745 gezonden. Wegens niet (tijdig) betalen van dat bedrag is op 24 februari 2006 een naheffingsaanslag over het tijdvak december 2005 opgelegd.

2.6. Bij brief van 31 januari 2006 heeft belanghebbende nogmaals een "suppletie aangifte omzetbelasting 2005" ingediend en daarin het bedrag van € 602.836,18 teruggevraagd. Naar aanleiding hiervan is namens de inspecteur bij belanghebbende een onderzoek uitgevoerd en is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De in februari 2006 opgelegde naheffingsaanslag over het tijdvak december 2005 is bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2006 verminderd met

€ 602.836.

2.7. A heeft de omzetbelasting als voorbelasting afgetrokken in haar aangifte voor het tijdvak mei 2005 en in juni 2005 ontvangen.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten vast:

2.8. In de onder 2.2 vermelde "koopakte appartementsrecht" is eveneens overeengekomen:

"15. Baten en lasten

De baten van het gekochte en de over het gekochte door publiekrechtelijke lichamen geheven periodieke lasten en de servicekosten van de vereniging komen voor rekening van de koper vanaf de aflevering tenzij in deze koopovereenkomst anders is bepaald. (...)

16. Bezitsverschaffing en aflevering

De verkoper is verplicht tot bezitsverschaffing en aflevering van het gekochte aan de koper, met gelijktijdige afgifte van alle bij het gekochte behorende sleutels. Aan deze bezitsverschaffing en de overhandiging van de sleutels moet zijn voldaan direct na ondertekening van de akte van levering. (...).

18. De leveringsakte

De overdracht van het gekochte registergoed komt tot stand door middel van de notariële akte van levering en de inschrijving daarvan in de openbare registers van het kadaster. (...)".

2.9. De Inspecteur heeft een nader onderzoek ingesteld naar aanleiding van de afwikkeling van de btw ter zake van de bouw en overdracht van het project. Dit resulteerde in een op 15 augustus 2006 gedateerde brief van de Inspecteur inhoudende het standpunt de naheffingsaanslag over het tijdvak 2005 te verminderen met € 602.836 alsmede in een voornemen tot naheffing van een gelijk bedrag voor het tijdvak mei 2005 en kennisgeving van het opleggen van een vergrijpboete. In het verslag van het hoorgesprek van 27 september 2006 ten kantore van de gemachtigde naar aanleiding van deze brief staat vermeld:

"De heer B deelde ons desgevraagd mede dat hij die visie, het toepassen van de verleggingsregeling in plaats van het in rekening brengen van Omzetbelasting bij onderhavige transactie, heeft besproken met belanghebbende (X) en schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan de notaris. Dit vond plaats nadat de heer B, op verzoek van belanghebbende (X) de concept-akte had beoordeeld. De heer B heeft toegezegd, dat het hiervoor vermelde schrijven aan de notaris door hem wordt toegezonden.(...)".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Op welke datum heeft de levering op de voet van artikel 3, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) van het object plaatsgevonden? Belanghebbende stelt dat de levering plaatsvond in april 2004. De Inspecteur verdedigt dat de levering plaatsvond op 31 mei 2005.

2. Is belanghebbende terecht van mening, zoals hij op pagina 4 van zijn hoger beroepschrift aanvoert, dat hij als eigenbouwer in de zin van artikel 12, lid 4 van de Wet juncto artikel 24b, derde lid van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 kan worden aangemerkt? De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3. Is de vergrijpboete terecht en op het juiste bedrag vastgesteld? Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de naheffingsaanslag en van de boete. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. In artikel 3, eerste lid, aanhef en letter a van de Wet (tekst luidend voor het jaar 2005) is bepaald: "leveringen van goederen zijn: de overdracht van goederen ingevolge een overeenkomst.". Op grond van artikel 5 van de Zesde Richtlijn (met ingang van 1 januari 2007: artikel 14, eerste lid BTW-richtlijn) wordt als levering van een goed beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Het begrip 'levering' omvat elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij, die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk over die lichamelijke zaak te beschikken als ware zij daarvan eigenaar (HvJ EU, 8 februari 1990, Safe, nr. C-320/88, onder andere gepubliceerd in BNB 1990/271).

4.2. Belanghebbende stelt dat in de in 2.1 vermelde "voorovereenkomst tot koop" gesloten door belanghebbende met A is bepaald dat, zodra een onherroepelijke bouwvergunning is verleend voor het object, A het object koopt. Mede gelet op deze bepaling heeft de levering in de zin van het Wet, naar belanghebbende stelt, plaatsgevonden bij de in 2.2 vermelde "koopakte appartementsrecht" in april 2004.

4.3. Het Hof kan belanghebbende hier niet in volgen. De "voorovereenkomst tot koop" dient, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, als een intentie tot verkoop van het object te worden gekwalificeerd. Deze intentie-overeenkomst wordt nader uitgewerkt in de "koopakte appartementsrecht" van april 2004. De bepalingen van de "koopakte appartementsrecht" laten, naar het oordeel van het Hof, geen andere conclusie toe dan dat het economische belang van het object tot het moment van de civielrechtelijke levering bij notariële akte bij de verkoper is gebleven. Eerst in mei 2005 is, zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, sprake van overgang van het economische risico van het object en verkreeg A de macht om over het object te beschikken als ware zij daarvan eigenaar.

4.4. Op grond van artikel 37 van de Wet is belanghebbende de door haar op de door de notaris op de nota van afrekening aan A vermelde btw per 31 mei 2005 verschuldigd. Deze in het tijdvak mei 2005 verschuldigde belasting had belanghebbende op aangifte moeten voldoen. Nu zij zulks heeft nagelaten, is, mede gelet op hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen, de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het gelijk ten aanzien van de eerste in geding zijnde vraag is aan de Inspecteur.

4.5 Voor zover belanghebbende aanvoert dat sprake is van eigenbouwerschap heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn standpunt ondersteunen. Noch is aannemelijk gemaakt dat het werk is uitgevoerd in de normale uitoefening van het bedrijf noch dat de algehele leiding van het project op belanghebbende rustte.

De vergrijpboete

4.6. De Inspecteur heeft gelijktijdig met de naheffingsaanslag over het tijdvak mei 2005 op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bij beschikking aan belanghebbende wegens verwijtbare grove schuld een vergrijpboete van 25% van de nageheven belasting opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de boete gematigd tot 10% van de nageheven belasting. Artikel 67f, lid 1, van de AWR luidt als volgt:

"Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete."

4.7. De bewijslast met betrekking tot de aanwezigheid van grove schuld berust bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft dienaangaande gesteld dat - kort gezegd - nu de verleggingsregeling toepassing mist, het niet aan redelijke twijfel onderhevig kon zijn dat de op de nota van afrekening van de notaris vermelde btw op aangifte van het tijdvak mei 2005 diende te worden voldaan.

4.8. Belanghebbende heeft de btw ter zake van de overdracht en levering van het object eerst aangegeven in de op 30 januari 2006 electronisch ingediende aangifte van het tijdvak december 2005. Op het voorblad van deze aangifte staat vermeld: "Ondertekening

Naam X1".

Gelijktijdig is separaat een "bijlage suppletie aangifte omzetbelasting 2005" met een te betalen bedrag van € 671.745 aan de Belastingdienst gezonden. Bij een door middel van een per telefaxbericht, ondertekend door gemachtigde, op 31 januari ingezonden als bezwaar tegen deze aangifte op te vatten stuk wordt gelijktijdig teruggave gevraagd van

€ 602.834. Bij dit stuk is gevoegd een "bijlage suppletie-aangifte omzetbelasting 2005" met vermelding "Suppletie, te vorderen € 602.834".

4.9. Door belanghebbende is gesteld dat de aangifte over het tijdvak december 2005 tezamen met de toelichting door middel van de voormelde eerste "bijlage suppletie aangifte omzetbelasting 2005" als een verbetering van de aangifte van het tijdvak mei 2005 heeft te gelden.

4.10. Het Hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. Niet valt in te zien dat het gelijktijdig met de indiening van de aangifte van het tijdvak december 2005, bezwaar aantekenen tegen deze aangifte en het vervolgens terugvragen van het bedrag van de op 31 mei 2005 aan A in rekening gebrachte btw, als een herstel van een omissie kan worden aangemerkt. Mede gelet op hetgeen het Hof in 4.3 en 4.4 heeft overwogen, is van een vrijwillige verbetering dan ook geen sprake. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat sprake is van een pleitbaar standpunt, dient dit op dezelfde gronden eveneens te worden verworpen.

4.11. Belanghebbende stelt voorts dat geen sprake is van haar toerekenbare verwijtbaarheid noch van onzorgvuldig handelen. In dit verband wordt gewezen op het standpunt van belanghebbende dat de verleggingsregeling op de voet van artikel 12, lid 4 van de Wet in samenhang met artikel 24b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 van toepassing zou zijn. Belanghebbende zou zich in dezen door zijn adviseur hebben laten leiden; zij zou niet de specifieke juridische kennis hebben gehad om de juistheid hiervan te beoordelen.

4.12. Met de Rechtbank acht het Hof dit standpunt ongeloofwaardig. Belanghebbende heeft de bewijslast van de - door haar gestelde - onjuistheid van de door de notaris opgemaakte akte van levering en de daarmee samenhangende nota van afrekening. Uit de door belanghebbende tot mei 2005 ingediende aangiftes omzetbelasting noch uit die van A blijkt van het van toepassing zijn van de verleggingsregeling met betrekking tot de nieuwbouw van het object. Van overleg met de notaris in dezen is niet gebleken. Belanghebbende is de toezegging tijdens het hoorgesprek van 27 september 2006 om de brief gericht aan de notaris, aan de Inspecteur te overleggen, niet nagekomen. De door belanghebbende terzake overlegde brief gedateerd 29 mei 2006 vormt daartoe volstrekt onvoldoende bewijs. Het handelen van de gemachtigde in dezen dient geheel aan belanghebbende te worden toegerekend.

4.13. Het Hof overweegt voorts dat A de aan haar in rekening gebrachte btw ter zake van de overdracht en levering van het object in mei 2005 op haar btw-aangifte van die maand in aftrek heeft gebracht. A is de betreffende in rekening gebrachte btw aan belanghebbende schuldig gebleven. Hier moet tussen belanghebbende en A overleg over zijn geweest. De gelieerde verhouding tussen belanghebbende en A in aanmerking nemende, is belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, op de hoogte geweest van de handelwijze van A. Door gelijktijdig met de ingediende aangifte over het tijdvak december 2005 een bezwaarschrift tegen deze aangifte in te dienen had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat de over het tijdvak mei 2005 verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit klemt te meer nu A de in aftrek gebrachte btw reeds in juni 2005 heeft ontvangen.

4.14. Gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen in 4.6 tot en met 4.13 is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat geen omzetbelasting is betaald over het tijdvak mei 2005 omdat de belasting terzake niet is aangegeven. Een boete van 10% acht het Hof passend en geboden.

4.15. Aangezien tussen de op de voet van artikel 67g AWR gedane mededeling van 15 november 2006 en de uitspraak van de Rechtbank van 25 november 2009 een periode is verstreken van meer dan 36 maanden is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Het Hof zal op de boete van 10% een bedrag in mindering brengen van 20% van het bedrag van de boete met een maximum van € 20.000.

4.16. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover het de boete betreft. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigen en de boete met € 20.000 verminderen tot € 130.709.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 288 respectievelijk € 447 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.19. Het Hof stelt deze tegemoetkoming in verband met de behandeling van het beroep voor de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten x € 322 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 644 en van het hoger beroep bij het Hof op 2 punten x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874, derhalve in totaal € 1.518.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boete,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, doch enkel wat betreft de boete,

- vernietigt de boetebeschikking,

- vermindert de boete tot een bedrag van € 130.709,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 735 vergoedt

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.518.

Aldus gedaan op 9 juni 2011 door J.W.J. Huige, voorzitter, M. van Dun en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.