Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9885

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
20-003405-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte trekt hoger beroep in na regiezitting, waarop getuigenverhoren zijn bevolen door het hof, maar voordat die getuigenverhoren zouden plaatsvinden. Hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Daarbij wordt onder meer overwogen dat in dit geval de belangen van de benadeelde partij en die zich in hoger beroep hebben gevoegd geen rol kunnen spelen, aangezien de verdachte persoonlijk in staat van faillissement is verklaard en dat faillissement nog niet is afgewikkeld . Dan moeten vorderingen tegen de gefailleerde worden afgewikkeld via de Faillissementswet en is daarvoor geen plaats in het strafproces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003405-10

Uitspraak : 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2010, parketnummer 01/825127-10, en de van dat vonnis deeluitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20/001676-08, in de strafzaak tegen de verdachte,

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost,

locatie Maashegge (ZBB), te Overloon.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Met de behandeling van de onderhavige zaak is op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2011 een aanvang genomen. De verdediging heeft daarbij onderzoekswensen naar voren gebracht. Na een onderbreking van het onderzoek heeft het hof op 7 maart 2011 beslist dat stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd en dat de rechter-commissaris in totaal zeven getuigen dient te horen.

Het hoger beroep van de verdachte is vervolgens bij akte intrekking beroep d.d. 17 mei 2011 ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het onderzoek reeds ten gronde een aanvang heeft genomen en dat mede gelet op de belangen van de benadeelde partijen aan de intrekking van het hoger beroep geen gevolgen dienen te worden verbonden.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is ingetrokken, nadat de terechtzitting in hoger beroep is aangevangen.

De advocaat-generaal heeft de stelling ingenomen dat door de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, tekort wordt gedaan aan de belangen van de benadeelde partijen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2011 is gebleken dat de verdachte op 3 februari 2009 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch persoonlijk in staat van faillissement is verklaard en dat dit faillissement nog niet is afgewikkeld. Het hof heeft deze omstandigheid geverifieerd door raadpleging van het Centraal Insolventieregister (via Rechtspraak.nl) op 1 juni 2011. Die omstandigheid brengt met zich dat de benadeelde partijen in het strafproces niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen en dat zij hun vorderingen slechts bij de faillissementscurator kunnen indienen. De Faillissementswet voorziet immers in een exclusieve procedure voor de afwikkeling van vorderingen op de failliete boedel, welke niet kan worden doorkruist door een andere procedure, zoals de voeging in het strafproces. Het is niet aan de strafrechter om de vorderingen op de boedel vast te stellen. Daarom kan een schadevergoedingsmaatregel evenmin worden opgelegd. De belangen van de benadeelde partijen zijn daarom naar het oordeel van het hof in de onderhavige strafzaak niet meer aan de orde en dienen dus te worden geëcarteerd bij de beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verdachte.

Het hof overweegt voorts dat met de behandeling van de zaak in hoger beroep reeds enig onderzoek heeft plaatsgevonden. Niet alleen heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 411a van het Wetboek van Strafvordering een getuige gehoord, maar ook zijn na de ter terechtzitting van 7 maart 2011 genomen beslissingen, stukken in het geding gebracht. Daar staat tegenover dat de rechter-commissaris nog geen gevolg heeft gegeven aan de beslissing van het hof d.d. 7 maart 2011 om getuigen te horen en dat met de ondervraging van de verdachte nog geen aanvang is genomen. In dit geval is het hof daarom van oordeel dat van een behandeling van de zaak ten gronde nog geen sprake is.

In aanmerking genomen voorts dat alleen de verdachte tegen het vonnis beroep heeft ingesteld, dat de verdachte blijkens de intrekking van het hoger beroep geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep en dat het openbaar ministerie daarbij geen bijzonder, daartegen opwegend, strafvorderlijk belang - zoals de wens om een zwaardere straf te eisen dan is opgelegd door de rechtbank - heeft aangevoerd, zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. W.J. Kolkert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 1 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.