Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR0602

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
HD 200.054.144 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenarrest van 18 januari 2011 (LJN BP2546, JA 2011, 57) is de gevorderde verwijzing naar de schadestaat afgewezen. [Appellante] vordert een smartengeldvergoeding van € 15.000,00.

Hof is van oordeel dat gelet op aard en ernst van de schade, de duur van de klachten, aansluiting moet worden gezocht bij de nummers 818, 819, 822, 824 en 825 van de Smartengeldgids en wijst een bedrag van € 4.500,00 toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.054.144

arrest van de vierde kamer van 5 juli 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.E. Teusink,

tegen:

1. [Y.],

2. [Z.],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.M.A. Straatman-Seij,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 januari 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder nummer 184901/HA ZA 08-181 gewezen vonnis van 21 oktober 2009.

6. Het tussenarrest van 18 januari 2011

Bij genoemd arrest is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een memorie na tussenarrest en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. [X.] heeft een memorie na tussenarrest genomen en daarbij een productie overgelegd. De broers [A.] hebben een memorie van antwoord na tussenarrest genomen.

7.2. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. Het hof blijft bij genoemd tussenarrest. Kort samengevat heeft het hof geoordeeld dat vaststaat dat de broers [A.] op 6 januari 2005 wederrechtelijk en met geweld de woning van [X.] zijn binnengedrongen en dat [X.] toen door [Y.] en/of [Z.] is mishandeld. Daarmee staat vast dat de broers [A.] onrechtmatig jegens [X.] hebben gehandeld. Het verweer van [Z.] dat hem dit onrechtmatig handelen niet kan worden toegerekend, is verworpen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat zowel de schade, de klachten van [X.], als het causaal verband tussen die klachten en de gebeurtenissen op 6 januari 2005 vaststaan, zodat de broers [A.] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [X.]. Het hof heeft de door [X.] gevorderde verwijzing naar de schadestaat afgewezen, omdat de schade in deze procedure kan worden begroot. De zaak is daarop naar de rol verwezen om [X.] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de hoogte van het door haar gevorderde smartengeld.

8.2. [X.] herhaalt in haar memorie na tussenarrest dat haar schade bestaat uit geleden pijn, doorgestane angst en aantasting van haar persoonlijke integriteit. Zij ondervindt nog steeds de gevolgen van de onrechtmatige handelingen van de broers [A.] in de vorm van slapeloosheid, rugklachten, hoofdpijn en geheugenstoornissen. Voorts is zij gaan lijden aan een post traumatische stressstoornis (PTSS). [X.] legt ter onderbouwing van de PTSS een brief over van haar psychotherapeute aan de huisarts van 18 februari 2011. Daaruit blijkt dat de behandeling betreffende PTSS in 2005 aanvankelijk was afgerond, maar dat in oktober 2008 sprake is geweest van een heraanmelding, omdat [X.] weer angstklachten kreeg alsmede slaapproblemen en herbeleving van het geweld uit 2005. Uit deze brief blijkt voorts, aldus [X.], dat zij geen andere traumatische ervaringen heeft meegemaakt. Tevens blijkt daaruit dat zij vanaf oktober 2008 weer gericht is behandeld voor de PTSS met een consult bij de psychiater, medicatie en met psychiatrisch intensieve thuiszorg (PIT-verpleging) als ook dat de PTSS-klachten sinds januari 2010 grotendeels in remissie zijn. [X.] stelt dat zij nog steeds veel angstklachten ondervindt van de gebeurtenissen op 6 januari 2005 en dat zij vatbaar is voor een herbeleven van het trauma. [X.] zoekt voor de hoogte van het smartengeld aansluiting bij de onder nummer 841 en 835 in de Smartengeldgids van 2009 vermelde uitspraken en vindt, rekening houdend met de omstandigheid dat de daar vermelde bedragen zijn geïndexeerd tot en met 2009, een smartengeld van € 15.000,00 redelijk en billijk.

8.3. De broers [A.] leiden uit de vermelding in genoemde brief, dat de behandeling van [X.] voor PTSS in 2005 goed is afgerond, af dat toen een eindtoestand is bereikt. Dat [X.] zich in 2008 weer meldt, betekent volgens hen, gelet op het plaatsvinden van de comparitie van partijen op 7 november 2008, dat ofwel deze heraanmelding is geschied ‘pour besoin de la cause’ ofwel dat er in 2008 sprake is geweest van een voorval dat niet aan de broers [A.] kan worden toegerekend, maar waardoor zich bij [X.] opnieuw geestelijke gezondheidsklachten hebben ontwikkeld. Voorts stellen zij dat uit genoemde brief ook blijkt dat bij [X.] in januari 2010 onzekerheid over iets anders op de voorgrond staat, maar dat om reden van privacy is weggelakt waarover onzekerheid bestaat, zodat de broers [A.] en het hof daarvan geen kennis hebben kunnen nemen. In de brief staat dat deze onzekerheid zorgt voor angstige arousal bij [X.], waardoor oude gevoelens van trauma opnieuw getriggerd kunnen worden. Uit het opperen van deze mogelijkheid leiden de broers [A.] af dat niet vast staat dat sprake is van causaal verband tussen de gebeurtenissen in januari 2005 en de huidige klachten van [X.]. Zij sluiten echter niet uit dat [X.] in 2005 last heeft gehad van een gestoorde psychische gemoedsrust en zij stellen voor daarvoor een financiële genoegdoening toe te kennen in de vorm van € 1.000,00 per persoon, in totaal derhalve een bedrag van € 2.000,00.

8.4. Het hof heeft in r.o. 4.8.6 van het tussenarrest reeds overwogen dat [X.] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat bij haar door een combinatie van de gedragingen van de broers [A.] op 6 januari 2005 – enerzijds het met geweld binnendringen van haar woning en anderzijds haar mishandeling - angstklachten, onder meer bestaande uit een PTSS, zijn ontstaan. Voorts heeft het hof in deze overweging geoordeeld dat de klachten als ook het causaal verband tussen die klachten en de gebeurtenissen in januari 2005 vaststaan. Voor zover de broers [A.] in hun antwoordmemorie na tussenarrest bedoeld hebben te herhalen dat geen sprake is van causaal verband tussen de klachten van [X.] en het voorval uit 2005, blijft het hof bij dit oordeel. Het hof is voorts van oordeel dat op grond van de brief van de psychotherapeute van 18 februari 2011 voldoende vaststaat dat ook de angstklachten, de slaapproblemen en de herbeleving van het geweld in 2008 en de toen wederom bij [X.] ontstane PTSS aan het voorval van januari 2005 kunnen worden toegerekend. De door de broers [A.] gegeven verklaringen voor deze heraanmelding van [X.] is louter speculatief en om die reden gaat het hof daaraan voorbij. Het door de broers [A.] genoemde verband tussen de comparitie van partijen en de heraanmelding kan ook aldus worden verklaard dat het vooruitzicht dat er in november 2008 bij de rechtbank een zitting zou plaats vinden bij [X.] in oktober 2008 heeft geleid tot een herbeleving van de gewelddadige gebeurtenissen in haar woning in januari 2005. Daarvan kan het gevolg geweest zijn dat de PTSS, waarvoor [X.] eerder in 2005 succesvol was behandeld, zich wederom bij haar heeft geopenbaard. De broers [A.] zijn dus ook voor deze schade van [X.] aansprakelijk. De broers [A.] merken weliswaar terecht op dat zij niet aansprakelijk zijn voor de huidige klachten van [X.] voor zover deze veroorzaakt zijn door de in genoemde brief vermelde onzekerheid, maar [X.] heeft haar schadevergoeding niet op die klachten gebaseerd. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn de klachten waarop [X.] de smartengeldvergoeding baseert, de angstklachten, slaapstoornissen en de PTSS, alle aan het voorval van 6 januari 2005 toe te rekenen.

8.5. [X.] vordert een smartengeldvergoeding van € 15.000,00.

De hoogte van een smartengeldvergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld waarbij de rechter rekening moet worden houden met alle omstandigheden van het geval, zoals enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard en de ernst van het letsel als ook de gevolgen daarvan voor de benadeelde.

Het hof acht in het onderhavige geval van belang dat de broers [A.] op 6 januari 2005 met grof geweld de woning van [X.] zijn binnengedrongen, daarbij als het ware over [X.] heen zijn gelopen en haar hebben geraakt op haar rug en nek, dat [X.] vervolgens heeft gezien dat haar echtgenoot door de broers [A.] in de keuken werd geslagen en gestompt en met een mes werd bedreigd, waarbij [X.] heeft kunnen voorkomen dat haar echtgenoot door een van de broers met dat mes werd gestoken en dat [X.] ook zelf door [Y.] en/of [Z.] is mishandeld. De broers [A.] hebben aldus een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van [X.].

Wat betreft de aard en de ernst van de schade staat vast dat [X.] ten gevolge van de gebeurtenissen in haar woning lijdt aan angststoornissen, last heeft van slaapproblemen en lijdt aan een PTSS. Ten aanzien van de duur van de klachten gaat het hof op grond van genoemde brief van 18 februari 2011 ervan uit dat de klachten zich vooral hebben voorgedaan in 2005 en in de periode van oktober 2008 tot januari 2010.

Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat aansluiting moet worden gezocht bij de onder de nummers 818, 819, 822, 824 en 825 in de Smartengeldgids van 2009 vermelde uitspraken. Ook in die gevallen was na mishandeling sprake van psychische klachten dan wel een PTSS. Uitgaande van de in die uitspraken toegekende bedragen en rekening houdend met de omstandigheid dat deze bedragen zijn geïndexeerd tot en met 2009 acht het hof in het onderhavige geval een smartengeldvergoeding van € 4.500,00 redelijk en billijk. De uitspraken waar [X.] naar verwijst, betreffen naar het oordeel van het hof ernstiger gevallen.

8.6. Dit alles leidt ertoe dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, de broers [A.] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.500,00. Nu het gaat om een schadevergoedingsvordering is op grond van art. 6:119 juncto art. 6:83 sub b BW de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade is toegebracht, dus vanaf 6 januari 2005. Dit betekent dat de wettelijke rente met ingang van die dag wordt toegewezen, zoals bij eiswijzing in hoger beroep ook is gevorderd. De broers [A.] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in de kosten van de eerste aanleg als van dit hoger beroep.

9. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en,

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [Y.] en [Z.] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [X.] lijdt, heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden als gevolg van de door hen op 6 januari 2005 jegens [X.] in groepsverband gepleegde onrechtmatige daad;

veroordeelt [Y.] en [Z.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, aan [X.] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4500,-- aan [X.], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2005;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt de broers [A.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] worden begroot op € 336,44 (€ 85,44 explootkosten en € 251,00 griffierechten) aan verschotten en op € 1.356,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 401,93 aan verschotten en op € 1.341,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van de rechtbank respectievelijk dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. De Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 juli 2011.