Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR7116

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
HV 200.089.726
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:254 BW – ondertoezichtstelling.

Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de dominante aard van de vader een bedreiging vormt voor de emotionele ontwikkeling van alle drie de kinderen en een beperking van hun vrijheid oplevert in de groei naar volwassenheid. Het hof acht het noodzakelijk dat hulpverlening tot stand komt, gericht op de interactieproblemen in het gezin en met name op de rol van de vader daarin. Deze hulpverlening komt in het vrijwillig kader niet tot stand. Het hof acht de ondertoezichtstelling van de kinderen derhalve noodzakelijk om genoemde ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 7 september 2010

Zaaknummer: HV 200.089.726/01

Zaaknummers eerste aanleg: 159584/OT RK 11-471, 159607/OT RK 11-472 en 159610/OT RK 11-473

in de zaak in hoger beroep van:

De Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Limburg, locatie Maastricht,

appellant,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[X.] en [Y.],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

verweerders,

hierna tezamen te noemen: de ouders,

advocaat: mr. B.A.R. Janssen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 29 maart 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juni 2011, heeft de raad verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn oorspronkelijke verzoek tot ondertoezichtstelling van de hierna te noemen minderjarigen toe te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 juli 2011, hebben de ouders verzocht de raad niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, althans het verzoek ongegrond te verklaren.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam;

- de moeder, bijgestaan door mr. B.A.R. Janssen.

2.3.1. De moeder en haar advocaat hebben ter zitting verklaard dat de vader – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting is verschenen vanwege ernstige gezondheidsklachten.

2.3.2. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [zoon] en [dochter 1.] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en ieder van hen heeft het hof een brief gestuurd, welke brieven ter griffie zijn ingekomen op 16 augustus 2011. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brieven zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 maart 2011;

- de brief met bijlagen van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de stichting) d.d. 7 juli 2011;

- de door de advocaat van de ouders ter zitting voorgelezen en overgelegde brief van de vader d.d. 16 augustus 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [A.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeentenaam],

- [B.] (hierna: [dochter 1.]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeentenaam],

- [C.] (hierna: [dochter 2.]), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeentenaam].

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van genoemde minderjarigen afgewezen.

3.3. De raad kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De raad voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

3.3.1. Volgens de raad heeft de rechtbank de aard en de omvang van de problematiek ten aanzien van de ontwikkeling en de opvoedingsomgeving van de kinderen miskend. De raad kan zich niet vinden in de (zakelijke) weergave van de motivering van het verzoek van de raad zoals opgenomen in de bestreden beschikking, zodat de rechtbank bij haar beoordeling van een onvolledig beeld is uitgegaan. Zo is de informatie van de raad niet alleen gebaseerd op gesprekken met de vader, maar ook op gesprekken met de kinderen en op informatie van de politie en van de stichting. De autisme spectrumstoornis van [zoon] en de hechtingsproblematiek van [dochter 1.] worden voorts niet in de bestreden beschikking genoemd en wezenlijke zorgpunten in de opvoedingsomgeving van de kinderen zijn daarin niet beschreven.

3.3.2. Voorts heeft de rechtbank volgens de raad ten onrechte geoordeeld dat uit de dominante aard van de vader geen zorgen voortkomen die van dien aard zijn dat het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk moet worden geacht. De raad verwijst in dit kader naar de in het raadsrapport d.d. 15 maart 2011 opgenomen informatie afkomstig van de politie. Op basis van deze en de overige beschikbare informatie is het volgens de raad gerechtvaardigd om te stellen dat de dominante persoonlijkheid van de vader een reële dreiging vormt voor de ontwikkeling van de kinderen die een ondertoezichtstelling noodzakelijk maakt, aangezien intensieve ambulante hulpverlening die gericht is op de interactieproblemen binnen het gezin, op vrijwillige basis niet tot stand komt.

3.3.3. Volgens de raad is niet alleen de hiervoor genoemde intensieve ambulante gezinshulp nodig, maar behoeven de kinderen bovendien hulpverlening gericht op hun emotionele ontwikkeling en de ontwikkeling van hun eigen identiteit. De raad merkt op dat de ouders weliswaar individuele hulpverlening ten behoeve van [zoon] en [dochter 1.] hebben ingezet, maar dat hiermee de werkelijke ontwikkelingsbedreiging voor zowel [zoon], [dochter 1.] als [dochter 2.] – namelijk de interactieproblemen binnen het gezin – onbehandeld blijft. Ook ten aanzien van [dochter 2.] geldt volgens de raad derhalve dat de beschreven zorgpunten in haar opvoedingsomgeving, zodanig ernstig zijn dat deze een ernstige bedreiging vormen voor haar ontwikkeling, althans dat daartoe een reëel risico bestaat.

3.4. De ouders voeren in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

3.4.1. Volgens de ouders bestaat er ten aanzien van de opvoedingssituatie van de kinderen geen enkele bedreiging. Volgens hen hebben slechts het incident in 2006 en het incident eind december 2010 tot het raadsonderzoek en het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen geleid. Het beeld dat de raad van de vader heeft geschetst, stemt niet overeen met hetgeen de gezinsleden over hem en over zijn rol in het gezin hebben verklaard. Over de politierapportage merken de ouders op dat het gedrag van de vader te dik wordt aangezet.

Volgens de ouders heeft de raad op geen enkele wijze onderbouwd dat de dominante houding van de vader een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen vormt en dat er sprake zou zijn van een gesloten gezinssituatie. De rechtbank heeft volgens de ouders aldus terecht overwogen dat de ouders de kinderen wel de ruimte bieden om hun eigen identiteit te ontwikkelen en om hun eigen mening te uiten. Temeer nu er volgens de moeder regelmatig vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen over de vloer komen, hetgeen onmogelijk zou zijn als sprake was van een gesloten gezinssysteem.

De moeder heeft op vragen van het hof verklaard dat zij en de vader niet hebben meegewerkt aan het raadsonderzoek vanwege een geschil met een medewerkster van de stichting, mevrouw [Z.].

3.4.2. De ouders erkennen dat er zorgen zijn ten aanzien van [zoon] en [dochter 1.]. De ouders begrijpen echter niet waarom minder ingrijpende maatregelen geen hulp kunnen bieden. Deze zorgen zijn volgens de ouders wel degelijk in de beoordeling van de rechtbank betrokken, nu de rechtbank daarbij is uitgegaan van de raadsrapportage. Er is bij [zoon] overigens geen sprake van een autisme spectrum stoornis, maar hij vertoont wel de kenmerken. Bij [dochter 1.] is er evenmin sprake van een hechtingsstoornis, maar van een sterk karakter en een sterke eigen wil, aldus de ouders.

De ouders merken op dat zij zich (ook in het verleden) steeds hebben gewend tot hulpverlening om genoemde ontwikkelingsbedreigingen af te wenden en zij verklaren ook in de toekomst bereid te zijn hulpverlening in het vrijwillig kader te aanvaarden.

Voor zover er sprake zou zijn van enig interactieprobleem, dan is deze volgens de ouders niet van dien aard of omvang dat de kinderen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, laat staan dat een ondertoezichtstelling de enige juiste maatregel zou zijn om deze (mogelijke) problematiek het hoofd te bieden.

3.4.3. Ten aanzien van [dochter 2.] merken de ouders op dat de raad meent dat – hoewel de raadsonderzoeker geen goed beeld heeft kunnen krijgen van haar ontwikkeling – er sprake is van een zodanige bedreiging van haar ontwikkeling dat dit een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Het beweerdelijk wangedrag van de vader is volgens de ouders echter onvoldoende om zulks te onderbouwen.

De ouders concluderen dat aan de gronden voor ondertoezichtstelling van de kinderen niet is voldaan. Mocht het hof anders oordelen, dan menen de ouders dat de duur van de ondertoezichtstelling dient te worden beperkt.

3.5. Het hof overweegt het volgende.

3.5.1. Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, onder toezicht stellen.

3.5.2. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:254 BW. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.5.3. Het hof deelt de zorgen van de raad over de opvoedingsomgeving van de kinderen. Uit het raadsrapport d.d. 15 maart 2011 komt naar voren dat de persoonlijke problematiek van de vader alsmede zijn dominerende houding dusdanig op de voorgrond staan binnen het gezin dat er weinig tot geen ruimte is voor de belevingen en gevoelens van de overige gezinsleden. De vader dwingt zijn rol van alleenheerser af op een manier die lijkt op onderdrukking, waarbij angst wordt gekweekt en (ernstige) bedreigingen worden geuit.

3.5.4. Voorts houdt de vader bewust alle hulpverlening die gericht is (althans zicht wil krijgen) op de gezinssituatie buiten de deur. De vader heeft het raadsonderzoek tegengewerkt door aan de scholen van de kinderen, Xonar, de politie, de huisarts en Amacura geen toestemming te verlenen om informatie over de kinderen en/of het gezin aan de raad te verstrekken. De gesprekken tussen de raadsonderzoeker en de kinderen hebben veelal in bijzijn van de vader plaatsgevonden en de moeder heeft helemaal niet met de raad gesproken. De vader is voorts niet ter zitting van het hof verschenen om het door de raad geschetste beeld te ontkrachten. Hoewel de moeder ter zitting een ander beeld van (vaders rol in) de thuissituatie heeft geschetst, weegt naar het oordeel van het hof haar verklaring niet op tegen de hoeveelheid informatie in het raadsrapport die erop wijst dat sprake is van een bijzonder gesloten gezinssysteem.

3.5.5. Het hof is op basis van het raadsrapport van oordeel dat het voorval op 20 december 2010 niet als een incident kan worden beschouwd, maar lijkt te passen bij een wijze waarop de vader doorgaans optreedt binnen het gezin. Het hof verwijst in dit kader voorts naar de informatie van de politie zoals opgenomen in het raadsrapport. Hieruit blijkt ondermeer dat de moeder in een telefoongesprek met de politie op 21 december 2010 heeft verklaard dat er zich in 2010 al eerder twee à drie voorvallen hadden voorgedaan, waarbij ruzies escaleerden in vernielingen in het huis door de vader.

3.5.6. Het hof is – anders dan de rechtbank – op grond van al het voorgaande van oordeel dat de dominante aard van de vader een bedreiging vormt voor de emotionele ontwikkeling van alle drie de kinderen en een beperking van hun vrijheid oplevert in de groei naar volwassenheid. [zoon] en [dochter 1.] zijn gezien hun persoonlijke problematiek bovendien bijzonder kwetsbaar. Zo heeft [zoon] moeite met het tonen van gevoelens en emoties, hetgeen nog meer wordt bemoeilijkt doordat hij binnen de gezinssituatie onvoldoende de mogelijkheid heeft om zichzelf te zijn. Het hof acht het derhalve noodzakelijk dat hulpverlening tot stand komt, gericht op de interactieproblemen in het gezin en met name op de rol van de vader daarin.

Hoewel de ouders steeds open hebben gestaan voor individuele hulpverlening ten behoeve van [zoon] en [dochter 1.], komt de hiervoor omschreven hulpverlening in het vrijwillig kader niet tot stand. Het hof acht de ondertoezichtstelling van de kinderen derhalve noodzakelijk om genoemde ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.

3.6. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het (inleidend) verzoek van de raad alsnog dient te worden toegewezen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 29 maart 2011;

en opnieuw recht doende:

wijst alsnog toe het inleidend verzoek van de raad;

stelt de minderjarigen

- [A.], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeentenaam],

- [B.], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeentenaam],

- [C.], (hierna: [dochter 2.]), op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeentenaam],

met ingang van 7 september 2011 onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, locatie Sittard, voor de termijn van één jaar;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Maastricht;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis in het openbaar uitgesproken op 7 september 2010.