Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR1191

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
20-003510-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt de verdachte vrij van medeplegen van moord, maar acht wel bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van moord. Daarbij is het opzet van de daders verdergegaan dan waarop het opzet van de verdachte was gericht. Het opzet van de verdachte is, net als dat van de daders, gericht op geweldpleging met gevolg dat naar het oordeel van het hof het misdrijf waarop het (voorwaardelijke) opzet van de verdachte was gericht voldoende verband houdt met het gronddelict: het medeplegen van moord. Dit maakt dat het hof enerzijds wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroven van het slachtoffer, maar anderzijds bij de strafoplegging rekening zal houden met het mindere opzet van de verdachte.

Ten laste van de verdachte is ook begunstiging bewezen verklaard, maar ter zake daarvan is hij ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003510-10

Uitspraak : 11 juli 2011

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 september 2010 in de strafzaak met parketnummer 01/825111-10 tegen de verdachte,

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

thans verblijvende in de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting Vught,

bij welk vonnis:

- de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde werd vrijgesproken;

- het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen werd verklaard;

- het bewezen verklaarde werd gekwalificeerd als “medeplegen van moord”;

- de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest;

- ten behoeve van [de vader van A] een schadevergoedingsmaatregel van EUR 6.904,31 (te vermeerderen met de wettelijke rente) aan de verdachte werd opgelegd;

- de vordering van de benadeelde partij [de vader van A] werd toegewezen tot het gevorderde bedrag van EUR 6.904,31 (te vermeerderen met de wettelijke rente);

- de teruggave aan de verdachte werd gelast van het in beslag genomen paar motorhandschoenen.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en aldus niet te zijn gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 februari 2011, 18 mei 2011 en 27 juni 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 10 juni 2010 en 8 september 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. A.W.A. Willemsen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouwe mr. M.A.W. Ketelaars naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. De vordering van de advocaat-generaal behelst voorts de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, de oplegging aan de verdachte van de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel en de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen paar motorhandschoenen.

De raadsvrouwe heeft primair bepleit dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken en dat de benadeelde partij bijgevolg in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. In subsidiaire zin heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 december 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (meermalen) een of meer kogel(s) in de richting van voornoemde [A] afgevuurd, waarbij die [A] door één van die kogels is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A.

[T] op of omstreeks 6 december 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [T] en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de richting van voornoemde [A] afgevuurd, waarbij die [A] door één van die kogels is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 december 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Gemert, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door opzettelijk

zich met [T] en/of [V] (terwijl hij wist dat [T] een vuurwapen bij zich droeg en/of wist van onenigheid tussen die [T] en/of [V] en die [A]) naar de flat van die [A] te begeven en/of (vervolgens) nadat hij, verdachte, en/of [T] gezien heeft/hebben, dat die [V] de hoofdingang van de flat had gepasseerd, zich na enige tijd naar de woning van [A] te begeven en/of zich in de hal van de woning van [A] op te houden en/of schuil te houden (teneinde die [T] te helpen bij een mogelijk treffen tussen [T] en [A]) en/of daardoor bij te dragen aan een bedreigende sfeer voor die [A] en/of (nadat het tot een treffen was gekomen in de woning tussen [T] en [A]) de doorgang naar buiten voor die [A] te blokkeren;

en/of

B.

hij op of omstreeks 6 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, nadat een misdrijf, te weten de overtreding van artikel 289 of 287 van het Wetboek van Strafrecht, was gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken en/of om de nasporing en/of om de vervolging te beletten en/of te bemoeilijken,

- de simkaart uit de telefoon van [V] heeft verwijderd en/of (vervolgens) in brand heeft gestoken en/of

- kleding en/of schoeisel van [V] en/of [T] en/of zichzelf en/of de sleutels van [A] in een of meer vuilniszak(ken) heeft gestopt en/of achter een wandje op zijn zolder heeft verborgen, althans gelegd en/of deze (na enige tijd) heeft weggemaakt/weggegooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verkorte aanduiding

Waar het hof in zijn overwegingen spreekt van [R] wordt bedoeld de verdachte [volledige naam van de verdachte]. Met [V] wordt bedoeld de medeverdachte [volledige naam van medeverdachte V] en met [T] wordt bedoeld de medeverdachte [volledige naam van medeverdachte T].

Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

• 1. De dood van [A]

1.1

Op 6 december 2009, tegen 10.00 uur ’s ochtends, is op de galerij van de vijfde verdieping van een flatgebouw aan [straat 1] te Geldrop het levenloze lichaam van een man aangetroffen. De ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateerden hierover als volgt.

“Op zondag 6 december 2009, omstreeks 09.55 uur, werden wij, verbalisanten, […] gezonden naar [straat 1] [huisnummer] te Geldrop. Ter plaatse gekomen bleek op de galerij voor het pand [straat 1] [huisnummer 2] (door het hof verbeterd gelezen, onder meer op grond van het proces-verbaal op p. 528, als nummer [huisnummer 3]) een persoon […] zojuist te zijn verleden. […] Uit het eerste onderzoek kwam naar voren dat de persoon welke was overleden, genaamd is: [A], geboren op [1979].”

1.2

De man werd door zijn vader en moeder geïdentificeerd als [A]. Van deze identificatie heeft verbalisant [verbalisant 3] het volgende proces-verbaal opgemaakt.

“Op dinsdag 8 december 2009, omstreeks 15.55 uur, confronteerde ik, verbalisant, in het St. Anna ziekenhuis te Geldrop: […] [de vader van A] en [de moeder van A] met het stoffelijk overschot van het slachtoffer.

Zowel [de vader van A] als [de moeder van A] verklaarden dat zij geconfronteerd waren met het lichaam van hun beider zoon, genaamd [A], geboren op [1979].”

1.3

Op 7 december 2009 heeft arts en patholoog F.R.W. van de Goot een uit- en inwendige schouwing op het lijk van [A] verricht. Daaruit bleek dat [A] onder meer aan zijn rechter elleboog een huidverscheuring had opgelopen en dat er verder sprake was van een enkelvoudig schotletsel. Het schotletsel heeft bloedverlies, longfunctieverlies en weefselschade tot gevolg gehad, hetgeen tot de dood heeft geleid. In het obductieverslag staat hierover het volgende vermeld.

“Bij de [op 7 december 2009 gehouden] sectie op het lichaam van [A] […] is het navolgende gebleken. […]

Het lijk was dat van een man met een lengte van 190 cm.

Uitwendig:

1. Er was links, zijwaarts aan de borst, een ronde huidperforatie van circa 5 mm in diameter.

2. Er was een deels scherprandige, deels wat rafelige huidverscheuring aan de rechter elleboog met onderliggende bloeduitstorting. Tevens waren er verschillende oppervlakkige krassen en beschadigingen nabij dit letsel. Op de huid was een schitterend scherfje aanwezig (waarschijnlijk een glasscherfje). […]

Inwendig:

1. Er was een schotkanaal, van links aan de borst, naar rechts en iets hoofdwaarts. Aan het einde van het schotkanaal (rechts aan de borst) was net onder de huid een grijze metalen kogel, welke aan de politie werd overhandigd. In de schotbaan lagen o.a. de beide longen, de aorta en de slokdarm.

2. Er was circa 2 liter bloed in de borstholte en er was een duidelijke bloeduitstorting in de rompwandspieren. […]

Interpretatie […]

Gezien o.a. de grote hoeveelheid bloed in de borstholte was dit bij leven opgelopen en het verklaart het intreden van de dood zonder meer op basis van bloedverlies, longfunctieverlies en weefselschade.

Er was aan de rechter elleboog een huidverscheuring met in de nabijheid meerdere kleine beschadigingen. Dit alles was het gevolg van inwerking van snijdend en/of klievend mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld kan optreden bij contact met schervend glas. […]

Conclusie

Bij [A], oud 30 jaren, was bloedverlies, longfunctieverlies en weefselschade ten gevolge van enkelvoudig schotletsel de oorzaak van het intreden van de dood.”

1.4

De kogel die in het lichaam werd aangetroffen, is overgedragen aan verbalisant [verbalisant 4]. De kogel was er een van het kaliber .22 en werd voor onderzoek veiliggesteld. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Op maandag 7 december 2009 heb ik verbalisant [verbalisant 4] de forensische sectie bijgewoond van het slachtoffer [A]. De sectie werd verricht door F.R.W. van de Goot. […] Tijdens de sectie werd in het lichaam van het slachtoffer een kogelpunt met het kaliber .22 aangetroffen. Het kogelpunt werd door mij, verbalisant, veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AABA4866NL.”

• 2. Sporenonderzoek ter plaatse

2.1

[A] woonde aan [straat 1] [huisnummer] te Geldrop. Zijn lichaam werd op een afstand van minder dan 20 meter van zijn woning, voor de deur van de woning aan [straat 1] [huisnummer 3], aangetroffen. Vanaf de voordeur van de woning van het slachtoffer werd een groot aantal bloedsporen aangetroffen in de richting van het trappenportaal tot enkele meters voorbij de plaats waar zijn lichaam lag. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 6], [verbalisant 4] en [verbalisant 7].

“Uit verkregen informatie [bleek dat] […] het slachtoffer [[A]] […] [woonde aan de] [straat 1][huisnummer] […] [te] Geldrop. […]

Wij, verbalisanten, zagen dat [deze woning zich bevond in een] […] flatgebouw. […] Wij zagen verder dat op de begane grond de bergingen van de betreffende woningen waren gesitueerd en […] dat vanuit het trappenportaal, op de begane grond, middels een afsluitbare deur een gang toegankelijk was alwaar betreffende bergingen bereikbaar waren.

Wij zagen vervolgens dat de toegang tot betreffend flatgebouw verkregen kon worden middels een centrale toegangsdeur. […]

Na het opmeten van de galerij op de vijfde verdieping bleek ons dat deze een breedte had van ongeveer 1,50 meter. […]

Wij, verbalisanten, zagen dat op de galerij van de vijfde verdieping […] het levenloze lichaam van een man lag. Wij zagen hierbij dat de benen van het betreffend slachtoffer gespreid waren in de richting van in de richting van genoemd trappenportaal. Wij zagen dat genoemd slachtoffer voor de voordeur lag van de woning [straat 1] [huisnummer 3] te Geldrop. Nadat de afstand was opgemeten vanaf het trappenportaal tot aan de plaats alwaar genoemd slachtoffer door ons was aangetroffen, bleek ons dat deze afstand ongeveer 23,54 meter bedroeg. Verder bleek ons dat de afstand van genoemd trappenportaal tot aan de voordeur van de woning [straat 1] [huisnummer] te Geldrop ongeveer 42,49 meter bedroeg.

Wij, verbalisanten, zagen vervolgens dat de voordeur van de woning [straat 1] [huisnummer] open stond. […]

Op de galerij alwaar door ons, verbalisanten, […] genoemd slachtoffer werd aangetroffen zagen wij dat vanaf de voordeur, van de woning [straat 1] [huisnummer] te Geldrop, een groot aantal bloedsporen aanwezig waren gaande in de richting van het […] trappenportaal tot enkel meters voorbij het aangetroffen slachtoffer.”

2.2

Bij forensisch technisch onderzoek bleek dat de voordeur van de woning van [A] geen braaksporen vertoonde. Het glas in deze deur was aan de buitenzijde intact, maar de binnenzijde van het bovenste raam van de voordeur was op twee plaatsen beschadigd. De eerste beschadiging bevond zich op een hoogte van circa 180 cm van de vloer en was een rond gat met daarachter een conchoïdale breuk: een breuk die onder andere optreedt indien een projectiel met hoge snelheid door een ruit wordt geschoten. Er werd op de bodem van de isolatieruimte tussen de buitenste en binnenste beglazing van het bovenste raam een projectiel aangetroffen en veiliggesteld (SIN AABS0648NL).

De tweede beschadiging aan de binnenzijde van het bovenste raam van de voordeur was een glasbreuk die zich bevond op een hoogte van circa 133 cm vanaf de vloer en was zeer waarschijnlijk ontstaan door botsend geweld. In deze breuk werd een scherf met bloed aangetroffen. Het onderzoek wees uit dat de conchoïdale breuk eerder was ontstaan dan de onderste breuk. De bevindingen van het forensisch technisch onderzoek zijn als volgt bij proces-verbaal verwoord.

“Op 7 december 2009, omstreeks 11.00 uur, werd door ons aangevangen met het daadwerkelijke forensische onderzoek in en aan de […] flatwoning [aan [straat 1] [huisnummer] te Geldrop]. […]

Op de buitenzijde van de [buitendeur] werden door ons geen braaksporen waargenomen. […]

Op de gewitte muur van de entree, welke zich direct links van de buitendeur bevond, werden door ons diverse bloedspatpatronen waargenomen.

Wij, verbalisanten, zagen dat het glas dat zich bevond in de buitendeur, geïsoleerd glas betrof. Wij zagen dat dit glas aan de buitenzijde van de woning intact was. Wij zagen dat het bovenste glasgedeelte aan de binnenzijde van de zojuist genoemde deur op twee plaatsen kapot was. De onderste breuk leek te zijn ontstaan door stotend geweld. Wij zagen dat de bovenste beschadiging naar alle waarschijnlijkheid was ontstaan door een inschot van een projectiel. […]

Wij zagen dat de onderste ruit volledig intact was, dit in tegenstelling tot de bovenste ruit.

Op circa 180 cm vanaf de vloer en circa 32,5 cm vanaf de rechter zijkant van het glas, zagen wij een beschadiging in de ruit. Wij zagen dat deze beschadiging een enigszins rond gat betrof dat zich enkel in de binnenste zijde van de isolatieruit bevond. Gezien vanaf de binnenzijde zagen wij dat zich achter het gat, aan de binnenzijde van deze ruit, een conchoïdale breuk (schulpvormig) bevond. Vanuit deze breuk liepen enkele radiaalbreuklijnen in diverse richtingen naar de buitenzijde van het raam. Ons is ambtshalve bekend dat een dergelijke breuk onder andere optreedt, indien een projectiel met hoge snelheid door een ruit wordt geschoten (inschot). […]

Op circa 133 cm vanaf de vloer en circa 35 cm vanaf de rechter zijkant van het glas […] werd door ons een tweede beschadiging waargenomen. Gezien de vorm van de aangetroffen glasbreuk was deze, zeer waarschijnlijk, ontstaan door botsend geweld. […]

Kennelijk was de conchoïdale breuk, het inschotspoor, […] eerder ontstaan dan de onderste breuk.

In de onderste glasbreuk bevond zich een scherf waarop wij bloed en vermoedelijk huidresten aantroffen. […]

Onder de glasbreuk, op de glaslat, zagen wij enkele bloedspatten, bloedvegen en tevens fijne zwarte haartjes. […]

Op de bodem van de isolatieruimte van de betreffende ruit zagen wij een vervormde loden prop liggen. Nadat wij enkele scherven uit de ruit verwijderd hadden, konden wij de loden prop uit de isolatieruimte nemen. De prop werd door ons herkend als een projectiel afkomstig uit een patroon. Het projectiel werd door ons veiliggesteld en gemarkeerd met de sin-code AABS0648NL.”

• 3. Waarnemingen van verschillende getuigen

3.1

De getuige [B] heeft vanaf haar woning uitzicht op de galerijen van de flats aan [straat 1] en zodoende de gebeurtenissen rondom het fatale schot kunnen waarnemen. Zij heeft tegenover de politie de volgende verklaring afgelegd.

“Ik ben getuige geweest van een schietpartij te Geldrop op zondag 6 december 2009. […]

Ik woon zelf op [het adres] te Geldrop. Vanuit de achterzijde van mijn woning en vanuit de achtertuin heb ik zicht op de galerij van de flats aan [straat 1] te Geldrop.

Ik was die ochtend in mijn woonkamer en hoorde geschreeuw. […] Ik ben voor mijn schuifpui gaan staan in mijn woonkamer en heb naar buiten gekeken. Ik zag toen dat er beweging was op de vijfde etage van de flat. Ik zag dat twee mannen achter elkaar aanrenden. Ik […] hoorde beide mannen schreeuwen naar elkaar. […] De mannen liepen achter elkaar aan in de richting van de trappenhal. […]

De mannen liepen maar een heel kort stukje achter elkaar aan, want ineens zag ik dat de voorste man wat afstand kon nemen, zich omdraaide en iets uit zijn kleding tevoorschijn haalde. Ik heb niet gezien waar hij dat voorwerp vandaan haalde, omdat hij het eigenlijk in zijn handen pakte, terwijl hij zich omdraaide. Ik zag dat de man het voorwerp in zijn rechterhand had. […] Het was zilverkleurig. Ik zag dat de man vervolgens zijn rechterarm strekte en met dat voorwerp in de richting wees van de andere man. Ik zag dat de andere man stil bleef staan. […] De beide mannen stonden op dat moment met de gezichten naar elkaar toe op een heel korte afstand van elkaar. […] Meteen nadat de man het voorwerp uit zijn kleding tevoorschijn haalde hoorde ik een schot afgaan. […]

Na een paar seconden zag ik dat de man die beschoten was, in elkaar zakte. […] Ik zag dat de schutter met het wapen op de in elkaar gezakte man afliep en normaals op hem richtte met het wapen. […] Op dat moment zag ik […] een jonge vrouw. […] Ik zag dat zij naar de man die op de grond lag, keek en naar de schutter. […] Ik zag […] dat ze […] een flatwoning binnen ging. […]

Nadat de schutter een paar keer heen en weer had gelopen, zag ik dat hij plotseling in de richting van de trappenhal liep en bij mij uit het zicht verdween […] door de deur van de trappenhal. […]

Ik zag ook dat de vrouw die ik eerder […] zag […] zich op de galerij bevond. Zij was op dat moment in het gezelschap van een lange slanke man. Die lange slanke man was zeker niet de schutter.”

3.2

De getuige [C], die in de ochtend van 6 december 2009 aanwezig was in de woning van haar vriend aan [straat 1] [huisnummer 3], heeft gehoord dat enkele mannen ruzie maakten op de galerij en dat een vrouw direct voorafgaand aan een knal riep “Schiet ‘m neer”. Haar getuigenverklaring luidt als volgt.

“Op zaterdag 5 december 2009 ben ik bij mijn vriend gebleven en heb [ik] aldaar de nacht doorgebracht. [Mijn vriend, genaamd [D], is woonachtig op het adres [straat 1] [huisnummer 3] te Geldrop.]

Op zondag 6 december 2009, omstreeks 09.51 uur, […] stond ik op de slaapkamer […]. De slaapkamer is gelegen aan de zijde van de galerij. Het raam van de slaapkamer stond op een kier open. […] Ik hoorde dat er ruzie werd gemaakt op de galerij. Ik hoorde […] mannenstemmen die tegen elkaar aan het schreeuwen waren. […] Ik riep tegen mijn vriend [D] dat er weer ruzie was waarop deze naar de slaapkamer kwam. Op dat moment stonden wij allebei in de slaapkamer.

Opeens hoorde ik een vrouwenstem die riep: “Schiet ‘m neer”, of woorden van gelijke strekking. […] Ik hoorde deze stem van heel dichtbij. […]

Direct nadat ik de vrouwenstem had gehoord, hoorde ik een knal.”

3.3

De getuige [D], zijnde de vriend van de onder 3.2 genoemde getuige, heeft vrijwel hetzelfde gehoord. In zijn herinnering riep de vrouw “Schiet hem, schiet hem”. Na het schot te hebben gehoord, heeft hij door de luxaflex gekeken en gezien dat [A] voor zijn deur lag en dat er een jongen met een zilverkleurig pistool bij stond. Dat komt naar voren in de volgende getuigenverklaring.

“Mijn dag is gisteren (aangezien het verhoor heeft plaatsgevonden op 7 december 2009, begrijpt het hof: 6 december 2009) gehaast begonnen. Mijn vriendin […] [en ik] hadden ons verslapen. We werden pas iets na half tien in de ochtend wakker. Mijn vriendin […] kwam op een gegeven moment zeggen dat er ruzie was op de galerij. […] Onze slaapkamer grenst aan de galerij, dus daar ben ik naartoe gerend om te zien wat er aan de hand was. Ik hoorde inderdaad dat er mensen naar elkaar aan het schreeuwen en aan het schelden waren. […]

Ik zag een schaduw lopen. Ik hoorde een vrouw roepen “Schiet hem, schiet hem”. […] Meteen daarna hoorde ik een schot. […] Toen heb ik door de luxaflex gekeken. Ik zag [A] bij mij voor de deur liggen. […] Ik heb [A] een gorgelend geluid horen maken. Het leek erop alsof hij het uitschreeuwde van de pijn. […] Kort nadat ik het schot heb gehoord en uit het raam keek, zag ik een persoon bij [A] staan. Ik zag dat het een jongen was. Ik zag dat hij een zilverkleurig pistool in zijn rechterhand vasthield.”

3.4

De getuige [E] is naar de galerij gelopen en zag een man op de grond liggen. Een andere man heeft toen een aantal keren naar hem geroepen dat hij weer naar binnen moest gaan. Korte tijd daarop zag hij een vrouw uit de woning van [A] komen lopen, die hij herkende als de ex-partner van [A], “[V]”. De getuigenverklaring van [E] houdt het volgende in.

“Ik ben woonachtig op [straat 1] [huisnummer 4] te Geldrop. […]

Op zondagochtend 6 december 2009 […] ben [ik] […] naar buiten gelopen, de galerij op. Op [dat moment] […] was het 09.48 uur. […] Ik zag op de galerij een man op de grond liggen. Ik zag dat deze man op zijn rug lag. Ik zag dat zijn benen uit elkaar lagen. […]

Ongeveer 1 à 2 minuten nadat ik de man zag liggen, zag ik dat er een man uit de woning van [A] kwam lopen. Ik zag dat hij met versnelde pas liep. Ik zag dat die man richting mij kwam gelopen en een aantal keer riep: “naar binnen jij!” […]

Ik stond toen nog even te kijken en na ongeveer 2 à 3 minuten zag ik dat er een vrouw uit de woning van [A] kwam gelopen. Ik zag dat deze vrouw huilde en in mijn richting kwam lopen […] Op het moment dat deze vrouw bij mij in de buurt kwam herkende ik haar. Ik zag dat het dezelfde vrouw was als waar [A] een tijd een relatie mee heeft gehad. […] Ik weet dat deze vrouw [V] heet.”

• 4. De verdachten en het gebruikte wapen

4.1

Op 6 december 2009 werden [V] en haar (toenmalige) vriend [T] als verdachte aangehouden. Bij een onderzoek in de auto van voornoemde [T], een rode Citroën Xantia, werd een tonnetje met daarin een vuurwapen en ronsel gevonden. Het proces-verbaal van dat onderzoek houdt daarover het volgende in.

“Op 6 december 2009 werd […] in Gemert een personenauto, merk Citroen, type Xantia en voorzien van het kenteken [kenteken], [welke eigendom is van [T] ] in beslag genomen voor verder forensisch technisch onderzoek. […]

Op 7 december 2009 […] heb ik, [verbalisant 8], […] een forensisch onderzoek technisch onderzoek verricht aan voornoemde personenauto. […] Daarbij werd het volgende bevonden:

Ik zag achter de bijrijdersstoel voor de zitting van de achterbank op de vloer van de personenauto een plastic tas. Ik zag onder voornoemde plastic tas een witte cilindervormige kunststoffen ton, welke was voorzien van een rode kunststoffen schroefdop. Ik zag in de voornoemde ton enkele gripzakken en een kolf van een revolver. […]

Op 7 december 2009 heb ik, [verbalisant 8], volgens de geldende FT normen de revolver uit voornoemde ton gehaald. Ik zag dat een zilverkleurige revolver, voorzien van het opschrift ‘Colt’ betrof. Ik zag dat de greep van de revolver van hout was vervaardigd en bruin van kleur was. Ik zag tevens dat het ronsel niet in de revolver was geplaatst. De revolver werd door mij, [verbalisant 8], verpakt in een papieren zak, welke werd voorzien van SIN sticker AABO5609NL. Ik zag dat er een plastic transparant doosje in de ton aanwezig was. Ik zag vervolgens dat het ronsel in een plastic doosje was opgeborgen.

[…] Ik zag dat er vier patronen en twee hulzen in het ronsel aanwezig waren. […] Het ronsel werd door mij, [verbalisant 8], verpakt in een papieren zak, welke werd voorzien van SIN sticker AABO5610NL.”

4.2

De revolver en het ronsel zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI) onderzocht. Bij dat onderzoek werd verder betrokken de kogel die in het lichaam van [A] is aangetroffen en het projectiel dat afkomstig is uit het raam van zijn voordeur. In een deskundigenrapport werden de bevindingen als volgt verwoord.

“Beschrijving revolver [AABO5609NL] en ronsel [AABO5610NL].

Het rondsel [AABO5610NL] past in de revolver [AABO5609NL]. […] In de kamers van het ronsel kunnen patronen van het kaliber .22 Short, Long en Long Rifle worden geplaatst. […]

Schieten met de revolver [AABO5609NL]

Om meerdere schoten achter elkaar met de revolver te lossen moeten […] de volgende handelingen worden verricht. De haan moet met de hand in de gespannen stand worden gezet. Als hierna de trekker wordt overgehaald, wordt de patroon die zich voor de loop bevindt verschoten. Hierna moet de vergrendelpen naar voren worden getrokken en het rondsel gedraaid. […] Als de volgende patroon voor de loop is gebracht, kan de haan opnieuw worden gespannen en opnieuw een schot worden gelost. […]

Resultaten onderzoek kogels

De licht gedeformeerde loden kogel [AABA4866NL] […] [past] gezien de massa en uiterlijke kenmerken […] het best bij het kaliber .22 Long Rifle. […] De zwaar gedeformeerde en deels gefragmenteerde kogel [AABS0648NL] […] [past] gezien de massa en de uiterlijke kenmerken […] bij de kalibers .22 Short, Long en Long Rifle.”

4.3

De revolver en het ronsel zijn ook onderworpen aan een DNA-onderzoek. Daaruit bleek dat onder meer DNA is aangetroffen op de greep van de revolver, de loop van de revolver en het ronsel. Het DNA op de greep van de revolver en het ronsel kan afkomstig zijn van [T] met een berekende frequentie van kleiner dan 1 op 1 miljard. Van het DNA op de loop van de revolver is een DNA-mengprofiel verkregen met DNA-kenmerken van minimaal twee personen. In aanmerking genomen dat het DNA-profiel van [T] ook met dat mengprofiel matcht, is het DNA-profiel van een tweede celdonor uit dit mengprofiel afgeleid. Daarmee matcht het DNA-profiel van het slachtoffer [A]. Deze DNA-matches hebben allemaal een berekende frequentie van één op één miljard. Een en ander is als volgt in een deskundigenrapport neergelegd. Het hof gaat ervan uit dat de weergave “AABL5610NL#01 (met bloed) van de ronsel” op p. 1509 van dit rapport als weergegeven in het onderstaande schema een typefout betreft en moet worden gelezen als “AABO5610 NL#01” als op p. 1505 is aangegeven.

“Onderzoek naar biologische sporen. […]

De revolver [AABO5609NL] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. Twee bloedsporen zijn bemonsterd en veiliggesteld als [AABO5609NL]#1 (bij trekker) en [AABO5609NL]#02 (onderzijde loop) voor een DNA onderzoek. […]

De ronsel [AABO5610NL] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. Eén bloedspoor is bemonsterd en veiliggesteld als [AABO5610NL]#01 voor een DNA-onderzoek. […]

DNA-bemonstering

Toelichting 1:

Van het DNA in de bemonstering [AABO5609]#02 (met bloed) van de revolver is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man. Het DNA-profiel van de verdachte [T] [RAAK9275NL] matcht met het DNA-mengprofiel. Vanwege deze match en omdat het DNA-profiel van de verdachte [T] [RAAK9275NL] matcht met het (enkelvoudige) DNA-profiel van het bloed/celmateriaal in de bemonstering [AABO5609NL]#01, die bij benadering van dezelfde locatie op de revolver afkomstig is, wordt aangenomen dat een deel van het bloed/celmateriaal in de bemonstering [AABO5609NL]#02 van [T] kan zijn.

Op basis van deze aanname, en op basis van de aanname dat de bemonstering [AABO5609NL]#02 bloed/celmateriaal van twee celdonoren bevat, is het DNA-profiel van een tweede celdonor uit het DNA-mengprofiel van het bloed/celmateriaal in de bemonstering [AABO5609NL]#02 afgeleid. Het DNA-profiel van het slachtoffer [A] [AACB5522NL] matcht met het afgeleide DNA-profiel. Dit betekent dat de bemonstering [AABO5609]#02 celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte [T] en eveneens celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [A]. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard. Oftewel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard.”

4.4

[T] heeft verklaard dat hij degene is die op [A] heeft geschoten en dat hij op 6 december 2009 met zijn vriend [R] en zijn toenmalige vriendin [V] naar [A] is gegaan. Zijn verklaring houdt op dit punt het volgende in.

“[In mijn] eerdere verklaringen […] heb [ik] enkele zaken weggelaten die betrekking hebben op [R] en [V]. Ik ben degene die geschoten had [op [A]] en wilde ook de schuld op mijn nemen en mijn vriendin en vriend hierbuiten houden. […] Wij zijn [op 6 december 2009] […] met mijn auto, rode Citroën Xantia, kenteken [kenteken] [naar de flat waar [A] woont] gereden.”

• 5. De aanleiding voor het bezoek aan [A]: de sekstapes en de bedreigingen

5.1

[T] verklaarde dat hij in de nacht van 5 op 6 december 2009 met de verdachte ruzie heeft gekregen vanwege haar spullen die bij [A] stonden. Hij heeft toen zijn vriend [R] gebeld. Dat blijkt uit de volgende verklaring.

“In de nacht van zaterdag 5 op zondag 6 december 2009 was ik die ochtend samen met [V] thuis op [adres 2] te Gemert. Wij hadden ruzie gekregen over de spullen van [V] die nog bij [A] stonden. […] Volgens mij heb ik toen mijn vriend [R] gebeld. Die is vervolgens ook naar ons toegekomen.”

5.2

Volgens [R] is hij meermalen gebeld met de vraag of hij wilde komen. Omstreeks 03.00 uur is hij naar de woning van [V] en [T] gereden. Dat blijkt uit de volgende verklaring.

“Op 6 december 2009 tussen 00.00 uur en 03.00 uur [werd ik door [V] en misschien ook wel [T] een paar keer gebeld met de vraag of ik naar hen toe wilde komen]. Ik […] ben omstreeks 03.00 uur met mijn eigen auto naar hen toe gereden.”

5.3

[R] verklaarde als volgt over de redenen waarom [V] en [T] die nacht/ochtend naar [A] wilden rijden.

“Toen ik bij [T] en [V] thuis kwam hebben ze het over de ex van [V] uit Geldrop gehad. Ik weet van [V] dat deze ex [A] heet. […] Ik heb gehoord dat [T] en [V] allebei gezegd hebben dat het bedreigen door [A] maar eens afgelopen moest zijn en dat de relatie tussen deze [A] en [V] echt kut was. Dit bovenstaande over [A] is op 6 december 2009 in de ochtend op [adres 2] ook ter sprake gekomen.”

“Er werd […] gesproken over het feit dat [T] en [V] een keer naar Geldrop moesten rijden. […] In mijn idee wilden [T] en [V] naar Geldrop om te zorgen dat de bedreigingen door [A] zouden stoppen.”

“[Verbalisant]: Wat was de aanleiding […] dat jullie naar [A] toe gingen nou precies?

[R]: [T] en [V] wilden dat de bedreigingen door [A] zouden stoppen en ze wilden dat [A] opgenomen videobeelden van seks tussen [A] en [V] aan hun zou geven zodat dit niet op het internet zou komen.

[Verbalisant]: Hoe wist je dat?

[R]: Daar is over gesproken die nacht voordat we naar Geldrop gingen. [V] zei toen dat ze bang was dat [A] die videobeelden op internet zou zetten. Er is gezegd dat we naar Geldrop gingen om de bedreigingen door [A] te stoppen en dat we dan ook niet moesten vergeten om die videobeelden mee te nemen.”

5.4

[T] verklaarde desgevraagd dat [A] daarmee inderdaad heeft gedreigd. Zijn verklaring houdt hierover het volgende in.

“[Verbalisant:] We hebben gehoord dat er ook foto’s en andere zaken van [V] in die woning liggen, waarop ze staat in seksuele houdingen. Klopt dat?

[R:] Ja, dat klopt. […]

[Verbalisant:] Waarom wilde ze die […] hebben?

[R:] Omdat [A] had gedreigd dat hij die opnames allemaal op het internet zou zetten.”

5.5

[R] verklaarde voorts dat de revolver van [T] op de salontafel lag toen de bedreigingen die nacht werden besproken. Deze verklaring van [R] is als volgt opgetekend.

“Ik had gezien dat de revolver van [T] op de salontafel van [T] en [V] lag toen ik daar ’s nachts kwam. Ik heb dat wapen wel vaker zien liggen en ik wist dat [T] het wapen vaak bij zich had.

Terwijl wij zo aan het buurten waren, hoorde ik [V] ineens zeggen: “Kom op dan rijden we er nou heen” of woorden van die strekking. Dit was in de ochtend, het was al licht buiten. […] Toen [V] dat zei, zijn we eigenlijk ook meteen aangetreden. We zijn in de auto van [T] gestapt […] en […] naar Geldrop gereden. […] We zijn toen […] gereden naar de flat van [A].”

5.6

Voordat [R] met [V] en [T] meeging naar [A], heeft hij eerst zijn handschoenen uit zijn auto gepakt. Hij wilde namelijk geen sporen achterlaten wanneer het mis zou gaan. Zijn verklaring luidt als volgt.

“Voordat ik in de Citroen van [T] ging zitten heb ik eerst mijn handschoenen uit mijn eigen auto gepakt. Ik heb mijn handschoenen meegenomen voor het geval het mis zou gaan, dat ik dan geen sporen achter zou laten daar. Ik wist voordat we gingen dus al dat [T] en [V] deze [A] iets duidelijk wilde gaan maken.”

5.7

Dat [R] zijn handschoenen meenam, had verder te maken met het vermoeden dat [T] kwaad was op [A]. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [R].

“Ik had wel al de hele tijd het vermoeden dat [T] erg boos was op [A]. […] Ik had daar dus een slecht gevoel over en daarom heb ik ook die handschoenen meegenomen. Ik wilde niet dat mijn vingerafdrukken daar achter zouden blijven als [T] iets geks zou gaan doen.”

5.8

[R] verklaarde dat hij nog had getwijfeld of hij mee zou gaan, omdat het geen vriendelijk gesprek zou worden. Deze verklaring luidt als volgt.

“Ik twijfelde in het begin voordat we naar Geldrop gingen al of ik mee zou gaan. Ik had namelijk al het idee dat het geen vriendelijk gesprek zou worden bij deze [A].”

5.9

[R] verklaarde desgevraagd dat hij [T] mogelijk zou kunnen helpen als hij met [A] ging vechten. Zijn verklaring hieromtrent houdt het volgende in.

“[Verbalisant:] Je hebt verklaard dat je met [T] de woning van [A] binnen bent gegaan omdat je dan misschien zou kunnen ingrijpen. Wat bedoelde je daar precies mee?

[R:] Ik bedoel daarmee dat ik iets kan doen om [T] te helpen, als hij met [A] gaat vechten. Ik zou die [A] bijvoorbeeld met een klem vast kunnen zetten.”

5.10

Bij een eerdere gelegenheid verklaarde [R] daarover voorts nog het volgende.

“[Verbalisant:] Waarom… Waarom hadden ze jou nodig? […]

[R:] Ik denk dat [T] gewoon heeft vraagt voor uh… omdat hij een stuk kleiner is als die gast. En ik ben dan misschien wel kleiner, maar ik weet… Zeg maar op een handgevecht, zou ik niet aan de kant gaan. […]

[Verbalisant:] Wat voor idee had jij dan waarom dat je mee moest? […]

[R:] Ja, omdat ze niet bepaald vriendelijk zijn als hun elkaar liggen bedreigen, dus dat […] zal niet vriendelijk zijn. Waarschijnlijk.”

• 6. Besef dat [T] het wapen meenam

6.1

[R] verklaarde dat hij wist dat het gigantisch fout kon gaan, omdat hij dacht dat [T] zijn revolver had meegenomen. Hij had die revolver namelijk bijna altijd bij zich. Dat blijkt uit de volgende verklaring.

“Ik wist wel dat het gigantisch fout zou kunnen gaan, temeer omdat ik ook wist dat hij dat kutding bij zich had. Met dat kutding bedoel ik de revolver van [T]. Ik heb niet gezien dat hij die revolver mee had genomen, maar hij had dat ding bijna altijd bij zich, ook als hij naar mij kwam. Het was een soort obsessie voor hem.”

6.2

Ook verklaarde [R] dat [T] de laatste tijd was veranderd. Deze verklaring houdt het volgende in.

“Ik wist ook dat [T] de laatste tijd veranderd was.”

6.3

[T] was “wapengeil”, aldus de verdachte in zijn hierna weergegeven verklaring.

“[R:] […] [T] was voort wapengeil, want zo moet ik dat noemen. […] Het was een soort obsessie van hem, dat ding.

[Verbalisant:] Je bent er kennelijk ook vanuit gegaan dat die… Dat het heel goed mogelijk was dat hij die ging gebruiken.

[R:] Die kans… is aanwezig.”

6.4

Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaarde [R] dat hij ervan uitging dat [T] het wapen bij zich had. Deze verklaring luidt als volgt.

“Omdat [T] altijd dat wapen bij zich had, ga ik ervan uit dat hij het nu ook bij zich had.”

6.5

[R] heeft de revolver de laatste weken regelmatig gezien. [T] had dat wapen in diens woning ook steeds in het zicht liggen. Het verbaasde hem dan ook niet dat [T] het wapen had meegenomen. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [R].

“De laatste weken heb ik het vuurwapen regelmatig gezien. [T] had het altijd thuis liggen zodat ik hem kon zien en als hij naar mij kwam legde hij het vuurwapen ook gewoon op tafel. […] Toen ik die nacht op [adres 2] kwam heb ik het vuurwapen al gezien. […] [T] heeft het vuurwapen toen op de tafel gelegd. […]

Ik was wel meer op mijn hoede en een stuk zenuwachtiger omdat ik dacht dat [T] het vuurwapen al bij zou hebben. […] Het verbaasde mij ook zeker niet dat hij het vuurwapen bij zich had.”

6.6

[R] verklaarde bij de rechtbank dat hij het vuurwapen had gezien in de kamer bij [T] en dacht dat er wel iets kon gaan gebeuren. Deze verklaring houdt het volgende in.

“In de kamer bij [T] heb ik een vuurwapen gezien. Ik dacht wel dat er iets kon gebeuren, door die bedreigingen en zo. Het moest die jongen duidelijk worden…”

6.7

[V] verklaarde dat [T] wel eens eerder in haar gezelschap met een vuurwapen naar [A] is gegaan. Haar verklaring houdt het volgende in.

“We zijn wel eens vaker bij [A] geweest en toen had [T] ook een pistool in zijn broeksband.”

6.8

De getuige [F], een halfbroer van [V], verklaarde als volgt.

“Ik ben een halfbroer van [V]. […] Ik kwam regelmatig bij haar over de vloer. […] Ik wist dat [T] een vuurwapen heeft. Ik heb dat wapen gezien in de woning van [T] aan [adres 2]. […] Het wapen was zilverkleurig met een bruin handvat. […] Het was een soort ladygun van het merk Colt. […] Ik weet dat [T] het wapen weleens bij had. Ik ben een keer met [V], [T] en [G] naar [A] gereden om kleren van [V] op te halen. Ik hoorde toen dat [T] zei dat het wapen geladen was. […]

Bij [T] en [V] thuis waren ze erover aan het praten dat ze met het vuurwapen bij [A] langs waren geweest om cd’s op te halen. Ik hoorde dat [T] zei dat hij hem de volgende keer neer zou schieten.”

• 7. De wijze waarop de woning van [A] is betreden

7.1

[R] verklaarde dat [T] tegen [V] heeft gezegd dat zij moest aanbellen. Zijn verklaring luidt daaromtrent als volgt.

“[Verbalisant:] Wat heeft [T] tegen [V] gezegd voordat ze naar de flat ging en wat werd hierop geantwoord?

[R:] Ik weet niet precies hoe [T] het heeft gezegd, maar het kwam er op neer dat [V] aan moest bellen bij [A].”

7.2

[T] heeft voorafgaand aan het bezoek aan [A] ook tegen [V] gezegd dat zij de voordeur open moest laten, aldus [T] in zijn hierna weergegeven verklaring.

“Wij zijn [op 6 december 2009] […] met mijn auto […] [naar de flat waar [A] woont] gereden. […] Toen [V] uitstapte zei ik tegen haar: “Laat de voordeur maar open.””

7.3

Nadat [V] het flatgebouw werd binnengelaten, zijn [T] en [R] via de ingang voor de bergingen naar binnengegaan. [T] had [R] daar laten weten dat hij stil moest zijn. Na vijf tot tien minuten te hebben gewacht, zijn zij via de centrale hal en met de trap naar de vijfde etage gelopen. [R] zag toen dat de deur van de woning niet dicht was. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [R].

“Toen zijn we met z’n drieën naar de flat van [A] gelopen. Ik zag dat [V] naar de centrale ingang van het gebouw liep en ik zag dat ze aanbelde. Ik kon niet horen wat er gezegd werd, want [T] en ik stonden bij de ingang van de schuurtjes, op de andere hoek van de flat. Ik zag dat [V] binnen gelaten werd. […]

Ik hoorde [T] op een gegeven moment zeggen: “Hou die deur open” of woorden van die strekking. Ik zag dat [T] een deur openhield die toegang gaf tot de schuurtjes van de flat. […] Ik ben toen door die deur naar binnen gestapt en heb mijn voet tegen die deur gezet. [T] stond op dat moment half binnen en half buiten. Op een gegeven moment is [T] naar binnen gekomen en heb ik de deur laten dicht gaan. We waren toen in een gangetje met allemaal deuren van schuurtjes/bergingen. […] We zijn het gangetje in gelopen en aan het einde van dat gangetje zat weer een deur. We zijn een tijdje blijven staan voor die deur. Die deur kwam uit in de centrale hal van de flat, waar [V] naar binnen was gegaan. We hebben een tijdje in dat gangetje voor die deur gestaan, ik denk zo’n vijf of tien minuten. Ik heb [T] niet gevraagd wat we eigenlijk daar deden. Ik zag en hoorde […] dat [T] mij steeds gebaarde dat we stil moesten zijn. Hij deed dit door het te zeggen en door ‘ssst’ te zeggen.

Na ongeveer vijf à tien minuten zijn we door de deur naar de centrale hal van het gebouw gelopen en met de trap naar boven gegaan. […] Toen we op de vijfde etage waren zijn we door een deur de galerij opgelopen. We zijn toen een stukje in de richting van die woning gelopen en ik zag dat de voordeur van die woning niet dicht was.”

7.4

Ook [T] zag dat de deur open stond, zo blijkt uit zijn hierna weergegeven verklaring.

“Toen ik bij de flat van [A] aankwam, zag ik dat de voordeur op een kiertje stond. Ongeveer 3 cm open.”

7.5

Volgens [R] zijn zij nog een keer teruggelopen naar het trappengat om daar even te blijven staan. Daarna zijn zij opnieuw in de richting van de woning van [A] gelopen. Hij heeft toen in het halletje gewacht, terwijl [T] is doorgelopen naar een tweede deur. Ten aanzien van deze momenten luiden zijn verklaringen als volgt.

“We zijn toen weer terug gelopen naar de deur van het trappengat en hebben daar even gestaan. Ik denk dat dit zo’n minuutje geduurd heeft. Toen zag ik dat [T] in de richting van de woning van [A] liep. Ik zag dat hij gebaarde of ik met hem mee kwam of dat ik daar bleef staan bij het trappengat. Ik heb toen even getwijfeld, want ik vond het maar raar allemaal. […]

Ik heb uiteindelijk toch besloten om maar mee te gaan. […] [T] en ik zijn toen het halletje van de woning van [A] in gelopen. De voordeur van de woning gaat naar binnen open. […] Ik zag dat er aan de andere kant van het halletje weer een deur was. […]

Ik zag dat die deur dicht zat. […] Ik zag dat [T] een beetje aan het wachten was voor die tweede deur. Toen wist ik helemaal dat er iets vreemds aan de hand was. […]

In mijn idee hebben we heel erg lang in dat halletje gestaan, wel een kwartier of zo. […] [T] heeft me wel gebaard dat ik naar hem toe moest komen, maar ik ben gewoon blijven staan. Ik wist al dat er iets helemaal fout zat en dat ik eigenlijk weg moest gaan. De voordeur […] had [T] gesloten toen we binnen in dat halletje waren.

Op een gegeven moment is [T] toch de woning verder in gegaan. Ik hoorde vervolgens dat er wat geschreeuwd werd, ik hoorde de stem van [T] en een andere stem waarvan ik aannam dat het de stem van [A] moest zijn. […] Ik ben enorm geschrokken van al dat geschreeuw en verstijfde helemaal.”

“Ik […] had […] nog kunnen weggaan maar dat heb ik […] niet gedaan. Ik ben toen helemaal verstijfd omdat ik het gevoel had dat het nu echt helemaal mis zou gaan, temeer omdat ik er vanuit ging dat [T] met zijn vuurwapen in de woning van [A] stond.”

7.6

[T] verklaarde over deze momenten het volgende.

“Ik hoorde hun, [A] en [V] praten. Ik ben[…] het tweede halletje ingelopen en ben in de linker slaapkamer deur gaan staan. […] Op een moment komt [A] het halletje in en liep naar de keuken. Ik zeg dan: “Hé [A]”. […] [A] rende de keuken in (…) en wilde de deur dicht duwen. Ik zat tussen de deur met mijn voeten. [A] trok de deur open en kwam naar buiten en duwde mij weg. Ik zette een pas naar achter en zag dat [A] naar de voordeur rende. […] Ik ren achter [A] aan. Ik heb mijn wapen nog niet in mijn hand.

[A] gooide de deur tussen de twee hallen open.”

7.7

[V] verklaarde dat zij zich in de woonkamer bevond en dat zij een hoop herrie aan de voordeur hoorde nadat [A] naar de keuken was gelopen.

“[Ik was] in de woonkamer. Toen [A] drinken ging halen kwam [A] niet meer terug en ik hoorde een hoop herrie aan de voordeur.”

Gelet op de zich in het dossier bevindende plattegrond begrijpt het hof dat de woonkamer aansluit op het tweede halletje, welk halletje weer aansluit bij het halletje bij de voordeur.

• 8. De worsteling in het halletje en het eerste schot

8.1

[R] verklaarde dat [A] in paniek het halletje binnenkwam en gevolgd werd door [T]. Er ontstond een worsteling waarbij [T] op enig moment zijn revolver in zijn rechterhand had. Deze verklaring luidt als volgt.

“Ik stond daar nog steeds tussen de kapstok en de voordeur. De voordeur was gesloten. Ik zag de tussendeur met dat glas open vliegen en [A] het halletje in komen vliegen. […] Ik zag aan het doen en laten van [A] dat hij heel erg in paniek was.

Ik zag ook dat [A] kennelijk schrok van mijn aanwezigheid en ik zag en voelde dat [A] mij met zijn linkervoet tegen mijn linkerknie schopte. […] Ik heb gezien dat [A] uit alle macht probeerde om de voordeur te openen. [T] kwam direct na [A] ook het halletje in en hij stond zowat tegen [A] aan. […] Ik zag […] dat [T], toen hij daar zo dicht bij [A] stond, dat ding in zijn rechterhand had. Met dat ding bedoel ik zijn revolver.”

8.2

[T] verklaarde over de worsteling dat hij het wapen in de richting van [A] wist te brengen, maar dat die zijn arm naar boven sloeg en dat daardoor zijn wapen is afgegaan. In zijn verklaring verwoordt hij dat als volgt.

“Ik ben er direct weer achteraan gegaan. Ik zag dat [A] direct de entreehal in rende richting de voordeur. Ik zat er toen ook inmiddels weer kort achter en in de entreehal zag ik dat [A] weer stopte en zich naar mij toe omdraaide. Wederom zijn we daar in een vuistgevecht verzeild geraakt.[…]

Op enig moment kon ik hem tegen de voordeur aan duwen en kon ik met mijn hele gewicht hem tegen die voordeur gedrukt blijven houden. Hierdoor kreeg ik de kans om mijn vuurwapen, die ik had meegenomen, te pakken en in de richting van [A] zijn lichaam te brengen. Ik zag dat [A] een arm onder het wapen kon krijgen en ik voelde dat hij naar boven sloeg. Ik had op dat moment mijn vinger al aan de trekker en door die klap ging het wapen af.”

8.3

Hoewel hij het aanvankelijk ontkende, kan uit de hierna weergegeven inhoud van een brief van [R], geschreven tijdens zijn voorarrest in deze zaak, worden afgeleid dat hij het schot heeft gehoord.

“Eenmaal bij die jongen binnen kregen [T] en hij […] ruzie in de hal. Ergens tijdens die worsteling […] heeft [T] een revolver getrokken die ook nog eens af is gegaan. Of dat opzettelijk gebeurde of niet, kan ik niks over zeggen, daar ik dat niet weet. Wat ik wel weet, is dat ik daar dusdanig van verschoten ben dat ik besloot verder de woning in te gaan terwijl hun naar buiten gingen.”

8.4

Na het schot wist [A] te vluchten. [R] beschrijft dat als volgt.

“Ik zag dat het [A] lukte om de voordeur te openen en ik zag dat hij wegrende, linksaf de galerij op.”

8.5

[T] heeft toen zijn revolver opnieuw schietklaar gemaakt, deze in zijn jaszak gestoken en is achter [A] aangegaan. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [T].

“U vraagt mij of ik eens uit kan leggen hoe het gegaan is nadat [A] mij achteruit had geduwd en er een schot is gegaan. Ik heb toen de handeling verricht om mijn revolver weer schietklaar te krijgen en heb hem weer terug in mijn jaszak gestoken.

Ik ben toen achter [A] aangegaan die inmiddels de woning uit was gevlucht. Hij was de voordeur uit en dan linksaf gelopen.”

• 9. Het gebeuren op de galerij en het tweede schot

9.1

In de hierna weergegeven verklaring van [T] komt naar voren dat [A] viel en dat hij hem daarom voorbij kon lopen.

“Ik zag dat hij viel en ik kon hem voorbij lopen. Doordat ik tussen [A] en de trappenhal in stond, dwong ik hem om met mij in contact te komen, zodat ik hem aan kon spreken. Vervolgens ontstond er tussen ons een scheldpartij.”

9.2

Volgens [R] is [V] enkele seconden na [T] naar de galerij gelopen. De verklaring van [R] houdt hieromtrent het volgende in.

“Ik zag dat [A] de galerij op rende, linksaf richting trappenhal. Ik zag dat [T] er […] achter aan rende. […] Een paar seconden later rende [V] ook de galerij op.”

9.3

[R] verklaarde dat nogmaals in de volgende verklaring en voegde daaraan toe dat hij onder meer een vrouwenstem heeft horen roepen.

“Ik […] hoorde [A] en [T] buiten schreeuwen. Op dat moment zag ik [V] door de glazen tussendeur het halletje binnen komen. Die deur stond nog open, in ieder geval een stukje. Ik zag dat [V] meteen doorliep naar de galerij. […] Ik zag dat zij ook linksaf de galerij opliep. […].

Ik hoorde kwade stemmen buiten roepen, waaronder een vrouwenstem.”

9.4

[T] heeft zijn revolver getrokken en van anderhalve meter afstand geschoten op [A]. Dat blijkt uit zijn hierna weergegeven verklaring.

“Ik liep [A] voorbij en draaide me om toen ik een tot anderhalve meter voor hem was. [A] stond op en hij begon schreeuwend tegen mij te schelden. Ik begon ook tegen hem te schreeuwen. […]

Op [een] moment […] grijp ik mijn colt uit mijn jaszak. […] Ik […] [heb] mijn colt op zijn lichaam gericht en schoot […] met de colt een kogel op hem af. […] Ik zag dat hij vrijwel meteen op de grond viel. […] Op dat moment steek ik de colt terug in mijn jaszak. Ik loop hem voorbij in de richting van zijn woning en draai dan om. […] Toen rende ik weg.”

9.5

[R] heeft [T] na het schot horen roepen “Weg hier” of “Nokken”. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [R].

“Opeens hoorde ik een knal. Ik wist op dat moment wel dat er met een vuurwapen geschoten werd. […] Nadat het schot afgegaan was, hoorde ik [T] roepen: “Weg hier” of “Nokken” of zoiets.”

9.6

[T] verklaarde dat hij inderdaad iets tegen iemand op de galerij heeft gezegd. Zijn verklaring daarover luidt als volgt.

“U vraagt mij of ik mij kan herinneren dat ik tegen mensen op de galerij iets gezegd heb over dat ze terug naar binnen moesten gaan. Ik kan mij herinneren dat ik inderdaad iets gezegd heb tegen iemand. Ik heb gezegd dat hij naar binnen moest gaan.”

• 10. De vlucht en het wegmaken van sporen

10.1

[R] verklaarde dat [V] vervolgens weer de woning van [A] kwam binnengelopen, dat hij zijn capuchon heeft opgezet en zijn handschoenen heeft aangetrokken en samen met [V] is vertrokken. Zij hebben daarbij [A] moeten passeren. Hij hoorde [A] toen nog “[V], [V]” zeggen. Hij is vervolgens met [T] en [V] naar zijn woning gereden. Daar heeft hij de simkaart van de telefoon van [V] verbrand. Zijn verklaring luidt als volgt.

“Ik zag toen dat [V] weer de woning van [A] binnen gelopen kwam. Ze was een beetje gejaagd. Ik wist toen dat het echt helemaal mis zat en heb mijn capuchon opgezet en mijn handschoenen aangetrokken. […]

Ik ben toen naar buiten gelopen. Ik zag dat [T] niet meer op de galerij was. Ik zag dat [A] enkele meters verderop de galerij op zijn rug lag. […] Ik hoorde [A] nog zeggen “[V], [V]” of zoiets. […] Ik zag dat [V] ongeveer tegelijk met mij langs [A] af liep. Ik liep [A] links voorbij en moest eigenlijk over zijn linkerarm heen stappen. […] Ik zag ook dat er twee of drie mensen bij [A] stonden. […] We zijn toen het gebouw uitgegaan en zijn naar de auto van [T] gelopen. […]

Toen wij ook bij de auto waren, is [T] achter het stuur gaan zitten. De auto was toen nog niet gestart. [T] stapte eerst in, toen ik weer op de passagiersstoel voorin en [V] stapte achter mij in. […] Toen we net weggereden waren, heb ik mijn vest, een grijs-zwart vest met capuchon en rits, uitgetrokken. Ik deed dit omdat ik wist dat ik gezien was op de galerij bij [A]. […]

Op een gegeven moment kwamen we in Helmond uit bij de Warande. Dat is een parkje met dieren en een vijver. […] Ik zag dat [T] een portemonnee in zijn handen had. Ik zag dat hij die portemonnee in het water gooide. […]

[T] heeft mij en [V] toen bij mij thuis op [adres 3] afgezet. […] Eenmaal in de woning liet [V] mij haar telefoon zien. […] Ik hoorde dat [V] zei dat dat de telefoon was waarmee ze naar [A] had gebeld. Ik heb toen iets gezegd van “dat stoken we wel aan”of zoiets. Ik heb toen de simkaart uit die telefoon gehaald en heb het kaartje in brand gestoken in een asbak.

Ik heb mezelf toen meteen omgekleed en heb mijn vest, mijn schoenen, nog een paar schoenen […] die moeten van [V] of [T] zijn geweest, de jas van [T] […] en die bos sleutels die [V] van [A] had meegenomen in een vuilniszak gedaan. […] toen ik naar het hoofdbureau moest komen […] heb [ik] die spullen […] verdeeld in twee zakken. […]

Ik heb een van die zakken in een kliko in Eindhoven gegooid en de andere in een kliko in Son en Breugel.”

10.2

Over het wegmaken van sporen verklaarde [R] bij een andere gelegenheid nog het volgende.

“Ik heb mijn spullen, dus het grijs-zwarte vest en mijn eigen schoenen, in een aparte zak gestopt en de rest van de spullen, de sleutels, de jas van [T] en de andere schoenen, in de oorspronkelijke zak laten zitten. [T] heeft zelf zijn jas en die schoenen in die eerste zak gestopt. Ik heb gezien dat hij dat deed, dat was bij mij in de huiskamer. Op dat moment heeft [V] ook die sleutels naar mij toe gegooid. Dat waren de sleutels die [V] bij [A] meegenomen had. […] Vervolgens heb ik mijn vest en schoenen en de sleutels die [V] bij [A] had meegenomen er boven op gedaan in de zak en heeft die zak een paar dagen op mijn zolder gelegen.

Toen ik later een jas naar [T] moest komen brengen op het politiebureau, heb ik die zak van zolder gepakt en heb er mijn eigen spullen, vest en schoenen, uitgehaald. Die spullen zaten dus bovenop in die zak. […]

Jullie vragen mij waarom die eerste zak niet meteen weggegooid werd, waarom die zak eerst bij mij op zolder is gebleven. Ik wist ook niet zo precies wat ik met die spullen moest. Uiteindelijk heb ik die spullen verdeeld in twee zakken, zodat mijn spullen gescheiden werden van de spullen van [T] en die sleutels. Hierna heb ik die twee zakken in twee verschillende kliko’s gegooid in Son en Breugel en in Eindhoven.”

10.3

[T] verklaarde dat hij in de woning van [R] met [V] heeft gesproken en dat zij toen vertelde hoe zij over [A] was heengestapt. De verklaring van [T] houdt daarover het volgende in.

“We zijn over Mierlo teruggereden en via Helmond verder gegaan. We kwamen bij [R]. […] U zegt me dat [R] heeft verteld dat hij [V] en mij op de bank zag zitten en dat wij zaten te smoezen met elkaar. U vraagt me waar we het over hadden. Ja, hoe moet het nu verder, daar hadden we het over. […]

[V] […] vertelde […] me dat ze [A] op de galerij had zien liggen en dat ze over hem heen was gestapt om mij achterna te komen. Toen ze over hem heen stapte, had ze gevoeld dat [A] haar been vastpakte. Ze heeft omgekeken en naar [A] gekeken. Ze vertelde dat [A] probeerde iets te zeggen, maar dat ze niet wist wat hij wilde zeggen. Toen wij hierover met elkaar spraken, hebben wij allebei gehuild.”

10.4

[R] heeft in een brief, geschreven tijdens zijn voorarrest in deze zaak, aangegeven dat hij bij het weggaan over de galerij het slachtoffer nog de naam van [V] ([V]) heeft horen zeggen. Zijn brief houdt daarover het volgende in.

“Na het schot en zo buiten ben ik ook maar naar buiten gegaan om te nokken daar en zag dat [T] al weg was van de galerij en dat die jongen op zijn rug op de grond lag. Tijdens het voorbijgaan/over heenstappen van die jongen hoorde ik hem nog “[V], [V]” brabbelen.”

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van moord c.q. doodslag

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het voorgaande voldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen oplevert. Voor medeplegen van doodslag c.q. moord is een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers vereist die gericht is op het opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad van het leven beroven van het slachtoffer. Dat vereist onder meer een dubbel opzet: opzet op de samenwerking en opzet op het van het leven beroven.

In de zin van voorwaardelijk opzet betekent dit dat [R] zich willens en wetens moet hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een samenwerking aanging die gericht was op het van het leven beroven van het slachtoffer. Dit vereist niet alleen dat [R] de wetenschap van die aanmerkelijke kans had, maar tevens dat hij die kans ook aanvaardde, dit wil zeggen dat hij op de koop toenam dat het risico zich zou verwerkelijken. In dat verband verdient opmerking dat de enkele wetenschap van [R] dat die aanmerkelijke kans bestond niet zonder meer met zich brengt dat hij die kans ook heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat het voorhanden bewijs tekort schiet om te kunnen aannemen dat [R] de aanmerkelijke kans dat [A] het leven zou laten, ook heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De vastgestelde feiten en omstandigheden tonen wel aan dat [R] op enig moment die 6e december 2009 de wetenschap moet hebben gehad dat er een aanmerkelijke kans was dat hij deelnam aan een samenwerking met dodelijke afloop, maar niet dat hij die kans ook daadwerkelijk heeft aanvaard. Uit zijn verklaringen blijkt namelijk dat hij helemaal verstijfd in het halletje van de woning van [A] stond op het moment dat hij hoorde dat [T] en [A] tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Hij had op dat moment het gevoel dat het helemaal mis zou gaan, mede omdat hij ervan uitging dat [T] zijn wapen bij zich had (zie hierboven onder 7.5). Vervolgens is [A] in paniek het halletje binnen komen rennen en vond daar voor de ogen van [R] een worsteling plaats tussen [A] en [T] waarbij met het wapen van [T] een schot werd gelost. [R] schrok hier zo van, dat hij verder de woning is ingelopen, terwijl [A] en [T] de galerij op zijn gerend (zie hierboven onder 8.3). Dat zijn naar het oordeel van het hof aanwijzingen dat hij meergenoemde kans niet heeft aanvaard.

Bijgevolg zal het hof de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van moord c.q. doodslag vrijspreken.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsvrouwe heeft - op de gronden als vervat in haar pleitnota - bepleit dat de verdachte van het onder 1 subsidiair A en B ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De verschillende onderdelen van haar verweer zal het hof in de navolgende overwegingen bespreken.

• De processen-verbaal van de verhoren van de verdachte

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de verhoren van [R] eenzijdig en sturend in de processen-verbaal zijn weergegeven. Hoewel zij dit met argumenten geschraagd standpunt niet van een ondubbelzinnige conclusie heeft voorzien, heeft het hof daarin aanleiding gezien om de processen-verbaal van de verhoren kritisch en nauwgezet te bekijken. In het bijzonder heeft het hof de onderdelen die volgens de verdediging zonder nuances zijn opgetekend - dat betreft de aanwezigheid van het wapen in de woning van de verdachte, de verwachtingen van de verdachte van het bezoek aan [A] en het moment van het aantrekken van de handschoenen na het voorval - vergeleken met de uitgewerkte verbatim verslagen en deze slechts tot het bewijs gebezigd voor zover de strekking in de kern overeenkwam. De onderdelen ten aanzien waarvan de verdediging niet uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd, zijn voorts slechts dan voor het bewijs gebruikt indien deze in het licht van de overige verklaringen van de verdachte naar het oordeel van het hof als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

• De onder 1 subsidiair A ten laste gelegde medeplichtigheid aan moord c.q. doodslag

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de handelingen van [R] de uitvoering van het misdrijf niet hebben bevorderd of gemakkelijk gemaakt. De verdachte is slechts in de auto gestapt en in de woning van [A] in de hal gaan staan. Met zijn aanwezigheid heeft hij niet willens en wetens de vluchtweg voor [A] geblokkeerd. Van de verdachte, die tijdens de worsteling tussen [T] en [A] plots met een revolver werd geconfronteerd, kan niet op enige redelijke grond worden verwacht dat hij de losgeslagen [T] zou tegenhouden, aldus de raadsvrouwe.

Het hof overweegt als volgt.

(i).

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat (het medeplegen van) moord het gronddelict is waarop de ten laste gelegde medeplichtigheid betrekking heeft.

Het hof wijst op de volgende feiten en omstandigheden in onderling verband.

- [T] is die 6e december 2009 met een geladen revolver naar het huis van [A] gegaan om de bedreigingen van [A] te stoppen en de sekstapes met daarop [A] en zijn toenmalige vriendin [V] in handen te krijgen. Tijdens de vechtpartij tussen hem en [A] is in het halletje van de woning van [A] met dat wapen een eerste schot gelost. [R] is van dat schot “verschoten”. (bewijsmiddelen onder 5, 8.2 en 8.3).

- Vervolgens heeft [T] zijn revolver weer schietklaar gemaakt, waarvoor hij de vergrendelpen naar voren heeft moeten trekken, het rondsel heeft moeten draaien, en de haan opnieuw heeft moeten spannen. [T] heeft de revolver in zijn jaszak gestoken en is achter de inmiddels gevluchte [A] de galerij opgegaan (bewijsmiddelen 4.2 en 8.5).

- [V] is vrijwel direct na [T] en [A] de galerij opgelopen (bewijsmiddel 9.2).

- Op de galerij is [T] [A] voorbij gerend en heeft hij zich vervolgens omgedraaid waarbij hij de revolver in zijn rechterhand heeft gepakt en op [A] heeft gericht. [A] bleef op één à anderhalve meter van [T] stilstaan met zijn gezicht naar [T] toe. [V] heeft hem toegeroepen “Schiet ‘m neer” dan wel “Schiet hem, schiet hem” en direct daarna heeft [T] [A] in de borst geschoten. [A] viel dodelijk gewond neer. (Bewijsmiddelen 1.3, 3.1, 3.2, 3.3, 9.3 en 9.4 en de hierna volgende bewijsmotivering van het medeplegen van moord).

Uit deze feiten en omstandigheden heeft het hof afgeleid dat in ieder geval na het eerste schot bij [T] en [V] sprake is geweest van een besluit om [A] van het leven te beroven, waarbij zij voldoende gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Desondanks heeft [T] na het eerste schot zijn revolver met enige handelingen weer op scherp gezet, is [V] - die het eerste schot moet hebben gehoord - direct na dat schot achter de vluchtende [A] en [T] naar buiten gelopen en heeft [T] de vluchtweg van de wegvluchtende [A] versperd door voor [A] te gaan staan en te dreigen met dat wapen, dat hij heeft vervolgens heeft afgevuurd op [A] nadat [V] hem daartoe aanspoorde. Het hof is daarom van oordeel dat [T] en [V] tezamen en in vereniging met voorbedachten raad [A] van het leven hebben beroofd.

(ii).

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan (het medeplegen van) moord is vereist dat de verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot dan wel opzettelijk behulpzaam is geweest bij het (mede)plegen van die moord.

Daarbij verdient opmerking dat uit de artikelen 47, 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht, bezien in onderling verband en samenhang, volgt dat het opzet van de medeplichtige niet geheel gericht behoeft te zijn op het door de dader(s) gepleegde gronddelict (in casu het medeplegen van moord). Voldoende is dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht voldoende verband houdt met het door de dader(s) gepleegde gronddelict. Voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader(s) verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Voor wat betreft de strafoplegging dient het maximum van de aan de medeplichtige opgelegde straf een derde minder te bedragen dan het maximum van de straf gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (HR 22 maart 2011, LJN BO4471).

(iii).

Het hof acht het opzet van [R] op geweldpleging tegen [A] wettig en overtuigend bewezen. Daarnaast acht het hof bewezen dat [R] opzet had op het verschaffen van gelegenheid tot en het behulpzaam zijn bij deze geweldpleging. In dit kader zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

- [R] is door [T] en [V] gevraagd mee te gaan om naar de ex-partner van [V], [A], om diens bedreigingen te doen stoppen en de sekstapes te bemachtigen (bewijsmiddelen onder 5).

- [R] had het vermoeden dat [T] erg boos was op [A] (bewijsmiddel 5.7). Hij verwachtte dat het geen vriendelijk gesprek zou worden en hield ermee rekening dat het gigantisch fout zou kunnen gaan. Hij nam daarom handschoenen mee, zodat hij in een voorkomend geval geen sporen zou achterlaten. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van [R] dat een andere reden van het bezoek gelegen was in het ophalen van andere, wat zwaardere goederen, zoals een kerstboom en eethoek, en dat hij ook daarom de handschoenen had meegenomen. Die verklaring vindt naar het oordeel van het hof onvoldoende steun in het procesdossier: het ging om de bedreigingen en de sekstapes (bewijsmiddelen 5.7 en 5.8).

- [R] heeft - naar zijn zeggen - weliswaar niet gezien dat [T] een wapen meenam, maar is er wel van uitgegaan dat [T] het wapen nu ook bij zich had (bewijsmiddel 6.4). Volgens [R] had [T] dat wapen de laatste weken altijd bij zich en was [T] ook veranderd. Volgens [R] was [T] “wapengeil” en was het wapen een obsessie voor hem. Het wapen werd die bewuste nacht bovendien van de kast op de salontafel gelegd. Dat [R] in een van zijn verhoren de suggestie wekt dat [T] het wapen ook op de slaapkamer kan hebben gelegd, omdat [T] daar even is geweest en het wapen op een bepaald moment weg was, maakt dat niet anders. [R] zegt daarmee immers niet dat hij heeft gezien dat [T] het wapen heeft weggelegd. Daarmee blijft overeind, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, dat de mogelijkheid dat [T] het wapen mee zou nemen, voor hem reëel was (bewijsmiddelen onder 6).

- [R] heeft op de vraag waarom [T] en [V] hem nodig hadden onder meer verklaard dat hij [T] zou kunnen helpen in een vechtpartij door [A] bijvoorbeeld met een klem vast te zetten (bewijsmiddel 5.9) en dat hij voor een handgevecht niet aan de kant zou gaan (bewijsmiddel 5.10)

- [R] heeft samen met [T] de woning van [A] sluipend benaderd. Hij is zich daarvan ook bewust geweest. Hij heeft immers vijf tot tien minuten bij de bergingen gestaan en moest daar van [T] stil zijn, terwijl hij vervolgens samen met [T] met de trap naar de 5de verdieping is gelopen en zij tersluiks via de door [V] open gelaten voordeur naar binnen zijn gegaan. Ook in de woning van [A] heeft [R] zich schuil gehouden door samen met [T] te wachten in het halletje. [R] wist dat er iets helemaal fout zat en hij eigenlijk weg zou moeten gaan, is hij gebleven en zag hij dat [T] verder de woning inging en zich stiekem achter een deur opstelde (bewijsmiddelen onder 7).

- [R] zag - nadat een eerste confrontatie tussen [T] en [A] had plaatsgevonden -, hoe [A] in paniek het halletje binnen kwam lopen waar hij zich had gepositioneerd. [T] kwam [A] achterna en voor de ogen van [R] ontstond een worsteling waarbij [T] zijn wapen ter hand nam en daarmee een onbedoeld schot loste. Dat schot was voor [R] duidelijk hoorbaar (bewijsmiddelen onder 8).

- [R] heeft niet geprobeerd [T] tegen te houden, nadat [A] wist te vluchten en [T] in het halletje zijn wapen opnieuw schietklaar had gemaakt om vervolgens achter [A] aan te rennen. Naar eigen zeggen had hij schrik om ook geraakt te worden door het vuurwapen, hetgeen naar het oordeel van het hof onverlet laat dat hij [T] tot bezinning had kunnen manen of [V] daartoe had kunnen aansporen (bewijsmiddelen onder 8).

- [R] heeft een tweede schot gehoord en is uiteindelijk met [V] weggegaan. Daarbij is hij over [A] heengestapt zonder zich daarover te bekommeren (bewijsmiddelen onder 9).

- [R] heeft bij zijn thuiskomst de simkaart van de telefoon van [V] verbrand, teneinde te voorkomen dat zij zouden worden getraceerd. Ook heeft hij door hen gedragen kleding en schoeisel in plastic vuilniszakken gedaan, deze verborgen en later weggegooid (bewijsmiddelen onder 10).

(iv).

Door op verzoek van [T] en [V] mee te gaan naar [A], wetende dat [T] en [V] met [A] onenigheid hadden en door min of meer ervan uit te gaan dat [T] een wapen zou meenemen, en zich vervolgens met [T] schuil te houden in de hal van de woning van [A], heeft [R] naar het oordeel van het hof gelegenheid verschaft tot en is hij behulpzaam geweest bij het medeplegen van moord. Weliswaar kan niet worden bewezen dat [R] opzet had op het veroorzaken van de dood van [A], maar wel dat zijn opzet gericht was op het plegen van fysiek geweld jegens [A].

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof bewezen dat [R] zich van ten minste de aanmerkelijke kans op een fysieke confrontatie tussen [T] en [A] bewust is geweest en dat hij die kans ook heeft aanvaard. [R] hield immers ermee rekening dat het gigantisch mis kon gaan, om welke reden hij handschoenen meenam om geen sporen achter te laten, en verklaarde desgevraagd dat hij bij een vechtpartij zou kunnen helpen. Het hof oordeelt daarom dat het opzet van [R] in ieder geval in voorwaardelijke zin was gericht op - in elk geval - het met voorbedachten raad mishandelen van [A]. Doordat hij is meegegaan met [T] en [V] naar de woning van het slachtoffer en doordat hij met [T] is meegegaan die woning in, was hij voor hen een numerieke steun die hen kon sterken in hun plan.

Nu [A] door het onderhavige gewelddadige incident is komen te overlijden, komt artikel 301, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling met voorbedachte raad, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft) in aanmerking als het misdrijf waarop het opzet van [R] in voorwaardelijke zin gericht was. De dood van het slachtoffer is in genoemd artikel immers een zogenaamd geobjectiveerd bestanddeel, waarvoor geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) van [R] is vereist.

(v).

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat [R] niet alleen opzet had op het verschaffen van gelegenheid, maar ook behulpzaam wilde zijn. Ondanks de mogelijkheden daartoe heeft [R] zich niet gedistantieerd en is hij zijn rol als medeplichtige blijven vervullen. In het onderhavige geval is alleen de opzet van de mededaders verder gegaan dan waarop het opzet van [R] was gericht. Het opzet van [R] en het opzet van de mededaders lopen naar het oordeel van het hof echter niet totaal uiteen. Het opzet van [R] is, net als dat van de mededaders [T] en [V], gericht op geweldpleging met gevolg dat naar het oordeel van het hof het misdrijf waarop de (voorwaardelijk) opzet van [R] was gericht voldoende verband houdt met het gronddelict het medeplegen van moord.

Dit maakt dat het hof enerzijds wettig en overtuigend bewezen acht dat [R] medeplichtig is geweest aan het opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroven van [A], maar anderzijds bij de strafoplegging rekening zal houden met de mindere opzet van de verdachte.

• De onder 1 subsidiair B ten laste gelegde begunstiging

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat er twijfel bestaat of de verdachte zich aan begunstiging schuldig heeft gemaakt en dat aan hem daarom het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. Mede in aanmerking genomen dat de raadsvrouwe dit standpunt niet heeft geschraagd met argumenten, ziet het hof niet in op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de betrouwbaarheid van de onder 10.1 en 10.2 opgenomen bewijsmiddelen.

Bewijs voor de subsidiair onder B ten laste gelegde begunstiging

Hetgeen onder de vastgestelde feiten en omstandigheden is opgenomen, meer bepaald de onder 10.1 en 10.2 genoemde bewijsmiddelen, levert het bewijs op voor de onder subsidiair B ten laste gelegde begunstiging. Het hof gebruikt dit daarom als zodanig voor het bewijs.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

A.

[T] op 6 december 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers hebben [T] en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in de richting van voornoemde [A] afgevuurd, waarbij die [A] door die kogel is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden,

tot en bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 6 december 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en Gemert, gemeente Gemert-Bakel, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door opzettelijk

zich met [T] en [V] (terwijl hij wist van onenigheid tussen die [T] en/of [V] en die [A]) naar de flat van die [A] te begeven en (vervolgens) nadat hij, verdachte, gezien heeft, dat die [V] de hoofdingang van de flat had gepasseerd, zich na enige tijd naar de woning van [A] te begeven en zich in de hal van de woning van [A] op te houden en schuil te houden (teneinde die [T] te helpen bij een mogelijk treffen tussen [T] en [A]) en daardoor bij te dragen aan een bedreigende sfeer voor die [A];

en

B.

hij op 6 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, tezamen en in vereniging met anderen, nadat een misdrijf, te weten de overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, was gepleegd, met het oogmerk om de nasporing en/of om de vervolging te beletten en/of te bemoeilijken,

- de simkaart uit de telefoon van [V] heeft verwijderd en vervolgens in brand heeft gestoken en

- kleding en/of schoeisel van [V] en/of [T] en/of zichzelf en de sleutels van [A] in vuilniszakken heeft gestopt en op zijn zolder heeft verborgen en deze (na enige tijd) heeft weggegooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 A bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 junctis de artikelen 47, eerste lid en onder 1°, en 48, aanhef, onder 1° en 2°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof oordeelt dat het onder 1 A bewezen verklaarde als volgt behoort te worden gekwalificeerd:

Medeplichtigheid aan het medeplegen van moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 A bewezen verklaarde uitsluiten.

Met betrekking tot het onder 1 B bewezen verklaarde overweegt het hof daarentegen als volgt. Begunstiging is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 189, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij het derde lid is bepaald dat deze bepaling onder meer niet van toepassing is op “hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan”. Bij arrest van 17 oktober 1995 (NJ 1996, 337) heeft de Hoge Raad bepaald dat daaronder tevens is begrepen degene die de handelingen verricht “mede” teneinde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan. Het hof is van oordeel dat de begunstiging van de verdachte - kort gezegd het in brand steken van een simkaart en het verbergen en weggooien van kleding en schoeisel - mede daardoor ingegeven was. Uit de feiten en omstandigheden kan immers worden afgeleid dat de verdachte, nadat [A] door [T] was neergeschoten, in redelijkheid ervan uit mocht gaan dat ook jegens hem een verdenking van een strafbaar feit zou ontstaan. De verdachte komt daarom een beroep op eerdergenoemde strafuitsluitingsgrond toe en is zodoende voor dat feit gevrijwaard van straf. Het hof zal hem dan ook ter zake daarvan ontslaan van alle rechtsvervolging.

Op te leggen straf

Voor de onder 1 A bewezen verklaarde medeplichtigheid aan medeplegen van moord dient het hof een straf op te leggen.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

De raadsvrouwe heeft bij wijze van subsidiair standpunt aangevoerd dat in geen geval een hogere sanctie zal worden opgelegd dan een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van deze op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In aanmerking genomen dat het opzet van de verdachte niet gericht was op alle door de medeplegers van de moord verrichte handelingen, zoekt het hof voor wat betreft de strafmaat aansluiting bij het misdrijf mishandeling met voorbedachte raad, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (artikel 301, eerste juncto derde lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum (9 jaren voor een dader, 6 jaren voor een medeplichtige) en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het onderhavige geval is de verdachte met [T] en [V] naar [A] gegaan om hem mores te leren. Er moest een einde komen aan diens bedreigingen, die onder meer inhielden dat hij sekstapes van hem en [V] op het internet zou plaatsen.

Medeverdachte [T] had een revolver meegenomen. De verdachte, een vriend van [T] en [V], had daarmee rekening gehouden, veronderstelde dat [T] kwaad was op [A], dacht dat het daarom gigantisch mis kon gaan en is toch met hen meegegaan. De verdachte heeft op verschillende momenten de loop van de gebeurtenissen kunnen wijzigen, maar heeft dat nagelaten. [T] en [V] werden zo gesterkt door de aanwezigheid van de verdachte. Nadat [V] tegen [T] riep dat hij moest schieten, heeft [T] het fatale schot afgevuurd.

Dat schot is door diverse buurtbewoners gehoord; een heeft het zelfs waargenomen. Zij zijn daarmee ongewild getuige geweest van de dood van [A]. Daarom is niet alleen de waardigheid van het slachtoffer ernstig geweld aangedaan, maar zijn ook de buurtbewoners - en meer in het algemeen de rechtsorde - ernstig geschokt. De verdachte heeft zich vervolgens in het geheel niet bekommerd over het op dat moment in levensgevaar verkerende slachtoffer. Hij is met [V] weggegaan en heeft de pogingen van [A] om [V] te bewegen tot het verlenen van hulp genegeerd. Immers, ondanks dat [A] een been van [V] heeft vastgepakt en haar aansprak met de woorden ‘[V], [V]’, heeft de verdachte hem stervend achtergelaten.

Ondanks dat het aandeel van de verdachte minder groot was dan dat van [T] en [V], kan hem wel zwaar aangerekend worden - en dat doet het hof ook - dat hij onder de gegeven omstandigheden met [T] en [V] is meegegaan, dat hij op geen enkele wijze een einde heeft geprobeerd te maken aan het gewelddadige handelen, ook niet toen die ernstig uit de hand dreigden te lopen, en dat hij zich daarna ook niet om het lot van [A] heeft bekommerd.

De gewelddadige dood van [A] heeft zijn familie en naaste omgeving onherstelbaar leed aangedaan. De op de terechtzitting van het hof voorgelezen slachtofferverklaring van de oudste zus van het slachtoffer maakt pijnlijk duidelijk wat voor enorme impact het verlies van haar broer op haar leven alsook op dat van de overige familieleden heeft.

In verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 30 mei 2011. Daaruit blijkt dat hij eenmaal een transactie heeft voldaan voor mishandeling, maar niet eerder door een strafrechter is veroordeeld. De verdachte is in zoverre dus als ‘first offender’ te beschouwen, maar dat heeft naar het oordeel van het hof gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit geen strafverminderende werking. Indien sprake zou zijn geweest van geweldsrecidive zou dat veeleer als een strafverhogende omstandigheid hebben gegolden.

Het hof heeft verder in het bijzonder gelet op de inhoud van het door psycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers opgemaakte pro justitia rapport. Daarin komt naar voren dat bij de verdachte weliswaar sprake is van drugsgebruik en narcistische persoonlijkheidskenmerken, maar niet van structureel disfunctioneren. De deskundige concludeert daarom dat er geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De verdachte is volgens hem volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de door rechtbank opgelegde gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden is. Een lagere gevangenisstraf, zoals de raadsvrouwe heeft bepleit, zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

De verdachte verblijft vanaf 1 maart 2010 in voorarrest. Gelet op de op te leggen gevangenisstraf wordt het verzoek tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis, dat door de verdediging is gedaan ter terechtzitting van 27 juni 2011, afgewezen.

Beslag

Onder de verdachte is een paar motorhandschoenen in beslag genomen. Het hof zal daarvan de teruggave aan de verdachte gelasten, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat enig strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzet.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [de vader van A] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 6.904,31, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade nu zij gezamenlijk een onrechtmatige daad hebben gepleegd waardoor [A] het leven heeft verloren.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag te betalen van EUR 6.904,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010 tot de dag der algehele voldoening, met bepaling dat indien en voor zover een mededader van de verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [de vader van A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding (begrafeniskosten) tot een bedrag van EUR 6.904,31, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De voeging duurt daarom van rechtswege voort in hoger beroep.

Het hof verenigt zich met de wijze waarop de rechtbank op deze vordering heeft beslist en overweegt daartoe dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 6.904,31, te vermeerderen met de wettelijke rente. De ingangsdatum van de wettelijke rente is verschillend voor de verschillende posten van de vordering. Het hof zal deze, middelend naar redelijkheid, voor het totale bedrag vaststellen op 1 januari 2010.

Het gaat om de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze kosten kunnen ingevolge artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak worden gevorderd. De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien en voor zover mededaders van de verdachte het slachtoffer schadeloos hebben gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 48, 49, 289 en 301 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair A en B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 B bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1 A bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte daarvoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven paar motorhandschoenen.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [de vader van A] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 6.904,31 (zesduizend negenhonderdvier euro en eenendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010 tot de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [de vader van A] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 6.904,31 (zesduizend negenhonderdvier euro en eenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan haar verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van de verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 11 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.