Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BT1697

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
HD 200.034.141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevordering van een werknemer wegens onterecht door een vrouwelijke collega geuite beschuldiging van seksuele intimidatie en alsmede het onterecht indienen van klacht ter zake en het doen van aangifte.

Werknemer onderbouwt onvoldoende zijn stelling dat sprake is van smaad in de zin van artikel 261 Sr., en ook dat opzettelijk dan wel lichtvaardig door die collega is geklaagd en aangifte is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.034.141

arrest van de vijfde kamer van 23 augustus 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.E. van Venrooij,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 8 april 2009 tussen appellant – [X.] - als eiser en geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 182136/HA ZA 07-1849)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar het herstelvonnis van 20 mei 2009 en het in eerste aanleg gewezen tussenvonnis van 20 februari 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 3.1. van het eindvonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende.

4.2.1. [X.] vordert materiële en immateriële schadevergoeding van [Y.], stellend dat [Y.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem onterecht te beschuldigen van seksuele intimidatie en aanranding in de werksituatie bij de Amercentrale van Essent, voorts door terzake daarvan op 3 december 2006 bij de klachtencommissie van Essent een klacht in te dienen tegen [X.] (prod. 12 cvr) en door op 27 maart 2007 aangifte te doen bij de politie.

De klacht van [Y.] tegen [X.] is door de klachtencommissie van Essent ongegrond verklaard (prod. 1 inl. dagv.). Ook de tegen [X.] gerichte aangifte bij de politie heeft niet tot strafvervolging geleid. De zaak is geseponeerd.

4.2.2. Op 24 november 2006 heeft [X.] zijnerzijds bij de politie aangifte gedaan wegens belediging/ smaad, gepleegd door [Y.] (prod. 7 cvr). Het Openbaar Ministerie heeft echter ook deze zaak geseponeerd wegens gebrek aan wettig bewijs en geen strafvervolging ingesteld (prod. 4 inl. dagv.; prod. 2 cva).

4.3. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van [X.] afgewezen.

4.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat, voor zover [X.] zijn vordering heeft gebaseerd op de stelling dat [Y.] zich heeft schuldig gemaakt aan smaad als bedoeld in artikel 261 Sr, de vordering niet toewijsbaar is omdat niet gesteld, noch gebleken is dat [Y.] de klacht heeft ingediend en de aangifte heeft gedaan met het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven aan de inhoud daarvan.

4.5. Tegen dit oordeel is grief 1 gericht. Deze grief faalt.

[X.] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd zijn stelling dat [Y.] de klacht heeft ingediend en de aangifte heeft gedaan met het kennelijke doel aan de inhoud daarvan ruchtbaarheid te geven. [X.] stelt weliswaar dat [Y.] mededelingen heeft gedaan aan derden, waaronder een of meer van haar collega’s, doch concretiseert niet aan welke collega welke mededeling is gedaan en in welk verband. Aan het in dit kader door [X.] gedane bewijsaanbod gaat het hof dan ook voorbij als onvoldoende onderbouwd.

[X.] beroept zich nog op een van [Y.] afkomstige ongedateerde brief en e-mail d.d. 1 oktober 2006, beide gericht aan [Z.] (regiomanager van NBO, de werkgever die [Y.] te werk heeft gesteld in de Amercentrale van Essent), en op een van [Y.] afkomstige ongedateerde brief aan [A.] (leidinggevende bij NBO), een en ander overgelegd als onderdeel van prod. 7 cvr (zie ook prod. 14 cvr). Uit deze stukken blijkt evenwel dat [Y.] juist geen mededelingen heeft gedaan aan [Z.] en [A.] over de door haar beweerde misdragingen van [X.].

Voorzover [X.] zich op deze brieven en e-mail alsmede op een brief d.d. 8 januari 2009 van [B.], voormalige partner van [Y.], (prod. 15 bij akte) beroept ten betoge dat de smadelijke aantijgingen van [Y.] onjuist zijn, verwijst het hof naar de hierna opgenomen rov. 4.14.

4.6. De rechtbank heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de beschuldiging opzettelijk onjuist door [Y.] is gedaan.

4.7. Tegen dit oordeel is grief II gericht.

Volgens [X.] is er sprake van een wraakactie van [Y.]. Hij verwijst naar hetgeen onder grief III wordt toegelicht.

4.8. Al hetgeen [X.] echter onder grief III opmerkt kan niet tot de conclusie leiden dat het de opzet van [Y.] is geweest [X.] vals te beschuldigen van handelingen en uitingen die seksuele intimidatie of aanranding zouden opleveren. Zelfs als [Y.] haar klacht en aangifte zou hebben gedaan uit wraak omdat zij door toedoen van [X.] uit het team was verwijderd, rechtvaardigt dat op zichzelf niet de conclusie dat [Y.] de opzet had tegen [X.] een valse klacht in te dienen en een valse aangifte te doen. Het oordeel van de rechtbank op dit punt is juist.

Grief II faalt.

4.9. De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende gronden zijn om te concluderen dat [Y.] de klacht en de aangifte lichtvaardig heeft gedaan.

4.10. Tegen dit oordeel is grief III gericht.

4.11. Het hof stelt voorop dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt, heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de door [Y.] tegen [X.] ingediende klacht ongegrond is verklaard onvoldoende is om te concluderen dat [Y.] lichtvaardig heeft geklaagd.

4.12. Voorts geldt ook hier dat, indien er sprake zou zijn van een wraakactie zijdens [Y.], niet reeds daarom kan worden geconcludeerd dat [Y.] lichtvaardig heeft geklaagd en aangifte heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank is juist. Het op dit punt door [X.] gedane bewijsaanbod is niet terzake dienend nu, zoals hierna zal blijken, er onvoldoende bijkomende feiten en omstandigheden zijn gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.13. [X.] stelt dat [Y.] in de eerder genoemde ongedateerde brief en e-mail d.d. 1 oktober 2006 aan [Z.] geen melding maakt van de beweerdelijke misdragingen (seksuele intimidatie) door [X.], terwijl die, volgens [Y.], voordien in 2006 zouden hebben plaatsgevonden. Integendeel, [Y.] meldt aan [Z.] dat zij het erg naar haar zin heeft en dat zij met [X.] professioneel prima kan samenwerken, maar dat zij elkaar persoonlijk niet liggen. Ook in [Y.]s brief aan [A.] heeft zij niets over misdragingen van [X.] vermeld, aldus [X.]. Volgens [X.] is hiermee aangetoond dat van dergelijke misdragingen zijnerzijds geen sprake is geweest. Dit vindt, aldus [X.], steun in de brief d.d. 8 januari 2009 van [B.]. Volgens [X.] zouden die misdragingen zelfs niet hebben kunnen plaatsvinden.

4.14. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de onder rov. 4.13. vermelde brieven en e-mail, naast de ongegrondverklaring van de klacht en de mogelijkheid dat [Y.] uit wraak heeft gehandeld, onvoldoende grond vormen om te concluderen dat de misdragingen waarvan [Y.] [X.] beticht, niet hebben plaatsgevonden of niet hebben kunnen plaatsvinden en dat [Y.] daarom lichtvaardig heeft geklaagd en aangifte heeft gedaan.

De kennelijke strekking van de brief en e-mail aan [Z.] en de brief aan [A.] is niet om de misdragingen van [X.], zoals opgenomen in de klacht en de aangifte, aan de orde te stellen. Die misdragingen kunnen zich dus niettemin hebben voorgedaan, ook al zijn ze in bedoelde berichten door [Y.] niet naar voren gebracht. De inhoud van de brief d.d. 8 januari 2009 van [B.] maakt dat niet anders. De in die brief door [B.] gedane beweringen zijn door [Y.] gemotiveerd betwist (zie antwoordakte met prod. 6). Bij gebreke van nader bewijs en bewijsaanbiedingen op dit punt kan het hof niet uitgaan van de juistheid van die beweringen.

4.14.1. Anders dan [X.] stelt (mvg punt 21 en 22), heeft de rechtbank niet geoordeeld dat “de beschuldigingen juist zijn”, dat “van aanranding sprake is” of dat “appellant onjuist gehandeld heeft”. De rechtbank heeft zich van een oordeel over de gegrondheid van de beschuldigingen onthouden.

Wél heeft de rechtbank onderzocht of er aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling van [X.] dat [Y.] lichtvaardig heeft geklaagd of aangifte heeft gedaan. Die aanknopingspunten zijn er niet. Het hof volgt dan ook de redenering van de rechtbank, weergegeven op pagina 4 van het eindvonnis en neemt die over. Hetgeen [X.] daarover opmerkt in de punten 23 en 24 van de memorie van grieven leidt niet tot een ander oordeel.

Grief III faalt.

4.15. Nu de grieven I tot en met III falen, faalt ook grief IV. Het bewijsaanbod van [X.] passeert het hof, nu dit onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

4.16. Voorzover [X.] subsidiair een omkering van de bewijslast bepleit op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, gaat het hof daaraan voorbij.

Door [X.] zijn geen gronden aangevoerd die noodzaken tot een andere verdeling van de bewijslast dan artikel 150 Rv. als regel voorschrijft. Door [X.] is in het bijzonder niet onderbouwd dat [Y.] in een betere positie verkeert dan hij om bewijs bij te brengen van de wijze waarop [X.] zich jegens haar in 2006 heeft gedragen of misdragen gedurende de momenten dat partijen in elkaars aanwezigheid werkzaam waren bij de Amercentrale.

4.17. Nu de grieven van [X.] falen dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd en dient [X.] te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 8 april 2009, waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de kosten van dit geding, welke kosten voor zover aan de zijde van [Y.] gevallen worden begroot op € 419,- wegens griffierecht en op € 632,- wegens salaris van de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.L.J. Bod, E.J. van Sandick en H.A. Groen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 augustus 2011.