Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2566

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
20-001368-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 10.55 Wet milieubeheer. Vervoeren van bedrijfsafvalstoffen voor anderen tegen vergoeding. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de transportkosten onderdeel uitmaken van de in rekening gebrachte prijs voor het scheiden van het bedrijfsafval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/190 met annotatie van H.J.A. van Ham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 20-001368-10

Uitspraak: 12 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Roermond van 25 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer

04-994822-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland), [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van

EUR 1.500,-, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 oktober 2008 te Venlo, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk (met een vrachtauto met een laadbak gekentekend [kenteken]), (een) bedrijfsafvalstof(fen) en/of (een) gevaarlijke afvalstof(fen), te weten elektriciteitskabel(s), voor (een) ander(en) tegen vergoeding heeft vervoerd, zonder vermelding als vervoerder op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 oktober 2008 te Venlo, opzettelijk met een vrachtauto met een laadbak gekentekend [kenteken], bedrijfsafvalstoffen, te weten elektriciteitskabels, voor een ander tegen vergoeding heeft vervoerd, zonder vermelding als vervoerder op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – kort gezegd – dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte een vergoeding heeft ontvangen voor het vervoer van elektriciteitskabels van [bedrijf] te Venlo naar zijn bedrijf in Krefeld, Duitsland en vice versa.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer.

Gelet op artikel 10.55, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is het verboden om bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding te vervoeren. Blijkens lid 2 van voornoemd artikel geldt dit verbod niet voor degene die krachtens artikel 10.45 bevoegd is tot het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. Daarvan is sprake indien men is vermeld op de lijst van inzamelaars, de zogenaamde VIHB-lijst (Vervoerders, Inzamelaars, Handelaars en Bemiddelaars van afvalstoffen).

C.2

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte op 7 oktober 2008 in opdracht van [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) te Venlo elektriciteitskabels heeft opgehaald, teneinde deze kabels vervolgens te vervoeren naar zijn recyclebedrijf in Duitsland om het kunststof van het koper te scheiden. Na bewerking zouden het metaal van de elektriciteitskabels en het gescheiden kunststof door verdachte worden teruggebracht naar [bedrijf] Onderweg naar zijn bedrijf in Duitsland is verdachte in Venlo door de politie Limburg-Noord aangehouden en gecontroleerd op het vervoer van afvalstoffen.

C.3

Voorgaande feiten en omstandigheden heeft verdachte ook erkend. Uit de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, blijkt voorts dat bovenstaande activiteiten zijn verricht zonder dat verdachte was vermeld op de lijst van inzamelaars.

D.1

Met betrekking tot het verweer van de raadsman inhoudende dat niet bewezen kan worden dat verdachte een vergoeding heeft ontvangen voor het transport van de elektriciteitskabels, overweegt het hof het volgende.

D.2

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de activiteiten van het ophalen van de elektriciteitskabels bij de klant, het recyclen van de elektriciteitskabels en het na recycling terugbrengen van het kunststof en koper naar de klant behoren tot de dienst die hij als eenmansbedrijf aan zijn klanten aanbiedt.

D.3

Uit de door de raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde factuur van verdachte aan [bedrijf] d.d. 14 oktober 2008 blijkt dat de kosten voor bovengenoemde werkzaamheden EUR 450,- per ton bedragen. De kosten voor de werkzaamheden van 7 oktober 2008 bedroegen voor 0,66 to (het hof begrijpt 0,66 ton) afval EUR 297,-.

D.4

Aan de hand hiervan stelt het hof vast dat de door verdachte genoemde gezamenlijkheid van activiteiten door de opdrachtgever werd betaald per ton afval. Naar het oordeel van het hof heeft ook het transport van en naar [bedrijf] plaatsgevonden in het kader van de bedrijfsactiviteiten waarvoor [bedrijf] heeft betaald. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte nog aangegeven dat de (voormelde) transportkosten worden betaald uit de omzet van zijn onderneming, welke omzet in hoofdzaak wordt gevormd door het tegen vergoeding scheiden van kabelmantels van kabels. Op grond van dit gegeven kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de transportkosten onderdeel uitmaken van de in rekening gebrachte prijs voor het scheiden van het bedrijfsafval.

Het feit dat de transportkosten niet afzonderlijk zijn vermeld op de factuur doet hier niet aan af. Anders dan de raadsman leidt het hof hieruit af dat verdachte voor een ander tegen vergoeding elektriciteitskabels, zijnde bedrijfsafvalstoffen, heeft vervoerd.

D.5

Gelet hierop is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer.

D.6

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 mei 2011, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Tevens heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte, blijkens zijn mededeling ter terechtzitting, thans geen transportwerkzaamheden meer in Nederland verricht, aangezien de kosten om aan de voorwaarden van registratie op de lijst van inzamelaars te voldoen te hoog zijn. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van een deels voorwaardelijke geldboete in dit geval een passende reactie.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met de door de verdediging verzochte toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht noch met een als door de advocaat-generaal gevorderde geheel voorwaardelijke boete.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 600,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. J. Buhrs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 12 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.