Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2724

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
HD 200.043.072 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van tussenarrest van 14 december 2010, LJN BT2720

Overeenkomst tussen ex-samenwoners.

Zijn partijen een opschortende of ontbindende voorwaarde overeengekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.043.072

arrest van de zevende kamer van 13 september 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.G.H. Aarts-Mulder,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 december 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder nummer 130297/HA ZA 08-552 gewezen vonnis van 15 juli 2009.

6. Het tussenarrest van 14 december 2010

Bij genoemd arrest heeft het hof aan de vrouw een bewijsopdracht gegeven en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft de vrouw als partijgetuige een verklaring afgelegd. Verder heeft zij notaris [Z.] en de heer [A.] als getuigen doen horen.

De man heeft in contra-enquête zelf een getuigenverklaring afgelegd.

Partijen hebben na de enquête ieder een memorie genomen. Zij hebben met een antwoordmemorie op elkaars memories gereageerd. Beide partijen hebben nadere producties in het geding gebracht.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. De vrouw diende te bewijzen dat de afspraak tussen partijen dat de man zo spoedig mogelijk een woning en bedrijfsruimte zou zoeken een voorwaarde was voor de man om recht te hebben op verrekening van de opbrengst van de te verkopen woning van de vrouw en dat de man niet aan die voorwaarde heeft voldaan.

8.2. Op basis van de verklaringen van de getuigen die op voordracht van de vrouw zijn gehoord, stelt het hof vast dat de achtergrond van de bespreking bij notaris [Z.] op 29 februari 2008 tweeërlei was: partijen waren het oneens over de aanspraak van de man ter zake van de woning [perceel] te [plaatsnaam] (volgens de vrouw ging die aanspraak niet verder dan een nominale vergoeding voor gedane investeringen; de man wilde de helft van de opbrengst van de woning) en over het verblijf van de man in de voormelde woning met praktijkruimte (de man was na het uiteengaan van partijen in de woning gebleven en de vrouw woonde tijdelijk in een caravan; zij wilde zo spoedig mogelijk terug naar de woning).

Volgens notaris [Z.] had de bespreking op 29 februari 2008 ten doel: het bereiken van overeenstemming tussen partijen omtrent hun geschilpunten. De notaris zag mogelijkheden voor een regeling omdat de vrouw bereid was méér aan de man te betalen dan waarop hij recht had, indien de vrouw weer zou kunnen terugkeren in de woning.

Volgens de vrouw als getuige zijn er tussen partijen tijdens de hier bedoelde bespreking vier punten afgesproken en is heel duidelijk gezegd dat beide partijen zich aan die vier punten moesten houden. Die punten waren: 1) de vrouw zou het huis in de verkoop doen door een onafhankelijke makelaar, niet aan familie; 2) 2/5 – 3/5 verdeling na verkoop en aftrek hypotheek; 3) de man zou het huis zo spoedig mogelijk verlaten; 4) de vrouw kreeg de Peugeot en zij moest de deuk in die auto laten repareren. Mede gelet op de getuigenverklaring van notaris [Z.] en op de schriftelijke vastlegging van de afspraken, gaat het hof ervan uit dat de voormelde punten inderdaad tussen partijen zijn afgesproken. De man heeft weliswaar verklaard dat het de bedoeling was dat hij de woning pas zou hoeven te verlaten ná de verkoop van de woning, maar die verklaring acht het hof ongeloofwaardig in het licht van de overige bewijsmiddelen; bovendien is deze verklaring van de man niet te rijmen met de achtergrond van de gemaakte afspraken: de vrouw woonde tijdelijk in een caravan en wilde zo spoedig mogelijk weer terug naar de woning.

8.3. Het hof concludeert uit de voornoemde getuigenverklaringen het volgende.

Dank zij de bemiddeling van notaris [Z.] waren beide partijen bereid om “water bij de wijn” te doen: de vrouw was bereid om haar woning aan de [perceel]te verkopen en aan de man 2/5 deel van de opbrengst te betalen. Daartegenover was de man bereid om ten behoeve van de vrouw zo spoedig mogelijk de woning aan de [perceel]te verlaten en om de Peugeot aan haar ter beschikking te stellen. Op grond van hetgeen partijen op 29 februari 2008 met de notaris hebben besproken moet het voor de man duidelijk zijn geweest dat de vrouw alleen dán bereid was om aan de man 2/5 deel van de opbrengst af te dragen indien zij zo spoedig mogelijk weer kon terugkeren naar haar woning. Het beding dat de man zo spoedig mogelijk uit de woning zou vertrekken moet dan ook worden aangemerkt als een voorwaarde waaronder de vrouw tot betaling van 2/5 deel van de opbrengst van de woning bereid was.

De omstandigheid dat niet expliciet is besproken wat er zou gebeuren als de man zich niet aan zijn deel van de overeenkomst zou houden, maakt het voorgaande niet anders. Voor de vrouw was er geen andere aanleiding om de man financieel tegemoet te komen dan de door haar gewenste snelle terugkeer naar de woning, hetgeen voor de man duidelijk moet zijn geweest.

8.4. Op basis van de afgelegde getuigenverklaringen is het hof voorts van oordeel dat de man niet aan de hier bedoelde voorwaarde - een spoedig vertrek uit de woning - heeft voldaan. Uit de getuigenverklaringen van [Z.], [A.] en de vrouw zelf leidt het hof af dat de op 29 februari 2008 bestaande situatie door de vrouw als onhoudbaar werd beschouwd en dat die situatie geen maanden meer kon duren. Dit is aldus met de man besproken en in dit verband is met hem gesproken over een oplossing op korte termijn: het tijdelijk gaan wonen van de man bij familie en het overplaatsen van de praktijk naar een bedrijfsverzamelgebouw. In het licht van het bovenstaande moet het voor de man duidelijk zijn geweest dat een vertrek uit de woning na drie maanden niet als “zo spoedig mogelijk” kan worden aangemerkt.

De man heeft in zijn getuigenverklaring omtrent de hier bedoelde punten weliswaar anders verklaard, maar het hof acht die verklaring tegenover de verklaringen van de op verzoek van de vrouw gehoorde getuigen, van minder gewicht.

8.5. Het voorgaande betekent dat de vrouw geslaagd is in haar bewijsopdracht. Op grond hiervan en mede gelet op hetgeen reeds is overwogen in het tussenarrest is de conclusie dat geen van de aangevoerde grieven leidt tot het door de man beoogde doel. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en de in hoger beroep gewijzigde eis afwijzen.

De kosten van de appelprocedure zullen worden gecompenseerd aangezien partijen

samenwoners zijn geweest.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af hetgeen in hoger beroep bij wijze van eiswijziging is gevorderd;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Etten, Meulenbroek en Van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 september 2011.