Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2726

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
HD 200.070.811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering van geleasde minigraafmachines door bv.

Stelling van de leasemaatschappij dat appellant ongerechtvaardigd is verrijkt dan wel onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij een bedrag op zijn rekening gestort heeft gekregen dat volgens geïntimeerde afkomstig is van de bv is onvoldoende onderbouwd.

Niet voldaan aan stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.070.811

arrest van de eerste kamer van 13 september 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. W.A. de Vroom,

tegen:

DE LAGE LANDEN VENDORLEASE B.V., h.o.d.n. KUBOTA CONSTRUCTION MACHINERY FINANCE,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.L. Zetteler,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 juni 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 1 april 2010 tussen appellant en acht anderen als gedaagden en geïntimeerde als eiseres. Appellant wordt verder aangeduid als [X.]. Geïntimeerde wordt verder aangeduid als DLL.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 659992/rolnr. 09-11330)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.], onder overlegging van zes producties, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van DLL. Daarnaast vordert [X.] dat DLL wordt veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 15.000,00 en een bedrag van € 168,87, met veroordeling van DLL in de kosten van het geding.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft DLL de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 28 juni 2011 doen bepleiten, [X.] door mr. W.A. de Vroom en DLL door mr. K. Heemrood-Van Dijk. [X.] is bijgestaan door de heer A. Baksoellah, tolk Urdu, die ter zitting is beëdigd.

2.4. Partijen hebben ermee ingestemd dat wordt recht gedaan op de door mr. De Vroom overgelegde kopie procesdossiers en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. De rechtbank heeft in het vonnis onder 2 de feiten vastgesteld. [X.] heeft geen grief gericht tegen deze vaststelling, zodat ook in dit hoger beroep van deze feiten wordt uitgegaan. Het hof geeft de feiten hierna (nogmaals) weer.

4.1.2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

i) DLL heeft op 25 juni 2009 een huurovereenkomst met betrekking tot vijf minigraafmachines gesloten met Nafa Group B.V. (hierna Nafa, zie voor de huurovereenkomst productie 8 bij de inleidende dagvaarding). De overeenkomst is namens Nafa ondertekend door de heer [Y.], enig bestuurder en aandeelhouder van Nafa (hierna [Y.]). De huurovereenkomst is aangegaan voor 48 maanden voor een maandelijks verschuldigde huurprijs van € 4.204,00 exclusief btw.

ii) Volgens de vrachtbrieven van [Z.] B.V. zijn de vijf graafmachines op 15 juli 2009 bij Nafa aan de [Q.] te [vestigingsplaats] afgeleverd (productie 17 bij de inleidende dagvaarding). [Y.] heeft op de acceptatieverklaringen (productie 18 bij de inleidende dagvaarding) vermeld dat deze op 14 juli 2009 bij Nafa zijn afgeleverd.

iii) Nafa heeft op 17 juli 2009 vier van de vijf graafmachines verkocht aan Aannemersbedrijf Waalstede B.V. (hierna Waalstede) voor een bedrag van € 62.750,00.

iv) De heer [A.] (hierna [A.]) heeft op 18 juli 2009 op verzoek van Nafa de vijf graafmachines getransporteerd naar het bedrijfsterrein van [B.] (hierna [B.]) te [vestigingsplaats]. [B.] heeft [C.] Machines bvba te België (hierna [C.]) benaderd met de vraag of [C.] interesse had in de koop van de vijf graafmachines. [C.] heeft de vijf graafmachines, na instemming van Waalstede, gekocht.

v) Waalstede heeft bij factuur van 14 juli 2009 een bedrag van € 71.000,00 aan [C.] in rekening gebracht voor de koop van vier van de vijf graafmachines. Nafa heeft bij factuur van 20 juli 2009 een bedrag van € 25.000,00 aan [C.] in rekening gebracht voor de andere graafmachine. [C.] heeft de betreffende facturen betaald.

vi) De vijf graafmachines zijn op 24 juli 2009 naar [C.] vervoerd. [C.] heeft de graafmachines vervolgens doorverkocht.

vii) [Y.] heeft het bedrag van € 25.000,00 dat door [C.] op de bankrekening van Nafa was gestort, overgemaakt naar zijn privé-bankrekening. Op 30 juli 2009 is een bedrag van € 15.000,00 vanaf de privé-rekening van [Y.] op de rekening van [X.] gestort (zie rekeningafschrift van [X.], productie 3 bij memorie van grieven). Op 3 augustus 2009 is een bedrag van € 15.168,87 van de rekening van [X.] afgeboekt (productie 4 bij memorie van grieven).

viii) DLL heeft bij brief van 3 augustus 2009 (productie 24 bij de inleidende dagvaarding) de lease-overeenkomst met Nafa ontbonden en haar gesommeerd een bedrag van € 241.408,20 te betalen alsmede de vijf graafmachines aan haar terug te geven. Nafa heeft hier geen gevolg aan gegeven.

4.2.1. DLL heeft in eerste aanleg, voor zover in dit hoger beroep van belang, gevorderd:

primair:

[X.] en de overige gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 210.273,00 ter zake schadevergoeding gelijk aan de nieuwwaarde van de vijf minigraafmachines, althans een bedrag van € 96.000,00, zijnde de (gestelde) verkoopopbrengst van de graafmachines, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

subsidiair:

[X.] en vier van de acht andere gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van dat deel van de verkoopopbrengst van € 96.000,00 waarmee zij ten nadele van DLL ongerechtvaardigd zijn verrijkt, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

primair en subsidiair:

[X.] en vier van de acht andere gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten ad € 1.713,83, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

[X.] en de overige gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 26.505,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

[X.] en de overige gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten ad € 2.760,00 en € 5.490,36, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met hoofdelijke veroordeling van [X.] en de overige gedaagden in de kosten van het geding.

4.2.2. De kantonrechter heeft [X.] tezamen met onder meer Nafa en [Y.] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan DLL van een bedrag van € 15.000,00 ter zake schadevergoeding. Daarnaast is [X.] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.250,00 ter zake buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 300,00 ter zake de kosten van het beslagrekest en een bedrag van € 212,61 ter zake de verschotten in verband met het beslag. Voorts is hij hoofdelijk veroordeeld in een deel van de proceskosten.

4.3. Tegen [X.] is in eerste aanleg verstek verleend. Aangezien sommigen van de andere gedaagden wel zijn verschenen, is tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat op grond van artikel 140 lid 2 Rv als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

4.4.1. De eerste en de tweede grief zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [X.] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van DLL als gevolg van de bijschrijving op zijn bankrekening van een bedrag van € 15.000,00 en dat hij de daardoor ontstane schade dient te vergoeden.

4.4.2. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:212 BW dient degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de ander de schade die de ander lijdt te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking, voor zover dit redelijk is. Tussen de verrijking en de verarming moet voldoende verband bestaan. De bewijslast ter zake rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op DLL. DLL voert hieromtrent aan dat [X.] is verrijkt ten koste van DLL doordat [Y.] als enig statutair bestuurder van Nafa het bedrag van € 15.000,00 via de bankrekening van Nafa heeft overgeschreven naar de bankrekening van [X.]. Volgens DLL heeft [Y.] nadat op 30 juli 2009 een bedrag van € 25.000,00 op de rekening van Nafa was gestort als betaling voor één van de graafmachines, dit bedrag binnen tien minuten overgeboekt naar zijn privé-rekening en vervolgens vanaf zijn privé-rekening een bedrag van € 15.000,00 overgeboekt naar de rekening van [X.]. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft DLL enkel een afschrift van de bankrekening van [C.] overgelegd (productie 23 bij de inleidende dagvaarding). Uit dit afschrift volgt naar het oordeel van het hof dat [C.] op 27 juli 2009 een bedrag van € 25.000,00 heeft overgeboekt naar de rekening van Nafa. Dat dit bedrag op 30 juli 2009 door Nafa is ontvangen en binnen tien minuten is doorgeboekt naar de privé-rekening van [Y.] en daarna naar [X.] blijkt echter nergens uit. Het had op de weg van DLL gelegen haar stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door afschriften van de bankrekening van Nafa en [Y.] in het geding te brengen. Dit heeft zij echter nagelaten. Gelet hierop staat naar het oordeel van het hof niet vast dat er sprake is van een verband de verarming van DLL en de gestelde verrijking van [X.] met het bedrag van € 15.000,00. Het hof passeert voorts de stelling dat [X.] had moeten begrijpen of vermoeden dat het geld van criminele activiteiten afkomstig was. Dat [X.] bevriend is met [Y.] wil immers, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, nog niet zeggen dat hij van één en ander op de hoogte was. DLL heeft naar het oordeel van het hof niet voldaan aan haar stelplicht, zodat zij niet wordt toegelaten tot het door haar aangeboden bewijs.

4.5. DLL heeft in de memorie van antwoord de grondslag van haar vordering jegens [X.] uitgebreid in die zin dat zij haar vordering subsidiair baseert op de stelling dat [X.] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Zoals hiervoor is overwogen, staat naar het oordeel van het hof niet vast dat er een verband is tussen het van de verduistering afkomstige geld en het bedrag dat op de rekening van [X.] is gestort. Voorts is hiervoor reeds overwogen dat het enkele feit dat [X.] bevriend is met [Y.] nog niet wil zeggen dat hij van de verduistering op de hoogte was. Gelet hierop staat evenmin vast dat [X.] onrechtmatig jegens DLL heeft gehandeld.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen grond om [X.] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.000,00 ter zake schadevergoeding. Hiermee ontvalt ook de grond aan de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de beslagkosten. De eerste tot en met de vierde grief slagen.

4.7. [X.] vordert betaling van een bedrag van € 15.168,87. Dit betreft het bedrag dat op 3 augustus 2009 van zijn rekening is afgeschreven. De advocaat van DLL heeft bij gelegenheid van het gehouden pleidooi aangevoerd dat het betreffende bedrag in het kader van het gelegde conservatoire beslag van de rekening van [X.] is afgeschreven en gereserveerd. Na betekening van het vonnis is het beslag executoriaal geworden, waarna het bedrag volgens de advocaat van DLL aan DLL is uitbetaald. Naar het oordeel van het hof kan de vordering van [X.] worden beschouwd als een vordering tot ongedaanmaking van hetgeen [X.] ter uitvoering van het vonnis aan DLL heeft betaald. Deze vordering is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die er slechts toe strekt de gevolgen van de - thans onjuist bevonden - veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken.

4.8. Het vonnis van de kantonrechter wordt, voor zover gewezen tegen [X.], vernietigd.

4.9. DLL wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. De kosten van de eerste aanleg worden aan de zijde van [X.] begroot op nihil. De vijfde grief slaagt eveneens.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover tussen DLL en [X.] gewezen;

veroordeelt DLL tot terugbetaling van het door haar ontvangen bedrag van € 15.168,87;

veroordeelt DLL in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] voor de eerste aanleg worden begroot op nihil en voor het hoger beroep op € 350,93 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van dit hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, Th.C.M. Hendriks-Jansen en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 september 2011.