Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR0229

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
20-001116-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ8163, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ8163
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis rechtbank in verband met veroordeling voor handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet. Van schending van het recht als bedoeld in artikel 8 EVRM kan geen sprake zijn nu de woning is betreden op uitnodiging van verdachte. Uitsluiting van door verdachte afgelegde verklaring bij politie voor het bewijs nu verdachte niet de mogelijkheid is geboden voorafgaande aan het verhoor een advocaat te raadplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001116-10

Uitspraak : 24 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 5 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 04-860314-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Namens verdachte is bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering en de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

1. Nu door de verbalisanten geen mededeling is gedaan omtrent het doel van binnentreden van de woning [adres]a te Venlo en voorzover sprake is van het geven van toestemming, hem geen informatie is verstrekt omtrent de gevolgen van het verlenen van toestemming en de toestemming zelf ook niet schriftelijk is vastgelegd, is sprake van een ernstige inbreuk op het huisrecht zoals bepaald in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna EVRM). Dit vormverzuim dient op grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te leiden tot bewijsuitsluiting.

2. De verklaring van verdachte die hij heeft afgelegd ten overstaan van de politie mag niet voor het bewijs worden gebruikt omdat verdachte na zijn aanhouding niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen.

De verdediging heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat overigens onvoldoende rechtmatig verkregen bewijs resteert om te kunnen komen tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 weergegeven verweer

B1

Op 15 oktober 2008 heeft verbalisant [verbalisant] een proces-verbaal opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

Op woensdag 15 oktober 2008 kwam ik, verbalisant [verbalisant] gezamenlijk met collega’s aan op de [adres] te Venlo. Door collega [verbalisant2] werd bij voornoemde woning aangebeld. Wij zagen dat de voordeur geopend werd door de later te noemen verdachte [verdachte]. Ik hoorde dat collega [verbalisant2] [verdachte] mede deelde dat er een melding van een hennepkwekerij was binnen gekomen. Ik, verbalisant [verbalisant], hoorde dat [verdachte] zei: “Ik heb een paar plantjes om van rond te komen”. Ik, verbalisant [verbalisant], hoorde dat [verdachte] zei: “Kom maar binnen”. Vervolgens liepen wij achter [verdachte] aan naar de tweede etage van deze woning. Op de tweede etage opende [verdachte] een deur van een slaapkamer. Ik, verbalisant [verbalisant] zag dat in deze kamer hennepplanten stonden.

B2

Uit het vorenstaande blijkt niet dat aan verdachte is gevraagd om toestemming, doch dat verdachte de verbalisanten ongevraagd heeft uitgenodigd binnen te komen door - nadat zij verdachte hadden geïnformeerd over de melding van een hennepkwekerij – tegen de verbalisanten te zeggen “kom maar binnen” en vervolgens voor de verbalisanten uit naar de tweede etage van de woning te lopen waar de hennepkwekerij vervolgens is aangetroffen. Hieruit leidt het hof af dat geen sprake is geweest van een situatie waarin om toestemming om de woning te betreden is of moest worden gevraagd. Er hoefde derhalve ook niet het doel van het betreden van de woning te worden kenbaar te worden gemaakt.

De woning is op uitnodiging van verdachte betreden. Van een schending van het recht als bedoeld in artikel 8 EVRM kan dan geen sprake zijn.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 weergegeven verweer.

C

Het hof is – met de verdediging – van oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel

6 EVRM nu de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie geen mogelijkheid is geboden om een advocaat te raadplegen.

Het hof zal derhalve de door verdachte afgelegde verklaring bij de politie niet tot bewijs bezigen.

D

Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 oktober 2008 (pag. 5 van het dossier) alsmede de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 6 maart 2009 (pag. 10 van het dossier) acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep zoals onder 1 door de rechtbank bewezen verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J. Buhrs en mr. G.TH.C. van der Bilt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 24 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.TH.C. van der Bilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.