Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2019

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
20-001394-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Skimmen. Art. 232 en 311 Sr. Bewezenverklaring van medeplegen van plaatsen skimapparatuur en medeplegen van cashen met geskimde betaalpassen en twee pogingen tot het plaatsen van skimapparatuur. Geen sprake van onrechtmatige staandehouding en doorzoeking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001394-10

Uitspraak : 18 juli 2011

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-845398-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats] (Finland), [adres],

waarbij verdachte werd vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, 2, 3 en 4 is ten laste gelegd.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen.

De verdediging heeft primair het standpunt ingenomen dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 2, 3 en 4, ten laste gelegde; ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Subsidiair heeft zij bepleit te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur dat de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 8 september 2009 te Volkel, gemeente Uden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen opzettelijk (een) betaalpas(sen) en/of (een) waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) aan een geldautomaat van de Rabobank een camera geplaatst met zicht op het toetsenbord van die geldautomaat en/of aan de binnenzijde van die geldautomaat (onder de originele paslezer) een tweede paslezer aangebracht (om een magneetstrip van een ingebrachte bankpas uit te lezen), althans skimapparatuur aangebracht en/of vervolgens de oorspronkelijke (magneetstrip)gegevens van originele betaalpassen gekopieerd/geladen naar/op (cadeau)kaarten welke waren voorzien van een magneetstrip (tengevolge waarvan met die laatstgenoemde kaarten elektronische betalingen ten laste van de rechtmatige eigenaren van die originele betaalpassen mogelijk waren geworden) zulks met het oogmerk zichzelf en/of zijn mededader(s) en/of een ander te bevoordelen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 10 september 2009 te Volkel, gemeente Uden en/of Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk (een) valse of vervalste betaalpas(sen) en/of waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en), bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, heeft afgeleverd, voorhanden heeft gehad, heeft ontvangen, zich heeft verschaft, heeft vervoerd, heeft verkocht en/of heeft overgedragen, zulks terwijl hij, verdachte en/of diens mededader(s), wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die pas of kaart bestemd was voor gebruik als waren deze echt en onvervalst;

2.

hij op of omstreeks 09 september 2009 te Boxtel en/of Liempde (gemeente Boxtel) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) in/uit een geldautomaat van de Rabobank heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rabobank en/of [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

3.

hij in of omstreeks de periode van 3 september 2009 tot en met 10 september 2009, te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 9.100 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2009 tot en met 2 augustus 2009 te Soerendonk, gemeente Cranendonck, en/of Ospel, gemeente Nederweert tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) betaalpas(sen) en/of (een) waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, valselijk op te maken en/of te vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen

- (telkens) bij een geldautomaat van een Rabobank een pas heeft/hebben doorgehaald (om het begin van de skimactie te markeren) en/of

- (bij de Rabobank Soerendonk) de pasinvoer device heeft/hebben afgebroken/gedemonteerd

- (bij de Rabobank Ospel) een gat heeft/hebben geboord onder de invoerdevice terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks periode van 31 juli tot en met 1 augustus 2009 te Soerendonk, gemeente Cranendonck en/of Ospel, gemeente Nederweert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans een geldautoma(a)t(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rabobank Weerterland Cranendonck, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 3

Onder 3 is ten laste gelegd het witwassen van het geld dat is aangetroffen in de auto waarin de vier verdachten zaten toen ze werden aangehouden.

Tijdens het doorzoeken van de auto werd onder de stoel van de bestuurder een plastic zak aangetroffen met daarin een geldbedrag van EUR 9.100,--, bijna geheel in biljetten van 50 euro.

Het hof acht het aannemelijk dat dit geldbedrag is verkregen uit door de verdachte zelf begane misdrijven (het ‘cashen’ dit wil zeggen geld opnemen uit een geldautomaat met behulp van geskimde betaalpassen). Van de tenlastelegging is bewijsbaar dat de verdachte dit geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Niet bewijsbaar is dat hij dit bedrag heeft overgedragen of omgezet.

Dit enkele verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag dat direct afkomstig is uit door verdachte zelf begane misdrijven, is echter geen handeling die kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag (vgl. HR 26 oktober 2010, LJN BM4440). Gelet op het vorenstaande zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 (door het hof gesplitst in A en B) en 4 primair (door het hof gesplitst in A en B) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 7 tot en met 8 september 2009 te Volkel, gemeente Uden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk betaalpassen en/of waardekaarten, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, heeft vervalst, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader(s) aan een geldautomaat van de Rabobank een camera geplaatst met zicht op het toetsenbord van die geldautomaat en aan de binnenzijde van die geldautomaat (onder de originele paslezer) een tweede paslezer aangebracht (om een magneetstrip van een ingebrachte bankpas uit te lezen), en vervolgens de oorspronkelijke (magneetstrip)gegevens van originele betaalpassen gekopieerd naar/op kaarten welke waren voorzien van een magneetstrip (tengevolge waarvan met die laatstgenoemde kaarten elektronische betalingen ten laste van de rechtmatige eigenaren van die originele betaalpassen mogelijk waren geworden) zulks met het oogmerk zichzelf en zijn mededader(s) te bevoordelen.

2.

A.

hij op 9 september 2009 te Boxtel tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, telkens uit een geldautomaat van de INGbank heeft weggenomen geld, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

B.

hij op 9 september 2009 te Liempde (gemeente Boxtel) tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een geldautomaat van de Rabobank heeft weggenomen geld, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

4.

A.

hij op of omstreeks 31 juli 2009 te Soerendonk, gemeente Cranendonck, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (een) betaalpas(sen) en/of (een) waardekaart(en) bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk op te maken en/of te vervalsen met het oogmerk zichzelf te bevoordelen

- bij een geldautomaat van een Rabobank een pas heeft doorgehaald (om het begin van de skimactie te markeren) en

- de pasinvoer device heeft afgebroken/gedemonteerd

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

B.

hij op 2 augustus 2009 te Ospel, gemeente Nederweert ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (een) betaalpas(sen) en/of (een) waardekaart(en) bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk op te maken en/of te vervalsen met het oogmerk

zichzelf te bevoordelen

- bij een geldautomaat van een Rabobank een pas heeft doorgehaald (om het begin van de skimactie te markeren) en

- een gat heeft geboord onder de invoerdevice,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Onderstaande bewijsmiddelen maken onderdeel uit van het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, District Aa en Dommel, Team West, met registratienummer 2009110676-78, met sluitingsdatum 12 november 2009, aantal doorgenummerde bladzijden: 1-762.

Skimmen van 7 september 2009 tot en met 8 september 2009 te Volkel

1. Een proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2009103054-5, op 9 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, pagina’s 113-117, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op woensdag 9 september 2009 deed [gemachtigde 1] aangifte terzake fraude namens de benadeelde [benadeelde 2]. Hij verklaarde het volgende:

Op maandag 7 september 2009 te 02.30 uur werd op het [adres], te Volkel, binnen de gemeente Uden, het in de aanhef vermelde feit gepleegd. Ik ben als medewerker facilitaire dienst werkzaam bij de [benadeelde 2]. Ik ben als zodanig bevoegd tot het doen van aangifte. Onder ons valt ook de Rabobank te Volkel. Op dinsdag 8 september 2009 omstreeks 15.45 uur werd ik gebeld door het kantoor te Volkel. Een onderhoudsmonteur van NCR, had bij werkzaamheden aan de geldautomaat ontdekt dat er skimapparatuur was geplaatst. Het bleek dat in de kap van de verlichtingsbak een camera was geplaatst. Voor de lens van deze camera was een gaatje in de kap geboord zodat de lens zicht had op het daaronder aangebrachte toetsenbord. De camera was verbonden met een drietal batterijen die tot een blok waren samen geplakt. De camera was gemonteerd op een printplaatje. In het printplaatje zat een geheugenkaartje. De monteur heeft het personeel van de bank gewaarschuwd, waarna ik in kennis werd gesteld. Toen verder gekeken werd, zagen wij dat aan de binnenzijde van de geldautomaat, direct onder de originele paslezer een tweede lezer was aangebracht. Deze lezer moet in staat worden geacht om de magneetstrip van een ingebrachte bankpas uit te lezen. Deze tweede lezer was eveneens verbonden met het genoemde geheugenkaartje. Deze lezer werd gevoed door een batterij. Om de tweede lezer te plaatsen was het noodzakelijk om in de originele lezer een ruimte uit te zagen dan wel te knippen, vijlen of iets dergelijks. Aan de voorzijde van de geldautomaat is aan de rechteronderzijde een doorzichtig plaatje aangebracht. Achter dit plaatje zijn normaal diverse banklogo’s zichtbaar. Ik zag dat dit plaatje niet meer doorzichtig was. Toen het plaatje werd verwijderd zag ik dat daaronder in de geldautomaat een gat was gezaagd van circa 5 x 5 cm. Het bleek dat het plaatje grijs was gespoten. Dit was vrijwel

dezelfde kleur grijs als de kleur van de geldautomaat. De hal waar de geldautomaat is aangebracht is beveiligd met camera’s. De camera die in de hal hangt is bij binnenkomst van de dader(s) afgeplakt. Zichtbaar is dat deze camera weer gaat werken als de dader(s) de hal verlaten. De camera die in de geldautomaat hangt heeft wel opnames gemaakt. Op deze opnames is te zien dat de skimapparatuur werd geplaatst op maandag 7 september 2009 omstreeks 02.30 uur. Ook zijn de daders op deze beelden te zien. Ik overhandig u hierbij de door ons veiliggestelde beelden. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een geschrift, zijnde een aangifteformulier, referentienummer H2009090139, op 15 september 2009 “naar waarheid opgemaakt” door [gemachtigde 2] opsporingscoördinator Afdeling Fraud Control van [benadeelde 1], pagina’s 131-134, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Hierbij doe ik, [gemachtigde 2], namens de Gezamenlijke Nederlandse Banken, aangifte van aanmaak en gebruik van een valse of vervalste betaalpas bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg en diefstal door middel van valse sleutel. Ik ben opsporingscoördinator van de afdeling Fraud Control van [benadeelde 1], gevestigd in Utrecht, en vanuit die hoedanigheid bevoegd tot het doen van aangifte.

Op donderdag, 10-09-2009, kwamen er op de afdeling Fraud Control van [benadeelde 1] vanuit de banken en/of de eigen detectiesystemen en/of buitenlandse financiële instellingen, enkele fraudemeldingen binnen. Na analyse en onderzoek van deze meldingen kon worden vastgesteld dat er sprake was geweest van skimming op een van de Nederlandse geld- of betaalautomaten met als gevolg een aantal frauduleuze geldopnames. De details rond de skimming luiden als volgt:

Automaatnummer: 151904

Locatie: Rabobank Volkel

Adres: [adres], Volkel

Skimperiode: Van 07-09-2009, 02.30 uur tot 08-09-2009, 15.45 uur

Eventuele bijzonderheden: Automaat is van het merk NCR. Einde van de

skimperiode is bepaald a.d.h.v. het aantreffen van apparatuur en het begin a.d.h.v.

de camerabeelden vanuit de geldautomaat.

De details rond de frauduleuze geldopnames:

Land: Nederland

Plaats: Diverse plaatsen

Datum: Vanaf 09-09-2009.

Aantreffen verdachten

3.a. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-7, op 10 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, [verbalisant 2], hoofdagent van politie, [verbalisant 3], brigadier van politie en [verbalisant 4], hoofdagent van politie, pagina’s 150-154, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 9 september 2009, omstreeks 23.35 uur, waren wij verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 1] en [verbalisant 2], in uniform gekleed en reden in een opvallend dienstvoertuig. Wij waren belast met de algehele surveillancedienst in het district Aa en Dommel. Op hierboven genoemde datum en tijd, kregen wij verbalisanten, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de melding van de regionale meldkamer te ‘s-Hertogenbosch, om te gaan naar de Beneluxlaan te Boxtel. Aldaar had melder gezien dat er een auto voorzien van een Duits kenteken, [kenteken], met daarin 3 of 4 inzittenden, zich verdacht ophielden. Tevens hoorden wij verbalisanten dat de melder had gezien dat er 3 personen uit die auto kwamen en richting het winkelcentrum aan de Oosterhof te Boxtel liepen. Wij verbalisanten zijn vervolgens naar de bovenstaande locatie gereden.

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], hoorden de melding in Boxtel en besloten mee te rijden in de richting van de Beneluxlaan te Boxtel. Wij verbalisanten troffen de auto voorzien van het Duitse kenteken in eerste instantie niet aan in de omgeving Beneluxlaan/Oosterhof te Boxtel. Hierop besloten wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], over de Eindhovenseweg in de richting van de autosnelweg A2 te rijden, omdat de auto vermoedelijk uit Duitsland afkomstig was. Toen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], aan het einde van de Eindhovenseweg de rotonde naderden met de Keulsebaan te Boxtel, zagen wij een personenauto met hoge snelheid uit de richting van Liempde komen. Wij zagen dat deze personenauto de Eindhovenseweg inreed. Wij verbalisanten zagen dat dit de auto betrof, welke door de melder genoemd was in de melding, namelijk de personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken]. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb ons dienstvoertuig direct gekeerd en wij verbalisanten reden vanaf de rotonde de Eindhovenseweg op, terug richting centrum van Boxtel. Hierbij volgden wij de eerder genoemde personenauto met het Duitse kenteken op korte afstand. Wij zagen dat de personenauto met normale snelheid voor ons de bebouwde kom van Boxtel binnen reed. Bij de rotonde met Fellenoord, zagen wij dat de personenauto linksaf Fellenoord inreed. Hierbij zagen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat het beeldscherm van het navigatiesysteem tegen de voorruit van de personenauto was bevestigd. Wij verbalisanten gaven middels het transparant welke is aangebracht op het dak van het politievoertuig een stopteken middels de woorden “Stop politie”. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zagen dat de bestuurder niet direct reageerde op ons stopteken en wij zagen dat hij rustig door bleef rijden in de richting van de Rechterstraat te Boxtel. Gekomen nabij de Rechterstraat, nog rijdend over Fellenoord, zagen wij dat het helder oplichtende beeldscherm van het navigatiesysteem niet meer op de voorruit bevestigd was. Wij hadden voldoende zicht door de auto heen om dit waar te nemen. Om de aandacht te trekken van de bestuurder in de personenauto voor ons, heb ik, [verbalisant 2], nog in de Fellenoord enkele seconden lang het blauwe zwaailicht aangezet. In de Rechterstraat te Boxtel, ter hoogte van de winkel Expert van Erp, zagen wij dat de bestuurder van de personenauto vóór ons, zijn auto tot stilstand bracht. Toen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], uit ons dienstvoertuig stapten, zagen wij dat er 4 personen in de personenauto zaten. Op dat moment zagen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat de andere eenheid met de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], ook ter plaatse waren in de Rechterstraat. Vervolgens spraken wij de inzittenden aan. Wij zagen dat het 4 manspersonen betroffen, waarbij bleek dat zij de Duitse taal redelijk beheersten. Door ons verbalisanten werd besloten alle inzittenden op de identiteit en andere zaken na te trekken in de politiecomputersystemen. Omdat er een verdachte situatie had plaatsgevonden vroegen wij de inzittenden zich allen te legitimeren. Hieraan werkten de vier mannen mee en zij pakten allen hun identiteitsbewijzen. Door ons verbalisanten werd aan de hand van de identiteitsbewijzen vastgesteld dat de inzittenden als volgt in het voertuig gezeten waren:

1. Links voorin zat bestuurder [medeverdachte S.]

2. Rechts voorin zat passagier [verdachte]

3. Links achterin zat passagier [medeverdachte B.]

4. Rechts achterin zat passagier [medeverdachte I.]

Eerst hebben wij verbalisanten de bestuurder [medeverdachte S.] uit laten stappen. Ik verbalisant [verbalisant 1] zag dat hij iets weggooide in de auto op het moment dat hij uitstapte. Ik kon niet zien wat het was maar het viel op de handrempook in het middenconsole. Toen ik, [verbalisant 1], meteen in de auto keek wat het was zag ik niets liggen. Ik wist echter zeker dat [medeverdachte S.] iets kleins de auto had ingegooid. Ik, [verbalisant 1], veronderstel dat een andere inzittende in de auto dit voorwerp meteen heeft weggepakt want er lag niets meer tussen de voorstoelen in de auto. Vervolgens hebben wij verbalisanten de andere drie inzittenden gesommeerd niet meer met elkaar te praten. Ook sommeerden wij hen de handen aan ons te laten zien en de handen in het zicht te houden. Kennelijk verstonden de mannen ons goed in de Duitse taal want zij hielden zich stil en zij hielden de handen respectievelijk op het dashboard en op de hoofdsteunen. Ik, [verbalisant 1], zag dat op de plaats waar [medeverdachte S.] had gezeten een nieuw paar huishoudhandschoenen op de grond in de auto lagen. [medeverdachte S.] werd door mij, [verbalisant 1], gevraagd of hij al zijn spullen uit zijn zakken wilde halen. Dat vond hij goed. Tussen de spullen die uit zijn zakken kwamen zat een GSM met een zogenaamd oorsetje. [medeverdachte S.] werd gevraagd op het trottoir te gaan staan waaraan hij voldeed. Vervolgens zag ik verbalisant [verbalisant 3] dat inzittende [verdachte], die rechts voorin zat, een zwart lederen tas tussen zijn benen vasthield. Links naast die tas lag een paar gele rubberen huishoudhandschoenen op de bodem van de auto. Ik vroeg [verdachte] in de Engelse taal, die hij kennelijk verstond, of ik in de lederen tas die hij vasthield mocht kijken. Dat stond hij toe. In de tas vond ik een paar gele huishoudhandschoenen en een bruinkleurig stuk van een pijp van een legging. Het deed mij denken aan een stuk textiel om vermoedelijk het gelaat te bedekken hetzij te maskeren. Ik [verbalisant 3] liep vervolgens naar de bestuurderszijde. Ik zag dat de inzittende links achterin, zijnde [medeverdachte B.], met zijn voeten iets onder de bestuurdersstoel schopte of duwde. Ik zag toen ik onder de bestuurderstoel keek dat er een plastic draagtas lag met opschrift Media Markt. Ik, [verbalisant 3], pakte de tas onder de stoel vandaan en keek erin. Ik, [verbalisant 3], zag dat er een groot aantal bankbiljetten van 50 euro in de tas zaten. Wij verbalisanten kregen gezien de aangetroffen situatie uit feiten en omstandigheden het vermoeden dat de mannen zich schuldig hadden gemaakt aan enig vermogensdelict en als zodanig als verdachte konden worden aangehouden. Vervolgens liet ik [verbalisant 4] [verdachte] uitstappen teneinde hem te kunnen fouilleren. Ik verbalisant [verbalisant 4] zag dat [verdachte] een lichtbruin stuk textiel om zijn hals droeg. Dat stuk textiel deed hij bij het uitstappen af en stopte het in zijn broekzak. Ik dacht in eerste instantie dat het een afgeknipt stuk panty was. Later zag ik dat het dikker en elastisch was. Kennelijk een stuk mouw of broekspijp van een legging was. Toen de verdachte uitstapte zag ik [verbalisant 1] vanaf de bestuurderszijde en ik [verbalisant 3] vanaf het rechtervoorportier dat hij bij het uitstappen iets weggriste tussen de rechter voorstoel en het middenconsole. [verdachte] pakte het in zijn linkerhand en hield het stevig in zijn handpalm vast. Direct daarna haalde ik [verbalisant 4] op aanwijzing van [verbalisant 1] en [verbalisant 3] het voorwerp uit de linker hand van verdachte. Die hand hield hij strak tegen zijn linker bil gedrukt. In de hand trof ik [verbalisant 4] een stapel van enkele tientallen pasjes met elastiek erom. Deze pasjes werden door ons verbalisanten eerst veiliggesteld en later in beslag genomen. Ook [verdachte] had in zijn fouillering een GSM met een oorsetje. De verdachte links achterin, [medeverdachte B.], werd door ons gesommeerd uit de auto te stappen. Hieraan voldeed hij. Hij had een jas bij zich die midden op de achterbank lag. Desgevraagd bevestigde hij dat het zijn jas was. [medeverdachte B.] werd ook gefouilleerd waarbij onder andere in de zwarte jas een GSM werd aangetroffen met een bijbehorend oorsetje. Daarna werd de inzittende rechts achterin, [medeverdachte I.] geheten, gesommeerd uit te stappen. Ook hij had in zijn fouillering een GSM maar zonder een oorsetje. Toen de laatste verdachte was uitgestapt keken wij verbalisanten nogmaals in het voertuig. Toen ik [verbalisant 3] de neerklapbare armleuning uit de achterbank trok, vielen er op dat moment een 13 tal soortgelijke pasjes daar uit als dat wij hadden aangetroffen bij [verdachte]. Alle aangetroffen pasjes waren cadeaupassen met daarop met dikke stift geschreven cijfercodes van vier cijfers en kennelijk een volgnummer. De viercijferige cijfercodes, soms meerdere op een pasje, deden ons vermoeden dat de cadeaupasjes waren die na skimmen digitaal waren bewerkt waardoor met die pasjes en daarop geschreven pincodes geld bij verschillende pinautomaten konden worden opgenomen. Dat waren voor ons verbalisanten redelijke vermoedens te denken dat deze verdachten zich hadden beziggehouden met onrechtmatig wegnemen van geld uit pinautomaten. De mannen waren bij de eerste melding ook onder verdachte omstandigheden gezien vlakbij de pinautomaat aan het Oosterhof te Boxtel. Alle genoemde goederen en geld welke vatbaar waren voor inbeslagname, werden door ons verbalisanten in beslaggenomen en per aangetroffen goed deugdelijk verpakt en verzegeld voor nader onderzoek veilig gesteld.

3.b. Proces-verbaal van aanhouding nr. 2009103554-6, op 10 september 2009 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6], [verbalisant 4], [verbalisant 1] en [verbalisant 2], p. 54-55:

Op donderdag 10 september 2009 omstreeks 00.05 uur hielden wij op de Rechterstraat te Boxtel als verdachte aan: [verdachte], geboren [geboortedatum]1972.

3.c. Een proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2009103554-49, op 11 september 2009, de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina 165, inhoudende:

Op 10 september 2009 werden aangehouden [verdachte], [medeverdachte I.], [medeverdachte S.] en [medeverdachte B.]. De verdachten werden aangetroffen in een personenauto met Duits kenteken. In deze auto troffen de politieambtenaren onder de bestuurdersstoel een plastic draagtas aan met daarin een geldbedrag van 9100 euro.

3.d. Een proces-verbaal van relaas, met proces-verbaalnummer 2009103554-90, op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina 50, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik, verbalisant heb het geldbedrag van EUR 9100,00 geteld. Het bestond uit de volgende coupures: 1 biljet van 10 euro, 2 biljetten van 20 euro en 181 biljetten van 50 euro.

4. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-63, op 16 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, pagina’s 155-156, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Wij, verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 3], [verbalisant 2] en [verbalisant 1], waren op 9 september 2009, omstreeks 23.35 uur, belast met de algemene surveillance. Omstreeks dit tijdstip kregen wij een melding van een verdachte situatie op de Beneluxlaan te Boxtel. Aldaar zou een grijze personenauto staan voorzien van een Duits kenteken, [kenteken]. Tevens hoorden wij, verbalisanten, dat de melder had gezien dat er 3 personen uit die auto kwamen en richting het winkelcentrum aan de Oosterhof te Boxtel liepen. Wij verbalisanten zijn vervolgens naar de bovenstaande locatie gereden. Ons, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], is ambtshalve bekend dat er in het verleden geregeld inbraken zijn gepleegd in de nachtelijke uren in dit betreffende winkelcentrum.

5. Een proces-verbaal verhoor van getuige, proces-verbaalnummer 2009103554-56, op 15 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8], hoofdagent van politie, pagina’s 157-159, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:

[getuige], u heeft op woensdag, 9 september 2009 omstreeks 23.35 uur een melding gemaakt van een verdachte situatie.

V: Wat heeft u gezien?

A: 23.30 uur: Op de Beneluxlaan (zuidzijde Hobbendonkseweg) ter hoogte van de eerste pentaan, stond een voertuig (Opel, model ?) aan de linkerzijde van de weg geparkeerd met gedoofde lichten. Het voertuig was voorzien met een Duits kentekenplaat [kenteken].

V: Waarom was deze situatie verdacht voor u?

A: In het voertuig waren 4 personen in donkere kleding. ik ben zelf doorgereden en via de voetpad voor de woningen [adres] terug gelopen naar de Beneluxlaan.

V: Hoe kunt u de personen, voor wat het signalement betreft, omschrijven?

A: Gezien de donkere kleding is dit moeilijk te omschrijven. Mijn inziens heb ik alleen maar mannelijke gelaten gezien.

V: U heeft in de melding aangeven dat deze auto voorzien was van het kenteken: [kenteken]. Hoe zeker bent u van dit kenteken?

A: Dit kenteken heb ik opgeschreven. Het is aan de voorzijde van het voertuig vastgesteld.

V: In welke richting liepen de personen toen zij uit de auto kwamen? Liepen zij in de richting van de Hobbendonkseweg of in de richting van de Hendrik van Heeslaan?

A: Het voertuig stond geparkeerd ter hoogte van woningen [adres]. Ik heb twee personen richting Hendrik van Heeslaan zien lopen. Een persoon liep aan de rechterzijde van de weg, met een tas of iets dergelijks in zijn hand, en een persoon aan de linkerzijde van de weg. Na het oversteken van de Hobbendonkseweg is de persoon welke aan de rechterzijde van de Beneluxlaan liep overgestoken en is verder met de persoon aan de linkerzijde doorgelopen richting winkelcentrum Oosterhof. Ter hoogte van de ingang van de basisschool is er een derde persoon bijgekomen.

V: Hoeveel personen bleven in de auto achter?

A: Toen ik de personen richting winkelcentrum Oosterhof in het duister zag verdwijnen ben ik bij het voertuig gaan kijken. Het voertuig was onbemand.

Nader onderzoek

6. Een proces-verbaal van relaas, met proces-verbaalnummer 2009103554-90, op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina’s 10-51, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Blz. 12-13

In het voertuig, voorzien van het kenteken [kenteken], werd een tas aangetroffen met daarin een geldbedrag van 9100 euro.

Aantreffen 75 (het hof leest “74” gelet op bewijsmiddelen 7 tot en met 9) IKEA passen en Debenhams giftcards:

In het voertuig, voorzien van het kenteken [kenteken], werden 13 (het hof begrijpt “12” gezien bewijsmiddelen 7 tot en met 9) IKEA/DEBENHAMS passen aangetroffen en in beslag genomen. [verdachte] had 62 IKEA/DEBENHAMS passen in zijn hand. Deze 62 IKEA/DEBENHAMS passen zijn onder [verdachte] in beslag genomen. Op al deze passen stonden vier cijfers vermeld.

7. Een geschrift, zijnde een aangifteformulier, referentienummer H2009090153, op 16 september 2009 naar waarheid opgemaakt door [gemachtigde 2] opsporingscoördinator Afdeling Fraud Control, pagina’s 141-144, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Hierbij doe ik, [gemachtigde 2], namens de Gezamenlijke Nederlandse Banken, aangifte van aanmaak en gebruik van een valse of vervalste betaalpas bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg en diefstal door middel van valse sleutel. Ik ben opsporingscoördinator van de afdeling Fraud Control van [benadeelde 1], gevestigd in Utrecht, en vanuit die hoedanigheid bevoegd tot het doen van aangifte.

Op donderdag 10-09-2009, werden wij op de afdeling Fraud Control door een medewerker van het Interregionaal Bureau Geld- en Waardeverkeer te Venlo, telefonische geïnformeerd omtrent de aanhouding van 4 Roemeense mannen. De aangehouden personen werden er van verdacht dat zij in de nacht van 9 op 10-09-2009 frauduleuze handelingen zouden hebben verricht door, met zogenaamde “white plastics’ met daarin gegevens afkomstig van skimming, geld op te nemen uit een of meerdere geldautomaten in Boxtel. Bij de aanhouding werden door de politie ondermeer 74 “white plastics” aangetroffen. De magneetstrips van deze 74 passen werden door politiepersoneel uitgelezen en de gegevens uit die magneetstrips werden vervolgens aan ons overgedragen voor nader onderzoek. Onderzoek door medewerkers van [benadeelde 1], Fraud Control en Rabobank Nederland heeft uitgewezen dat de gegevens uit ALLE 74 passen zijn terug te voeren naar een bekende skimlocatie.

De details omtrent de skimlocatie waar het hier om gaat zijn:

Automaatnummer: 151904

Locatie: Rabobank Volkel

Adres: [adres], Volkel

Skimperiode: Van 07-09-2009, 02.30 uur tot 08-09-2009, 15.45 uur.

Van de skimming op deze geldautomaat werd door mij separaat aangifte gedaan onder ons referentienummer H2009090139. Vastgesteld werd dus dat alle rekeninghouders, behorende bij de gegevens van de 74 aangetroffen white plastics, in de genoemde periode een transactie hebben gedaan op deze geldautomaat van de Rabobank te Volkel.

Het ‘cashen’ op 9 september 2009 te Boxtel en Liempde

8. Een proces-verbaal onderzoek 12 magneetstrippassen, registratienummer 2009103554, op 10 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], brigadier van politie, pagina’s 169-170, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Naar aanleiding van een onderzoek van de politieregio Brabant-Noord, waarbij op 9 [het hof begrijpt: 10] september 2009 vier verdachten waren aangehouden, werden door het onderzoeksteam 12 magneetstrippassen aangetroffen in de auto van de verdachten. Ik, [verbalisant 9] heb met behulp van een kaartlezer de gegevens op de magneetstrips van die passen uitgelezen op 10 september 2009. De passen zijn in dit proces-verbaal gespecificeerd en genummerd 1 tot en met 12.

De magneetstripgegevens heb ik vervolgens doorgemaild naar [benadeelde 1], met de vraag of deze magneetstripgegevens aan een skimming en cashing konden worden gekoppeld.

Op 10 september 2009, omstreeks 15.15 uur, ontving ik telefonisch de mededeling van een medewerker van [benadeelde 1], dat de magneetstripgegevens die ik ter beschikking had gesteld aan [benadeelde 1], allen afkomstig waren van bankpassen van de ING-bank en dat die gegevens waren verkregen middels skimming bij de [benadeelde 2] te Volkel op 7 september 2009. Op 10 september 2009, omstreeks 15.49 uur, ontving ik een mailbericht van een medewerker van [benadeelde 1], waarin omschreven stond dat in ieder geval al zeven personen bij de ING-bank melding hadden gemaakt van frauduleuze opnames van hun rekening. De rekeningnummers van deze zeven personen kwamen overeen met de passen 1, 3, 5, 6, 8, 9 en 10. Hierdoor is het aannemelijk geworden dat de geskimde gegevens gebruikt zijn om valse betaalpassen te vervaardigen, waarvan inmiddels zeker met zeven van die passen frauduleus geld is opgenomen voor een totaalbedrag van € 5800,-.

9. Een proces-verbaal onderzoek 62 magneetstrippassen, registratienummer 2009103554, op 14 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], brigadier-rechercheur van politie, pagina’s 183-188, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Naar aanleiding van een onderzoek van de politieregio Brabant-Noord, waarbij op 9 [het hof begrijpt: 10] september 2009 vier verdachten waren aangehouden, werden door het onderzoeksteam 61 (het hof leest “62”: de verderop aangegeven nrs. 13 tot en met 74 betreffen immers 62 passen) magneetstrippassen aangetroffen. Van deze passen zijn fotokopieën gemaakt die zijn voorzien van de nummering 13 tot en met 74. Ik, [verbalisant 9] heb met behulp van een kaartlezer de gegevens op de magneetstrips van die passen uitgelezen op 14 september 2009. De magneetstripgegevens heb ik vervolgens doorgemaild naar [benadeelde 1], met de vraag of deze magneetstripgegevens aan een skimming en cashing konden worden gekoppeld.

Op 14 september 2009, omstreeks 13.59 uur, ontving ik per e-mail een reactie van een medewerker van [benadeelde 1]: inclusief de cardgegevens van de 12 magneetstripgegevens die al op 10 september aan [benadeelde 1] ter beschikking waren gesteld, waren er in ieder geval 20 afkomstig van geskimde bankpassen en een creditcard. De gegevens van de overige passen zijn vermoedelijk afkomstig van geskimde Rabobankpassen. Met de geskimde card met het nummer [kaartnummer], is gecasht op 9 september 2009 omstreeks 23.34:57 uur en om 23.34:20 uur, bij een geldautomaat nummer 1075 van de ING-bank aan de Oosterhof in Boxtel. Hiermee werd op genoemde tijdstippen tweemaal een bedrag van 1000,- euro opgenomen, voor totaal dus 2000,- euro. De cardgegevens van nummer [kaartnummer] bevonden zich op de IKEAcard met het zichtbare nummer [nummer] omschreven als cardnummer 11.

10. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554, op 14 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], brigadier-rechercheur van politie, werkzaam bij het Interregionaal Bureau Geld- en Waardeverkeer Zuid-Nederland, pagina’s 145-149, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Naar aanleiding van een onderzoek van de politieregio Brabant-Noord, waarbij op 9 [het hof begrijpt: 10] september 2009 vier verdachten waren aangehouden, werden door het onderzoeksteam meerdere magneetstrippassen aangetroffen in de auto van de verdachten. Uit vervolgonderzoek is gebleken dat al die magneetstrippassen, die het uiterlijk hadden van Ikea cadeaupassen en Debenhams giftcards, vervalst waren door de originele gegevens op de magneetstrips te vervangen door gegevens van diverse betaalpassen, die zoals is gebleken afkomstig waren van een skimming op 7 en 8 september 2009 bij een filiaal van de Rabobank te Volkel.

Op 12 oktober 2009, ontving ik via mailbericht van [benadeelde 1] een Excelbestand dat bij dit proces-verbaal is gevoegd. Dit bestand geeft een overzicht van het totaalbedrag dat is gecasht met valse betaalpassen met daarop de gegevens van de geskimde betaalpassen afkomstig van voornoemde skimming bij de Rabobank te Volkel. Uit de gegevens van de genoemde excelbestanden blijkt dat op 9 september 2009 van 23.23 uur tot en met 23.58 uur totaal zeven maal een bedrag is gecasht bij de Rabobank [het hof begrijpt, gezien het hierna opgenomen excelbestand en de bewijsmiddelen 7 en 8: INGbank in plaats van Rabobank] in Boxtel en eenmaal bij de Rabobank in Sint Michielsgestel, voor een totaalbedrag van EUR 6850,-.

Met als bijlage 3 - excelbestand totaal schadeoverzicht:

11. Een proces-verbaal van relaas, met proces-verbaalnummer 2009103554-90, op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina’s 10-51, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Blz. 30

Daar waar in de excelbestanden gesproken wordt over Rabobank Sint Michielsgestel, moet men lezen Rabobank, gelegen aan [adres] te Liempde. Dit Rabobank filiaal valt onder de Rabobank Sint Michielsgestel.

Onderzoek navigatiesysteem:

12. Een proces-verbaal, registratienummer 2009103554-39, op 10 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 11], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie, pagina’s 209-210, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op donderdag 10 september 2009, omstreeks 10.30 uur, hebben wij, verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] een voertuig, een Opel Astra kleur grijs en voorzien van een Duits kenteken [kenteken] doorzocht. Op het dashboard aan de zijde van de bijrijder trof ik een zwarte TomTom XL canada 310 navigatie middel aan met het serienummer [nummer]. Aan dit apparaat zat een auto oplader bevestigd in de sigaretten aansteker. Aan dit apparaat was een soort antenne draad bevestigd dat langs de voorruit bevestigd was. Op de voorruit zat een bevestiging voor de TomTom gemonteerd met behulp van een zuignap. Dit apparaat werd in beslag genomen.

13.a. Een proces-verbaal nr. 09-0068-pv-01 op 3 november 2009 opgemaakt door [verbalisant 17], inspecteur van politie bij Bureau Digitale Expertise, p. 212-215, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Tijdens dit onderzoek werd het hierna te noemen goed aangetroffen. Mij werd verzocht dit goed te onderzoeken op aanwezigheid van gegevens.

Apparatuur/gegevensdrager:

Soort goed: Navigatieapparatuur

Omschrijving: Tomtom One XL

Serienummer: [nummer]

Door middel van daarvoor geschikte apparatuur en programmatuur werden de gegevens van het TomTom-apparaat inzichtelijk gemaakt.

Een overzicht van ingevoerde adressen is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

13.b. Een proces-verbaal van relaas, met proces-verbaalnummer 2009103554-90, op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina’s 10-51, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Blz. 14-15

Onderzoek navigatiesysteem:

Het navigatiesysteem (Tom Tom) is door de digitale recherche onderzocht. In de Tom Tom stonden onder andere de volgende gegevens:

1. Volkel, Rudigerstraat Rabobank;

2. Boxtel Oosterhof ING;

3. Liempde Nieuwstraat Rabobank;

4. Soerendonk Dorpsstraat Rabobank:

5. Ospel

Opmerking verbalisant: In de Tom Tom stond vermeld Volkel, Rudigerstraat. Ik, verbalisant, heb gebeld met een medewerker van de Rabobank vestiging te Uden, waaronder de Rabobank vestiging te Volkel valt. Hij vertelde mij dat de Rabobank vestiging in het verleden was gevestigd aan de Rudigerstraat te Volkel en dat de huidige Rabobank vestiging sinds ongeveer 6 jaar gevestigd is aan het Schakelplein te Volkel.

Herkenning [verdachte]

14. Een proces-verbaal bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-54, op 14 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8], hoofdagent van politie, pagina’s 135-136, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op donderdag 10 september 2009 maakte ik, [verbalisant 8], hoofdagent van de politie regio Brabant-Noord, deel uit van het onderzoeksteam naar pinpasfraude. In deze zaak zijn een viertal verdachten aangehouden welke zich op dat moment in het cellencomplex van het hoofdbureau Brabant-Noord bevonden. Op voornoemde datum bezocht ik alle vier de verdachten ter vaststelling van hun identiteit. Hierop voegde ik mij weer bij het onderzoeksteam. Ik kreeg vervolgens van [verbalisant 9], brigadier van politie bij het interregionaal Bureau Geld- en Waardeverkeer Zuid-Nederland een drietal foto’s te zien. Op deze foto’s herkende ik een van de verdachten die ik zojuist had bezocht. Ik had deze herkenning bij de volgende verdachte:

Naam: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats]

Wonende: [adres] te Roemenië.

Ik herkende deze verdachte voor 100% als zijnde de persoon die mij op de foto werd getoond. Gevraagd naar de herkomst van deze foto, hoorde ik collega [verbalisant 9] zeggen dat het een foto betrof welke door een bank aangeleverd was bij hun aangifte terzake fraude. Verder hoorde ik mijn collega [verbalisant 9] zeggen dat dit een foto was gemaakt tijdens het skimmen van bankpassen in Volkel en dat dit plaats had gevonden in de periode van 7 september 2009 omstreeks 02.30 uur tot en met 8 september 2009 omstreeks 15.45 uur.

15. Een proces-verbaal bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-57, op 15 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11], brigadier van politie, pagina’s 138-139, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 10/09/2009, omstreeks 09.00 uur, heb ik een onderzoek ingesteld, waarbij het volgende is bevonden:

Op genoemde datum was ik verbalisant in het politiebureau aan [adres] te

‘s-Hertogenbosch, aanwezig bij de briefing van het onderzoek ROEM. Bij deze briefing was eveneens aanwezig collega [verbalisant 9], brigadier van politie bij het interregionaal Bureau Geld- en Waardeverkeer Zuid Nederland. Genoemde collega toonde mij verbalisant een drietal foto’s welke waren gemaakt tijdens het skimmen van bankpassen in de gemeente Volkel bij een bank in de periode gelegen tussen 7 september 2009, omstreeks 02.30 uur en 8 september 2009, 15.45 uur. Van deze fraude was aangifte gedaan. Tijdens het verhoor van de verdachten in dit proces, herkende ik voor 100 % een van deze verdachten van de foto’s die mij eerder die dag getoond waren. Het betrof hier de verdachte:

Naam: [verdachte]

Geboren op: [geboortedatum]1972 te [geboorteplaats]

Wonende te: [adres] in Roemenië.

16. Een proces-verbaal inzake een foto-fotovergelijkend/herkennend gezichtsonderzoek, met proces-verbaalnummer RE294/2009, op 6 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 12], inspecteur van politie, pagina’s 217-222, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 30-09-2009 werd op verzoek het onderzoeksteam van de politie Brabant Noord en van het Interregionaal Bureau Geld en Waardeverkeer (IBGW), door mij [verbalisant 12], inspecteur van politie Midden en West Brabant, Deskundige-A documentenonderzoek, divers beeldmateriaal onderzocht ten behoeve van een vergelijkend/herkennend gezichtsonderzoek. Dit onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van de aanhouding van vier verdachten in verband met mogelijke skimacties van geldautomaten.

Tijdens dit onderzoek werd door mij het navolgende waargenomen en bevonden;

Svo’s:

005: Betrof, op 30-09-2009 via het IBGW aangeleverd, digitaal beeldmateriaal van de geldautomaat 6 OV GEA uit Soerendonk. (zie prints 5A t/m 5C)

006: Betroffen aanvullende digitale fotografische opnamen van de verdachte [verdachte], digitaal aangeleverd op 07-10-2009 door het onderzoeksteam van de Districtelijke Recherche te ‘s-Hertogenbosch van de politie Brabant Noord. (zie prints 6A t/m 6E)

007: Betrof op 09-10-2009 via het IBGW aangeleverd digitaal beeldmateriaal van de geldautomaat 1 GEA uit Volkel. (zie prints 9A t/m 9C)

008: Betrof een op 29-10-2009, via het team van de Districts Recherche te ’s-Hertogenbosch aangeleverde print van een digitale opname van de geldautomaat van de Rabobank te Liempde, d.d. 09-09-2009, omstreeks 23:58 uur. (zie print 10)

009: Betrof op 04-11-2009, via het van de Districts Recherche te ‘s-Hertogenbosch aangeleverde aanvullende fotografische opnamen van de verdachte [verdachte]. (zie prints 15)

Ter beantwoording van de vraag of onder de personen voorkomende op het geselecteerde beeldmateriaal, waarmerk 005, 007 en 008, dezelfde personen voorkwamen als de verdachten voornoemd, werd door mij een visuele inspectie uitgevoerd waarbij vooral werd gelet op de verschillen en/of overeenkomsten tussen de gezichtsdelen afzonderlijk en eventuele huidtypica.

Met betrekking tot geldautomaat 01 (het hof begrijpt “6”; zie hierboven onder “005”en prints 5A-5C op p. 224) GEA te Soerendonk:

Voor het eerste foto-fotovergelijkend/herkennend gezichtsonderzoek met het vervaardigde beeldmateriaal van de geldautomaat te Soerendonk werden de door mij vervaardigde digitale opnamen, waarmerk 005 en 006, gebruikt. (zie prints 7A t/m 8D)

Uit het onderzoek bleek, dat:

Op het beeldmateriaal van de geldautomaat 01 GEA te Soerendonk, d.d. 07-31-2009 [het hof begrijpt: 31-07-2009], op het tijdstip gelegen tussen 11:45:20 uur (PM) en 11:46:14 uur (PM), gelet op met name de schedelvorm, vorm van de neus, vorm van de neusbrug en de vorm van de rechter wenkbrauw, mogelijk [verdachte], stond afgebeeld. (zie prints 7A t/m 8D)

Met betrekking tot geldautomaat 1 GEA te Volkel en de geldautomaat te Liempde:

Voor een tweede foto-fotovergelijkend/herkennend gezichtsonderzoek met het vervaardigde beeldmateriaal van de geldautomaat te Volkel en de geldautomaat te Liempde, werden de door mij vervaardigde digitale-opnamen, waarmerk 007, 008 en 009, gebruikt. (zie prints 9A t/m 19)

Uit dit onderzoek bleek:

- dat op het beeldmateriaal van de geldautomaat 1 GEA te Volkel, d.d. 07-09-2009 op de tijdstippen gelegen tussen 02:25:59 uur en 02:30:58 uur en op het beeldmateriaal van de GEA te Liempde, d.d. 09-09-2009, omstreeks 23:58 uur, gelet op met name de vorm van de neus en neusbrug en de vorm van het linker oog, waarschijnlijk dezelfde persoon stond afgebeeld, en

- dat op het beeldmateriaal van de geldautomaat 1 GEA te Volkel, d.d. 07-09-2009, op het tijdstip gelegen tussen 02:25:59 uur en 02:30:58 uur en op het beeld materiaal van de GEA te Liempde, d.d. 09-09-2009, omstreeks 23:58 uur, gelet op met name die schedelvorm en de vorm van de neus, de persoon op het beeldmateriaal mogelijk [verdachte] betrof. (zie prints l6 t/m 19)

Conclusie:

Gelet op de bevindingen van het onderzoek wordt gesteld dat:

A. op de geselecteerde prints van het beeldmateriaal van de geldautomaat 6 OV GEA te

Soerendonk, d.d. 07-31-2009, MOGELIJK [verdachte] stond afgebeeld;

B. de persoon op de geselecteerde prints van het beeldmateriaal van de geldautomaat 1 GEA te Volkel en de geldautomaat te Liempde WAARSCHIJNLIJK dezelfde persoon betrof.

C. op de geselecteerde prints van het beeldmateriaal van de geldautomaat 01 GEA te Volkel, d.d. 07-09-2009 en de geldautomaat te Liempde, d.d. 09-09-2009, de persoon MOGELIJK [verdachte] betrof.

17. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-68, op 17 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 13], surveillant van politie, pagina 361, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op dinsdag 15 september 2009, omstreeks 15:30 uur, bekeek ik, verbalisant, een CD-rom met daarop bewakingsbeelden van een PIN-automaat van een RABO filiaal aan [adres] te Liempde.

Ik, verbalisant, zag op deze beelden dat er op 9 september 2009, omstreeks 23:58 uur, door een persoon een geldopname plaatsvond. Deze persoon waarvan alleen het hoofd zichtbaar was, kan ik als volgt omschrijven:

- jongeman

- lichte tot getinte huidskleur

- donkere baseball pet met aan de linkerzijde met lichte letters “[merk 1]”

- de mond en neus van deze persoon werden bedekt door een sjaal of col waardoor alleen de ogen zichtbaar waren.

- van onder deze sjaal liep een donkerkleurige dun snoer gelijkend op een snoer van de “oortjes” van een draagbaar geluidsmedium naar de revers van de jas waar deze met een clip was bevestigd. Het snoer liep vervolgens vanaf de revers verder naar beneden

- hij droeg een licht overhemd met daarover heen een donkere jas. Op de jas zat op de linkerschouder een rechthoekige afbeelding met een lichte achtergrond met daarop een drietal donkere letters vermoedelijk “[merk 2]”

18. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-71, op 17 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina 364, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 16 september 2009 is [verdachte] gelicht voor verhoor. Voor dit verhoor was hij voor een dag geplaatst in het politiebureau te ‘s-Hertogenbosch. Ik, [verbalisant 7], zag dat [verdachte] een donkerkleurige jas droeg met daarop onder andere de tekst [merk 2]. Ik, [verbalisant 7], heb deze jas in beslag genomen en ik heb daarvan foto’s gemaakt.

19. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-73, op 18 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie, pagina 378, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op donderdag 10 september 2009 te 00.05 uur werden door mij, [verbalisant 3], en collega’s, opsporingsambtenaren van het district Aa en Dommel de onderstaande verdachten op de Rechterstraat te Boxtel aangehouden:

[medeverdachte S.], geboren op [1974];

[medeverdachte B.], geboren op [1972];

[verdachte], geboren op [geboortedatum][1972];

[medeverdachte I.], geboren op [1974].

Op woensdag 16 september 2009 kreeg ik, [verbalisant 3], van opsporingsambtenaar [verbalisant 7], het verzoek een aanvullend proces-verbaal van bevindingen te maken. Mij, [verbalisant 3], werd gevraagd waar ik de baseball petten in het voertuig, merk Opel, type Astra, kleur grijs en voorzien van het kenteken [kenteken] heb aangetroffen. Verder werd mij, [verbalisant 3], verzocht te kijken naar een print van een pintransactie op 09/09/2009 te 23.58 bij de Rabobank in Liempde en/of ik de man welke op de print was afgebeeld kon herkennen.

Naar aanleiding van het bovengenoemd verzoek meld ik, [verbalisant 3], het volgende. Toen de laatste verdachte was uitgestapt heb ik een onderzoek in het voertuig voornoemd ingesteld. Tussen de bijrijderstoel en het middenconsole trof ik, verbalisant, een tweetal baseball petten aan; betreffende een zwartkleurige met opschrift [merk 4] en een bruinkleurige met opschrift [merk 1] en [merk 3]. De door collega [verbalisant 7] per mail gezonden print van een pintransactie op 09/09/2009 kan ik, verbalisant, als volgt omschrijven:

- man met lichte tot donker getinte huidskleur;

- donkere baseballpet met [merk 1] letters aan de linkerzijde;

- hij draagt een jas met op de linkerschouder een rechthoekige achtergrond met opschrift [merk 2];

- door middel van een stuk textiel wordt de mond en neus van de man bedekt;

- onder het stuk textiel welke de mond en neus bedekt loopt een donkerkleurig snoertje naar de revers van de jas van de man.

Ik, [verbalisant 3], herkende de man onmiddellijk die op voornoemde print staat afgebeeld als de mij, verbalisant, op donderdag 10 september 2009 te 00.05 uur aangehouden verdachte: [verdachte], geboren te [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats].

Ik herkende zijn gezicht. Verder herkende ik de jas die hij aanhad. Het was een donkerkleurige [merk 2] jas welke hij bij de controle en aanhouding aanhad. Het stuk textiel dat de mond en neus van [verdachte] bedekt, deed mij denken aan het bruinkleurig stuk van een pijp van een legging. Dit stuk trof ik, verbalisant, aan in een zwart lederen tas die [verdachte] tussen zijn benen vasthield.

Onderzoek telefoons

20. Een proces-verbaal van relaas, met proces-verbaalnummer 2009103554-90, op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina’s 10-51, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

P.16-20

Onder alle vier de verdachten zijn de gsm’s in beslag genomen. Deze gsm’s zijn allemaal onderzocht en uitgelezen.

[medeverdachte S.]:

Onder [medeverdachte S.] is een telefoon (GSM) in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het telefoonnummer van het simkaartje [telefoonnummer 1] te zijn. Verder bleek in de contacten uit het apparaat, van de SIM-kaart of van de geheugenkaart onder andere de volgende contacten vermeld te staan:

Naam: [naam 1] Naam: [naam 2] Naam: [naam 3]

Tel: [telefoonnummer 2] Tel: [telefoonnummer 3] Tel: [telefoonnummer 4]

Conclusie: Deze telefoonnummers van de contacten corresponderen met de telefoonnummers van de simkaarten die onder de verdachten [medeverdachte B.] ([telefoonnummer 2]), [medeverdachte I.] ([telefoonnummer 4]) en [verdachte] ([telefoonnummer 3]) in beslag zijn genomen.

Gesprekken: Gemaakte, ontvangen, gemiste gesprekken naar of vanaf het apparaat.

Hieruit bleek dat het apparaat verschillende keren contact heeft gehad met:

Naam: [naam 2] Naam: [naam 1] Naam: [naam 3]

Tel: [telefoonnummer 3] Tel: [telefoonnummer 2] Tel:[telefoonnummer 4]

Deze contacten zijn al vanaf 2007.

[medeverdachte B.]:

Onder [medeverdachte B.] is een telefoon (GSM) in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het telefoonnummer van het simkaartje [telefoonnummer 2] te zijn. Verder bleek in de contacten uit het apparaat, van de SIM-kaart of van de geheugenkaart onder andere de volgende contacten vermeld te staan:

Naam: [naam 4] Naam: [naam 5] Naam: [naam 6]

Tel: [telefoonnummer 1] Tel: [telefoonnummer 4] Tel: [telefoonnummer 3]

Conclusie: Deze telefoonnummers van de contacten corresponderen met de telefoonnummers van de simkaarten die onder de verdachten [medeverdachte S.] ([telefoonnummer 1]), [medeverdachte I.] ([telefoonnummer 4]) en [verdachte] ([telefoonnummer 3]) in beslag zijn genomen.

Gesprekken: Gemaakte, ontvangen, gemiste gesprekken naar of vanaf het apparaat.

Hieruit bleek dat het apparaat verschillende keren contact heeft gehad met:

Naam: [naam 4] Naam: [naam 5] Naam: [naam 6]

Tel: [telefoonnummer 1] Tel: [telefoonnummer 4] Tel: [telefoonnummer 3]

Deze contacten lopen vanaf 03-09-2009.

[verdachte]:

Onder [verdachte] is een telefoon (GSM) in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het telefoonnummer van het simkaartje [telefoonnummer 3] te zijn. Verder bleek in de contacten uit het apparaat, van de SIM-kaart of van de geheugenkaart onder andere de volgende contacten vermeld te staan:

Naam: [naam 7] Naam: [naam 8] Naam: [naam 9]

Tel: [telefoonnummer 1] Tel: [telefoonnummer 4] Tel: [telefoonnummer 2]

Conclusie: Deze telefoonnummers van de contacten corresponderen met de telefoonnummers van de simkaarten die onder de verdachten [medeverdachte S.] ([telefoonnummer 1]), [medeverdachte I.] ([telefoonnummer 4]) en [medeverdachte B.] ([telefoonnummer 2]) in beslag zijn genomen.

Gesprekken: Gemaakte, ontvangen, gemiste gesprekken naar of vanaf het apparaat. Hieruit bleek dat het apparaat verschillende keren contact heeft gehad met:

Naam: [naam 7] Naam: [naam 8] Naam: [naam 9]

Tel: [telefoonnummer 1] Tel: [telefoonnummer 4] Tel: [telefoonnummer 2]

Deze contacten lopen vanaf 03-09-2009.

[medeverdachte I.]:

Onder [medeverdachte I.] is een telefoon (GSM) in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het telefoonnummer van het simkaartje [telefoonnummer 4] te zijn. Verder bleek in de contacten uit het apparaat, van de SIM-kaart of van de geheugenkaart onder andere de volgende contacten vermeld te staan:

Naam: [naam 10] Naam: [naam 11] Naam: [naam 12]

Tel: [telefoonnummer 3] Tel: [telefoonnummer 2] Tel: [telefoonnummer 1]

Conclusie: Deze telefoonnummers van de contacten corresponderen met de telefoonnummers van de simkaarten die onder de verdachten [medeverdachte S.] ([telefoonnummer 1]), [verdachte] ([telefoonnummer 3]) en [medeverdachte B.] ([telefoonnummer 2]) in beslag zijn genomen.

Gesprekken: Gemaakte, ontvangen, gemiste gesprekken naar of vanaf het apparaat. Hieruit bleek dat het apparaat verschillende keren contact heeft gehad met:

Naam: [naam 10] Naam: [naam 12] Naam: [naam 11]

Tel: [telefoonnummer 3] Tel: [telefoonnummer 1] Tel: [telefoonnummer 2]

Deze contacten lopen vanaf 03-09-2009.

Conclusie: Uit de informatie, afkomstig van de onder de vier verdachten in beslag genomen gsm’s, blijkt dat in elk van die gsm’s de telefoonnummers van de overige drie gsm’s als contact staan opgeslagen en dat alle vier de gsm’s onderling contact hebben gehad vanaf 03-09-2009.

21a. Een proces-verbaal analyse historische verkeersgegevens, proces-verbaalnummer 2009.10.26.5543.1, op 26 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 14], hoofdagent van politie, pagina’s 343-345, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 11 september 2009 werden door de officier van justitie van het arrondissement

‘s-Hertogenbosch de historische verkeergegevens gevorderd van de telefoonnummers:

[telefoonnummer 4], in gebruik bij verdachte [medeverdachte I.]

[telefoonnummer 2], in gebruik bij verdachte [medeverdachte B.]

[telefoonnummer 3], in gebruik bij verdachte [verdachte]

[telefoonnummer 1], in gebruik bij verdachte [medeverdachte S.]

Deze gegevens werden gevorderd voor de periode van 23 juli 2009 tot en met 10 september 2009. De ontvangen historische verkeersgegevens werden vervolgens door mij, verbalisant, ingevoerd in het programma “Digitale Communicatie Sporen” en geanalyseerd.

Vraagstelling:

1. Hebben de opgevraagde nummers onderling contact gedurende de opgevraagde periode?

2. Hebben de opgevraagde nummers onderling contact op 07 september 2009?

3. Wat zijn de mastlocaties tijdens de onderlinge gesprekken op 07 september 2009?

4. Hebben de opgevraagde nummers onderling contact op 09 september 2009?

5. Wat zijn de mastlocaties tijdens de onderlinge gesprekken op 09 september 2009?

Antwoord:

1. De vier opgevraagde nummers hebben, gedurende de opgevraagde periode, meermalen onderling contact.

2. De vier opgevraagde nummers hebben, op 07 september 2009, meermalen onderling contact. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het nummer [telefoonnummer 3], in gebruik bij [verdachte], op 07 september 2009 omstreeks 01.53 uur, 02.10 uur en 02.50 uur wordt gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 4], in gebruik bij [medeverdachte I.]. Omstreeks 02.07 uur op 07 september 2009 wordt het nummer [telefoonnummer 4], in gebruik bij [medeverdachte I.], gebeld door het nummer [telefoonnummer 3], in gebruik bij [verdachte].

Omstreeks 02.54 uur belt het nummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij [medeverdachte B.] naar het nummer [telefoonnummer 4], in gebruik bij [medeverdachte I.].

3. Uit de verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat het nummer [telefoonnummer 4], in gebruik bij [medeverdachte I.], op 07 september 2009 omstreeks 01.53 uur, 02.07 uur, 02.10 uur, 02.50 uur en 02.54 uur gebruik maakt van de KPN-mast, gelegen aan de Linie te Uden. Een plattegrond van de omgeving van de Linie te Uden, met daarin de bedoelde mast en zijn bereik ingetekend, werd als BIJLAGE 3 bij dit proces-verbaal gevoegd.

4. Uit de verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat de nummers [telefoonnummer 4], in gebruik bij [medeverdachte I.], op 09 september 2009 omstreeks 23.26.07 uur, 23.26.13 uur, 23.26.40 uur en 23.57 uur contact heeft gehad met het nummer [telefoonnummer 3], in gebruik bij [verdachte]. Voor een compleet beeld wordt verwezen naar de bij dit proces-verbaal gevoegde BIJLAGE 4.

5. Uit de verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat het nummer [telefoonnummer 4], in gebruik bij [medeverdachte I.], op 09 september 2009 omstreeks 23.26.13 uur en 23.26.40 uur gebruik maakt van de KPN-mast, gelegen aan het [adres] te Boxtel. Op 09 september 2009 omstreeks 23.57 uur maakte het nummer gebruik van de KPN-mast, gelegen aan de Dorpsstraat te Liempde. Een plattegrond van de omgeving van het Breukelsplein te Boxtel en de Dorpsstraat te Liempde, met daarin de bedoelde masten en hun bereik ingetekend, werd als BIJLAGE 5 bij dit proces-verbaal gevoegd.

21b. Bijlage 1 bij het onder 21a genoemde proces-verbaal, bevattende de contacten tussen de vier nummers onderling gedurende de opgevraagde periode (blz. 346-349).

Uit deze bijlage blijkt van onderlinge contacten

op 3 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte B.] ([telefoonnummer 2]) en [medeverdachte I.] ([telefoonnummer 4]), [medeverdachte I.] op mastlocaties te Eindhoven en te Heeze; [medeverdachte I.] en [verdachte] ([telefoonnummer 3]), [medeverdachte I.] op mastlocatie te Heeze; [medeverdachte I.] en [medeverdachte S.] ([telefoonnummer 1]), [medeverdachte I.] op mastlocatie te Heeze.

op 4 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte I.] en [medeverdachte B.], [medeverdachte I.] op mastlocaties te Gemert en te Eindhoven; [medeverdachte I.] en [verdachte], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Eindhoven.

op 5 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte I.] en [medeverdachte B.], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Eindhoven; [medeverdachte I.] en [verdachte], [medeverdachte I.] op mastlocaties te Wijk en Aalburg en te Nieuwendijk;

op 6 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte I.] en [verdachte], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Uden; [medeverdachte I.] en [medeverdachte B.], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Uden;

op 7 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte I.] en [verdachte], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Uden; [medeverdachte I.] en [medeverdachte B.], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Uden;

op 8 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte I.] en [verdachte], [medeverdachte I.] op mastlocaties te Uden en te Eindhoven;

op 9 september 2009:

tussen de telefoons van [medeverdachte I.] en [verdachte], [medeverdachte I.] op mastlocatie te Uden, te Boxtel en te Liempde.

22. Een proces-verbaal van relaas, met proces-verbaalnummer 2009103554-90, op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, pagina’s 10-51, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Blz. 21

In bijlage 3, gevoegd bij het proces-verbaal analyse historische verkeersgegevens, is de KPN mast met nummer 12895 ingetekend. Tevens is het bereik van deze zendmast ingetekend. Hieruit blijkt dat de Rabobank, gelegen aan het Schakelplein te Volkel, onder het bereik van de mast valt.

In bijlage 5, gevoegd bij het proces-verbaal analyse historische verkeersgegevens, is de KPN mast met nummer 11258 ingetekend. Tevens is het bereik van deze zendmast ingetekend. Hieruit blijkt dat de ING, gelegen aan het Oosterhof te Boxtel, onder het bereik van de mast valt.

In bijlage 5, gevoegd bij het proces-verbaal analyse historische verkeersgegevens, is de KPN mast met nummer 54389 ingetekend. Tevens is het bereik van deze zendmast ingetekend. Hieruit blijkt dat de Rabobank, gelegen aan de Nieuwstraat te Liempde, onder het bereik van de mast valt.

Pogingen tot skimmen in Soerendonk en Ospel

23. Een geschrift, te weten een proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2009133789-1, op 5 augustus 2009, opgemaakt door [verbalisant 15], medewerker van politie, pagina’s 381-384, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op woensdag 5 augustus 2009 deed [gemachtigde 3] aangifte namens de benadeelde Rabobank Weerterland Cranendonck te Soerendonk, gemeente Cranendonck, en verklaarde het volgende:

Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Tussen vrijdag 31 juli 2009 te 23.45 uur en zaterdag 1 augustus 2009 te 00.15 uur werd op [adres], [woonplaats], binnen de gemeente Cranendonck, het feit gepleegd. Op zaterdag 1 augustus [het hof begrijpt: 2009] omstreeks 00.15 uur kregen wij op ons MCB systeem te zien dat er een geld automaat buitengebruik was gesteld. De geldautomaat stelt zichzelf buiten gebruik en dat betekent dat er geen melding doorgezet wordt naar de meldkamer maar dat de melding bij onze vestiging zelf binnen komt. Op zaterdag 1 augustus omstreeks 10.00 uur hebben we de situatie bekeken en zagen dat de pasinvoer device ontbrak. Op zondag 2 augustus hebben besloten om alle geldautomaten te contoleren door hier langs te gaan. Toen we bij de geldautomaat in Soerendonk aankwamen zagen we wat brokstukjes liggen. Vervolgens hebben we op maandagochtend 3 augustus 2009 de beelden teruggekeken van de geldautomaat in Soerendonk. We hebben teruggekeken naar de tijd waarop de geldautomaat buiten gebruik gesteld was. Op de beelden was te zien dat er twee mannen bezig waren met de geldautomaat, vermoedelijk om skim-apparatuur te bevestigen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. Hierbij werd vernield:

Categorie omschrijving: Automaat (108808)

Object: Betaalautomaat

Merk/type: Rabobank

Land: Nederland.

24. Een geschrift, zijnde een aangifteformulier, referentienummer H2009080127 en H2009080012, op 27 oktober 2009 naar waarheid opgemaakt door [gemachtigde 2] opsporingscoördinator Afdeling Fraud Control van [benadeelde 1], pagina’s 385-388, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Hierbij doe ik, [gemachtigde 2], namens de Gezamenlijke Nederlandse Banken, aangifte van aanmaak en gebruik van een valse of vervalste betaalpas bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg en diefstal door middel van valse sleutel. Ik ben opsporingscoördinator van de afdeling Fraud Control van [benadeelde 1], gevestigd in Utrecht, en vanuit die hoedanigheid bevoegd tot het doen van aangifte.

Naar aanleiding van de aanhouding van 4 verdachten te Boxtel in de nacht van 9 op 10-09-2009, werd door mij op 16-09-2009 aangifte gedaan onder ons dossiernummer H2009090153. Het vervolgonderzoek in deze heeft uitgewezen dat een of meerdere verdachten worden verdacht van pogingen tot skimming op geldautomaten te Soerendonk en Ospel.

Op 31-07-2009 werd op de geldautomaat van de Rabobank, [adres] Soerendonk, een poging tot skimming ondernomen. Deze poging werd onderkend. De beelden van de bewakingscamera van de bank konden worden veiliggesteld en zijn in het kader van het onderzoek aan u ter beschikking gesteld. In deze zaak werd aan de hand van logrol-onderzoek door de medewerkers van de Rabobank vastgesteld dat er door de verdachten gebruik werd gemaakt van een pas waarmee zij het begin van hun skimactie wilden markeren. Deze pas was voorzien van het nummer [nummer].

Op 02-08-2009 werd op de geldautomaat van de Rabobank, [adres] Ospel een poging tot skimming verijdeld. Op deze automaat werd skimapparatuur aangetroffen. Helaas waren er in dit geval geen beelden beschikbaar van de daders. Wel werd vastgesteld dat in dit geval van dezelfde zogenaamde markeerpas gebruik werd gemaakt, namelijk de pas met het nummer [nummer].

25. Een proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2009103554-83, op 27 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8], hoofdagent van politie, pagina’s 389-390, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op dinsdag 27 oktober 2009 ontving ik uit handen van onderzoeksleider [verbalisant 7], brigadier van politie, een foto te zien welke genomen was tijdens, naar wat later bleek, de plaatsing van skimapparatuur te op 31 juli 2009 te Soerendonk. Op deze foto zijn een tweetal personen te zien. Gebaseerd op de aangeleverde foto kan ik het volgende signalement verstrekken:

Persoon II

- Gekleed in een donkere jas met capuchon;

- Donkere broek;

- Spitse neus;

- Donkere wenkbrauwen;

- Lichte tot lichtgetinte huidskleur;

- Man;

- Normaal postuur.

Over persoon II kan ik verklaren dat dit mogelijk de volgende verdachte betreft:

Naam: [verdachte], [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats]

Wonende: [adres] te Roemenië.

Bovengenoemde verdachte herkende ik op donderdag 10 september 2009 voor 100% procent op een aan mij getoonde foto van, naar wat later bleek, de plaatsing van skimapparatuur te Volkel. Als gelijkenis zie ik op beide foto’s, en zoals ik [verdachte] heb gezien in het cellencomplex te ‘s-Hertogenbosch, de volgende kenmerken:

- Gelaatsopslag;

- Man;

- Licht tot lichtgetint;

- Spitse neus;

- De geschatte lengte (gebaseerd op de hoogte van verdachte II ten opzichte van het frame van de pinautomaat);

- Postuur.

26. Een proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2009079911-2, op 4 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16], hoofdagent van politie, pagina’s 395-398, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Op maandag 3 augustus 2009 deed [gemachtigde 3] aangifte terzake poging tot diefstal namens de benadeelde Weerterland en Craenendonck, [adres] te Ospel, en verklaarde het volgende:

Op maandag 2 augustus 2009 te 03.32 uur werd op [adres], Ospel, binnen de gemeente Nederweert het in de aanhef vermelde feit gepleegd. Ik ben werkzaam voor de Rabobank met als functie Senior facilitair medewerker. Ik doe aangifte namens de benadeelde en ik ben bevoegd tot het doen van aangifte namens genoemde benadeelde. Op zondag 2 augustus 2009 kwam er een melding bij de Rabobank binnen van vernieling aan onze geldautomaat gelegen bij ons filiaal in Ospel. De melding kwam omstreeks 10:00 uur bij ons binnen. De schade die wij constateerden is als volgt: Ik zag dat er een gat is geboord onder het invoerdevice. Men heeft gepoogd om een skimapparaat te plaatsen. Men heeft onder de invoer van het pasdevice schade aangericht. Het is de daders niet gelukt om skimapparatuur te plaatsen. Aan de hand van de videobeelden konden wij zien dat men op zondag 2 augustus 2009 omstreeks 03:32 uur de bewakingscameras heeft afgeplakt. Op de bewakingsbeelden is een man zichtbaar die vermoedelijk betrokken is bij de vernieling en getracht heeft de skimapparatuur te plaatsen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Rechtmatigheid van de bewijsverkrijging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de staandehouding en de doorzoeking van het voertuig onrechtmatig zijn geweest. Hierdoor is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat moet leiden tot bewijsuitsluiting van de als gevolg van deze onrechtmatige opsporingshandelingen verkregen resultaten. Het resterende bewijsmateriaal is volgens de verdediging onvoldoende voor een bewezenverklaring.

In de eerste plaats heeft de verdediging, in navolging van de eerste rechter, betoogd dat de politie onvoldoende aanleiding had voor een identiteitscontrole.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 8a, eerste lid, van de Politiewet 1993 luidt:

“Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak”.

Onder de politietaak wordt, blijkens artikel 2 van de Politiewet 1993, verstaan “te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven”. De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde omvat zowel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (opsporing in ruime zin) als de handhaving van de openbare orde (voorkomen van wanordelijkheden en criminaliteit).

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de uitgebreide identiteitsplicht (Stb. 2004, 300), waarbij het genoemde artikel 8a is ingevoegd in de Politiewet 1993, wordt het volgende ontleend.

Over het begrip “voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak” in artikel 8a van de Politiewet 1993 heeft toenmalig minister van Justitie Donner verklaard dat de politie niet zonder concrete aanleiding willekeurig om inzage van een identiteitsbewijs mag vragen, maar daarvoor een geldige reden moet hebben die is gebaseerd op een van de onderdelen van haar taak. Deze concrete aanleiding behoeft niet te bestaan in de verdenking van een strafbaar feit (TK 2003-3004, 29218, nr. 10, p. 14).

Voorts heeft de minister nog de volgende toelichting gegeven:

“Minister Donner: (...) Het gaat om de taken die redelijkerwijs meebrengen dat men de identiteit van een persoon moet kunnen achterhalen. Anders dan bij strafbare feiten of om specifieke situaties, heeft de politie die bevoegdheid nu niet. Het gaat dus om een makkelijker functioneren van de politie. Dat makkelijker functioneren van de politie, juist bij het voorkomen van criminaliteit, het voorkomen van wanordelijkheden op straat en het handhaven van de openbare orde, draagt wel degelijk bij aan de veiligheid (...).”

(Kamerstukken II, 2003-2004, 29 218, nr. 21, p. 25)

In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] - waarvan de inhoud is opgenomen onder bewijsmiddel 3a - wordt het volgende gerelateerd:

a. Op 9 september 2009, omstreeks 23.55 uur, krijgen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de melding om naar de Beneluxlaan te Boxtel te gaan. Aldaar had de melder gezien dat 3 personen uit een auto met Duits kenteken [kenteken] kwamen en richting het winkelcentrum aan de Oosterhof te Boxtel liepen.

b. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en de eenheid van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gaan ter plaatse. Ter plaatse wordt door beide surveillance-eenheden niets aangetroffen.

c. Op het moment dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan het einde van de Eindhovenseweg in Boxtel rijden, zien zij voornoemde personenauto met hoge snelheid uit de richting van Liempde komen. De verbalisanten volgen de auto op korte afstand en zien daarbij dat tegen de voorruit van de personenauto een beeldscherm van een navigatiesysteem is bevestigd.

d. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geven de auto een stopteken via het transparant “Stop politie”op het dak van hun politievoertuig en zij zien dat de bestuurder niet direct reageert op het stopteken en doorrijdt. Even later zien de verbalisanten dat het helder oplichtende beeldscherm van het navigatiesysteem niet meer op de voorruit is bevestigd.

e. Nadat [verbalisant 2] het blauwe zwaailicht van hun politievoertuig heeft aangezet, brengt de bestuurder van de personenauto zijn auto tot stilstand. Vervolgens spreken de verbalisanten de vier manspersonen in de auto aan. De vier mannen beheersen redelijk de Duitse taal. Door de verbalisanten werd besloten om alle inzittenden op de identiteit en andere zaken na te trekken in de politiecomputersystemen.

Op grond van de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat voor de verbalisanten voldoende concrete aanleiding bestond om in het kader van hun taak tot het handhaven van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (te weten: zicht krijgen op personen die mogelijk betrokken zouden kunnen raken of waren bij nog te plegen of gepleegde strafbare feiten) de auto staande te houden en de inzittenden te onderwerpen aan een identiteitscontrole. De verbalisanten waren hiertoe bevoegd, nu dit redelijkerwijze voor de uitoefening van hun politietaak noodzakelijk was. Met betrekking tot omstandigheid c, d en e heeft de raadsman nog aangevoerd dat verdachten mogelijk aanvankelijk het stopteken niet hebben waargenomen en dat de zuignap van het navigatiesysteem wellicht uit zichzelf van de autoruit is gevallen. Het hof merkt op dat deze mogelijkheid niet afdoet aan de reële kans dat een van de verdachten het navigatiesysteem van de autoruit heeft gehaald toen hij zag c.q. zij zagen dat de politie hen wilde doen stoppen.

In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat de politie niet gerechtigd was de auto waarin de verdachten zaten te doorzoeken.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Na de controle van de identiteitsbewijzen hebben de verbalisanten de bestuurder van de auto, [medeverdachte S.], gevraagd om uit te stappen, hetgeen de verbalisanten vrijstond (geen dwangmiddel). [verbalisant 1] ziet dat [medeverdachte S.] op het moment dat hij uitstapt, iets kleins in de auto weggooit dat valt op de handrempook in het middenconsole. Toen [verbalisant 1] meteen hierna in de auto keek om te achterhalen wat dat was, zag hij niets liggen tussen de voorstoelen van de auto. Dit wekte bij hem de redelijke veronderstelling dat een andere inzittende het door [medeverdachte S.] weggegooide voorwerp had weggepakt. Toen verbalisant [verbalisant 1] in de auto keek, zag hij op de plaats waar [medeverdachte S.] had gezeten een nieuw paar huishoudhandschoenen op de bodem liggen. [verbalisant 3] zag dat [verdachte], die rechts voorin het voertuig zat, een zwart lederen tas tussen zijn benen vasthield en dat links naast die tas op de bodem van de auto een paar gele huishoudhandschoenen lag. Desgevraagd kreeg hij toestemming van [verdachte] om in diens tas te kijken. Daarin trof verbalisant [verbalisant 3] een paar gele huishoudhandschoenen aan en een stuk van een pijp van een legging. Het deed hem denken aan een stuk textiel om het gelaat te bedekken of te maskeren. Vervolgens zag [verbalisant 3] dat de inzittende links achterin, [medeverdachte B.], met zijn voeten iets onder de bestuurdersstoel schopte of duwde.

Tot zover hebben de verbalisanten geen dwangmiddel toegepast en zijn alle geconstateerde feiten en ontstane vermoedens rechtmatig verkregen.

Het hof is van oordeel dat op grond van

- het door [medeverdachte S.] bij het uitstappen weggooien van iets kleins in de auto dat even later niet meer zichtbaar was,

- de aangetroffen paren huishoudhandschoenen en het stuk legging

- en het duwen/schoppen van een voorwerp onder de bestuurdersstoel

- in combinatie met de feiten en omstandigheden zoals vermeld onder a, c en d, in onderling verband en samenhang bezien,

bij de verbalisanten een redelijk vermoeden heeft kunnen ontstaan dat de inzittenden van de auto zich schuldig hadden gemaakt aan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarmee was hun bevoegdheid tot het ter in beslagneming doorzoeken van de auto, gelet op het bepaalde in artikel 96b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gegeven. Deze bevoegdheid omvat het kijken in de zich in die auto bevindende plastic tas en het doorzoeken van het middenconsole en de overige ruimtes in de auto, zodat het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen. Het hof is dan ook van oordeel dat - anders dan de raadsman heeft betoogd - geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Voor zover de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd dat er door [verdachte] geen toestemming is verleend om in de tussen zijn benen staande tas te kijken, is het hof van oordeel dat deze niet onderbouwde stelling wordt weersproken door het proces-verbaal van bevindingen (p. 152).

Nu van onbevoegd politieoptreden of enig ander vormverzuim geen sprake is, verwerpt het hof het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman verder aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte deze feiten heeft begaan, nu niet vaststaat dat [verdachte] de persoon is op de afbeeldingen die zijn gemaakt bij het skimmen en ook van medeplegen met anderen niet blijkt.

Het hof overweegt als volgt.

De raadsman heeft aangevoerd dat het fotovergelijkend onderzoek uitgevoerd door [verbalisant 12] [hof: hierboven, bewijsmiddel 16] onvoldoende betrouwbare uitkomsten heeft opgeleverd zodat niet op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld dat [verdachte] op de foto’s staat.

Het hof ziet echter geen reden om het gezichtsvergelijkend onderzoek niet als bewijsmiddel te gebruiken. Het hof heeft het proces-verbaal op zijn inhoud en conclusies getoetst, mede in samenhang met de overige bewijsmiddelen. Het hof merkt op dat het gezichtsvergelijkend onderzoek weliswaar is bemoeilijkt door de (mindere) kwaliteit van het beeldmateriaal, maar dat de deskundige desondanks concludeert dat op de beelden van het skimmen in Volkel op 7 september 2009 en van de poging tot skimmen op 31 juli 2009 in Soerendonk mogelijk [verdachte] stond afgebeeld en dat de persoon op de beelden in Volkel en Liempde (ten tijde van het cashen aldaar) waarschijnlijk dezelfde persoon betrof. Deze voorzichtige conclusies worden bevestigd door de andere bewijsmiddelen. Zo wordt de conclusie met betrekking tot de skimbeelden in Volkel versterkt door de herkenning van [verdachte] door de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 11] op de door [verbalisant 12] onderzochte beelden (p. 137, 139, en p. 228: prints 9A-9C; bewijsmiddelen 14 en 15). De verbalisanten hebben verdachtes gelaatstrekken en uitdrukkingen tijdens de aanhouding en de verhoren kunnen waarnemen. Dat maakt dat zij in staat moeten worden geacht verdachte te herkennen op afbeeldingen. Verder droeg de persoon die op 9 september 2009 te 23.58 uur bij de Rabobank te Liempde geld heeft gecasht met de in Volkel in de periode 7 en 8 september 2009 geskimde pas een bepaalde jas en pet. Die jas is herkend als een jas die [verdachte] droeg bij zijn aanhouding heel kort daarna, terwijl een soortgelijke pet zich bevond naast de bijrijdersstoel waarin [verdachte] ten tijde van de aanhouding was gezeten (bewijsmiddelen 17-19). Ten slotte volgt uit de bewijsmiddelen 3a, 3b, 6-11 en 13b a. dat [verdachte] op 9 september 2009 omstreeks 00.00 uur in een auto zat die met hoge snelheid reed in Boxtel komende uit de richting Liempde, b. terwijl zich in die auto 74 geskimde passen bevonden, die even later grotendeels letterlijk aangetroffen in handen van [verdachte], waaronder de pas waarmee heel kort tevoren (23.58 uur) in Liempde was gecasht, en c. welke auto was voorzien van een navigatiesysteem waarop de skimlocatie en de cash-plaatsen waren ingevoerd.

Het hof overweegt verder dat vele andere bewijsmiddelen er op wijzen dat [verdachte] met een of meer anderen het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd:

Ten aanzien van het skimmen op 7 september 2009 zijn - naast de aangifte - camerabeelden, de resultaten van het gezichtsvergelijkend onderzoek, de herkenning van de verbalisanten en zendmastgegevens beschikbaar. Uit de zendmastgegevens (bewijsmiddel 21a, 21b en 22) blijkt dat de telefoon van [verdachte] in de nacht van 7 september 2009, ten tijde van het skimmen, contact heeft gehad met de telefoon van [medeverdachte I.], die belde via de zendmast te Uden waaronder ook de locatie van de Rabobank te Volkel valt. [verdachte] had bij zijn aanhouding een stuk van een legging zoals waarmee hij op de afbeeldingen is gemaskerd in zijn tas zitten en om zijn hals hangen (bewijsmiddel 3a). [verdachte] was bij zijn aanhouding in het bezit van pasjes met bij dit feit geskimde gegevens (bewijsmiddelen 8, 9 en 10). Ook blijkt dat in de auto waarin de vier verdachten ten tijde van de aanhouding zaten, een navigatiesysteem was aangesloten waarop de Rabobank in Volkel was ingevoerd als bestemming. Uit al deze bewijsmiddelen leidt het hof af dat het [verdachte] is geweest die in de nacht van 7 september 2009 bij de Rabobank, gelegen aan het Schakelplein te Volkel skimapparatuur heeft geplaatst. Omstreeks het plaatsen van de skimapparatuur hebben de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte I.] meerdere malen contact met elkaar gehad. Op de foto’s die van de skimmende [verdachte] zijn gemaakt, is een naar het linkeroor lopend kabeltje zichtbaar (p. 228). Ten tijde van deze gesprekken bevond de telefoon van [medeverdachte I.] zich binnen het bereik van de zendmast te Uden. De locatie van de geldautomaat van de Rabobank Volkel valt onder het stralingsgebied van deze mast.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat in ieder geval tussen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte I.] sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking bij het plaatsen van de skimapparatuur in Volkel op 7 september 2009, dat zij als medeplegers van dit feit kunnen worden aangemerkt.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2A

Uit de bewijsmiddelen, met name het excelbestand op blz. 149, blijkt dat op 9 september 2009 tussen 23:23 en 23:37 uur in totaal zeven geldopnames zijn gedaan uit een geldautomaat van de INGbank te Boxtel, waarbij het geld telkens van een andere rekening is afgeschreven. Het geld is opgenomen met behulp van gegevens die zijn “geskimd” op 7 september 2009 bij (een geldautomaat van) de Rabobank te Volkel. De vervalste passen die zijn gebruikt om de bewezen verklaarde geldopnames op 9 september 2009 uit te voeren, zijn aangetroffen in de auto (bewijsmiddelen 3a, 6-10).

Het feit dat telkens met een verschillende vervalste pas een geldbedrag van een verschillende rekening is opgenomen, toont aan dat telkens bij de daders sprake is geweest van een afzonderlijk wilsbesluit en een afzonderlijke handeling om geld op te nemen. Het gaat dus om meerdere afzonderlijke gevallen van diefstal.

Door de geldopname is het saldo van de rekeninghouder gedebiteerd (verminderd). Het opgenomen geld behoorde dus toe aan de verschillende rekeninghouders, niet aan de bank. Hieraan doet niet af dat de bank in dergelijke gevallen contractueel jegens de rekeninghouder gehouden is de schade van de rekeninghouder te vergoeden.

Volgens de tenlastelegging is het geld opgenomen uit een geldautomaat van de Rabobank. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat het gaat om een geldautomaat van de INGbank. De steller van de tenlastelegging is kennelijk in verwarring gebracht door het feit dat de verbalisant [verbalisant 9] kennelijk abusievelijk schrijft (blz. 146) dat is gecasht bij de Rabobank te Boxtel, terwijl uit het bij dit proces-verbaal gevoegde excelbestand (blz. 149) waarop de verbalisant zich baseert, blijkt dat het geld is opgenomen bij de INGbank te Boxtel. In aanmerking genomen dat de tenlastelegging evident het oog heeft op de geldopnames op 9 september 2009 tussen 23:00 en 24:00 uur te Boxtel respectievelijk te Liempde en dat ter terechtzitting geen misverstand heeft bestaan over deze beschuldiging zodat de verdediging zich hiertegen heeft kunnen verweren, zal het hof bewezen verklaren, overeenkomstig de uit de bewijsmiddelen blijkende werkelijke gang van zaken, dat het een geldautomaat van de INGbank was.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2B

Hier gaat het blijkens het excelbestand op blz. 149 om één geldopname uit een geldautomaat van de Rabobank te Sint Michielsgestel om 23:58 uur met een vervalste pas, aangetroffen in de auto dan wel onder een van de vier inzittenden van de auto, onder wie de verdachte, terwijl de gegevens op de vervalste pas zijn verkregen door “skimmen” op 7 september 2009 bij (een geldautomaat van) de Rabobank te Volkel. Uit het proces-verbaal van relaas (blz. 30) blijkt dat in het genoemde excelbestand met de Rabobank Sint Michielsgestel wordt bedoeld de Rabobank te Liempde (welk filiaal valt onder de Rabobank Sint Michielsgestel).

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het tijdsbestek tussen de laatste opname in Liempde om 23.58 uur en de aanhouding van de verdachten om 00.05 te kort is geweest om de afstand te overbruggen tussen Liempde en de plaats waar de auto van verdachten voor het eerst is waargenomen door de politie - volgens de raadsman ruim drie kilometer - zodat het te Liempde gepleegde misdrijf niet door de inzittenden van de auto kan zijn gepleegd.

Het hof verwerpt dit verweer. Uitgaande van de door de raadsman genoemde afstand en daarbij in aanmerking genomen dat door de verbalisanten werd waargenomen dat de verdachten met hoge snelheid uit de richting van Liempde kwamen, acht het hof het zeer wel mogelijk dat verdachten zich in het tijdsbestek van minder dan ongeveer 7 minuten hebben kunnen verplaatsen van Liempde naar Boxtel. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat de achtervolging en doorzoeking van de auto enige tijd zal hebben gekost. Als de auto gemiddeld ongeveer 80 kilometer per uur heeft gereden, is een afstand van ongeveer vier kilometer overbrugd in ongeveer drie minuten.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 4

De raadsman heeft aangevoerd dat de conclusie van de deskundige in het gezichtsvergelijkend onderzoek dat verdachte ‘mogelijk’ op de beelden is te zien, onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen; dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring nu enkel een gat in de automaat is geconstateerd en daarmee niet vast staat dat het een poging tot skimmen betreft; dat uit het dossier niet blijkt wie de markeringspas in zijn bezit heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals reeds weergegeven in de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de conclusie van [verbalisant 12] dat op de geselecteerde prints van het beeldmateriaal van de geldautomaat te Soerendonk, d.d. 31 juli 2009, mogelijk [verdachte] staat afgebeeld.

Naast de conclusie van de deskundige [verbalisant 12] bevat het dossier meer belastend bewijs tegen verdachte. Zo neemt het hof in aanmerking dat de conclusie van het gezichtsvergelijkend onderzoek wordt versterkt door de ambtshalve herkenning van de [verbalisant 8], zoals weergegeven in bewijsmiddel 25. Voorts zijn de specifieke plaatsen waar de twee pogingen tot skimmen hebben plaatsgevonden – te weten de Rabobank te Soerendonk en Ospel – ingevoerd in het navigatiesysteem dat in de auto van de verdachten werd aangetroffen. Tevens bestaat door het gebruik van de zogenaamde markeerpas met het nummer [nummer], die zowel bij de geldautomaat van de Rabobank te Soerendonk alsook bij de geldautomaat van de Rabobank te Ospel is gebruikt, een directe relatie tussen beide pogingen. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman

Het hof overweegt voorts dat uit de aangiften namens de benadeelde Rabobank te Soerendonk en Rabobank te Ospel blijkt dat aan de bewuste betaalautomaten op enig moment schade is toegebracht. Bij de geldautomaat van de Rabobank te Soerendonk ontbrak het pasinvoer device. Op de camerabeelden van de betreffende geldautomaat werd gezien dat twee mannen bezig waren met de geldautomaat. Bij de geldautomaat van de Rabobank te Ospel werd een gat geboord onder het invoerdevice, tevens werden de bewakingscamera’s afgeplakt. Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat is gepoogd om skimapparatuur op die betaalautomaten aan te brengen. Naar het oordeel van het hof is het demonteren van de pasinvoer device bij de Rabobank in Soerendonk en het boren van een gat onder het invoerdevice bij de Rabobank in Ospel naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zonder meer gericht op de voltooiing van het misdrijf van artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Het hof overweegt tenslotte dat - naast de aangiftes - ten aanzien van Soerendonk camerabeelden, de resultaten van het gezichtsvergelijkend onderzoek en de herkenning van de verbalisant beschikbaar zijn. Voorts geldt voor beide locaties dat gebruik is gemaakt van dezelfde markeerpas en de navigatiegegevens van beide bestemmingen waren ingevoerd in het navigatiesysteem dat was aangesloten in de auto waarin verdachte op 9 september 2009 is aangehouden, naast andere locaties waar verdachte zich schuldig had gemaakt aan het skimmen of cashen met behulp van geskimde passen. Uit deze bewijsmiddelen leidt het hof af dat het [verdachte] is geweest die zowel op of omstreeks 31 juli 2009 bij een geldautomaat van de Rabobank te Soerendonk alsook op 2 augustus 2009 bij een geldautomaat van de Rabobank te Ospel heeft gepoogd om skimapparatuur te plaatsen. Dat niet kan worden vastgesteld wie de markeerpas in zijn bezit heeft gehad doet aan het oordeel van het hof niet af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk een betaalpas en/of een waardekaart bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

A.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

B.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

A.

poging tot opzettelijk een betaalpas of een waardekaart bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken of vervalsen met het oogmerk zichzelf te bevoordelen.

B.

poging tot opzettelijk een betaalpas of een waardekaart bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken of vervalsen met het oogmerk zichzelf te bevoordelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de omstandigheid dat door de bewezen verklaarde feiten het vertrouwen dat gebruikers moeten kunnen stellen in het geautomatiseerde bancaire systeem, is geschonden;

- de omstandigheid dat door feiten als de onderhavige aanzienlijke financiële schade wordt toegebracht aan de betrokken rekeninghouders, dan wel aan de betrokken banken;

- de omstandigheid dat het hier gaat om het plegen van feiten in georganiseerd groepsverband, waarbij op geraffineerde wijze gebruik is gemaakt van (kennelijk) professionele, geavanceerde elektronische apparatuur;

- de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders, zoals algemeen bekend is bij feiten als de onderhavige, hebben gehandeld uit puur winstbejag.

Het hof oordeelt vandaag tegelijkertijd over [verdachte], [medeverdachte S.], [medeverdachte I.] en [medeverdachte B.]. Bij de straftoemeting is in hun onderlinge verhouding rekening gehouden met het feit dat [verdachte] wordt veroordeeld voor meer feiten dan de andere verdachten en dat [medeverdachte B.] en [medeverdachte S.], anders dan [verdachte] en [medeverdachte I.], niet worden veroordeeld voor het onder 1 primair tenlastegelegde, maar voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

Dit alles brengt het hof tot het opleggen van de volgende gevangenisstraffen: [verdachte] 30 maanden; [medeverdachte I.] 24 maanden: [medeverdachte S.] en [medeverdachte B.] 20 maanden.

Gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf als door de raadsman bepleit. Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Gelet op de omstandigheid dat ter terechtzitting in hoger beroep namens verdachte afstand is gedaan van de onder hem in beslag genomen voorwerpen, zal het hof geen beslissing nemen over de in beslag genomen goederen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 10.979,65. De vordering heeft betrekking op de onder 2 tenlastegelegde feiten (diefstal van geld uit geldautomaten met behulp van een valse sleutel).

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij geen rechtstreekse schade heeft geleden.

Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof niet bewezen dat de benadeelde partij [benadeelde 1] rechtstreekse schade heeft geleden dat door verdachtes bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. Blijkens het voegingsformulier is de vordering ingediend door [benadeelde 1] , die hierbij kennelijk optreedt voor zichzelf en niet als procesgemachtigde namens de Bank. Slechts de gedupeerde rekeninghouder dan wel de Bank zijn aan te merken als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten benadeelde. De benadeelde partij [benadeelde 1] kan reeds om die reden niet haar vordering worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.846,00.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

De benadeelde partij heeft blijkens het voegingsformulier kostenposten opgevoerd terzake ‘personeelskosten’ ad EUR 1.744,-- en een nota ‘NCR GEA’ ad EUR 102,--. Voor het hof is niet duidelijk geworden waaraan deze bedragen zijn ontleend. Zelfs is niet duidelijk op welk(e) tenlastegelegd(e) feit of feiten de vordering betrekking heeft. Heropening van het onderzoek ter terechtzitting om daarover duidelijkheid te verkrijgen zou tot gevolg hebben dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 232 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 18 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.