Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BS8932

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
HV 200.088.537
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bewijsstukken.

Goede trouw onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Bij toelatingsverzoek verzoek om boedel in kosten te veroordelen zonder meer al onmogelijk.

Bovendien HR 08-07-2011, LJN BQ3883

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 13 september 2011

Zaaknummer: HV 200.088.537/01

Zaaknummer eerste aanleg: 160684/FT RK 11.346

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. H. Sanli.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 8 juni 2011, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen voor zover het de afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing wordt verklaard, alsmede de boedel te veroordelen in de kosten van deze procedure, met name voor wat betreft de hoge kosten van het griffiegeld, welke kosten niet vallen onder de werking van de toevoeging.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 september 2011.

Bij die gelegenheid is [X.] gehoord, bijgestaan door mr. F.H.H. Smeets, waarnemend voor mr. H. Sanli.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het inleidend verzoek d.d. 10 april 2011;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 mei 2011;

- de ter zitting overgelegde stukken, te weten: de brieven van de belastingdienst d.dis. 14 oktober en 8 november 2010.

3. De beoordeling

3.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde crediteurenlijst blijkt een totale schuldenlast van € 496.263,42. Daaronder bevinden zich een schuld aan de belastingdienst ten bedrage van € 266.330,87, een schuld aan ANWB ten bedrage van € 57.480,92 en een schuld aan Rabobank ten bedrage van € 54.683,60. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord waren.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [X.] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. [X.] heeft een onderneming overgenomen zonder inzage in de cijfers en is omvangrijke financiële verplichtingen aangegaan zonder dat hij de financiering daarvan geregeld had. Mede gelet op de omvang van de schulden rechtvaardigt deze handelwijze, aldus de rechtbank, het vermoeden dat de schulden zijn ontstaan door onverantwoord handelen van [X.] als ondernemer. Bovendien heeft [X.] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hem terzake een groot deel van de schulden redelijkerwijs geen verwijt treft.

[X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij komt daarvan in hoger beroep.

3.4. [X.] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd dat hij in juli 2005 leiding heeft gegeven aan een verliesgevende franchisevestiging van de ANWB. De vorige franchisenemer heeft geen inzage gegeven in de financiële gegevens van de onderneming. Eind november 2005 heeft de ANWB [X.] verzocht deze vestiging definitief als franchisenemer te gaan leiden. [X.] had geconstateerd dat onder zijn leiding sprake was van een break-even situatie binnen de franchisevestiging. [X.] verwachtte dan ook op relatief korte termijn een winstsituatie te kunnen realiseren. Op basis daarvan heeft [X.] eind december 2005 ingestemd franchisenemer van deze vestiging te worden.

In september 2006 diende de vestiging op last van de ANWB te verhuizen. [X.] kreeg geen lange termijn financiering van de bank, omdat er onvoldoende financiële gegevens beschikbaar waren. Wel kon [X.] een rekening-courant krijgen, waaruit volgens [X.] blijkt dat de bank voldoende ontwikkeling zag in de onderneming.

Na de verhuizing kon [X.] zijn verplichtingen aan de schuldeisers niet meer voldoen wegens enkele financiële tegenvallers. Op het moment dat de belastingdienst overging tot beslaglegging werd door de ANWB met onmiddellijke ingang het franchisecontract beëindigd en werd [X.] de toegang tot de vestiging ontzegd. Doordat [X.] vanaf dat moment niet meer bij zijn administratie kon, werd hem de mogelijkheid ontnomen om ontstane schulden en doorlopende kosten te beperken, waardoor de schulden op korte termijn explosief stegen.

3.4.1. Hieraan heeft [X.] ter zitting - kort samengevat - toegevoegd, dat de schuld aan de belastingdienst voornamelijk ambtshalve aanslagen en boetes betreft. [X.] weet niet welke schulden ambtshalve zijn en welke niet. De totale schuld aan de belastingdienst bedraagt momenteel ca. € 273.000,--. Op het moment dat de problemen ontstonden was de schuld aan de belastingdienst volgens [X.] ongeveer € 70.000,--. [X.] verklaart zich direct te hebben uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, te weten op 4 of 5 november 2009, maar dat hij desondanks ambtshalve aanslagen van de fiscus bleef ontvangen.

[X.] heeft aangegeven dat hij thans een opleiding tot audicien volgt welke door de werkgever wordt betaald. [X.] ontvangt een salaris voor een 40-urige werkweek, te weten € 2.060,-- per maand. De opleiding zal in elk geval nog twee jaar duren.

Ten slotte heeft [X.] nog medegedeeld dat de franchisevestiging nog steeds bestaat waaruit blijkt dat het een levensvatbare onderneming was. Op grond van de door de ANWB verstrekte informatie had [X.] een realistische verwachting dat de vestiging winstgevend zou kunnen worden.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.5.2. De rechtbank heeft in haar vonnis aangegeven dat bescheiden waaruit de juistheid van de stellingen van [X.] kan worden afgeleid ontbreken in het dossier. Met name zijn geen stukken ingediend waaruit kan blijken dat [X.] ten aanzien van bepaalde schulden geen verwijt treft. Nu de rechtbank dit reeds heeft overwogen, had het op de weg van [X.] gelegen bedoelde stukken in hoger beroep alsnog aan te leveren. Ook in hoger beroep zijn door [X.] evenwel geen stukken ingediend waaruit de juistheid van zijn stellingen kan worden afgeleid.

De stelling van [X.] dat de schuld aan de belastingdienst voornamelijk ambtshalve aanslagen en boetes betreft wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [X.] zich onmiddellijk heeft uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel maar toch ambtshalve aanslagen bleef ontvangen, waardoor de schuld aan de belastingdienst ten onrechte hoog is opgelopen. De ter zitting overgelegde brieven van de Belastingdienst van 14 oktober en 8 november 2010 verschaffen daarover geen enkele duidelijkheid. Doordat hij ook in hoger beroep heeft nagelaten zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat [X.] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling is ingediend. Zodra [X.] meer duidelijkheid kan verschaffen ten aanzien van zijn schuld aan de belastingdienst en in staat is de hiervoor bedoelde ontbrekende bescheiden over te leggen, kan hij een nieuw verzoek doen om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.6. Nu [X.] thans niet wordt toegelaten tot die regeling en er geen sprake is van een faillissement, kan het verzoek van [X.] om de boedel te veroordelen in de kosten van deze procedure niet worden toegewezen om de eenvoudige reden dat er geen boedel is die daarin veroordeeld kan worden. Bij arrest van 8 juli 2011 (LJN: BQ3883) heeft de Hoge Raad bovendien beslist dat wanneer het gaat om een toelatingsverzoek geen griffierecht verschuldigd is.

3.7. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.A. Pouw, L.Th.L.G. Pellis en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2011.