Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR1675

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
HD 200.080.986
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Conservatoir (derden)beslag. Art. 700 lid 3 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.080.986

arrest van de vierde kamer van 12 juli 2011

in de zaak van

1. GEBRU B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. PARKBEHEER OOIJEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. RECREATIEPARK KASTEEL OOIJEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. APPARTEMENTEN KASTEEL OOIJEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.F.P.M. van Helvoort,

tegen:

1. VDB ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [X.] BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Y.],

wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.M.J. Weijers,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 januari 2011 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 24 december 2010 tussen appellanten – appellanten sub 1 en 2 afzonderlijk aan te duiden als Gebru respectievelijk Parkbeheer Ooijen, appellanten samen aan te duiden als Gebru c.s. - als gedaagden en geïntimeerden – geïntimeerden sub 1 en 2 samen aan te duiden als [X.] en geïntimeerde sub 3 aan te duiden als [Y.] - als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 222276/KG ZA 10-821)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben Gebru c.s. 22 producties overgelegd, drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [X.] en [Y.], met veroordeling van laatstgenoemden in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [X.] en [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1. [Y.] heeft op 16 november 2007 met Gebru een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot verkoop van de aandelen in [Y.] Beheer B.V. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de verkooptransactie. [Y.] is daarbij bijgestaan door [X.].

4.1.2. Gebru c.s. hebben op 12 december 2008 conservatoir beslag gelegd ten laste van [Y.] op de bankrekening van [Y.] bij de Rabobank Bergeijk. Op dezelfde dag hebben zij conservatoir beslag tot afgifte alsmede bewijsbeslag gelegd op dossiers van [X.]. De dossiers zijn afgegeven aan de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement ’s-Hertogenbosch als gerechtelijk bewaarder.

4.1.3. In de beschikking tot verlof beslag van 28 november 2008 is bepaald dat de eis in de hoofdzaak binnen 28 dagen na het (eerst gelegde) beslag diende te worden ingesteld. Die termijn zou eindigen op 9 januari 2009. Op verzoek van Gebru c.s. is die termijn bij beschikking van 9 januari 2009 verlengd met vier weken, gerekend vanaf de dag waarop de lopende termijn is verstreken. Uit het verzoekschrift waarin de verlenging is verzocht blijkt dat de beschikking de beide in 4.1.2. gelegde beslagen betreft. In de beschikking is bepaald dat deze verlenging om haar werking te behouden binnen acht dagen na het verstrijken van de lopende termijn bij deurwaardersexploot of aangetekende brief aan de gerekwestreerde moest zijn medegedeeld. Deze verlengde termijn eindigde op 6 februari 2009.

4.1.4. Gebru c.s. hebben deze verlenging bij aangetekende brief van 16 januari 2009 medegedeeld aan de derde-beslagene, de Rabobank Bergeijk. De verlenging is niet medegedeeld of betekend aan [Y.] en/of [X.].

4.1.5. Bij beschikking van 9 februari 2009 is de hier bedoelde termijn verlengd met drie weken, te rekenen vanaf de dag waarop de lopende termijn is verstreken. Uit het verzoekschrift waarin deze verlenging is verzocht - gedateerd op 6 februari 2009, volgens een daarop geplaatst stempel ingekomen ter griffie op 9 februari 2009 - blijkt dat dit verzoek alleen het beslag ten laste van [Y.] betreft. Ook in deze beschikking is bepaald dat deze verlenging om haar werking te behouden binnen acht dagen na het verstrijken van de lopende termijn bij exploot of aangetekende brief diende te worden medegedeeld aan de gerekwestreerde. Bij exploot van 13 februari 2009 is deze beschikking aan de Rabobank Bergeijk betekend. Deze verlenging is niet medegedeeld aan [Y.] en/of [X.]. De verlengde termijn zou eindigen op 2 maart 2009.

4.1.6. Bij beschikking van 2 maart 2009 is verlenging termijn toegestaan als verzocht, met dien verstande dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk op vier weken na de datum van die beschikking diende te worden ingesteld. Ook dit verzoek betrof alleen [Y.]. Deze verlengde termijn zou eindigen op 30 maart 2009. Mededeling van de verlenging heeft niet plaatsgevonden.

4.1.7. Gebru c.s. hebben bij dagvaarding van 6 februari 2009 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch een kort geding jegens [X.] aanhangig gemaakt, waarin zij vorderden, kort gezegd, dat [X.] zou worden veroordeeld medewerking te verlenen tot afgifte van (kopieën van) stukken, dossiers, administratie, correspondentie etc. zoals door de deurwaarder in beslag genomen, dan wel tot het verlenen van inzage daarin.

4.1.8. Bij verzoekschrift van 13 maart 2009, gericht tegen [Y.] en [X.], hebben Gebru c.s. verzocht beslag te mogen leggen op de onder de Deken rustende goederen welke in beslag zijn genomen op grond van de beschikking van 28 november 2008. Gebru c.s. hebben daartoe gesteld dat op 2 maart 2009 een kort gedingdagvaarding was behandeld bij de rechtbank en dat op voorhand niet zeker was dat de vorderingen zouden worden toegewezen, maar dat zij er groot belang bij had dat de stukken niet verloren zouden gaan, maar zouden blijven berusten onder de Deken. Bij beschikking van 13 maart 2009 heeft de voorzieningenrechter bepaald: “Conservatoir beslag tot afgifte toegestaan als verzocht”. In deze beschikking is geen termijn bepaald voor het instellen van de eis in de hoofdzaak.

4.1.9. De vorderingen genoemd in 4.1.7. zijn afgewezen bij vonnis in kort geding van 16 maart 2009.

4.1.10. Op 24 maart 2009 is beslag gelegd onder de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement ’s-Hertogenbosch tot afgifte van in het exploot genoemde stukken, te weten 7 gele enveloppen met inhoud.

4.1.11. Bij verzoekschrift van 6 april 2009 hebben Gebru c.s. verzocht de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak betreffende het in 4.1.10 genoemde beslag te verlengen met twee weken. Bij beschikking van 7 april 2009 is bepaald dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk op 21 april 2009 diende te worden ingesteld. Bij beschikking van 21 april 2009 is opnieuw verlenging van de termijn toegestaan, met dien verstande dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk op 28 april 2009 diende te worden ingesteld. Bij beschikking van 29 april 2009 is wederom verlenging van de termijn toegestaan, met dien verstande dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk op 6 mei 2009 diende te worden ingesteld. Van deze verlengingen is geen mededeling gedaan.

4.1.12. Bij exploot van 27 maart 2009 hebben Gebru c.s. [Y.] gedagvaard en gevorderd, kort weergegeven, in het incident: een deskundigenbericht te gelasten en [Y.] te veroordelen tot betaling van een voorschot en in de hoofdzaak: te bepalen dat Gebru c.s. rechtmatig belang hebben bij afschriften van, subsidiair inzage in, namens haar inbeslaggenomen gegevens bij [X.], [Y.] te veroordelen tot betaling van € 430.274,58 en afgifte van diverse zaken. Op 7 mei 2009 is een herstelexploot uitgebracht.

4.1.13. Bij exploot van 6 mei 2009 hebben Gebru c.s. [X.] gedagvaard en gevorderd, kort weergegeven, [X.] te bevelen medewerking te verlenen tot afgifte van (kopieën van) de inbeslaggenomen, zich onder de Deken bevindende, stukken, althans daarin onbeperkt inzage te verlenen, of een deskundige aan te wijzen om te bepalen welke stukken aan Gebru c.s. toebehoren en aan hen dienen te worden verstrekt. Op 17 juni 2009 is een akte herstel verzuim substantiëringsplicht genomen in de zaak tegen [X.] en op 22 juli 2009 in de zaak tegen [Y.].

4.1.14. De zaak tegen [Y.] is op 28 oktober 2009 verwezen naar de parkeerrol, de zaak tegen [X.] op 4 november 2009. Beide hoofdprocedures zijn op 7 april 2010 door de rolrechter op de parkeerrol doorgehaald. Op 8 december 2010 zijn beide zaken op verzoek van Gebru c.s. op de rol geplaatst voor advocaatwijziging en voor conclusie van antwoord aan de zijde van [X.] en [Y.].

4.2. [X.] en [Y.] hebben in het onderhavige kort geding gevorderd Gebru c.s. te veroordelen het beslag dat zij op de dossiers van [X.] hebben doen leggen en het beslag onder de Rabobank Bergeijk op te heffen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Gebru c.s. in de kosten van de procedure. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat formeel de eis in hoofdzaak in beide procedures is genomen, maar dat [X.] en [Y.] niet van antwoord konden concluderen, doordat de producties van Gebru c.s. ontbraken. Materieel is daarom niet voldaan aan de eisen van art. 700 Rv, aldus [X.] en [Y.]. De gelegde beslagen zijn door het handelen van Gebru c.s. slechts een pressiemiddel geworden, zo stellen zij. Bovendien is volgens hen de eis in hoofdzaak niet meer aanhangig, omdat de procedures ambtshalve zijn doorgehaald.

4.2.1. Bij vonnis van 24 december 2010 heeft de voorzieningenrechter de beslagen opgeheven. De voorzieningenrechter concludeerde dat in beide procedures sprake is van overschrijding van de termijnen voor het instellen van de eis in de hoofdzaak. Daarbij achtte hij ook van belang dat Gebru c.s. zich processueel passief opstellen door na het leggen van de beslagen 1,5 jaar stil te zitten.

4.3. De eerste grief van Gebru c.s. houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte de feiten heeft vastgesteld zoals hij heeft gedaan. Nu dit verwijt in het geheel niet is geconcretiseerd faalt de grief.

4.4. Grief 2 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte de opheffing van de beslagen heeft bevolen omdat de voorgeschreven vormen voor het tijdig instellen van de eis in hoofdzaak in beide zaken zouden zijn verzuimd door Gebru c.s., althans dat de voorzieningenrechter zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Grief 3 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte het belang van [X.] en [Y.] zwaarder heeft laten wegen dan dat van Gebru c.s., althans dat onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.5. Artikel 700 lid 3 Rv. bepaalt dat in het geval van conservatoir (derden)beslag het instellen van een eis in de hoofdzaak geschiedt binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn van ten minste acht dagen na het beslag. De voorzieningenrechter kan de termijn verlengen, indien de beslaglegger dit voor het verstrijken van de termijn verzoekt. De verlenging moet, om haar werking te hebben, binnen acht dagen na het tijdstip waarop de termijn zonder verlenging zou verstrijken, schriftelijk zijn medegedeeld aan de in art. 718 Rv. bedoelde derde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak doet het beslag vervallen.

4.6. Met betrekking tot het beslag ten laste van [Y.] geldt het volgende:

De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is bij beschikking van 9 januari 2009 verlengd met vier weken, echter onder de voorwaarde dat de verlenging om haar werking te behouden binnen acht dagen aan gerekwestreerde zou worden medegedeeld. Die mededeling heeft niet plaatsgevonden. Gebru c.s. stelt dat zij ervan is uitgegaan dat zij, omdat de wet de verplichting kent dat een termijnverlenging aan de derde-beslagene moet worden medegedeeld en in de beschikking wordt gesproken van gerekwestreerde, enkelvoud, kon volstaan met mededeling aan de Rabobank Bergeijk. Die stelling van Gebru c.s. gaat niet op, nu de voorzieningenrechter uitdrukkelijk de voorwaarde heeft gesteld, kennelijk met het oog op de belangen van [X.] en [Y.], dat mededeling aan “gerekwestreerde” zou plaatsvinden. Dat de voorzieningenrechter hier het enkelvoud gebruikte wordt verklaard doordat hij in de aanhef van de beschikking alleen de naam van [Y.] noemde. Mededeling aan de derde-beslagene wordt inderdaad in de wet geëist, zodat zo’n mededeling in elk geval, ook zonder voorschrift van de voorzieningenrechter, noodzakelijk was. In dit geval bepaalde de voorzieningenrechter dat ook aan [X.] en [Y.] mededeling moest worden gedaan. De conclusie is dat de verlenging van de termijn geen werking heeft gekregen door het achterwege blijven van de voorgeschreven mededeling aan [Y.]. De termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak is dus op 9 januari 2009 verstreken.

4.6.1. Het hof merkt bovendien op dat de tweede verlenging te laat is verzocht. Verlenging moet worden verzocht vóór het verstrijken van de termijn, in dit geval dus vóór 6 februari 2009. Het verzoek tot verlenging is weliswaar op die datum gedateerd, maar het is ter griffie ontvangen op 9 februari 2009, dus na het verstrijken van de termijn.

4.6.2. Nu de eis in de hoofdzaak tegen [Y.] is ingesteld bij dagvaarding van 27 maart 2009, was dit dus in elk geval te laat. Het beslag onder de Rabobank Bergeijk is vervallen.

4.7. Met betrekking tot het beslag dat op 12 december 2008 onder [X.] is gelegd geldt het volgende:

Hetgeen onder 4.6. is overwogen geldt hier eveneens: van de verlenging van de termijn in de beschikking van 9 januari 2009 is geen mededeling gedaan aan [X.], zodat die verlenging geen werking heeft gekregen. De termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak verstreek dus op 9 januari 2009.

4.7.1. Gebru c.s. stellen dat zij de eis in hoofdzaak tijdig hebben ingediend door op 6 februari 2009 een kort geding tot afgifte c.q. inzage aanhangig te maken tegen [X.]. Die stelling is niet juist. Uit hetgeen in rov. 4.7 is overwogen volgt dat de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak op 6 februari 2009 reeds was verstreken.

4.7.2. Daarna is nog een eis in de hoofdzaak ingediend op 6 mei 2009, maar ook die eis is te laat ingesteld. Ook het op 12 december 2008 onder [X.] gelegde beslag is dus vervallen.

4.8. Met betrekking tot het in 4.1.8 en 4.1.10 genoemde beslag geldt het volgende:

Het verzoekschrift van 13 maart 2009, dat is gericht tegen [Y.] en [X.], betreft het eerder op 12 december 2008 gelegde conservatoire beslag tot afgifte en bewijsbeslag onder [X.]. De Deken van de Orde van Advocaten te ’s-Hertogenbosch was aangesteld tot bewaarder, de beslagen stukken bevonden zich bij hem. Onder IV is in het verzoekschrift vermeld:

“Gelijktijdig met het indienen van dit verzoek zal de hierbij gaande dagvaarding aan de deurwaarder worden verzonden met het verzoek tot ommegaande betekening over te gaan. In de dagvaarding wordt gevorderd inzage in de bescheiden en bestanden en verstrekken van afschriften van de bescheiden en gegevens ex artikel 843a Rv. Bovendien wordt door verzoeksters gevorderd dat gedaagde opdracht geeft aan zijn adviseurs om de bewaarder te berichten dat de bestanden en gegevens aan de raadsman van verzoeksters kunnen worden afgegeven.”

4.8.1. [X.] en [Y.] stellen dat het verzoek is toegestaan als verzocht en dat dat in dit geval betekent dat het is verleend onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak per ommegaand zou worden ingesteld. In feite is de eis pas ingesteld op 6 mei 2009, dus bijna acht weken na het verleende verlof en dus te laat. Het beslag is vervallen doordat niet is voldaan aan de voorwaarden van het verlof, in ieder geval is daardoor een grond voor opheffing ontstaan, aldus [X.] en [Y.].

4.8.2. Gebru c.s. stellen dat zij, nu door de voorzieningenrechter geen termijn was bepaald, mochten uitgaan van de standaardtermijn van 14 dagen. Tegen [Y.] is de eis in de hoofdzaak tijdig ingesteld door de dagvaarding van 27 maart 2009. Ten aanzien van [X.] hebben zij verlenging van de termijn gevraagd en verkregen. De wet gebiedt niet dat zij daarvan mededeling deden aan [X.], aldus Gebru c.s.

4.8.3. Het hof overweegt het volgende. Zoals hiervoor onder 4.7 tot en met 4.7.2 is overwogen is het beslag van 12 december 2008 onder [X.] vervallen, omdat niet uiterlijk op 9 januari 2009 een eis in de hoofdzaak is ingesteld. De in beslag genomen zaken bleven onder berusting van de Deken. Het beslag dat daarna op 24 maart 2009 is gelegd, is te kwalificeren als derdenbeslag onder de Deken op zaken van [X.] en/of [Y.].

4.8.4. In de beschikking van 13 maart 2009, waarin verlof werd verleend tot het leggen van beslag onder de Deken ten laste van [X.] en/of [Y.], is geen termijn opgenomen waarbinnen de eis in de hoofdzaak moest worden ingesteld. Het hof gaat er gelet op art. 700 lid 3 Rv., waarin is voorgeschreven dat een termijn wordt bepaald waarbinnen de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld, van uit dat de voorzieningenrechter dat heeft nagelaten omdat hij, gezien het daaraan ten grondslag liggende verzoekschrift (zie 4.8), ervan mocht uitgaan dat de eis in de hoofdzaak eveneens op 13 maart 2009 zou worden ingesteld. Dit is niet gebeurd. Ook dit beslag is derhalve vervallen.

4.9. Strikt genomen was opheffing van de beslagen niet noodzakelijk, omdat de beslagen al waren vervallen. Toewijzing van de vorderingen schiep wel de noodzakelijke duidelijkheid. Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief faalt. Belangenafweging tussen partijen komt niet meer aan de orde, zodat de derde grief niet behoeft te worden besproken. Het hof merkt ten overvloede op dat het zich op dit punt verenigt met het oordeel van de voorzieningenrechter.

4.10. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Gebru c.s. zal als de in het ongelijk gesteld partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Gebru c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke aan de zijde van [X.] en [Y.] worden bepaald op € 649,00 aan verschotten en € 894,00 aan salaris van de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Huijbers-Koopman, H.A.W. Vermeulen en A.E.M. van der Putt-Lauwers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juli 2011.