Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2155

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
10/00017
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2002 een tweetal kapitaalsuitkeringen genoten uit een kapitaalsverzekering met lijfrenteclausule Abusievelijk worden deze uitkeringen in 2003 aangegeven en ook belast. Belanghebbende procedeert tegen de aanslag 2003 en ontvangt voor de zitting een bericht van de inspecteur die hem meedeelt dat als belanghebbende zijn beroep tegen 2003 intrekt hij niet zal navorderen over 2002. Belanghebbende trekt zijn beroep niet in en de inspecteur legt een navorderingsaanslag 2002 op. Ook hiertegen gaat belanghebbende in beroep. De eerste grief betreft de tijdigheid van de aanslag. Belanghebbende stelt dat het uitstel uit de Becon-regeling hem niet kan worden tegengeworpen, maar het Hof oordeelt dat het voldoende was dat de adviseur op de hoogte was van de uitstelregeling. In navolging van de rechtbank oordeelt het Hof dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit. Er is evenmin een ambtelijk verzuim gepleegd door de inspecteur. Van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is het Hof niet gebleken; met name zijn er geen contacten geweest tussen de inspecteur en het Hof waarvan belanghebbende geen weet had. Ook overigens heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd die tot vernietiging van de onderhavige aanslag aanleiding zouden kunnen geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1909
V-N 2011/52.1.1
FutD 2011-1772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00017

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 november 2009, nummer AWB 09/1205, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Zuidwest van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 november 2008 onder aanslagnummer 0000.00.000.H.27 over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 52.822.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 5 februari 2009 deze navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting zou aanvankelijk plaatsvinden op 2 december 2010. Beide partijen hebben het Hof die dag als gevolg van slechte weeromstandigheden niet tijdig kunnen bereiken. In verband hiermede heeft het Hof deze zitting toen uitgesteld tot een nader te bepalen datum.

Belanghebbende heeft de pleitnotitie (met 7 bijlagen) welke hij voornemens was tijdens die zitting voor te dragen, in overleg met de griffier nog op 2 december 2010 gefaxt aan het Hof en aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft met dagtekening 9 december 2010 op deze pleitnotitie gereageerd. Deze reactie is destijds niet in kopie aan belanghebbende gezonden.

1.5. Bij schrijven van 25 februari 2011, bij het Hof ingekomen op 1 maart 2011, heeft de Inspecteur een nader stuk (met 5 bijlagen) ingediend. Deze stukken zijn nog diezelfde dag door de griffier in kopie aan belanghebbende gezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 maart 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een (tweede) pleitnota (met 7 bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

Voorts heeft het Hof te dezer zitting aan belanghebbende alsnog een kopie verstrekt van de onder 1.4 vermelde reactie van de Inspecteur van 9 december 2010 en heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld van de inhoud van die reactie kennis te nemen en daar vervolgens op te reageren. Belanghebbende heeft uitdrukkelijk verklaard door deze gang van zaken niet in zijn procespositie te zijn geschaad.

Het Hof rekent alle vorenvermelde pleitnota's (met bijlagen) tot de stukken van het geding.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft in 2002 voor een bedrag van € 23.105 aan kapitaalsuitkeringen genoten uit twee op 30 december 2002 expirerende kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule. Deze uitkeringen zijn aanvankelijk in 2003 conform aangifte in de heffing betrokken.

Bij schrijven van 5 juni 2006 heeft belanghebbende de Inspecteur gemeld dat deze aangifte onjuist was omdat per 1 augustus 2002 een stichting als begunstigde is aangewezen. Niet is in geschil dat deze stichting een niet-belastingplichtig lichaam is.

De Inspecteur heeft de aangifte 2003 echter gevolgd.

2.2. In het beroep daartegen heeft de Rechtbank de Inspecteur in het gelijk gesteld.

In hoger beroep daartegen heeft dit Hof bij uitspraak van 30 januari 2009 beslist dat het jaar van genieten 2002 is. Het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2003 is door het Hof verminderd met het bedrag van de uitkeringen.

2.3. Daags voor de zitting welke leidde tot bovengenoemde Hofuitspraak heeft de Inspecteur contact opgenomen met belanghebbende en deze medegedeeld aanleiding te hebben de in 2.1 genoemde kapitaalsuitkeringen ook in het onderhavige jaar 2002 in de heffing te betrekken. Dat laatste zou voor belanghebbende een nadeel hebben in de sfeer van de heffingsrente. De Inspecteur heeft aangeboden navordering over 2002 achterwege te laten. Daarbij stelde hij als voorwaarde dat belanghebbende het beroep tegen de navordering over 2003 zou intrekken.

Belanghebbende heeft er voor gekozen de procedure over 2003 voort te zetten. De Inspecteur heeft daarop de onderhavige navorderingsaanslag over 2002 opgelegd en nadien het bezwaar daartegen afgewezen. Het beroep daartegen is door de Rechtbank ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de Rechtbank mocht de Inspecteur over 2002 navorderen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Mocht de Inspecteur navorderen over 2002?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan tijdens het onderzoek ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Partijen hebben desgevraagd bevestigd dat niet in geschil is dat de uitkeringen in 2002 fiscaal zijn genoten. Hierin ligt een juridisch uitgangspunt besloten. Het Hof ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Het geschil beperkt zich dan tot de formele vragen of de aanslag tijdig is opgelegd, of het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbreekt en of navordering wordt verhinderd door algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van behoorlijke rechtspraak.

4.2. Belanghebbende klaagt erover dat alleen zijn adviseur en niet ook hijzelf op de hoogte is gebracht van het op grond van de zogeheten becon-regeling verleende uitstel voor het indienen van zijn aangifte voor het jaar 2002. De navorderingsaanslag zou daarom te laat zijn opgelegd.

Deze klacht faalt. Het is voldoende dat de adviseur van het verleende uitstel op de hoogte is gesteld. Hij wordt geacht belanghebbende op de hoogte te brengen. Zijn kennis wordt aldus aan belanghebbende toegerekend (vergelijk: Hoge Raad 20 februari 2009, nr. 43 989, gepubliceerd op rechtspraak.nl, LJN: BH3350).

4.3. Belanghebbende stelt dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor navordering.

4.3.1. In dit verband stelt belanghebbende dat de Inspecteur niet beschikt over het vereiste nieuwe feit. De Rechtbank heeft deze stelling verworpen. De Rechtbank hecht daartoe geloof aan de verklaring van de Inspecteur dat hij ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag over het onderhavige jaar nog niet beschikte over de gegevens van de verzekeringsmaatschappij welke tot de onderhavige navordering hebben geleid. Het Hof sluit hierbij aan. Voorts hecht het Hof geloof aan de verklaring van de Inspecteur dat hij ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag niet over kopieën van de onderhavige polissen beschikte. Bovendien had de Inspecteur, indien hij te dien tijde wèl over zodanige kopieën beschikte, hieruit niet kunnen opmaken dat met betrekking tot deze polissen in 2002 enig belastbaar feit had plaatsgevonden. Ook tot het te dien tijde instellen van een nader onderzoek zou de Inspecteur alsdan niet zijn gehouden. Verder heeft de Inspecteur onweersproken verklaard dat hij met betrekking tot het jaar 2002 niet over renseignementen van de verzekeraar beschikte inzake uitkering danwel expiratie van de onderhavige polissen, terwijl de door belanghebbende overgelegde, door de verzekeraar aan de rijksbelastingdienst met betrekking tot deze polissen verstrekte renseignementen

als datum van uitbetaling c.q. handeling of wijziging 29 januari 2003 vermelden en kennelijk op naam staan van de onder 2.1 bedoelde stichting.

4.3.2. Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur, door gebrek aan kennis van de relevante jurisprudentie, een ambtelijk verzuim heeft gepleegd doordat hij de onderhavige navorderingsaanslag eerst op 28 november 2008 heeft opgelegd.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van enig verzuim. De Rechtbank wijst er in dit verband op dat in haar uitspraak van 23 november 2007 de (aanvankelijke) opvatting van de Inspecteur dat de uitkeringen in 2003 belast moeten worden, is bevestigd.

Het Hof sluit daarbij aan.

4.3.3. De aanslag voldoet daarom ook naar het oordeel van het Hof aan de wettelijke eisen voor navordering.

4.4. Voor dat geval stelt belanghebbende dat een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van behoorlijke rechtspraak zozeer is geschonden dat de navordering om die reden onaanvaardbaar is.

4.4.1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft volgens belanghebbende voorafgaand aan de zitting welke heeft geleid tot de in 2.2 genoemde uitspraak van 30 januari 2009 ten aanzien van het belastingjaar 2003, overleg met de Inspecteur gepleegd. In dat overleg zou aan de Inspecteur zijn medegedeeld dat heffing in 2002 zou moeten plaatsvinden en niet in 2003.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat voornoemd overleg tussen het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en de Inspecteur heeft plaatsgevonden.

Het Hof sluit bij een en ander aan en verwijst ter motivering naar hetgeen de Inspecteur op pagina 3 van zijn verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd. Het is volgens de Inspecteur 'pertinent onjuist' dat er contact is geweest tussen het Hof en de Inspecteur. Dat berust volgens de Inspecteur bovendien op 'een misvatting over de wijze van opereren van (het) Hof'.

4.4.2. Belanghebbende klaagt er in hoger beroep over dat de Rechtbank de bewijslast met betrekking tot zijn onder 4.4.1 vermelde stelling verkeerd heeft verdeeld. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank echter terecht de regel 'wie stelt moet bewijzen' toegepast.

Ter zitting heeft belanghebbende geklaagd over bewijsnood en gevraagd om overlegging van de telefoonnotities van de Inspecteur met betrekking tot diens gesprekken met het Hof.

De Inspecteur heeft geloofwaardig verklaard dat er geen gesprek met het Hof heeft plaatsgevonden en dat er dus geen notities van kunnen bestaan. Het Hof sluit ook daarbij aan.

In het midden kan dan blijven of het door belanghebbende gestelde feitencomplex leidt tot nietigheid van de navorderingsaanslag.

4.4.3. Belanghebbende beroept zich er ook op dat de Inspecteur bij hem gewekt vertrouwen heeft geschonden en dat dit vertrouwen rechtens moet worden beschermd.

Hij stelt dit vertrouwen te hebben ontleend aan het op eerdere data opleggen van (voorlopige) aanslagen over 2003.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de Inspecteur geen moment uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat de uitkeringen niet in het onderhavige jaar in de heffing zouden worden betrokken. Aan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur, ook nadat hij kennis had gekregen van alle te dezen relevante feiten en omstandigheden, het standpunt heeft ingenomen en in rechte heeft verdedigd dat de uitkeringen belastbaar zijn in 2003, heeft belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen dat de Inspecteur, nadat dit standpunt door de rechter onjuist was bevonden, niet (alsnog) het standpunt zou innemen dat heffing diende plaats te vinden in 2002.

4.5.1. Belanghebbende stelt tot slot dat de berekening van heffingsrente beperkt dient te worden tot de datum welke drie maanden na het indienen van de aangifte is gelegen, zulks naar de Rechtbank terecht stelt ten onrechte. De kapitaalsuitkeringen waarover wordt nagevorderd, waren immers niet in belanghebbendes aangifte opgenomen.

4.5.2. Belanghebbende heeft nog geklaagd dat de uitkeringen gedurende enige tijd zowel in de primitieve aanslag over 2003, als in de onderhavige navorderingsaanslag over 2002 zijn betrokken. Tot de primitieve aanslag over 2002 op 13 maart 2009 door het onherroepelijk worden van de onder 2.2 vermelde Hofuitspraak van 30 januari 2009 was verminderd, kon de Inspecteur volgens belanghebbende de uitkeringen niet in een navorderingsaanslag over 2002 betrekken. De wet kent volgens belanghebbende geen voorwaardelijke aanslagen. Naar de Inspecteur echter terecht stelt, is het zeer wel mogelijk dat hetzelfde bedrag tegelijkertijd in twee aanslagen is begrepen. Geen van beide aanslagen is dan voorwaardelijk. Ze zijn wel afhankelijk van de uitkomst van bezwaar en beroep. Geen rechtsregel verbiedt de Inspecteur om veiligheidshalve voor twee ankers te gaan liggen.

4.5.3. Voor zover belanghebbende nog andere grieven heeft aangevoerd, of bedoeld heeft aan te voeren, kunnen die grieven niet tot vernietiging van de onderhavige navorderingsaanslag leiden, danwel heeft belanghebbende geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat deze grieven gegrond zijn.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbendes beroep terecht en op de goede gronden door de Rechtbank ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank moet in stand blijven. Het hoger beroep is ongegrond.

4.7. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door deze betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

verklaart het hoger beroep ongegrond; en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 19 mei 2011 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.