Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT1928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
19-09-2011
Zaaknummer
20-002179-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verdachte nu geen wettelijk voorschrift voorhanden is op grond waarvan de betrokken ambtenaar in het onderhavige geval gerechtigd was tot het doen van een vordering of bevel waaraan op straffe van overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan. Het hof komt derhalve tot vrijspraak omdat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002179-10

Uitspraak : 16 september 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 mei 2010, parketnummer 01-011423-10 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-835045-08, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het ten laste gelegde strafbare feit zal vrijspreken.

De verdediging heeft eveneens bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2009 te 's-Hertogenbosch opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 10 van de APV 's-Hertogenbosch, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant], hoofdagent van politie regio Brabant-Noord, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd ter plaatse te vertrekken, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De tenlastelegging is toegespitst op het misdrijf van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat onder meer strafbaar stelt het niet opvolgen van een vordering door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Het betreffende wetsartikel vereist dat de vordering door de ambtenaar is gedaan krachtens wettelijk voorschrift.

Het hof overweegt omtrent dit laatstgenoemde bestanddeel als volgt.

In de tenlastelegging wordt bovengenoemd bestanddeel nader gespecificeerd als een vordering, krachtens artikel 10 Algemene Plaatselijke Politieverordening (hierna: APV), ’s-Hertogenbosch in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan.

Artikel 10 van de APV ‘s-Hertogenbosch, zoals dat op 21 september 2009 van kracht was, luidt – voor zover relevant – als volgt.

1. (…)

2. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3. (…)

Het hof overweegt ten aanzien van het in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste dat het bevel of de vordering is gedaan krachtens wettelijk voorschrift, dat een dergelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering.

Naar het oordeel van het hof bepaalt artikel 10 van de APV ’s-Hertogenbosch evenwel niet uitdrukkelijk dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Immers, een zodanige bevoegdheid wordt in deze bepaling niet met zoveel woorden aan ambtenaren van politie toegekend.

In de toelichting op de onderhavige APV wordt verwezen naar de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

In verband met (soortgelijke) bepalingen als het onderhavige artikel 10 van de APV ’s-Hertogenbosch worden aldaar de artikelen 2 en 12 van de Politiewet 1993 vermeld als de toepasselijke formeel-wettelijke basis. Deze bepalingen bevatten respectievelijk een algemene taakomschrijving voor de politie en de toewijzing van het gezag over de politie aan de burgemeester (waaronder het geven van “aanwijzingen”) in het kader van de handhaving van de openbare orde. Zij kunnen naar het oordeel van het hof evenmin worden aangemerkt als wettelijke voorschriften op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan.

Nu ook overigens geen wettelijk voorschrift voorhanden is op grond waarvan de betrokken ambtenaar in onderhavig geval gerechtigd was tot het doen van de vordering, komt het hof tot het oordeel dat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te 's-Hertogenbosch van 8 december 2008 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te ’s-Hertogenbosch van 7 april 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch van 8 december 2008 onder parketnummer 01-853045-08 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie af.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 16 september 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.