Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR5570

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
20-003233-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dodelijk ongeval. Overschrijding van de toegestane maximum snelheid met meer dan 30 km/u binnen de bebouwde kom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003233-09

Uitspraak : 23 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 september 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-856029-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught,

bij welk vonnis de verdachte werd vrijgesproken van het onder 5. ten laste gelegde (rijden, terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard) en ter zake van:

- overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen;

- eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

- overtreding van artikel 9, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede aan hem - ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde - de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen werd ontzegt voor de duur van drie jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1. is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Voor de feiten die niet aan zijn oordeel zijn onderworpen en waarvoor verdachte door de eerste rechter is veroordeeld zal het hof, gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, na te melden straf bepalen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De vordering van de advocaat-generaal houdt voorts in dat het gerechtshof op de voet van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de straf zal bepalen ten aanzien van de vier bewezen verklaarde feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen en ter zake aan verdachte zal opleggen:

- ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 6: een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd:

- ten aanzien van de feiten 1, 4 en 6: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Voorts heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte een lagere straf zal worden opgelegd dan de straf die door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

Primair:

hij op of omstreeks 27 februari 2008 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Simon Stevinweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt;

verdachte heeft rijdende op die weg gereden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de aldaar geldende toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/althans met een gelet op de situatie en/of omstandigheden ter plaatse (te) hoge snelheid en/of het door hem bestuurde motorrijtuigniet voldoende en/of niet tijdig afgeremd, althans is hij verdachte, niet in staat geweest om dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover die weg vrij was en/of is hij, verdachte, niet, althans niet tijdig en/of niet voldoende uitgeweken, tengevolge waarvan een botsing en/of aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en/of een zich op die weg bevindende fietser, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 27 februari 2008 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Simon Stevinweg, heeft gereden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de aldaar geldende toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/althans met een gelet op de situatie en/of omstandigheden ter plaatse (te) hoge snelheid en/of het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet voldoende en/of niet tijdig afgeremd, althans is niet in staat geweest om het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover die weg vrij was en/of is niet, althans niet tijdig en/of niet voldoende uitgeweken, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2008 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Simon Stevinweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen als volgt;

verdachte heeft rijdende op die weg gereden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en met een gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid en is niet in staat geweest om dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover die weg vrij was, tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een zich op die weg bevindende fietser, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

1.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat niet kan worden gesproken van een betrouwbaar onderzoek van de politie.

2.

Het hof overweegt het volgende.

2.1.

Op 27 februari 2008 vond op de Simon Stevinweg te ’s-Hertogenbosch, ter hoogte van de zijstraat de Buys Ballotweg, een verkeersongeval plaats. Bij dit ongeval was een Suzuki Swift betrokken, die werd bestuurd door verdachte, en een fietser, te weten slachtoffer [slachtoffer]. [slachtoffer] stak op zijn fiets komend vanuit de Buys Ballotweg de Simon Stevinweg over, maar verleende daarbij geen voorrang aan de op de Simon Stevinweg rijdende Suzuki die werd bestuurd door verdachte. Verdachte probeerde door een noodremming een aanrijding te voorkomen, maar dat was tevergeefs. [slachtoffer] kwam in aanrijding met de Suzuki en is als gevolg van deze aanrijding en het letsel dat hij daarbij heeft opgelopen overleden.

2.2.

Uit het proces-verbaal Verkeersongevalanalyse blijkt dat voornoemde Simon Stevinweg is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente ’s-Hertogenbosch waar de toegestane maximum snelheid 50 km/u bedraagt. Uit de in voornoemd proces-verbaal gevoegde foto’s van de situatie op de dag en de plaats van het ongeval blijkt dat de Simon Stevinweg, de weg waarover verdachte kwam aangereden, een overzichtelijk weg is en het zicht niet door obstakels werd belemmerd.

Aanvankelijk was gerapporteerd dat op basis van een analyse van het remblokkeersporenbeeld op de weg bleek, dat de snelheid waarmee verdachte had gereden tussen de 74 km/u en 78 km/u moet hebben gelegen. In een aanvullend proces-verbaal d.d. 18 juli 2011, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], met betrekking tot het rijgedrag van de Suzuki Swift is een verbeterde snelheidsberekening gemaakt, aangezien voornoemde berekening niet bleek te kloppen. Er was een verkeerd opgestelde formule gebruikt, aldus de verbalisanten. Uit de nieuwe snelheidsberekening komt naar voren dat de snelheid waarmee verdachte over de Simon Stevinweg heeft gereden tussen de 81 km/u en de 85 km/u moet hebben gelegen.

Desgevraagd heeft [deskundige], onderzoeker verkeersongevallen van het Nederlands Forensisch Instituut - per e-mail d.d. 8 augustus 2011 - bevestigd dat bij deze verbeterde berekening van de juiste formule gebruik is gemaakt. Naast voornoemde gerapporteerde conclusie omtrent de door de verdachte gereden snelheid, is er voorts de verklaring van getuige [getuige] die heeft verklaard dat de Suzuki haar opviel omdat deze hard reed. Het hof gaat er mitsdien vanuit, anders dan de stelling van verdachte inhoudende dat hij 50 km/u heeft gereden, dat verdachte op zijn minst 81 km/u over de Simon Stevinweg heeft gereden.

2.3.

In voornoemd aanvullend proces-verbaal wordt eveneens gerapporteerd dat de verbeterde snelheidsberekening gevolgen heeft voor de aanvankelijk gerapporteerde stopafstand en de conclusie ten aanzien van de vermijdbaarheid van het ongeval. Geconcludeerd wordt, uitgaande van de verbeterde berekening van de snelheid en de stopafstand, dat de Suzuki bij een snelheid van 50 km/u 26 meter voor het einde van het aangetroffen remblokkeersporenbeeld zou hebben stilgestaan. Dat betekent dat indien de bestuurder van de Suzuki op dezelfde manier zou hebben gereageerd als hij heeft gedaan, hij zijn voertuig tijdig tot stilstand had kunnen brengen als hij zich had gehouden aan de toegestane maximumsnelheid van 50 km/u. In dat geval had de Suzuki nog voor het botspunt stilgestaan, zodat de aanrijding niet had plaatsgevonden.

2.4.

Uit het voorgaande trekt het hof de conclusie dat verdachte met een aanmerkelijk hogere snelheid op de Simon Stevinweg, een weg binnen de bebouwde kom met diverse zijstraten, heeft gereden dan de daar toegestane 50 km/u. Ook gelet op die wegsituatie was die snelheid veel te hoog. Daardoor is verdachte niet in staat geweest om zijn voertuig, binnen een afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover die weg vrij was, tijdig tot stilstand te brengen als gevolg waarvan een aanrijding is ontstaan waardoor slachtoffer [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft de toegestane snelheid fors overschreden, ondanks het feit dat ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 50 km/u al aangeeft dat op die weg met diverse zijstraten met een beperkte snelheid moet worden gereden. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Daaraan doet niet af dat slachtoffer [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend aan verdachte, aangezien [slachtoffer] er immers geen rekening mee hoefde te houden dat verdachte met een dergelijk hoge snelheid over de Simon Stevinweg reed.

2.5.

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden gesproken van een betrouwbaar onderzoek, aangezien er diverse onzekerheden bestaan.

2.5.1.

Ten eerste heeft de verdediging betoogd - zo verstaat het hof althans het verweer - dat verdachte zou kunnen hebben gedwaald ten aanzien van de door hem gereden snelheid, aangezien niet is onderzocht of de snelheidsmeter van de Suzuki Swift deugdelijk functioneerde. Het hof overweegt daartoe dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] de Suzuki Swift hebben onderzocht en dat verbalisant [verbalisant 2] ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verklaard, dat indien de snelheidsmeter niet correct functioneerde dit in het proces-verbaal zou staan vermeld. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat indien zou zijn geconstateerd dat de snelheidsmeter niet functioneerde, dit door hen zou zijn vastgelegd in hun aantekeningen ofwel op een foto. Door [verbalisant 1] zijn de in deze zaak gemaakte aantekeningen en fotografische opnamen bekeken en daarin trof [verbalisant 1] geen enkele aanwijzing aan waaruit zou kunnen blijken dat de snelheidsmeter niet werkte. Het hof acht mitsdien niet aannemelijk geworden dat de snelheidsmeter van de Suzuki niet naar behoren zou hebben gefunctioneerd.

2.5.2.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat onvoldoende zeker is of de door de onderzoekers gebruikte (MAHA) remvertragingsmeter was geijkt, zodat niet kan worden vastgesteld of de onderzoeksresultaten betrouwbaar en deugdelijk zijn. Het hof overweegt daartoe dat verbalisant [verbalisant 2] op een vraag van de verdediging ten overstaan van de

raadsheer-commissaris heeft verklaard dat zij een remvertragingsmeter hebben geleend van collega’s uit Eindhoven omdat hun meter weg was voor ijking en dat zij - voordat zij die meter leenden - eerst hebben gevraagd of die meter wel geijkt was, hetgeen het geval bleek te zijn. Het hof heeft geen reden om aan deze door verbalisant [verbalisant 2] afgelegde verklaring te twijfelen, zodat mitsdien niet aannemelijk is geworden dat de bij het onderzoek gebruikte remvertragingsmeter niet was geijkt waardoor geen juiste meting zou zijn verricht.

2.5.3.

Als laatste heeft de verdediging betoogd dat niet vaststaat wat de plaats van de aanrijding is geweest, nu het mogelijk zou kunnen zijn dat verdachte vanwege stress de rem enige tijd heeft losgelaten en vervolgens weer heeft ingedrukt zodat het remspoor is onderbroken. Het hof overweegt daartoe dat op grond van de verklaring van verdachte (blz. 103 van het proces-verbaal), inhoudende dat hij meteen op de rem trapte en bleef remmen, geen aanleiding is om aan te nemen dat verdachte zijn rem heeft losgelaten. Voorts is in het proces-verbaal verkeersongevalanalyse gerapporteerd dat in het remblokkeerspoor - na 8,8 meter - over een korte afstand geen profielaftekening zichtbaar was, dat een dergelijke verandering in de spooraftekening vaak duidt op een plotselinge vrij grote krachtinwerking op de blokkerende wielen en dat de verandering in het spoor waarschijnlijk de plaats van de aanrijding is geweest. Het hof acht onderzoek naar de plaats van het ongeval, gebaseerd op het remblokkeerspoor derhalve voldoende betrouwbaar.

2.6.

Het hof acht het onderzoek dat is verricht door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] mitsdien betrouwbaar en gebruikt deze voor het bewijs. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De verdediging heeft bepleit dat een lagere straf zal worden opgelegd dan de straf die de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat ten gevolge van het aan de schuld van de verdachte te wijten ongeval [slachtoffer] is komen te overlijden, als gevolg waarvan groot leed en verlies is toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer die zich geconfronteerd zagen met de dood van een dierbare;

- de omstandigheid dat delicten als het bewezen verklaarde feiten zijn waardoor de rechtsorde ernstig wordt geschokt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

4 juli 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake strafbare feiten door een strafrechter is veroordeeld, waaronder meermalen ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994;

- de inhoud van de over verdachte opgemaakte psychologische rapportages d.d.

13 februari 2009 en 25 juni 2009;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten ten aanzien van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij het slachtoffer is overleden en waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout. Binnen deze oriëntatiepunten is rekening gehouden met de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden van het slachtoffer.

Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar onvoorwaardelijk. Het hof ziet noch in de omstandigheden van het geval noch in de persoon van de verdachte aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken, zodat het hof komt tot oplegging van een lagere gevangenisstraf dan de straf zoals deze door de advocaat-generaal is gevorderd.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Voorts zal het hof, gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, een straf bepalen ten aanzien van het niet aan zijn oordeel onderworpen door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1. primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd en/of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Met betrekking tot de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten, bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 01-856029-08 ten laste gelegd en door de eerste rechter bewezen verklaard:

Bepaalt de op te leggen straf op een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. M. Kolkert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 23 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Kolkert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.