Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR1604

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
HD 200.059.836 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernieling in ophoudruimte politie.

Bewijslast en bewijsopdracht politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.059.836

arrest van de vierde kamer van 12 juli 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M. Kortekaas,

tegen:

Politie Midden en West Brabant Unit Beheerszaken,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.C. J. Aarts,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 maart 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, gewezen vonnis van 16 december 2009 tussen appellant – [X.] - als gedaagde en geïntimeerde – de Politie - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 559324 CV EXPL 09-5709)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de Politie als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van de Politie in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de Politie de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In beide procesdossiers ontbreken één of meer pagina’s van de inleidende dagvaarding (de op het voorblad volgende pagina begint met “5.. Zo heeft eiseres thans opeisbaar te vorderen:”), de tweede pagina van het als productie 1 overgelegde rapport van de wijkagent, de producties 2, 3, 4 en 5 en de conclusie van repliek. Laatstgenoemd processtuk is bij faxbrief van 19 mei 2011 door de advocaat van de politie nagezonden. Het hof heeft de genoemde ontbrekende producties uit het griffiedossier gelicht.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 3.1 van het bestreden vonnis heeft de kanonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

4.2. Het gaat om het volgende.

a. Op 6 augustus 2007 is [X.] door de politie aangehouden in verband met zijn geestelijke gesteldheid en getransporteerd naar het politiebureau. Daar is hij in een zogenaamde ophoudruimte geplaatst.

b. In deze ophoudruimte heeft [X.] een stoel stuk geslagen. Volgens de Politie heeft [X.] ook schade aangericht aan een deur en stucwerk van deze ophoudruimte.

c. Van het gedrag van [X.], alsmede van de schade die dit tot gevolg had, is door de betrokken wijkagent een rapport opgemaakt. In dit rapport staat onder meer vermeld:

“Onderweg en bij aankomst aan postbureau maakte hij al weer enigszins een rustige indruk. De transportboeien werden afgedaan en hem werd koffie aangeboden. Gezien de omstandigheden en vgls huisregels werd hij verzocht zijn veters en broekriem uit te doen. Alsof er een knopje omging, [X.] ging helemaal door het lint. De inventaris alsmede de deur en het stucwerk van de ophoudruimte moesten het ontgelden. (…) [X.] even laten uitrazen en hem vervolgens afgeboeid aan handen en voeten.”

d. De Politie heeft de volgens haar door [X.] aangebrachte schade aan de betreffende ophoudruimte laten herstellen door het bedrijf [Y.] Bouw & Ontwikkeling B.V.. Dit bedrijf heeft voor de werkzaamheden de Politie een factuur gestuurd van € 1.724,91 inclusief btw, welk bedrag de Politie aan het bedrijf heeft voldaan.

e. De Politie heeft de schade proberen te verhalen op [X.]. [X.] heeft dit bedrag niet aan de Politie voldaan.

4.3. In eerste aanleg heeft de Politie [X.] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 2.410,56 (bestaande uit de schade ad € 1.724,91, administratiekosten ad € 182,00, buitengerechtelijke incassokosten ad € 357,00 en wettelijke rente tot 19 augustus 2006 ad € 146,65), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.906,96 vanaf 19 augustus 2009 (datum eerste zitting) tot en met de dag der algehele voldoening en overigens kosten rechtens. De Politie heeft zich op het standpunt gesteld dat [X.] met een stoel de spiegel in de ophoudruimte heeft vernield, de stoel zelf heeft vernield en schade heeft aangebracht aan muren en een deur van die ophoudruimte.

4.4. [X.] heeft erkend dat hij door de politie is meegenomen en dat hij in een ophoudruimte is geplaatst. Hij heeft tevens erkend dat hij een stoel op de grond heeft stukgeslagen, maar hij heeft betwist dat hij schade heeft aangericht aan een spiegel (volgens [X.] was er geen spiegel in de ophoudruimte), de deur en het stucwerk van de ophoudruimte.

4.5. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat hij geen reden heeft om te twijfelen over wat op 6 augustus 2007 werd gerapporteerd en gemuteerd over wat zich die dag met betrekking tot [X.] heeft afgespeeld. De kantonrechter heeft vervolgens naar het hiervoor genoemde rapport van de wijkagent verwezen en geoordeeld dat hiermee het schadeveroorzakend handelen door [X.] in rechte voldoende is komen vast te staan. Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat de politie haar schadevordering ad € 1.724,91 voldoende heeft aangetoond en onderbouwd. De buitengerechtelijke incassokosten achtte de kantonrechter tot een bedrag van € 300,00 toewijsbaar en de gevorderde administratiekosten ad € 182,00 wees hij af. [X.] is veroordeeld in de proceskosten. Aldus heeft de kantonrechter de vordering van de Politie tot een bedrag van € 2.024,91, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.742,91 vanaf datum opeisbaarheid van die schade, toegewezen.

4.6. Tegen de afwijzing van een deel van de buitengerechtelijke incassokosten en van de administratiekosten is geen (incidentele) grief gericht. Die vorderingen maken dus geen deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep.

4.7. In de grieven I tot en met V komt [X.] – kort gezegd – op tegen toewijzing van de vordering en tegen het feit dat het oordeel van de kantonrechter enkel is gebaseerd op het rapport dat is opgemaakt door de wijkagent.

In de toelichting op deze grieven stelt [X.] onder meer dat de kantonrechter niet is ingegaan op zijn verweer dat de wijkagent partijdig zou zijn. Volgens [X.] kan de wijkagent als een partijgetuige worden gezien, nu de Politie eisende partij is en de wijkagent er derhalve alle belang bij heeft om in de verslaglegging ten nadele van [X.] te verklaren. Daarnaast gaat de Politie volgens [X.] uit van een aantal veronderstellingen die aantoonbaar onjuist zijn. Zo was [X.] niet in een echtscheiding verwikkeld en was zijn schoonmoeder geenszins ten einde raad.

In grief VI stelt [X.] dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft overwogen dat sprake zou zijn van een overmachtsituatie gezien de veronderstelde geestestoestand van [X.], althans dat dat voor de kantonrechter reden had moeten zijn om ex artikel 6:109 lid 1 BW te matigen.

4.8. Het hof zal grief VI eerst behandelen nu dit de meest verstrekkende grief is.

Voor zover [X.] met deze grief wil betogen dat hij heeft gehandeld onder invloed van een geestelijke tekortkoming en dat zijn handelwijze daarom niet als een onrechtmatige daad aan hem is toe te rekenen, faalt dit op grond van artikel 6:165 lid 1 BW.

Voor wat betreft het door [X.] genoemde matigingsrecht merkt het hof reeds nu op dat [X.] onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan, zou tot toekenning van de schadevergoeding worden geoordeeld, dat tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

4.9. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op de Politie de last te bewijzen dat [X.] schade heeft toegebracht aan de deur, het stucwerk en het meubilair in de ophoudruimte en dat de nota van [Y.] Bouw & Ontwikkeling B.V. van 25 november 2007 betrekking heeft op deze schade. De stellingen van de Politie zijn, gelet op de gemotiveerde betwisting door [X.], niet reeds op grond van het rapport van de wijkagent komen vast te staan. Nu een ambtsedig proces-verbaal met gedetailleerd verslag van de handelingen van [X.] en de daardoor veroorzaakte schade ontbreekt, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat dit bewijs voorshands geleverd is.

Het hof zal de Politie, gezien haar ter zake doende en voldoende gespecificeerde bewijsaanbod, toelaten te bewijzen dat [X.] de gestelde schade heeft veroorzaakt.

4.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

laat de Politie toe te bewijzen dat [X.] schade heeft toegebracht aan de deur, het stucwerk en het (overige) meubilair in de onderhoudsruimte en dat de nota van [Y.] Bouw & Ontwikkeling B.V. van 25 november 2007 betrekking heeft op deze schade;

bepaalt, voor het geval de Politie bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.W. Vermeulen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 26 juli 2011 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dins- en woensdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van de Politie bij zijn opgave op genoemde rol een fotokopie van het (volledige) procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rol dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van de Politie tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, H.A.W. Vermeulen en M.A. Wabeke en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juli 2011.