Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR4091

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
HD 103.001.546 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De werkgeefster is aansprakelijk voor de schade die de werkneemster lijdt ten gevolge van het niet afgesloten hebben van een WAO-hiaatverzekering zoals bedoeld in artikel VII.2, lid 1, van de CAO van de Particuliere Beveiligingsorganisaties 2000-2002.

De schade is gekapitaliseerd. De wettelijke rente over de toekomstige schade is toewijsbaar vanaf de kapitalisatiedatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0647
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 103.001.546

arrest van de achtste kamer van 26 juli 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

CSU SECURITY B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.G.M. van Ewijk,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 december 2009 in het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch onder zaaknr. 323379, rolnr. 03-8529 gewezen vonnis van 21 oktober 2004.

15. Het tussenarrest van 22 december 2009

Bij het tussenarrest van 22 december 2009 heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de in onderdeel 9.3.2 van dat arrest geformuleerde vragen. Ter beantwoording van die vragen heeft het hof de volgende deskundigen benoemd: mevrouw R.E.E.M. Artoos, arbeidsdeskundige, en de heer

S. Knepper, verzekeringsarts. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

16. Het verdere verloop van de procedure

16.1. Nadat voormelde deskundigen ieder een rapport hadden uitgebracht, heeft CSU een memorie na deskundigenbericht genomen.

16.2. Vervolgens heeft [X.] een “memorie verandering van eis en antwoord-memorie na deskundigenbericht” genomen.

16.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van CSU ontbreekt het rapport van verzekeringsarts Knepper.

17. De verdere beoordeling

Deskundigenrapporten

17.1. Bij tussenarrest van 7 juli 2009, onderdeel 9.3.1 heeft het hof overwogen dat alsnog een onderzoek door een verzekeringsdeskundige en een arbeidsdeskundige zal worden gelast, naar de verwachtingen omtrent de wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid van [X.] en met betrekking tot de kans van vooroverlijden voor haar 65ste levensjaar. Dat onderzoek achtte het hof noodzakelijk in verband met onderdeel 3.2.2 van het deskundigenrapport van mevrouw mr. M. van Kimmenaede d.d. 27 oktober 2008, blijkens welk onderdeel deze deskundige ervan is uitgegaan dat [X.] tot aan haar 65ste levensjaar een WAO-hiaatuitkering zou ontvangen.

Bij tussenarrest van 22 december 2009 is bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht door verzekeringsarts Knepper en arbeidsdeskundige Artoos.

Deze deskundigen hebben op 10 juli 2010 respectievelijk 20 december 2010 schriftelijk gerapporteerd.

17.1.1. CSU heeft bij memorie van deskundigenbericht onder meer aangevoerd dat de door [X.] gestelde schade een aanzienlijke neerwaartse correctie behoeft, omdat zij volgens het rapport van verzekeringsarts Knepper niet volledig arbeidsongeschikt is. Blijkens dat rapport wordt [X.] in staat geacht gedurende halve dagen enige loonvormende arbeid (bijvoorbeeld administratief werk) te verrichten. De arbeidsdeskundige Artoos komt, mede op basis van de rapportage van Knepper, tot een (beperkt) arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. Ook deze deskundige acht [X.] in staat om loonvormende arbeid te verrichten, zij het dat de deskundige de kans op het daadwerkelijk vinden van loonvormende arbeid tussen de 0 en 10% acht. Volgens beide deskundigen mag [X.] aangesproken worden op enige inspanning van haar zijde om weer enige loonvormende arbeid te (gaan) ontplooien; tot op heden heeft [X.] daartoe zelf geen acties ondernomen. Ten slotte sluit de arbeidsdeskundige voor de toekomst een verandering in de mate van de arbeidsongeschiktheid van [X.] niet uit, al is de kans volgens de arbeidsdeskundige niet groot. Dit een en ander moet een verminderend effect hebben op de hoogte van een eventuele schadevergoeding ten gunste van [X.]. Aldus CSU.

17.1.2. [X.] heeft bij antwoordmemorie na deskundigenbericht voormeld betoog van CSU gemotiveerd betwist. Volgens [X.] heeft CSU de rapporten verkeerd, dan wel in ieder geval selectief, gelezen.

17.1.3. Het hof acht de volgende passages van de deskundigenrapporten van belang:

in het rapport van verzekeringsarts Knepper:

- de onder 4.3.5 vermelde conclusie (pagina’s 16 en 17)

“De verzekeringsgeneeskundige diagnose luidt somatisatiestoornis bij een emotioneel labiele kwetsbare vrouw, die waarschijnlijk nooit in staat is geweest duurzaam fulltime te werken en een inadequate beroepskeus heeft gedaan. De stoornis is therapeutisch moeilijk beïnvloedbaar maar geeft op zichzelf geen aanleiding tot een verminderde levensverwachting. Inmiddels is mevrouw [X.] in rustiger vaarwater gekomen en in staat te functioneren als partner en moeder.

Dit geeft, bovenstaande in overweging genomen, aanleiding tot de volgende beperkingen:

Mevrouw [X.] heeft normale (= toereikend voor dagelijks functioneren) mogelijkheden om persoonlijk en sociaal te functioneren (rubrieken I en II FML). Er zijn (waarschijnlijk altijd al aanwezige) specifieke voorwaarden in arbeid met betrekking tot werken onder tijdsdruk, in hoog tempo, met veelvuldige onderbrekingen of deadlines. [X.] is buiten staat te functioneren in arbeid die conflicthantering als kerntaak vereist. Zij kan niet functioneren in een mannengemeenschap of onder “macho”gedrag van haar meerdere.

Ze heeft normale mogelijkheden ten aanzien van dagelijks fysieke handelingen. Maar er zijn beperkingen ten aanzien van fysiek functioneren (rubrieken III-V FML) in eisen die daar ver bovenuit gaan. Zo is mevrouw [X.] buiten staat zware (meer dan 5-10kg) voorwerpen te hanteren. Ze kan niet in een rokerige omgeving werken. Ze kan zo nodig iets van de grond rapen of even aan de grond werken, maar ze is niet in staat langdurig of frequent te bukken, knielen, hurken of buigen. Ze kan zo nodig reiken, ook bovenhands, maar niet veelvuldig of lang volgehouden. Ze kan in principe normaal zitten, staan en lopen, maar niet langer dan ruim de helft van een werkdag staan of lopen, mits met enige taakautonomie om even te kunnen gaan zitten.

Ze is qua arbeidspatroon (rubriek VI FML) in staat onder deze voorwaarden ongeveer halve dagen te functioneren Ze kan pas vanaf ongeveer 09.00u naar haar werk gaan en niet

’s avonds of ’s nachts werken.

Voor het overige heeft mevrouw [X.] mogelijkheden ongeveer in overeenstemming met haar achtergrond en leeftijd. Het lijkt mij niet onmogelijk dat zij in staat zou zijn halve dagen administratief werk te doen, een en ander ter uiteindelijke beoordeling aan de arbeidsdeskundige.

- pagina 17, onder 5.3. Bespreking: “Een somatisatiestoornis is een aandoening die geclassificeerd wordt als een psychische aandoening. De stoornis gaat gepaard met allerlei chronische lichamelijke klachten die gewoonlijk overgaan, dan wel normaliter geen aanleiding hoeven vormen voor medische behandeling. Dat gebeurt bij deze stoornis wel en vaak met grote volhardendheid hoewel behandelingen meestal niet helpen. Zo ontstaat in de loop der jaren een grote medische consumptie, zowel van behandeling als van medicatiegebruik. (…) in professionele termen is sprake van als ziekelijk te kwalificeren niet verwijtbaar gedrag. Het is moeilijk dit gedrag te doorbreken omdat het angstige mensen met een zwakke structuur - zoals mevrouw [X.]-– houvast en zekerheid biedt. (…)”.

- pagina 19, beantwoording van vraag 5): er is sprake van een medische eindtoestand;

- pagina 19, beantwoording van vraag 6): wanneer [X.] zich laat behandelen met cognitieve gedragstherapie, is er een kans dat [X.] in staat zal zijn tot het verrichten van loonvormende arbeid. Die kans is bescheiden en een kwestie van heel lange adem; dit is niet in een percentage uit te drukken;

- pagina 19, beantwoording van vraag 7) met verwijzing naar onderdeel 4.3.2 van het rapport: er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de stoornis haar levensverwachting zal bekorten. De verzekeringsarts acht de kans dat [X.] de leeftijd van 65 jaar zal bereiken, rekening houdend met haar gezondheidstoestand : “als de soortgelijke gezonde”.

In het rapport van arbeidsdeskundige Artoos:

- pagina 18, punt 3: “(…) De heer Knepper geeft in zijn rapport aan (…) dat er slechts dan een kans bestaat van verbetering van de toestand van betrokkene zodat ze weer in staat zou zijn tot het verrichten van loonvormende arbeid, als zij zich laat behandelen met cognitieve gedragstherapie en dan nog is de kans bescheiden en is het een kwestie van hele lange adem, zo geeft hij aan. Naast deze medische kleine kans, heb ik tijdens mijn onderzoek ondervonden dat betrokkene ook vanuit arbeidsdeskundig perspectief, weinig kansen maakt om een passende baan te verwerven (ervan uitgaande dat ze dit zelf zou willen en hiervoor acties onderneemt, wat niet het geval is). De reden hiervoor is het feit dat betrokkene al een belangrijk aantal jaren niet heeft gewerkt, wat haar geen gunstige kandidaat maakt tussen de andere kandidaten bij een vacature. Omdat er bovendien thans een recessie is, neemt het aantal vacatures af en het aantal sollicitanten per vacature toe. Daarnaast is er nog het feit dat betrokkene zich niet in staat acht tot werken en dat ze ook geen (sollicitatie)verplichting heeft vanuit de WAO om een betaalde baan te zoeken, aanzien ze als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Al deze redenen maken dat ik de kans van betrokkene tot het daadwerkelijk verwerven van loonvormende arbeid in de toekomst, zeer klein acht, minder dan 10%.”

- pagina 18, punt 4: “(…) Een herbeoordeling door een verzekeringsgeneeskundige van het UWV die andere (lees: lichtere) beperkingen aanneemt, kan leiden tot wel een theoretische verdiencapaciteit (door de arbeidsdeskundige aangegeven) en dus tot een andere (lees: lagere) mate van arbeidsongeschiktheid. Aangezien het er echter naar uitziet dat betrokkene niet meer zal worden herbeoordeeld (Code:3) door het UWV, is ook de kans dat de mate van arbeidsongeschiktheid op deze wijze wijzigt, zeer miniem te achten.”

17.1.4. De door voornoemde deskundigen gebezigde motivering komt het hof overtuigend voor. Het hof acht zich dan ook door de rapportages van verzekeringsarts Knepper en arbeidsdeskundige Artoos voldoende voorgelicht.

17.1.5. Blijkens die rapportages is de kans dat [X.] in de toekomst loonvormende arbeid kan verrichten zeer gering en zal zij hoogstwaarschijnlijkheid tot haar 65ste levensjaar volledig arbeidsongeschikt zijn. Verzekeringsarts Knepper neemt weliswaar aan dat [X.] wellicht, indien zij een cognitieve therapie volgt, met inachtneming van een aantal beperkingen, gedurende halve dagen administratief werk zou kunnen doen, maar het hof acht deze aanname, mede gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige, zo hypothetisch dat daaraan onvoldoende betekenis toekomt. Voorts zijn in het rapport van Knepper onvoldoende feiten en omstandigheden vermeld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat [X.] te weinig inspanningen in het kader van de verwerving van loonvormende arbeid heeft verricht. In dit verband is thans van belang dat [X.] in het kader van de WAO laatstelijk medisch is gekeurd in het jaar 2007, dat zij nog steeds 80-100% arbeidsongeschikt werd en wordt geacht en dat herbeoordeling vanwege de aard van haar aandoening (chronisch) niet zinvol is. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige Artoos (pagina 17, 3de alinea) blijkt dat ervan mag worden uitgegaan dat deze situatie niet meer zal worden gewijzigd, behalve als [X.] zelf een herbeoordeling zou aanvragen of als er weer een wijziging zou komen in de wet- of regelgeving, waardoor [X.] moet worden herbeoordeeld. Het hof kan, gelet op de onzekerheid of een dergelijke wijziging zal plaatshebben, daar thans geen rekening mee houden. Daarbij tekent het hof aan dat de vraag of [X.] een WAO-uitkering toekomt op de eerste plaats een beslissing is van het UWV. De WAO-hiaatverzekering kent daarin geen eigen afweging of beoordeling meer.

Anders dan CSU heeft gesteld, komt arbeidsdeskundige Artoos niet uit op een (beperkt) arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. De arbeidsdeskundige heeft (op pagina 17, 4de alinea van haar rapport), uitgaande van de door verzekeringsarts Knepper aangegeven beperkingen, slechts een vergelijking gemaakt tussen het maatmanloon van [X.] en de theoretische verdiencapaciteit. Die vergelijking, waarbij rekening is gehouden met de aanname dat [X.] maximaal 20 uren per week kan werken, levert een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65 op. Aan deze (theoretische) vergelijking komt in deze zaak, waarin het gaat om de vraag of [X.] feitelijk in staat moet worden geacht loonvormende arbeid te verrichten, echter onvoldoende gewicht toe.

17.1.6. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat bij de schadeberekening ervan moet worden uitgegaan dat [X.] tot aan haar 65ste levensjaar een WAO-hiaatuitkering zou ontvangen. Het onder 17.1.1 weergegeven betoog van CSU moet daarom worden verworpen.

17.1.7. Voorts volgt uit het vorenstaande dat het onder 17.1 weergegeven uitgangspunt van deskundige Van Kimmenaede juist is.

17.1.8. Zoals in het tussenarrest van 31 oktober 2006 (pagina 9, 3de alinea) is overwogen, dient CSU de schade te vergoeden die [X.] heeft geleden doordat [X.] zich, kort gezegd, door nalaten van CSU niet heeft kunnen aanmelden voor een WAO-hiaatverzekering.

CSU heeft de WAO-vervolguitkering van [X.] over de periode van 19 juni 2001 tot

8 september 2002 aangevuld tot het niveau van het nettoloon dat [X.] verdiende vóór haar arbeidsongeschiktheid. Over deze periode heeft [X.] dan ook geen schade geleden als gevolg van het niet ontvangen van de WAO-hiaatuitkering.

Deskundige Van Kimmenaede heeft de per 8 september 2002 ingaande schade - blijkens haar rapport, onderdeel 6.1.2, in verbinding met onderdeel 8.8 - becijferd op € 230.826,00 bruto ter zake van een gebruteerde WAO-hiaatuitkering, te vermeerderen met een bedrag van

€ 4.489,00 aan wettelijke rente (berekend tot 1 januari 2009) minus een bedrag van € 71,00 ter zake van voordeel dat [X.] had als gevolg van het niet betalen van verzekeringspremies. Aldus komt het volgens de deskundige totaal te betalen bedrag uit op

€ 235.244,00 bruto. Daarbij is uitgegaan van een jaarlijks 3% geïndexeerde uitkering. Blijkens het tussenarrest van 7 juli 2009, onderdeel 9.2 gaat het hof ervan uit dat [X.] voor de op basis van 3% per jaar geïndexeerde WAO-hiaatverzekering zou hebben gekozen.

Bij de berekening van vorenbedoelde schadevergoeding heeft deskundige Van Kimmenaede in aanmerking genomen dat [X.], indien CSU aan haar een bedrag ineens moet betalen, in een fiscaal nadeliger positie komt te verkeren dan in de situatie dat de uitkeringen uit de WAO-hiaatverzekering jaarlijks aan haar zouden zijn uitbetaald (hetgeen bij een tijdige afsluiting van de WAO hiaatverzekering zou zijn gebeurd.

Wat de verzekeringspremies betreft verdient nog opmerking dat deskundige

Van Kimmenaede in onderdeel 3.3 van haar rapport heeft vermeld dat in artikel 9 sub c van de WAO-hiaatverzekeringspolis is vastgelegd dat, als de verzekerde (de werknemer) een uitkering ontvangt ingevolge de WAO, er een premievrijstelling wordt verleend evenredig aan het arbeidsongeschiktheidspercentage. Op basis van een schriftelijke opgaaf van OHRA (bijlage 5 bij het rapport) heeft deze deskundige een berekening gemaakt van het totaal van de niet betaalde premies, minus het gemist fiscaal voordeel, waarna het voordeel (als gevolg van het niet betalen van verzekeringspremies) van [X.] uitkomt op voormeld bedrag van € 71,00.

17.1.9. [X.] heeft bij memorie na deskundigenbericht van 6 januari 2009 (naar aanleiding van het deskundigenrapport van mevrouw mr. M. van Kimmenaede) erop gewezen dat zij op korte termijn finaal met CSU wenst af te rekenen, onder meer ten aanzien van de WAO-hiaatverzekering. Bij de laatstelijk door haar genomen antwoordmemorie na deskundigenbericht (naar aanleiding van de rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige) onder punt 4 heeft zij wederom haar voorkeur uitgesproken voor het uitkeren van een schadebedrag ineens.

Gelet hierop en op de door deskundige Van Kimmenaede berekende schadevergoeding in onderdeel 6.1.2 van haar rapport, is het hof van oordeel dat een (veroordeling tot een) periodieke betaling door CSU niet meer aan de orde is.

17.1.10. CSU heeft, voor het geval een eenmalig schadebedrag dient te worden betaald, aangevoerd dat nader deskundigenonderzoek dient te worden verricht in verband met de bepaling van de termijn van mogelijke hervatting van [X.] in loonvormende arbeid, onder vermelding van de zodanige kans(en) in procenten.

17.1.11. Het hof verwijst naar onderdeel 17.1.5 van dit arrest, waaruit volgt dat er geen aanleiding is voor het door CSU voorgestane deskundigenonderzoek. Ook volgt daaruit dat er onvoldoende grond is om [X.] jaarlijks te laten herbeoordelen door een aan te wijzen medisch deskundige. De door CSU gestelde restitutieverplichting van [X.] (zoals aangegeven in de onderdelen 16 en 24 van de laatstelijk door haar genomen memorie na deskundigenbericht), heeft CSU gebaseerd op haar stelling dat [X.] naar verwachting in de toekomst weer in staat zal zijn tot het verrichten van (enige) loonvormende arbeid. Nu die stelling faalt, is reeds daarom geen grond voor het aannemen van een dergelijke verplichting.

Wijziging van eis

17.2. Zoals onder 16.2 is aangegeven, heeft [X.] bij memorie haar eis gewijzigd.

In die memorie heeft [X.] aangegeven dat zij haar eis heeft geherformuleerd, gelet op de tijd die inmiddels is verstreken na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op

21 november 2003, en gezien de beslissingen die het hof op een aantal onderdelen van haar vordering reeds heeft gegeven.

Haar vordering luidt thans, dat het hof de vonnissen van 6 mei 2004 en 21 oktober 2004 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

a)

voor recht zal verklaren dat CSU aansprakelijk is voor de schade die [X.] lijdt ten gevolge van het niet op 1 april 2000, dat wil zeggen na haar indiensttreding bij CSU, hebben kunnen afsluiten van de WAO-hiaatverzekering bij OHRA zoals bedoeld in de CAO van de Particuliere Beveiligingsorganisatie 2000-2002, meer speciaal leden 1 tot en met 3 van artikel VII.2;

b)

CSU zal veroordelen tot vergoeding van de schade bestaande uit een periodieke betaling en aanpassing van de hoogte van de periodieke betaling conform de bepalingen van de OHRA WAO-hiaatverzekering, bestaande uit het verschil tussen de loongerelateerde WAO-uitkeringen danwel WAO-vervolguitkeringen en de uitkeringen die [X.] zou hebben ontvangen als CSU haar verplichtingen terzake de WAO-hiaatverzekering wel was nagekomen met als uitgangspunt dat [X.] voor een 3% samengesteld stijgend geïndexeerde uitkering had gekozen;

c)

CSU in de plaats van het veroordelen van een periodieke betaling en aanpassing van de hoogte daarvan zoals hiervoor onder b) beschreven, te veroordelen na afweging van de goede en de kwade kansen tot betaling van een bedrag ineens al dan niet in de vorm van een stamrecht, ter finale afkoop van de schade die [X.] lijdt en nog zal lijden ten gevolge van het niet op 1 april 2000, dat wil zeggen na haar indiensttreding bij CSU, hebben kunnen afsluiten van de WAO-hiaatverzekering bij OHRA zoals bedoeld in de CAO van de Particuliere Beveiligingsorganisatie 2000-2002;

d)

de betalingsverplichtingen van CSU richting [X.] op kosten van CSU zal laten vaststellen, door een of meer door het hof te benoemen deskundige(n);

e)

CSU zal veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

f)

CSU zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hiervoor vermelde bedragen;

g)

CSU zal veroordelen tot betaling van de kosten van beide instanties.

17.2.1. De vordering houdt (voor zover deze blijkens het navolgende toewijsbaar is) ten opzichte van de in de appeldagvaarding weergegeven eis, geen vermeerdering van eis in.

Het hof wijst er allereerst op dat [X.] bij tussenarrest van 31 oktober 2006 niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 6 mei 2004, zodat vernietiging van dat vonnis niet aan de orde is.

Het eindvonnis waarvan beroep - waarbij de vorderingen van [X.] zijn afgewezen en de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd - kan wat de afwijzing betreft niet in stand blijven, zoals is overwogen in het tussenarrest van 31 oktober 2006, pagina 9, 4de alinea.

Uit hetgeen hiervoor onder 17.1.8 (met verwijzing naar het tussenarrest van 31 oktober 2006, pagina 9, 3de alinea) is overwogen, blijkt dat onderdeel a) van de vordering toewijsbaar is.

17.2.2. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding is het volgende van belang.

[X.] verlangt (zoals zij meermalen in de onderhavige procedure heeft aangegeven) betaling van een bedrag ineens aan schadevergoeding en wenst (blijkens haar antwoordmemorie, pagina 9, onderdeel 4) mede daarom geen nader deskundigenonderzoek; zij geeft daarbij tevens aan dat het hof op basis van de deskundigenrapporten een eindoordeel kan geven. Gelet daarop begrijpt het hof dat [X.] primair vordert hetgeen onder c) is weergegeven en subsidiair hetgeen onder b) en d) is vermeld in onderdeel 17.2 van dit arrest.

Het hof wijst er voorts op dat deskundige Van Kimmenaede reeds heeft gerapporteerd over de omvang van de door CSU te betalen schadevergoeding. Mede gelet op het feit dat partijen geen bezwaren tegen de inhoud van haar rapport hebben aangevoerd (behoudens de geschilpunten waarover het hof inmiddels heeft geoordeeld), acht het hof geen grond aanwezig om een nieuw deskundigenonderzoek te gelasten.

17.2.3. Met betrekking tot onderdeel c) van de vordering is het volgende van belang.

De deskundige Van Kimmenaede heeft over de periode van 1 september 2002 tot 1 augustus 2033 (in welk jaar [X.] de 65-jarige leeftijd zal hebben bereikt) de schade van [X.] berekend op een bedrag van € 230.826,00 bruto. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 17.1.8 is overwogen, is dit bedrag toewijsbaar.

17.2.4. In onderdeel c) van de vordering wordt melding gemaakt van een stamrecht. In het tussenarrest van 7 juli 2009 (pagina 4, onder 9.4) is overwogen dat een eventueel stamrecht niet meer aan de orde is.

17.2.5. In het tussenarrest van 7 juli 2009 (pagina 4, onderdeel 9.5) is ten slotte overwogen dat de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW (gevorderd in onderdeel e) niet toewijsbaar is.

Conclusie

17.3. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep van 21 oktober 2004 moet worden vernietigd en dat de onderdelen a) en c) van de vordering van [X.] toewijsbaar zijn als na te melden.

Wat onderdeel f) van de vordering (de wettelijke rente) betreft is het volgende van belang. In het door deskundige Van Kimmenaede berekende (onweersproken) schadebedrag van

€ 235.244,00 bruto is een bedrag van € 4.489,00 ter zake van wettelijke rente over de periode van 8 september 2002 tot 1 januari 2009 opgenomen. Van dit bedrag dient het onder 7.1.8 vermelde bedrag van € 71,00 ter zake van voordeel dat [X.] had als gevolg van het niet betalen van verzekeringspremies, te worden afgetrokken, waardoor het restant bedrag ter zake van de wettelijke rente uitkomt op € 4.418,00. Laatstgenoemd bedrag is, als onweersproken, toewijsbaar. De wettelijke rente over de hoofdsom van € 230.826,00 bruto voor de periode daarna - ingaande 1 januari 2009 (de kapitalisatiedatum) - is als onweersproken eveneens toewijsbaar als na te melden (HR 11 juli 2003, LJN: AF 7884).

Het hof gaat ervan uit dat [X.], indien zij het bij tussenarrest van 7 juli 2009 toegewezen bruto-equivalent van een netto voorschot van € 20.000,00 van CSU heeft ontvangen (partijen hebben hierover niets gesteld) dat bedrag allereerst in mindering zal brengen op de wettelijke rente en het restant van het voorschot op de hoofdsom.

Proceskosten

17.4. CSU dient, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, aan de zijde van [X.] gevallen, te worden veroordeeld. Onder deze kosten worden begrepen de kosten van de drie voormelde deskundigenberichten ad in totaal € 19.110,08.

18. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep van 21 oktober 2004;

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat CSU aansprakelijk is voor de schade die [X.] lijdt ten gevolge van het niet (via OHRA), op 1 april 2000 afgesloten hebben van een WAO-hiaatverzekering zoals bedoeld in artikel VII.2, lid 1, van de CAO van de Particuliere Beveiligingsorganisaties 2000-2002;

veroordeelt CSU aan [X.] te betalen:

- een bedrag van € 230.826,00 bruto ter zake van vorenbedoelde schade;

- een bedrag van € 4.418,00 ter zake van wettelijke rente, berekend over voormeld bedrag vanaf 1 september 2002 tot 1 januari 2009;

- de wettelijke rente over voormeld bedrag van € 230.826,00 bruto vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

verstaat dat een eventueel door CSU betaald voorschot in mindering wordt gebracht op voormelde hoofdsom, waarbij het voorschot eerst in mindering strekt op het bedrag ter zake van wettelijke rente;

veroordeelt CSU in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] worden begroot op:

- € 168,16 aan verschotten en € 1.750,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg, en op

- € 19.439,68 aan verschotten, inclusief de kosten van voormelde deskundigenberichten, en € 6.526,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, E.A.G.M. Waaijers en C.A.M. Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 juli 2011.