Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR1526

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
HD 200.010.088 T5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van LJN BR1519; LJN BR1521; LJN BR1522; LJN BR1525.

Art. 195 Rw onvermogendheid rechtspersoon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.010.088

arrest van de eerste kamer van 12 juli 2011

in de zaak van

1. [X.] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Y.],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J.L. Tacx,

tegen:

WIMA STUKADOORSWERKEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.A. van Gorcom,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 3 november 2009, 30 maart 2010, 21 september 2010 en 8 februari 2011 in het hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder nummer 154665/HA ZA 07-340 gewezen vonnissen van 25 april 2007, 10 oktober 2007 en 21 mei 2008.

Het hof zal hierna de nummering van de tussenarresten voortzetten.

18. Het tussenarrest van 8 februari 2011

Bij dit tussenarrest heeft het hof het door mr. G.A. van Gorcom bij brieven van 7 oktober 2010 en 23 december 2010 namens Wima gemaakte bezwaar tegen de omvang van het door deskundige begrote voorschot niet gegrond geoordeeld, het verzoek tot benoeming van een andere deskundige afgewezen, en volhard bij de beslissing zoals in het arrest van 21 september 2010 gegeven.

19. Het verdere verloop van de procedure

Bij brief van 14 april 2011 heeft mr. Van Gorcom andermaal bezwaar gemaakt tegen het door de deskundige begrote, en door het hof ten laste van Wima gebrachte voorschot.

Mr. G. Goorts heeft hierop namens [Z.] c.s. bij brief van 26 april 2011 gereageerd.

20. De verdere beoordeling

20.1. Mr. Van Gorcom heeft bij voormelde brief zijn eerdere stelling herhaald dat het begrote voorschot niet gerechtvaardigd wordt door de door de deskundige te verrichten werkzaamheden noch door het belang van de zaak. Voorts heeft hij aangevoerd dat het bedrag van het voorschot - dat het hof voorshands ten laste van Wima heeft gebracht - door Wima, gezien haar financiële situatie, niet kan worden opgebracht.

Mr. Goorts heeft verzocht om de zaak thans naar de rol te verwijzen voor voortprocederen, omdat het voorschot door Wima niet binnen de daarvoor gestelde termijn is voldaan.

20.3. Het hof stelt voorop dat het door mr. Van Gorcom in zijn brief gestelde niet kan leiden tot heroverweging van het oordeel inzake de benoeming van de deskundige en/of het daarmee gemoeide voorschot. Het hof volhardt in zijn oordeel als gegeven in het arrest van

8 februari 2011 dat het door de deskundige Hommes gehanteerde tarief alsmede de door deze begrote uren niet bovenmatig voorkomen.

20.4. Voor zover mr. Van Gorcom zich namens Wima er op heeft beroepen dat Wima niet in staat is het bedrag van het voorschot voor de werkzaamheden van de deskundige te voldoen, overweegt het hof als volgt.

20.4.1. Artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) garandeert het recht op toegang tot de rechter ten behoeve van de beslechting van civielrechtelijke geschillen. Dit recht kan aan nadere beperkingen worden onderworpen, maar die beperkingen moeten een legitiem doel dienen, en er moet een redelijke verhouding bestaan tussen dat doel en het gebruikte middel. In vaste jurisprudentie heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) inzake het heffen van griffierechten meermaals geoordeeld dat dit op zich geen beperking op de toegang tot de rechter vormt die onverenigbaar is met artikel 6 EVRM, maar dat dit in de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de hoogte van het griffierecht in verhouding tot de draagkracht van de rechtzoekende, anders kan zijn. In het arrest Cibici vs Polen van 3 maart 2009 heeft het EHRM voorts een uitspraak gedaan in een zaak waarin het voor de beslissing cruciale oordeel van een deskundige afhankelijk was gesteld van het door klager te betalen van een gelet op het inkomen van klager aanzienlijk voorschot. Het hof oordeelde dat, aangezien het beroep op het inkomen van klager was verworpen omdat hij niet in staat was geweest (rechten en) voorschotten te voldoen, sprake was van een inbreuk op zijn recht op een eerlijk proces en van een onevenredige beperking van zijn recht op toegang tot de rechter.

Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de verlening van rechtsbijstand ook aan rechtspersonen in beginsel niet is uitgesloten.

20.4.2. In de Nederlandse wetgeving wordt rekening gehouden met onvermogendheid bij het verlenen van rechtsbijstand zoals geregeld in de Wet op de Rechtsbijstand. Dit geldt niet alleen voor natuurlijke personen (artikel 34) maar ook voor rechtspersonen (artikel 36). Ingevolge artikel 36 wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet rechtsbijstand verleend aan een rechtspersoon, indien van deze rechtspersoon redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat deze kosten van rechtsbijstand betaalt uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid. Ingevolge artikel 12 lid 2 sub e van genoemde wet geldt voorts dat niet aan een rechtspersoon rechtsbijstand wordt verleend indien het rechtsbelang waarop het verzoek betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand.

Inzake voorschotten op een deskundigenbericht geldt daarnaast ingevolge artikel 199, lid 3 Rv (zoals dit luidt na inwerkingtreding van de Wet griffierechten burgerlijke zaken per 1 november 2010) dat aan partijen aan wie ingevolge de Wet op de Rechtsbijstand een toevoeging is verleend of ten aanzien van wie - natuurlijke personen, en in uitzonderingsgevallen ook rechtspersonen - ingevolge artikel 16 Wet griffierechten burgerlijke zaken het griffierecht voor onvermogenden is geheven, geen voorschot wordt opgelegd.

20.4.3. Het hof overweegt dat in geval een voorschot wordt bepaald als bedoeld in artikel 199 Rv - gelet op het hiervoor genoemde recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in het EVRM en zoals uitgewerkt in de jurisprudentie van het EHRM - ook wanneer geen beroep is gedaan op een van beide hiervoor genoemde wetten, het bepaalde in de derde volzin van artikel 195 Rv onder omstandigheden tevens van toepassing kan worden verklaard op een partij die in gelijke of vergelijkbare omstandigheden verkeert als een partij die daadwerkelijk een beroep op een van beide wetten heeft gedaan. In een dergelijk geval zal dan dus overeenkomstig het bepaalde in artikel 195 Rv geen voorschot worden opgelegd aan die partij, en wordt gelet op artikel 199 Rv het bedrag waarop deskundigen aanspraak hebben vooralsnog betaald ten laste van ’s Rijks kas. Dat bedrag wordt dan hangende het geding voorlopig in debet gesteld, totdat (nadat het geschil tussen partijen is beslist) overeenkomstig artikel 244 Rv door de rechter wordt bepaald wie dit bedrag aan de griffier dient te voldoen.

20.4.4. Het hof overweegt dat in het onderhavige geval mogelijk van dergelijke omstandigheden sprake is. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat het in casu gaat om een onderzoek door de deskundige naar de vraag of in 2006 op enig moment sprake was van een situatie bij Bidec dat zij niet (meer) over voldoende middelen beschikte om aan de met Wima aangegane c.q. voortgezette verplichtingen te voldoen. Zoals het hof in r.o. 12.5 heeft overwogen, zal Wima aan de hand van het door het uit te brengen rapport van de deskundige bewijs kunnen bijbrengen van haar stelling dat deze voormelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord, en voorts van de in het verlengde daarvan liggende stelling dat Van den Heuvel Beheer als bestuurder van Bidec bij het verstrekken van de (vervolg)opdrachten aan Wima wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Bidec niet meer aan haar verplichtingen jegens Wima zou kunnen voldoend en geen verhaal zou bieden.

20.4.5. Of de hiervoor genoemde financiële situatie zich ten aanzien van Wima voordoet, staat thans nog niet vast. Het hof zal Wima in de gelegenheid stellen haar huidige financiële positie met nadere bescheiden, voorzien van een concrete toelichting, inzichtelijk te maken, en daarmee te onderbouwen dat zij thans in omstandigheden verkeert als in artikel 36 (in verband met artikel 12 lid 2 sub e) Wet op de Rechtsbijstand dan wel in artikel 16 Wet griffierechten burgerlijke zaken bedoeld. Wima zal daarbij tevens de financiële draagkracht van haar directeur/enig aandeelhouder dienen te betrekken, alsmede de mogelijkheid voor deze om de voor de kosten van de deskundige benodigde middelen te verkrijgen.

20.5. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte zijdens Wima als hierna in het dictum vermeld, en in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aanhouden.

21. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 23 augustus 2011 voor het bij akte overleggen door Wima van de hiervoor onder 20.4.5 bedoelde gegevens;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, Th.C.M. Hendriks-Jansen en S. Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juli 2011.