Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2156

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
10/00049
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BK6090, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende procedeert naar zijn zeggen op verschillende fronten tegen de niet-aftrekbaarheid van een boete wegens het overtreden van het kartelverbod. Belanghebbende verzoekt uitstel van de zitting en schorsing van de behandeling ter zitting. In geschil zijn tenslotte nog uitsluitend de proceskosten die belanghebbende heeft gemaakt. Hij stelt dat hij nodeloos heeft moeten procederen en dat hem ten onrechte geen uitstel van de zitting is verleend. Rechtbank en Hof oordelen dat de gang van zaken rond het aanhoudingsverzoek correct is geweest. Toepassing van artikel 8:64 Awb behoort to de discretionaire bevoegdheid van de rechter. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1894
V-N 2011/41.4 met annotatie van Redactie
FutD 2011-1771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00049

Schriftelijke uitspraak op het

hoger beroep van X BV te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 november 2009, nummer AWB 09/2360, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Oost Brabant van de rijksbelastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 3.867.427 (hierna: de aanslag). Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gekomen. Bij uitspraak heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 297. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Partijen zijn bij brieven van 12 januari 2011 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 2 maart 2011. Belanghebbende heeft bij brief van 8 februari 2011 van haar gemachtigde, het Hof verzocht het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Bij brief van 11 februari 2011, bij het Hof binnengekomen op 14 februari daarna, heeft de Inspecteur het Hof bericht daartegen geen bezwaar te hebben.

1.5. Bij brieven van 15 februari 2011 heeft het Hof partijen bericht dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, werkzaam in de bouwsector, heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar bedrag van € 3.762.427. In dat bedrag is een mindering op de winst van € 105.000 verdisconteerd in verband met een door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) aan belanghebbende opgelegde boete.

2.2. Die boete is opgelegd vanwege overtreding door belanghebbende van het kartelverbod in artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (voorheen: artikel 81 EG-Verdrag).

2.3. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur voormeld bedrag ad € 105.000 geheel gecorrigeerd. Belanghebbende heeft ter zake van die correctie een bezwaarschrift ingediend. Op 19 maart 2009 heeft de Inspecteur belanghebbende in verband met diens bezwaar gehoord. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht het bezwaar aan te houden totdat het Gerechtshof te Amsterdam in een vergelijkbare zaak had beslist. Op 29 april 2009 heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard, het aanhoudingsverzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur niet ingewilligd. Belanghebbendes verzoek om een kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur afgewezen.

2.4. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij brief van 30 september 2009 heeft de griffier belanghebbende uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 11 november 2009.

2.5. Bij brief van 30 oktober 2009 heeft belanghebbende via zijn gemachtigde voornoemd verzocht om uitstel van de zitting totdat hogere rechtscolleges, in procedures met identieke geschilpunten als aan de orde in de zaak van belanghebbende, hadden beslist. De Rechtbank heeft het uitstelverzoek op 3 november 2009 schriftelijk afgewezen.

2.6. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende mondeling behandeld ter zitting van 11 november 2009. In haar pleitnota voor de zitting heeft belanghebbende zich erover beklaagd dat de mondelinge behandeling doorgang had gevonden ondanks het uitstelverzoek. In die pleitnota heeft belanghebbende haar verzoek om de procedure aan te houden, herhaald en heeft zij verzocht om motivering ingeval van een afwijzende beslissing. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat haar verzoek om uitstel geen verzoek om uitstel van de zitting betrof, maar een verzoek om schorsing van de procedure.

2.7. De Rechtbank heeft in het beroep van belanghebbende op 25 november 2009 mondeling uitspraak gedaan.

2.8. Vooraf, ter motivering van de afwijzing van belanghebbendes verzoek om uitstel, heeft de Rechtbank in de uitspraak overwogen

- dat belanghebbendes uitstelverzoek pas na een maand was gedaan, waarbij bovendien geen redenen waren aangevoerd waarom dat verzoek zo laat was ingediend, en

- dat het gegeven dat identieke geschilpunten ter behandeling bij hogere rechtscolleges voorliggen, geen uitzonderlijke omstandigheid vormt die uitstel rechtvaardigt.

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat zij niet om uitstel had verzocht maar om schorsing op grond van artikel 8:64 van de Awb, heeft de Rechtbank in haar uitspraak geoordeeld dat die stelling belanghebbende niet kan baten en daarbij overwogen dat het (proces)belang bij een vlotte doorgang niet gediend was bij een schorsing.

2.9. Ten aanzien van de in geschil zijnde vraag of de Inspecteur terecht belanghebbendes aangifte heeft gecorrigeerd als vermeld in 2.3, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2.10. Ten aanzien van de proceskosten heeft de Rechtbank geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

2.11. In de in 1.4 vermelde brief d.d. 8 februari 2011 heeft belanghebbende het Hof bericht dat er inmiddels uitspraken van de Hoge Raad zijn gepubliceerd, dat zij geen behoefte heeft aan voortzetting van de procedure maar dat wel overblijft de vraag of de Inspecteur moet worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1.1. In hoger beroep is, in verband met de in 1.4 vermelde brief d.d. 8 februari 2011 van belanghebbende, uitsluitend in geschil of de Inspecteur moet worden veroordeeld in de door belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte kosten van rechtsbijstand. Belanghebbende beantwoordt die vraag geheel bevestigend. De Inspecteur beantwoordt die vraag geheel ontkennend.

3.1.2. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift bij het Hof om dezelfde redenen als bij de Rechtbank verzocht om het onderzoek te zitting te schorsen. Het Hof leidt uit de beperking van het geschil tot het antwoord op de vraag of de Inspecteur moet worden veroordeeld in de proceskosten, af dat bedoeld verzoek is ingetrokken.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank in zoverre deze de beslissing inzake de aanslag betreft en veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte kosten van rechtsbijstand, met toepassing van het puntenstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. De gronden voor de beslissing

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft zich in hoger beroep erover beklaagd dat zij "twee keer een procedure heeft moeten opstarten teneinde haar rechten veilig te stellen bij een eventuele gunstige uitspraak voor belanghebbende in de vergelijkbare zaken die reeds bij diverse rechters aanhangig waren".

4.2. In dat kader heeft zij gesteld dat de Inspecteur op haar verzoek het bezwaar had moeten aanhouden totdat in de "vergelijkbare zaken" was beslist, alsmede dat de Rechtbank op haar verzoek uitstel voor de mondelinge behandeling van het beroep had moeten verlenen en dat de Rechtbank met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting had moeten schorsen "tot het tijdstip waarop de "rechter in allerhoogste instantie (...) in de vergelijkbare gevallen" had beslist.

4.3.1. De Inspecteur heeft het in 2.3 vermelde aanhoudingsverzoek niet ingewilligd. In het verslag van de hoorzitting is over de gronden om het aanhoudingsverzoek niet in te willigen, vermeld

- dat de Inspecteur niet wist hoeveel procedures er waren en waar,

- dat, gelet op de duidelijkheid van de uitspraken van de Rechtbank Haarlem in 2008 en van de Rechtbank Breda, de Inspecteur er geen behoefte aan had andere procedures af te wachten, en

- dat lopende zaken/procedures nog lang konden lopen gelet op eventuele beroepsmogelijkheden en cassatie.

4.3.2. De Rechtbank heeft, oordelende dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling, (ook) voor de bezwaarfase geen proceskostenveroordeling willen uitspreken. Het Hof volgt de Rechtbank daarin. Tijdens de hoorzitting heeft de Inspecteur duidelijk uiteengezet waarom niet tot inwilliging van belanghebbendes verzoek zou worden overgegaan. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of van een onrechtmatig handelen, door het aanhoudingsverzoek van belanghebbende niet in te willigen, is naar 's Hofs oordeel geen sprake.

4.4.1. Belanghebbende heeft zich erover beklaagd dat de Rechtbank het onderzoek ter zitting niet heeft geschorst, met toepassing van artikel 8:64 van de Awb. Ingevolge die bepaling kan het onderzoek ter zitting worden geschorst.

4.4.2. Zoals ook uit de tekst van artikel 8:64 van de Awb kan worden afgeleid, betreft het hier een aan de administratieve rechter toegekende discretionaire bevoegdheid. Voorts is het Hof niet gebleken van een overschrijding van deze bevoegdheid.

4.5. Gelet op het vorenstaande acht het Hof geen termen aanwezig voor de bezwaarfase of voor de beroepsfase bij de Rechtbank een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep

4.7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 19 mei 2011 door J.W.J. Huige, voorzitter, M. van Dun en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.