Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BR0181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
10/00763
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BO1366, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was in het onderhavige jaar woonachtig in Nederland. Belanghebbende was als stuurman werkzaam op een schip dat voer op de West-Europese binnenwateren, waaronder de Rijn. Belanghebbende heeft in Luxemburg een E-106 verklaring gekregen en van 1-10 tot en met 31-12 in Luxemburg sociale premies afgedragen. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende premieplichtig in Nederland is. Via verordening 1408/71 komt het Hof bij het Rijnvarendenverdrag. Cruciaal is dan het antwoord op de vraag waar de onderneming haar zetel heeft. De bewijslast hiervoor ligt bij de inspecteur. Voor wat betreft de periode waarin belanghebbende werkte voor een in Luxemburg gevestigde vennootschap slaagt de inspecteur er niet in om aannemelijk te maken dat de zetel van de onderneming zich in Nederland bevond. Voor die periode valt belanghebbende dus niet onder de Nederlandse sociale wetgeving. Hoger beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1787
V-N 2011/39.1.3
V-N 2011/66.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00763

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 oktober 2010, nummer AWB 09/3758 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.032 en een premie-inkomen van € 30.631, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 maart 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Na een leespauze hebben partijen ermee ingestemd dat de pleitnota wordt geacht te zijn voorgedragen.

1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met toestemming van partijen wordt geacht te zijn voorgedragen.

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de balans per 31 december 2006, de resultatenrekening over 2006, een overzicht van de afschrijvingen over 2006 en een uitsplitsing van de banktegoeden van A (hierna: A). Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende deze stukken kort vóór de zitting als nadere stukken ingediend. Deze stukken behoren tot de gedingstukken.

1.8. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de fiscale en commerciële jaarstukken over 2006 van B B.V. en een stuk waaruit blijkt dat de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond bevoegd is. Deze stukken behoren tot de gedingstukken.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is in het onderhavige jaar gehuwd en woonachtig in Y aan de C-straat 13.

2.2. Belanghebbende is in het onderhavige jaar van 1 januari tot en met 30 september in dienstbetrekking werkzaam bij D (hierna: D) te E. Belanghebbende heeft daarvoor van D een loon van € 41.917 ontvangen, waarop € 14.026 loonheffing is ingehouden.

2.3. Belanghebbende is in het onderhavige jaar vanaf 1 oktober in dienstbetrekking werkzaam bij de in Luxemburg gevestigde A. Belanghebbende heeft daarvoor van A een loon van € 10.291 ontvangen.

2.4. Belanghebbende verricht de in 2.2 en 2.3 bedoelde werkzaamheden als stuurman aan boord van het motortankschip "F" (hierna: het schip) volgens het schema twee weken op (vaart) en twee weken af (verlof).

2.5. Het schip vaart in de internationale vaart op de West-Europese binnenwateren van Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, Nederland en België, onder andere op de Rijn.

2.6. Eigenaar van het schip is van 16 december 2005 tot 27 augustus 2008 G B.V., gevestigd te H aan de J-straat 466c.

2.7. B B.V. bezit alle aandelen in G B.V. en 99% van de aandelen in A. B B.V. is de moeder van een fiscale eenheid, waartoe ook G B.V. behoort.

2.8. Voor de periode waarin G B.V. eigenaar is geweest van het schip is er geen Rijnvaartverklaring aangevraagd en/of afgegeven.

2.9. Van 12 februari 1999 tot 16 december 2005 was het schip in eigendom van V.O.F. K, eveneens gevestigd te H aan de J-straat 466c. Betreffende die periode is een Rijnvaartverklaring afgegeven.

2.10. Op 16 december 2005 heeft L B.V., eveneens gevestigd te H aan de J-straat 466c, de eigendom van het schip verworven. Diezelfde dag heeft L B.V. het schip doorverkocht aan G B.V.

2.11. Vanaf 27 augustus 2008 is het schip in eigendom van V.O.F. F, eveneens gevestigd te H aan de J-straat 466c.

2.12. Op 13 januari 2010 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat van A een aanvraag ontvangen, waarin staat vermeld dat zij het schip gaat exploiteren.

2.13. De M te Luxemburg heeft aan belanghebbende op 14 december 2006 een E-106 verklaring afgegeven.

2.14. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar, althans over de periode van 1 oktober tot en met 31 december van het onderhavige jaar in Luxemburg sociale premies betaald.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. Is belanghebbende, afgezien van eventuele schending door de Inspecteur van het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, in het onderhavige jaar in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen?

b. Rust de bewijslast dat belanghebbende premieplichtig is voor de volksverzekeringen op de Inspecteur?

c. Heeft de Inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?

d. Heeft de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden?

Belanghebbende is van mening dat vraag a ontkennend en vragen b tot en met d bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de aanslag voor wat betreft de premie volksverzekeringen met € 3.084. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. De Inspecteur heeft ten aanzien van de juridische grondslag van de aanslag, naar het oordeel van het Hof terecht, het volgende gesteld.

Nationaal recht

4.2. Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen (artikel 6, lid 1, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv)).

4.3. Verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW), de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) is degene die ingezetene is (artikel 6, lid 1, onderdeel a, van de AOW respectievelijk artikel 13, lid 1, onderdeel a, van de Anw respectievelijk artikel 5, lid 1, onderdeel a, van de AWBZ). Niet in geschil is dat belanghebbende ingezetene van Nederland is. Zuiver naar nationaal recht bezien, is belanghebbende aldus premieplichtig voor de volksverzekeringen.

4.4. Vervolgens komt de vraag op of belanghebbende op grond van internationaal recht toch niet verzekerd is. Immers, niet verzekerd voor de AOW, de Anw en de AWBZ is de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is (artikel 6a, onderdeel b, van de AOW, artikel 13a, onderdeel b, van de Anw en artikel 5b, onderdeel b, van de AWBZ).

Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971

4.5. Niet in geschil is dat belanghebbende werknemer is. Nu voorts, op grond van het onder 4.3 overwogene, op belanghebbende het sociale zekerheidsstelsel van Nederland van toepassing is, is Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening) ingevolge artikel 2, lid 1, in verbinding met artikel 1, onderdeel a, van de Verordening van toepassing op belanghebbende.

4.6. De Verordening treedt in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid, maar voorziet daarbij zelf in enkele uitzonderingen, waaronder de Verdragen van 27 juli 1950 en van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Rijnvarendenverdrag) (artikel 6 en artikel 7, lid 2, onderdeel a, van de Verordening).

Het Rijnvarendenverdrag

4.7. In artikel 1, sub m, van het Rijnvarendenverdrag is het begrip "rijnvarende" gedefinieerd als "een werknemer (...) die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim, op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften".

4.8. Op de rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing (artikel 11, lid 1, van het Rijnvarendenverdrag). Op de rijnvarende is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Indien deze onderneming echter geen zetel heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, is op de rijnvarende van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het filiaal of de vaste vertegenwoordiging van die onderneming bevindt (artikel 11, lid 2, van het Rijnvarendenverdrag).

4.9. Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden (hierna: het Administratief Centrum) heeft bij Besluit nummer 5 van 27 maart 1990 (hierna: Besluit nr. 5) op de voet van artikel 72, lid 1, aanhef en sub a, van het Rijnvarendenverdrag - voor zover hier van belang - bepaald dat als "onderneming waartoe het schip behoort" in de zin van artikel 11, lid 2, eerste volzin, van het Rijnvarendenverdrag in beginsel geldt 'de onderneming' die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of deze onderneming al dan niet eigenaar is van het schip (artikel 1). Voor de toepassing van Besluit nr. 5 zijn de gegevens, vermeld op de Rijnvaartverklaring, maatgevend (artikel 4). Bij Besluit nummer 7 van 26 juni 2007 heeft het Administratief Centrum verduidelijkt dat, wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, voor de toepassing van het besluit als exploitant van het schip geldt: de onderneming of de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip (artikel 1).

4.10. De Inspecteur dient de feiten en omstandigheden waarop de aanslag berust, te stellen en, bij betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken. De Inspecteur dient in het onderhavige geval allereerst aannemelijk te maken dat belanghebbende is aan te merken als een rijnvarende in de zin van artikel 1, sub m, van het Rijnvarendenverdrag en vervolgens dat de zetel van de onderneming, waartoe het schip behoort, zich in Nederland bevindt.

4.11. Als gesteld en niet voldoende weersproken staat vast dat in het onderhavige jaar belanghebbende beroepsarbeid heeft verricht op het schip, dat het schip met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt, dat het schip is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte en dat het schip in het onderhavige jaar op de Rijn heeft gevaren. Anders dan belanghebbende meent, wordt in artikel 1, sub m, van het Rijnvarendenverdrag niet de eis gesteld, dat het schip uitsluitend of hoofdzakelijk op de Rijn vaart of dat de werknemer met het schip in enige mate op de Rijn vaart. Het Hof is mitsdien van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een rijnvarende is in de zin van artikel 1, sub m, van het Rijnvarendenverdrag.

4.12. Ten aanzien van de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort, heeft de Inspecteur gesteld dat G B.V., de eigenaar van het schip in het onderhavige jaar, de onderneming exploiteert. Uit de door de Inspecteur overgelegde geconsolideerde jaarstukken over het onderhavige jaar van B B.V. blijkt volgens de Inspecteur dat G B.V. de vrachtopbrengsten alsmede de kosten van het schip verantwoordt. De Inspecteur heeft echter geen enkelvoudige jaarstukken van G B.V. overgelegd. De inspecteur heeft ook geen derdenonderzoek laten doen bij G B.V. Het Hof is van oordeel dat uit de geconsolideerde jaarstukken van B B.V. niet kan worden afgeleid dat G B.V. een schip exploiteert. Voorts rechtvaardigt de omstandigheid dat G B.V. als eigenaar van het schip, tegen de regels van de wet in, niet over een Rijnvaartverklaring beschikt, niet de conclusie van de Inspecteur dat de exploitant van het schip geacht moet worden in Nederland te zijn gevestigd. Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort, zich in Nederland bevindt.

4.13. Nu de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort zich in Nederland bevindt, acht het Hof eveneens niet aannemelijk gemaakt dat de wetgeving over sociale verzekeringen van Nederland van toepassing is over de periode waarin belanghebbende werkzaamheden heeft verricht voor A.

Tussenoordeel

4.14. Gelet op al het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat belanghebbende betreffende de periode dat hij werkzaamheden voor A heeft verricht, geen verzekerde is voor de volksverzekeringen in Nederland. Belanghebbende is mitsdien over die periode geen premie volksverzekeringen verschuldigd. Belanghebbendes overige grieven behoeven derhalve geen behandeling. Vervolgens onderzoekt het Hof wat de gevolgen van dit tussenoordeel zijn voor de hoogte van het premie-inkomen.

De hoogte van het premie-inkomen

4.15. Het premie-inkomen is ingevolge artikel 8, lid 1, van de Wfsv, kort gezegd, gelijk aan het belastbare inkomen uit werk en woning. Belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 49.032.

4.16. Ingevolge artikel 2.4, lid 1, van de Regeling van 2 december 2005, Stcrt. 242, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Regeling Wfsv) wordt in het onderhavige geval het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht. Gelet op artikel 2.7 van de Regeling Wfsv bedraagt het tijdsevenredige premie-inkomen: 270 / 360 * (€ 41.917 + € 10.291) = € 39.156.

4.17. Ingevolge artikel 2.4, lid 2, van de Regeling Wfsv bedraagt het premie-inkomen maximaal, kort gezegd, het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan, waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Het premie-inkomen bedraagt dan maximaal: € 52.208 - € 10.291 = € 41.917.

4.18. Ingevolge artikel 8, lid 3, van de Wfsv wordt het premie-inkomen tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In het onderhavige jaar bedraagt het maximum premie-inkomen € 30.631. Ingevolge artikel 2.5 van de Regeling Wfsv moet het premie-inkomen tijdsevenredig worden afgeleid van het maximum premie-inkomen dat op grond van artikel 8, lid 3, van de Wfsv in aanmerking moet worden genomen. Gelet op artikel 2.7 van de Regeling Wfsv bedraagt het tijdsevenredige maximum premie-inkomen: 270 / 360 * € 30.631 = € 22.973.

4.19. Het Hof stelt het premie-inkomen vast op de laagste van de drie, in 4.16, 4.17 en 4.18 beschreven, berekeningsmethoden. Het Hof stelt het premie-inkomen mitsdien vast op € 22.973. Belanghebbendes berekening, waarbij hij concludeert tot een vermindering van de premie volksverzekeringen met € 3.084 kan het Hof, gelet op het vorenstaande, niet volgen.

Slotsom

4.20. Gelet op al het vorenoverwogene verklaart het Hof belanghebbendes beroep gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 111 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.23. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 874 voor het beroep bij de Rechtbank.

4.24. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 874 voor het hoger beroep bij het Hof.

4.25. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag voor wat betreft de premie volksverzekeringen tot een aanslag berekend naar een premie-inkomen van € 22.973, onder handhaving van alle overige elementen van de aanslag;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 152 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.748.

Aldus gedaan op 4 mei 2011 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, T.A. Gladpootjes en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.