Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2746

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
HV 200.085.241
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Adoptie meerderjarige

Art. 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 21 juli 2011

Zaaknummer: HV 200.085.241/01

Zaaknummer eerste aanleg: 218441 FA RK 10-1864

in de zaak in hoger beroep van:

[X.], en [Y.],en [Z.],

allen wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [X.], respectievelijk de stiefvader en de moeder,

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 10 januari 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2011, hebben [X.], de stiefvader en de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek tot stiefouderadoptie toegewezen kan worden.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], de stiefvader en de moeder, bijgestaan door mr. Avontuur;

- de heer [A.], de juridische en tevens biologische vader van [X.] (hierna te noemen: de vader), als belanghebbende.

2.2.1. De Advocaat-Generaal van het Ressortsparket ’s-Hertogenbosch (hierna: Advocaat-Generaal) is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 december 2010;

- de brief van de Advocaat-Generaal d.d. 18 april 2011.

3. De beoordeling

3.1. De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad, die in de loop van 1991 is verbroken. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] [X.] geboren als [B.].

De vader heeft [B.] erkend.

De moeder is op 5 mei 1993 gehuwd met de stiefvader, met wie ook [X.] sindsdien in gezinsverband heeft samengeleefd.

De voornaamswijziging van [B.] in [X.] heeft plaatsgevonden bij beschikking van de rechtbank Breda van 1 december 1994. De achternaamswijziging van [B.] in [X.] heeft plaatsgevonden bij Koninklijk Besluit van 24 november 1998.

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van [X.], de moeder en de stiefvader om de adoptie van [X.] door de stiefvader uit te spreken afgewezen.

3.3. [X.], de stiefvader en de moeder kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. [X.], de stiefvader en de moeder voeren - kort samengevat en aangevuld ter zitting – aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de weigering om de stiefouderadoptie uit te spreken geen inbreuk oplevert van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Volgens hen is er wel degelijk sprake van een schending van voornoemd artikel, nu er tussen de stiefvader en [X.] een sociaal en emotioneel volwaardige familieband is ontstaan. Het gezin hecht eraan dat [X.] ook in juridisch opzicht deel zal gaan uitmaken van het gezin.

Ten onrechte heeft de rechtbank niet voorbij willen gaan aan het wettelijke vereiste dat een stiefouderadoptie alleen tijdens de minderjarigheid had kunnen worden uitgesproken. [X.], de stiefvader en de moeder menen dat er in de onderhavige zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van een dwingendrechtelijke bepaling kunnen rechtvaardigen. Voorts is er reeds zestien jaar geen contact geweest tussen [X.] en de vader en heeft de vader bovendien geen bezwaren tegen een adoptie door de stiefvader.

Ter zitting heeft [X.] aan het hof te kennen gegeven het in het belang van zijn identiteitsvorming te achten dat hij ook in juridisch opzicht een familieband krijgt met de stiefvader. Op dit moment voelt [X.] zich anders dan zijn (half)broers en hij wil graag net als hen een in ieder opzicht volwaardig gezinslid zijn.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij tijdens de minderjarigheid van [X.] geïnformeerd heeft naar de adoptiemogelijkheden, doch dat haar destijds verteld is dat dit slechts bij meerderjarigheid mogelijk was. De moeder is ook van mening dat [X.] vanaf zijn meerderjarigheid beter in staat is om de ingrijpende afstammingsrechtelijke consequenties van een adoptie te overzien.

De stiefvader heeft aangegeven [X.] als zijn eigen zoon te beschouwen, niet minder dan de twee zoons die uit zijn huwelijk met de moeder geboren zijn.

3.5. De vader heeft ter zitting verklaard zich volledig achter het adoptieverzoek te stellen, nu hij reeds zestien jaar geen contact meer heeft gehad met [X.] en het in het belang van [X.] acht dat het juridisch vaderschap in overeenstemming wordt gebracht met het sociale en gevoelsmatige vaderschap van de stiefvader.

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Artikel 1:228 lid 1, aanhef en onder a BW (hierna: Burgerlijk Wetboek) bepaalt onder meer als voorwaarde voor adoptie dat het te adopteren kind op de dag van het (eerste) verzoek minderjarig is.

Vaststaat dat door de stiefvader en de moeder nooit eerder een adoptieverzoek is ingediend en dat [X.] ten tijde van de indiening van het huidige verzoek reeds meerderjarig was. Daarmee is niet voldaan aan voornoemd vereiste van minderjarigheid, hetgeen volgens voornoemd wetsartikel reeds om die reden tot een afwijzing van het verzoek tot adoptie zou leiden.

Het hof is van oordeel dat het weigeren van adoptie onder bijzondere omstandigheden een inbreuk op artikel 8 EVRM met zich kan brengen. Indien blijkt van voornoemde bijzondere omstandigheden kan een terzijdestelling van een dwingendrechtelijke nationale bepaling daarmee gerechtvaardigd zijn.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden en overweegt daartoe het volgende.

3.6.2. Het hof is gebleken dat [X.] reeds sinds zeer jonge leeftijd - hij was nog geen vier jaar toen de moeder en de stiefvader trouwden - en daarmee vrijwel zijn gehele leven in gezinsverband leeft met de moeder en de stiefvader.

Uit het huwelijk van de moeder en de stiefvader zijn twee zoons geboren die thans respectievelijk 16 en 12 jaar oud zijn, met wie [X.] ook in gezinsverband is opgegroeid.

De stiefvader heeft sinds mei 1993 in alle opzichten de vaderrol vervuld, zodat tussen hem en [X.] een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan die aangemerkt dient te worden als familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM.

Tussen [X.] en de vader is inmiddels zestien jaren geen enkel contact meer.

Het huidige gezin waarin [X.] is opgegroeid en met wie hij thans nog steeds in gezinsverband samenleeft, is van Pakistaanse afkomst en [X.] voelt zich naar eigen zeggen ook volledig Pakistaans. [X.] belijdt het moslimgeloof en is veel bezig met de Pakistaanse cultuur, waarbinnen hij zoekt naar zijn identiteit. [X.] heeft ter zitting verklaard dat hij zich als kind niet bewust is geweest van het feit dat hij ook een Nederlandse afkomst heeft, temeer nu zijn Nederlandse voornaam reeds op zeer jonge leeftijd in een Islamitische is gewijzigd, waarna hij eveneens de achternaam van de stiefvader heeft verkregen.

[X.] heeft aan het hof te kennen gegeven dat hij het voor zijn identiteitsontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling van wezenlijk belang acht dat hij niet alleen gevoelsmatig tot het gezin behoort, maar dat hij ook, evenals de overige gezinsleden, formeel juridisch een volwaardig gezinslid wordt. De moeder heeft ter zitting bevestigd dat [X.] al langere tijd bezig is met zijn Pakistaanse achtergrond en zijn identiteit.

3.6.3. Het hof is van oordeel dat onder de hiervoor vermelde omstandigheden de weigering van een adoptie van [X.] door de stiefvader een inbreuk oplevert op het tussen hen beiden bestaande gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM en dat deze inbreuk een terzijdestelling rechtvaardigt van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228, lid 1 aanhef en onder a, BW, voor zover daarbij wordt vereist dat het te adopteren kind ten tijde van het verzoek minderjarig is.

Het hof acht het in het belang van [X.] dat zijn juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de sinds jaar en dag bestaande sociale en emotionele realiteit van het tussen hem en de overige gezinsleden bestaande gezinsleven.

Naar het oordeel van het hof zal de adoptie van [X.] ten goede komen aan een volwaardige ontwikkeling naar volwassenheid en vorming van zijn identiteit. Dit past ook in de strekking van de adoptie-maatregel die bedoeld is als maatregel van kinderbescherming en derhalve als maatregel ter bescherming van de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Dat [X.] inmiddels meerderjarig is, maakt dit niet anders.

3.6.4. Het hof stelt vast dat de overige voorwaarden niet aan de adoptie in de weg staan.

De vader van [X.] heeft te kennen gegeven zich volledig achter het adoptieverzoek te stellen, nu hij dit voor het geluk en welzijn van [X.] van groot belang vindt en een adoptie naar zijn zeggen ook past bij de feitelijke situatie waarbij er reeds zestien jaar geen enkel contact heeft plaatsgevonden tussen hem en [X.] en er gevoelsmatig derhalve ook geen sprake is van een familieband tussen hem en [X.].

Zowel [X.] als de vader hebben het hof uitdrukkelijk te kennen gegeven een verbreking van de afstammingsrechtelijke – en daarmee ook de erfrechtelijke – banden met elkaar niet bezwaarlijk te vinden.

3.7. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van [X.], de stiefvader en de moeder om de adoptie van [X.] door de stiefvader uit te spreken toewijzen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 10 januari 2011;

en opnieuw rechtdoende:

spreekt uit de adoptie door [Y.] van [X.], geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats].

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R. Everaars-Katerberg, M.C. van Dijkhuizen en E.N. van der Spoel in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2011.