Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2210

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
HV 200.089.521
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:254 BW Ondertoezichtstelling.

Minderjarige wijst contact met de moeder af.

Geen sprake van omgangs-ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 20 september 2011

Zaaknummer: HV 200.089.521/01

Zaaknummer eerste aanleg: 228628/ JE RK 11-526 MZ01

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E. Geerings,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Noord en Zuidoost-Brabant,

gevestigd te Eindhoven,

verweerster,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 maart 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juni 2011, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [dochter] af te wijzen en de ondertoezichtstelling te beëindigen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2011, heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven (hierna: de stichting), in haar hoedanigheid van gezinsvoogdij-instelling, verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. E. Geerings;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. P.P. M. Termeer;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw W. van Nuland en mevrouw G. Terhaag;

- mevrouw [Y.], moeder van de minderjarige (hierna: de moeder), bijgestaan door mr. J. Breeveld.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 maart 2011;

- de brief van de raad d.d. 28 juni 2011;

- het plan van aanpak ondertoezichtstelling afkomstig van de stichting en ingekomen ter griffie op 30 juni 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader, is, voor zover hier van belang, geboren:

- [Z.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (Venezuela).

De vader heeft het eenhoofdig gezag over [dochter].

3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank [dochter] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de stichting tot uiterlijk 29 maart 2012.

3.3. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De zorg voor [dochter] kwam gedurende het huwelijk veelal op hem neer. De moeder was erg hardhandig in de opvoeding. Toen [dochter] na een verblijf van een aantal maanden met haar moeder in Venezuela in 2005 in Nederland terugkeerde was [dochter] sterk verwaarloosd. De moeder had [dochter] voor de terugreis naar Nederland met een vreemde man meegegeven in plaats van gebruik te maken van het door de vader geregelde kinderticket. Het verblijf in Venezuela was een traumatische periode voor [dochter]. Zij wil niet over die periode praten.

De vader is van mening dat niet wordt voldaan aan de door de Hoge Raad aan de maatregel tot ondertoezichtstelling gestelde eisen en verwijst in dat verband naar HR 13 april 2001 NJ 2002, nr. 4 en 5. Immers, niet is gebleken dat [dochter] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling indien zij geen contact heeft met haar moeder. In het raadsrapport d.d. 8 januari 2009 concludeert de gedragsdeskundige dat [dochter] op dat moment niet klaar is voor contact met de moeder, omdat dat contact voor haar te beladen is. In het raadsrapport d.d. 8 april 2010 wordt bovendien geconstateerd dat er geen aanleiding is voor een kinderbeschermende maatregel, omdat [dochter] niet bedreigd wordt in haar ontwikkeling.

De rechtbank kon op basis van de beschikbare stukken niet concluderen dat het feit dat [dochter] ieder contact met de moeder afwijst veroorzaakt wordt door een loyaliteitsconflict. De afwijzing is gelegen in de eerdere opstelling van de moeder jegens [dochter].

Uit de eindevaluatie van de begeleide omgang bij Kompaan (bijlage 10 bij het beroepschrift) blijkt dat [dochter] tijdens de omgang steeds bozer werd op haar moeder, hetgeen voor haar emotionele ontwikkeling niet goed is.

3.5. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat omgangsproblematiek op zichzelf onvoldoende grond is voor een ondertoezichtstelling. Echter, op het moment dat een kind een ouder op een actieve manier afwijst is er reden voor zorg. In het geval van [dochter] is er sprake van gevoelens van onveiligheid en boosheid met betrekking tot de moeder. Indien er geen contact is met de moeder heeft [dochter] weliswaar rust, doch deze gevoelens blokkeren [dochter] wel in haar emotionele ontwikkeling. De raad heeft zijn eerdere conclusie (raadsrapport d.d. 8 april 2010), dat er geen sprake was van een bedreiging van [dochter]s sociaal-emotionele ontwikkeling, mede gelet op de boze en afwijzende gevoelens van [dochter], die ook blijken uit de eindevaluatie van Kompaan (d.d. 1 oktober 2010), bijgesteld.

De raad persisteert bij het verzoek tot ondertoezichtstelling.

3.6. De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat [dochter] een meisje is dat ouder oogt dan haar kalenderleeftijd, weinig vertrouwen heeft in volwassenen en het gesprek wil beheersen. Zij toont zich wat verzuurd met betrekking tot het contact met de moeder. Op zichzelf gaat het op school goed maar in de omgang met andere kinderen kan ze manipulatief en bazig zijn.

De moeder kan geen brug slaan naar [dochter] en ziet niet wat zij nodig heeft om haar moeder weer te vertrouwen. Vader staat open voor contactherstel (als de tijd rijp is) maar is loyaal aan [dochter] en wordt daardoor beperkt in zijn handelen.

De gezinsvoogd heeft geconcludeerd dat [dochter] geen contact wenst met de moeder en acht het niet goed om dit te forceren. Onbelast contact met moeder is momenteel niet reëel.

[dochter] heeft een aantal traumatische ervaringen gehad. Wat er precies in Venezuela is gebeurd toen [dochter] daar in 2005 met de moeder verbleef is niet duidelijk.

De stichting is van mening dat door bijvoorbeeld Ambulatorium een breed onderzoek gedaan moet worden naar hetgeen er precies met [dochter] aan de hand is en wat zij nodig heeft om zich sociaal-emotioneel goed te ontwikkelen. Aan de hand van dit onderzoek kan vastgesteld worden welke hulpverlening ingezet moet worden. De stichting geeft daarbij aan dat zij daarbij wel enige bedenkingen heeft over de vraag of een dergelijk onderzoek niet te veel onrust zal opleveren bij [dochter]. De gezinsvoogd heeft met [dochter] afgesproken dat zij momenteel geen gesprekken hoeft te voeren met de gezinsvoogd, om haar zo min mogelijk te belasten.

Bij de stichting bestaat de vrees dat het gezin uit beeld raakt indien de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. De ondertoezichtstelling biedt de stichting de mogelijkheid om contact te houden met de vader en met de school van [dochter] en de vader te ondersteunen in de begeleiding van [dochter].

3.7. De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij, gedurende de zes jaar dat [dochter] bij de vader woont, [dochter] slechts twee keer heeft gezien. Rachel is betrokken in de strijd tussen haar ouders en baseert zich op de verhalen die vader over de moeder heeft verteld. Zij is afhankelijk van de vader en toont zich loyaal aan hem. Een eenzijdige hechting is echter nodeloos en bovendien schadelijk voor [dochter]. Uit de stukken blijkt dat [dochter] zich niet gedraagt conform haar leeftijd. De moeder wenst dat de ondertoezichtstelling wordt gehandhaafd en ondersteunt het voornemen van de stichting om een breed onderzoek te verrichten naar [dochter]s problematiek.

3.8. Het hof overweegt het volgende.

3.8.1. Op grond van artikel 1:254 BW kan de rechter een minderjarige die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, onder toezicht stellen.

3.8.2. Anders dan door de vader gesteld is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen sprake van een loutere omgangsondertoezichtstelling, waarbij er geen andere problematiek aan de orde is dan voortvloeiend uit de omgang en waarbij er geen ernstige bedreiging is van genoemde belangen van de minderjarige. Ook de raad heeft in eerste aanleg, zo blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 16 maart 2011, aangegeven dat het doel van de ondertoezichtstelling niet is om omgang te realiseren, maar wel om de moeder een plek te geven in het leven van [dochter].

3.8.3. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [dochter] een grote weerstand voelt jegens haar moeder. Zij verzet zich tegen contact met de moeder en toont zich heel boos en verdrietig als op dit contact wordt aangestuurd. Gesprekken over de moeder gaat zij uit de weg. [dochter] toont zich volledig loyaal aan haar vader.

Er is sprake van een adequate cognitieve ontwikkeling. De sociaal-emotionele ontwikkeling baart echter zorgen. [dochter] komt ouder over dan zij is, toont weinig vertrouwen in anderen en gedraagt zich soms dominant en manipulatief naar andere kinderen toe. Ze lijkt haar gevoelens niet goed te kunnen uiten en last te hebben van hetgeen zij heeft meegemaakt in Venezuela. De raad zegt in zijn rapport van 8 april 2010 dat er mogelijk sprake is van een onveilige hechting.

Uit het verslag van mevrouw [A.], kinder-en jeugdtherapeute (d.d. 11 juli 2011) begrijpt het hof dat [dochter] te kampen heeft met angsten en gedragsproblemen, die gedurende de periode dat zij bij mevrouw [A.] in therapie is (sinds oktober 2009), niet zijn verminderd.

In hoeverre deze problematiek voortkomt uit [dochter]s traumatische ervaringen in Venezuela en/of de partnerstrijd tussen de ouders, is vooralsnog niet duidelijk; het hof laat dit hier in het midden, omdat, gezien de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, voor het hof in elk geval vaststaat dat [dochter]s gevoelens van boosheid en onveiligheid en haar afwijzing van de moeder een bedreiging vormen voor een evenwichtige emotionele ontwikkeling. Reeds op die grond acht het hof een ondertoezichtstelling aangewezen opdat [dochter] gerichte hulp en begeleiding krijgt om haar ervaringen te verwerken. Indien hierin wordt geslaagd kan (wellicht) worden toegewerkt naar omgang met de moeder. De hulp die door mevrouw [A.] wordt geboden acht het hof niet afdoende nu blijkt dat na bijna twee jaren therapie weliswaar sprake is van contactgroei en een zekere vertrouwensrelatie, maar nog weinig vooruitgang is geboekt ten aanzien van [dochter]s angsten en gedragsproblemen. Ouders hebben de gezinsvoogd in mei 2011 aangegeven dat zij niet open staan voor een kortdurend ambulant traject dat beoogde hen meer zicht te geven op hun eigen handelen en de invloed daarvan op [dochter]. Het door de rechtbank opgelegde mediationtraject is in juni 2011 stopgezet.

Andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben mitsdien gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

3.8.4. Het hof realiseert zich met de stichting en de raad dat nader onderzoek, eventueel door Ambulatorium, wederom veel onrust bij [dochter] te weeg zal brengen, doch acht het wel van groot belang dat er duidelijkheid komt over de problematiek van [dochter] en wat zij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Het hof vertrouwt er op dat de stichting, mocht zij tot een dergelijk onderzoek overgaan, dit op een zo min mogelijk belastende manier zal laten plaatsvinden.

3.8.5. Alles overziende is het hof van oordeel dat voldaan wordt aan de gronden voor ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:254 BW.

3.9. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, met aanvulling van gronden, dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, met aanvulling van gronden, de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 maart 2011;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, C.D.M. Lamers en L.Th.L.G. Pellis en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2011.