Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR4202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
HD 200.069.555 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade door mishandeling. Causaal verband. Beroep op eigen schuld afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.069.555

arrest van de vierde kamer van 26 juli 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.Th.G. Hegge,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 juni 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 2 juni 2010 tussen appellant - [X.] - als gedaagde en geïntimeerde - [Y.] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 199357/HA ZA 09-2143)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 25 november 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Op zondag 14 oktober 2007 heeft [X.] [Y.], geboren [geboortedatum], op straat opzettelijk met een gebalde vuist tegen diens rechterslaap geslagen. Als gevolg daarvan is [Y.] bewusteloos geraakt en met zijn gezicht hard op het wegdek gevallen.

b. Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van 18 maart 2008 is [X.] veroordeeld tot een werkstraf wegens poging tot zware mishandeling van [Y.]. De politierechter heeft [X.] veroordeeld tot betaling aan [Y.] als benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,00 als voorschot en [X.] veroordeeld in de kosten van [Y.], tot dat moment begroot op nihil. Hij heeft [Y.] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

c. Uit een verslag van de huisarts van [Y.] blijkt dat hij op 14 oktober 2007 is opgenomen op de afdeling Eerste Hulp van het ziekenhuis te Veldhoven. Uit het verslag van die opname blijkt dat [Y.] bewusteloos was aangetroffen met bloedend aangezicht. Hij had retrograde amnesie. De diagnose luidde: status na vermoedelijke mishandeling; contusie li oog, commotio cerebri.

d. [Y.] is tegen het advies van de arts niet in het ziekenhuis gebleven maar na enkele uren naar huis gegaan. Hij heeft zich de daaropvolgende dag daar weer gemeld met pijnklachten, een gezwollen linker oog en een scheve stand van zijn neus. Toen bleek dat zijn oogkas en zijn neus waren gebroken.

e. [Y.] heeft ook schade opgelopen aan zijn gebit. Zijn tandarts [Z.]schreef op 14 juli 2009 aan [Y.]s advocaat onder meer het volgende:

“De gebitsschade die ik direct na het misdrijf aantrof was enorm. Een frontkroon was afgebroken, bij 2 afgebroken voortanden hingen de zenuwen eruit!! Hier is een zenuwbehandeling onvermijdelijk geweest. Pas veel later bleek ook nog een 3e tand, (de hoektand links) klachten te geven die lijken op post-traumatische problemen. Wellicht zal hier in de nabije toekomst ook een zenuwbehandeling nodig zijn. (met de nodige definitieve restauratie)

Los van de emotionele schade, Dhr [Y.] heeft een week niet kunnen eten van de pijn, is de materiële schade erg moeilijk uit te rekenen.

Dhr [Y.] heeft 4 tanden waar in de toekomst een implantaat + kroon geïndiceerd zouden kunnen zijn. Redelijkerwijs geschat denk ik dat per getroffen element 3.000,00

€ schade voor nu en de toekomst reëel is, dus totaal 12.000 €”

f. Tandarts [Z.]heeft aan [Y.] op 28 maart 2008 twee begrotingen van de geplande behandeling toegestuurd, één begroting betrof een bedrag van € 1.755,38 voor onder meer 3 keramische kronen, de andere begroting betrof een bedrag van € 9.375,80 voor onder meer 3 implantaten en kronen.

g. [Y.]s advocaat heeft [X.] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade bij brief van 24 oktober 2008. Omdat een reactie uitbleef heeft hij hem nogmaals aangeschreven op 17 december 2008. De gemachtigde van [X.] reageerde kort op 23 december 2008. Daarna hebben nog enkele rappellen van [Y.]s advocaat plaatsgevonden. Vervolgens hebben enkele telefonische contacten plaatsgevonden, waarna de gemachtigde van [X.] op 4 juni 2009 liet weten dat [X.] niet voornemens was de gevorderde schade te betalen.

4.2.1. Bij dagvaarding van 7 september 2009 heeft [Y.] gevorderd [X.] te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden en in de toekomst te lijden schade. Hij stelde het volgende letsel te hebben geleden:

- hoofdletsel; bewusteloosheid gedurende 2,5 uur

- gescheurde oogkas op 3 plaatsen

- gebroken neus

- 2 tanden uit de mond

- 3 afgebroken tanden.

Hij stelde als gevolg van de mishandeling de volgende klachten en beperkingen te hebben gehad: ernstige gebitsschade, lange tijd hoofdpijnklachten, niet goed kunnen eten/kauwen, verminderd reukvermogen, algehele pijnklachten, gedurende 2,5 maanden binnen moeten blijven en niet kunnen werken, schaamtegevoelens wegens toegetakeld uiterlijk, emotionele schade. Als blijvende klachten noemde hij blijvende ernstige gebitsbeschadiging en pijnklachten aan gebit, blijvende schade aan neus (kromme stand) en verminderd reukvermogen.

[Y.] becijferde zijn reeds geleden schade na aftrek van het voorschot van € 1.500,00 op € 7.003,43, inclusief wettelijke rente tot en met 2 september 2009, en de schade wegens tandheelkundige behandelingen op € 11.131,18. [Y.] vorderde wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 6.485,86. De totale vordering bedroeg € 24.620,47.

4.2.2. De rechtbank heeft een comparitie van partijen gehouden op 18 mei 2010. Daarbij heeft [Y.] zijn vordering verminderd, in die zin dat hij in plaats van de in de dagvaarding genoemde post voor tandheelkundig behandelingen voor reeds gemaakte tandheelkundige kosten € 840,00 vorderde en voor toekomstige tandheelkundige kosten € 9.375,80.

4.2.3. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 juni 2010 beslist dat [X.] aansprakelijk is voor de schade van [Y.] en dat er causaal verband bestaat tussen de mishandeling door [X.] en de door [Y.] gestelde verwondingen. Zij verwierp het beroep van [X.] op eigen schuld van [Y.]. Ook het verweer dat [Y.] zijn schade onvoldoende heeft beperkt heeft de rechtbank verworpen. Zij constateerde voorts dat [X.] het beroep op medeschuld had ingetrokken en dat dat niet in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen. De rechtbank heeft vervolgens de verschillende schadeposten besproken en [X.] veroordeeld om aan [Y.] een bedrag te betalen van € 15.251,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 september 2009, met veroordeling van [X.] in de proceskosten.

4.3.1. De eerste grief van [X.] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen de door [X.] gepleegde mishandeling en het door [Y.] opgelopen letsel causaal verband bestaat. [X.] stelt dat beide partijen die avond erg veel alcohol hadden gebruikt en ook jointjes hadden gerookt. Zij reden die nacht van 14 oktober 2007 samen op de fiets, waarbij [X.] reed en [Y.] achterop zat. [Y.] viel op een gegeven moment van de bagagedrager af en kwam op de grond terecht. Weliswaar heeft [X.] tegenover de politie verklaard dat hij na die val van de bagagedrager geen zichtbare verwondingen bij [Y.] had gezien, maar dat zegt niets. Ook [X.] was dronken. Gezien die toestand en het feit dat het donker was kon [X.] niet zien of [Y.] toen misschien al tandletsel had. Omdat [Y.] dronken was kon hij niet of nauwelijks zeggen dat er sprake was van letsel. [X.] heeft [Y.] slechts één keer geslagen. Volgens [X.] is het niet mogelijk dat [Y.] alle schade heeft opgelopen door die ene klap.

4.3.2. Vaststaat dat [X.] [Y.] heeft mishandeld. Door [X.] is niet weersproken dat [Y.] daarna letsel had aan zijn hoofd en gebit. Door het slaan door [X.] is een risico op letsel van [Y.] in het leven geroepen. Dit risico heeft zich verwezenlijkt. Daarmee is het causaal verband tussen de klap van [X.] en het letsel van [Y.] in beginsel gegeven. Het is aan [X.] om te stellen en te bewijzen dat de schade ook zonder de door hem gegeven klap zou zijn ontstaan. [Y.] heeft betwist dat hij het genoemde letsel heeft opgelopen door de val van de bagagedrager. [X.] heeft van zijn stelling geen enkel bewijs bijgebracht. [X.] heeft ook geen specifiek bewijs aangeboden. Dat [Y.] letsel heeft opgelopen door de val van de bagagedrager acht het hof niet aannemelijk. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt niet alleen dat [X.] heeft verklaard dat hij, [X.], na die val geen zichtbare verwondingen bij [Y.] heeft waargenomen, maar ook dat [Y.] boos reageerde en tegen [X.] zei: ”Sukkel, waarom rij je zo, ga maar lopen naar huis” of woorden van gelijke strekking en dat hij vervolgens wegfietste. Het hof gaat ervan uit dat [Y.] niet zo had kunnen praten en handelen als hij door de val van de bagagedrager al ernstig letsel aan zijn tanden had opgelopen en dat [X.], al was hij dronken, het wel zou hebben gezien als [Y.] bloedde uit zijn mond, wat bij het genoemde letsel zonder meer het geval moet zijn geweest. [X.] ziet bovendien over het hoofd dat het letsel niet alleen door de klap is ontstaan, maar vooral door de daaropvolgende harde val op de grond. De grief faalt dus.

4.4.1. De tweede grief betreft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van eigen schuld van [Y.]. [X.] stelt dat [Y.] zich zelf ook in een dronkenmanstoestand had gewerkt en zich vervelend, agressief, ongepast en onbetamelijk tegenover [X.] gedroeg. [X.] had alle drankjes voor [Y.] betaald en zou bij hem blijven slapen. Dat wilde [Y.] niet meer. Tegen die achtergrond gaf [X.] [Y.] een klap. De eigen schuld van [Y.] is ook gelegen in het feit dat hij, doordat hij dronken was, niet meer in staat was zijn handen uit te steken om zijn val te breken. Subsidiair stelt [X.] dat [Y.] daardoor zijn schade niet heeft beperkt.

4.4.2. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het beroep op eigen schuld van [Y.] moet worden verworpen. Het enkele feit dat [Y.] zich mogelijk onaangenaam tegenover [X.] gedroeg door hem sukkel te noemen, de val van de bagagedrager aan de rijstijl van [X.] te wijten en weg te fietsen ondanks de afspraak dat [X.] bij hem zou slapen, vormt geen enkele rechtvaardiging voor de door [X.] gepleegde mishandeling. Ook het beroep op het feit dat [Y.] door zijn dronkenschap zijn val niet kon breken gaat niet op: [Y.] is door de klap bewusteloos geraakt, hij was dus niet meer tot actief optreden in staat, ook niet als hij nuchter was geweest. De grief faalt.

4.5.1. Grief IV betreft het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 3.000,00 voor immateriële schade. Volgens [X.] is € 1.500,00 genoeg, nu er geen sprake is geweest van een langdurige ziekenhuisopname en kennelijk ook niet van pijn.

4.5.2. Het hof stelt vast dat [X.] geen grief heeft aangevoerd tegen de weergave door de rechtbank van het door [Y.] opgelopen letsel en de overige gevolgen van de mishandeling, zoals het feit dat [Y.] 2,5 maand niet heeft kunnen werken en blijvende klachten heeft overgehouden. Uit het overgelegde medisch verslag en de brief van tandarts [Z.]blijkt dat [Y.] wel degelijk pijn heeft ondervonden. Gezien het letsel en de overige gevolgen acht het hof, rekening houdend met vergelijkbare gevallen, het door de rechtbank toegewezen bedrag juist. De grief faalt.

4.6.1. Grief III houdt in dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat [Y.] toekomstige schade ter zake van tandheelkundige kosten zal hebben van € 8.375,80. [X.] stelt dat de kronen en implantaten nog steeds niet zijn geplaatst, zodat kennelijk de noodzaak daartoe ontbreekt. Bovendien gaat het niet om een begroting van een onafhankelijke deskundige, nu [Z.]de tandarts van [Y.] is, die er belang bij heeft dat alsnog een kostbare behandeling zal plaatsvinden.

4.6.2. [Y.] heeft erkend dat de implantaten nog niet zijn geplaatst. Volgens hem zijn ze wel nodig, omdat de kronen er regelmatig uitvallen. De huidige kronen hebben volgens [Y.] niet voldoende houvast, omdat drie tanden nagenoeg geheel waren afgebroken.

4.6.3. Het hof is van oordeel dat thans nog niet voldoende vaststaat dat implantaten moeten worden ingebracht. De overgelegde brief van tandarts [Z.]dateert van juli 2009. Uit die brief blijkt niet dat implantaten zeker nodig zullen zijn en ook van de kosten is slechts een schatting gemaakt. Ook uit de nadere begroting van tandarts [Z.]kan onvoldoende bewijs worden geput voor de noodzaak van de implantaten. Het hof heeft daarom behoefte aan voorlichting door een (onafhankelijke) tandarts. Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:

1. Zijn gebitselementen van [Y.] door de mishandeling op 14 oktober 2007 zodanig beschadigd dat thans implantaten en kronen moeten worden aangebracht?

2. Zo ja, hoeveel implantaten en kronen moeten worden aangebracht?

3. Welke kosten brengt die behandeling redelijkerwijs mee?

4. Welke overige opmerkingen acht u van belang?

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Het hof gaat er voorshands van uit dat de benoeming van één deskundige volstaat. Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

Het hof is gelet op de omstandigheden van dit geding voornemens de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen. In verband met het bepaalde in artikel 195 Rv komen de voorschotten voorlopig ten laste van ’s Rijks kas.

4.7.1. Grief V betreft de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft volgens [X.] daarvoor ten onrechte € 3.143,00 toegewezen. [X.] wijst erop dat [Y.] een toevoeging heeft en hij betwist dat [Y.] naast de eigen bijdrage nog enige vergoeding behoeft te voldoen. Hij stelt voorts dat de aanloopkosten voor een procedure niet onder de buitengerechtelijke kosten vallen. Subsidiair stelt [X.] dat de kosten moeten worden berekend op basis van het Rapport Voorwerk II. De gevorderde kosten acht hij extreem hoog, terwijl ze voor een deel volgens hem ook betrekking hebben op de schadevordering in de strafzaak.

4.7.2. In eerste aanleg heeft de advocaat van [Y.] aangevoerd dat de toevoeging van [Y.] komt te vervallen als het door de rechtbank toe te wijzen bedrag meer bedraagt dan de helft van het vrijgestelde bedrag in box 3, in dit geval de helft van € 20.661,00, derhalve € 10.330,50. Dat is door [X.] noch in eerste aanleg noch in hoger beroep betwist. Ook het hof gaat daar dus van uit.

4.7.3. Thans staat nog niet vast of het toe te wijzen bedrag de som van € 10.330,50 te boven gaat; dat hangt af van de uitkomst van het deskundigenbericht. Met betrekking tot de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag overweegt het hof reeds nu het volgende. Op grond van de overgelegde stukken gaat het hof er van uit dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, nu enige correspondentie en overleg heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de procedure. In beginsel wordt daarvoor forfaitiair toegewezen een bedrag van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, in dit geval tweemaal € 452,00, dus € 904,00. Een hoger bedrag is slechts toewijsbaar indien [Y.] stelt en bewijst dat hogere kosten redelijk zijn. [Y.] heeft in eerste aanleg een overzicht van door zijn raadsman gemaakte kosten overgelegd. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat een groot deel van de tijd is besteed aan de voorbereiding van de procedure, zoals het verzamelen van informatie en het opstellen van de dagvaarding. Zoals weergegeven in 4.1. onder g zijn voorafgaand aan de dagvaarding slechts enkele brieven geschreven en heeft beperkt telefonisch contact plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk dat meer buitengerechtelijke kosten dan het hiervoor genoemde bedrag zijn gemaakt, zodat het hof in elk geval niet meer dan het forfaitaire bedrag zal toewijzen.

4.8. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 23 augustus 2011 voor akte aan de zijde van [X.] met het in 4.6.3 omschreven doel;

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 juli 2011.